Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9847

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
427.217 CV EXPL 13-224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsconflict. Gedaagde moet eiser binnen één week na betekening van dit vonnis toelaten tot

het verrichten van de bedongen werkzaamheden als verpleeghuisarts/specialist Ouderenzorg

in opleiding en hem alle ondersteuning bieden bij het effectueren en volgen van de

opleiding tot Specialist Ouderen Zorg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0081
JAR 2013/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats

Zaaknummer : 427.217 CV EXPL 13-224

Uitspraak : 29 januari 2013 (b)

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],

wonende te Almelo,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. R. Kroon,

advocaat te Almelo,

tegen

Stichting Livio,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Livio,

gemachtigde: mr. E.P. Cornel,

advocaat te Enschede.

De procedure

[eiser] heeft gesteld en gevorderd als staat vermeld in de dagvaarding van 14 januari 2013.

Livio heeft een conclusie van antwoord ingediend.

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling hebben beide partijen stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 januari 2013. Bij die gelegenheid zijn verschenen [eiser], bijgestaan door mr. Kroon, en Livio, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger], Teammanager P&O en de heer [vertegenwoordiger], manager behandeling en paramedische diensten en leidinggevende van de verpleeghuisartsen bij Livio, bijgestaan door mr. Cornel.

Mr. Kroon heeft zijn standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Van hetgeen verder ter zitting is besproken is proces-verbaal opgemaakt door de griffier.

Vonnis is bepaald op heden.

De feiten.

De navolgende feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, worden als vaststaand beschouwd.

- [eiser] is op 9 juli 2012 als basisarts in dienst getreden van Livio voor bepaalde duur en wel tot 1 december 2012. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Verpleeg- en Verzorgingstehuizen en Thuiszorg (CAO VVT) van toepassing.

- Het contract tussen [eiser] en Livio is via het bemiddelingsbureau Start People Medi Interim (Start) tot stand gekomen. Aan dat bureau heeft [eiser] een Curriculum Vitae (CV) verstrekt. In het CV blijkt dat over de periode 2003 – 2011 een gat bestaat in werkervaring van acht jaar. Start heeft het CV aan Livio verstrekt.

- Bij het aangaan van het dienstverband zijn partijen overeengekomen dat [eiser] de opleiding tot Specialist Ouderen Geneeskunde (SOG) zou gaan volgen.

- Met ondersteuning van Livio heeft [eiser] voor de opleiding tot SOG toelatingsgesprekken gevoerd. Medio december 2012 is [eiser] toegelaten tot de opleiding aan het UMC St. Radboud te Nijmegen. De opleiding vangt aan per 1 maart 2013 en zal drie jaren duren. Gedurende de opleiding treedt de arts in opleiding (AIO) in dienst van de Stichting SBOH.

- In november 2012 is Livio telefonisch benaderd door een journalist van het AD. Gevraagd werd of [eiser] of een andere persoon met een Arabische naam bij Livio als Verpleeghuisarts actief is. Bij gebrek aan wetenschap heeft de betreffende medewerker van Livio hierop aangegeven, dat hij de vraag bevestigend noch ontkennend kon beantwoorden. Later ontdekte de medewerker op het Livio-net dat [eiser] wel bij Livio werkzaam is en heeft hij de manager Verpleeghuizen en LG (de heer [vertegenwoordiger]) van een en ander op de hoogte gesteld. Die heeft daarop [eiser] de vraag gesteld wat de reden kon zijn dat het AD naar hem informeerde. [eiser] antwoordde dat hij dat niet wist, maar dat hij met een vriend een homeopathische praktijk aan het opzetten was en daarvoor een persbericht had doen uitgaan.

- Op 19 december 2012 werd Livio gebeld door de Hoofdinspectie der Volksgezondheid. De vraag werd voorgelegd of zij ervan op de hoogte was dat één van haar artsen een crimineel verleden had. Livio heeft die vraag ontkennend beantwoord.

- Op 20 december 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heren [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger] van Livio enerzijds en [eiser] anderzijds. Desgevraagd erkende [eiser] dat hij in detentie had gezeten. Livio gaf daarop aan dat het vertrouwen in [eiser] ernstig was geschaad.

- Bij brief van 21 december 2012 heeft Livio het gesprek van 20 december 2012 bevestigd. Aangegeven werd dat [eiser] bij zijn aanstelling openheid van zaken had moeten geven. Door onjuiste informatie te verschaffen over het gat in zijn CV heeft hij zowel Start als Livio op het verkeerde been gezet. Als gevolg hiervan is het vertrouwen van Livio ernstig geschonden. [eiser] is hierop vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van salaris. Tevens werd hem meegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst per 1 maart 2013 van rechtswege zou eindigen.

- Op 27 december 2012 is [eiser] door de Inspectie van de Gezondheidszorg (IZG) voor een gesprek uitgenodigd. De uitkomst van dat gesprek was vooralsnog dat men geen argumenten zag om zijn werkzaamheden als arts te beletten dan wel andere maatregelen te treffen. Zijn zogenoemde BIG-registratie is nog onverkort van kracht.

De vordering

[eiser] vordert Livio te veroordelen om hem binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden als verpleeghuisarts/Specialist Ouderenzorg in opleiding en hem alle ondersteuning te bieden bij het effectueren en volgen van de opleiding tot Specialist Ouderen Zorg, waaronder begrepen maar daartoe niet beperkt, het bieden van de voor die opleiding vereiste stageplaatsen en noodzakelijke begeleiding, zulks op straffe van de dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of een gedeelte van de dag dat Livio in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling te voldoen, kosten rechtens.

Aangevoerd wordt dat de door Livio aangedragen argumenten tot schorsing en beëindiging van de arbeidsovereenkomst onjuist zijn. [eiser] heeft voor, tijdens, noch na het sluiten van de arbeidsovereenkomst iets verzwegen. Op de hem gestelde vragen heeft hij altijd naar eer en geweten geantwoord. Juist is dat hij niets heeft verteld over zijn strafrechtelijk verleden maar daar is impliciet noch expliciet naar gevraagd. [eiser] hoefde daar ook niet over te spreken omdat het een kwestie betrof die zich in de privésfeer had voltrokken. Die kwestie heeft ook niets van doen met zijn functioneren als arts. Het feit dat Livio niet naar een verklaring omtrent gedrag heeft gevraagd en in het geheel niet naar het (arbeids)verleden van [eiser] heeft geïnformeerd, benadrukt dat dit verleden voor Livio kennelijk niet belangrijk was.

Livio gaat geheel voorbij aan hetgeen partijen met betrekking tot de opleiding zijn overeengekomen. De stelling van Livio dat het voornemen was de overeenkomst in februari 2013 te sluiten kan niet worden gevolgd, aldus [eiser]. Bij het traject van de opleiding is Livio immers uitvoerig betrokken geweest. Als opleidingsinstituut heeft zij alle contacten met de opleidingsinstellingen (UMC St. Radboud) onderhouden. [eiser] wijst erop dat de bevestiging van toelating tot de opleiding in afschrift is verzonden aan Opleidingsinrichting Livio, t.a.v. zowel de directie als aan de aan Livio verbonden opleider. [eiser] vordert op grond hiervan nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst.

Het verweer

[eiser] heeft zowel in de sollicitatiefase als tijdens het dienstverband zijn informatieplicht geschonden. Door te verzwijgen dat hij in 2004/2005 is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens een levensdelict ([eiser] is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens het in brand laten steken van zijn vrouw) en vervolgens foutieve informatie te verschaffen over het gat in zijn CV ([eiser] gaf aan dat hij in die periode zijn zieke moeder in Egypte verzorgde) heeft [eiser] zowel Start als Livio op het verkeerde been gezet. Daarnaast zijn er twee momenten geweest waarop [eiser] die informatie alsnog had kunnen geven. Dat was op het moment dat de heer [vertegenwoordiger] hem vroeg naar het hoe en waarom van de vraag om informatie van het AD, en op het moment dat [eiser] op eigen initiatief contact zocht met de betreffende journalist van het AD. Livio is van mening dat de verzwegen informatie relevante informatie bevat voor de uit te oefenen functie. Door daarover geen openheid van zaken te geven heeft [eiser] het vertrouwen van Livio in hem onherstelbaar beschadigd.

Juist is dat tussen partijen de intentie is uitgesproken dat wanneer [eiser] tot de opleiding SOG zou worden toegelaten, Livio in dat kader de benodigde interne als externe stageplaatsen zou bieden, en dat zij gedurende die drie jaar het inkomen van [eiser] zou aanvullen. Tot het definitief aangaan van de beoogde studieovereenkomst is het echter niet gekomen. De overeenkomst zou in februari 2013 worden gesloten.

Livio concludeert [eiser] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen dan wel hem deze te ontzeggen, met veroordeling in de kosten van het geding.

De motivering voor de beslissing in kort geding

Livio is in oktober 2011 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met Start People Medi Interim, welk bedrijf zich profileert als specialistisch arbeidsmarktintermediair in innovatieve oplossingen voor personele vraagstukken binnen de zorg- en welzijnssector.

Krachtens deze overeenkomst voert Start People intake- en selectiegesprekken volgens een professionele methode, welke in 7 stappen verloopt. Tot één van die stappen behoort screening van de kandidaat.

Met betrekking tot [eiser] heeft Start People op 25 februari 2012 een intakegesprek gehouden in het Van der Valk hotel te Hengelo. Mevrouw [betrokkene] van Start People heeft een gesprek met [eiser] gevoerd. Een dag eerder is er door Start People een check gedaan op de BIG-registratie.

Vervolgens zijn er enkele gesprekken geweest. Mevrouw [betrokkene] zegt dat zij in die gesprekken [eiser] heeft geconfronteerd met het feit dat er een gat van 8 jaar in zijn CV stond.

Mevrouw [betrokkene] zegt dat [eiser] haar daarop heeft gezegd dat hij in die periode voor zijn ouders in Egypte heeft gezorgd. Ook zou hij in die periode een studie alternatieve geneeswijzen hebben gedaan.

Feit is dat het vinden van verpleeghuisartsen moeilijk is. Om die reden neemt Livio sedert enige tijd basisartsen in dienst, voor bepaalde tijd, om tijdens de bepaalde tijd over en weer te kunnen beoordelen of de opleiding tot Specialist Ouderen Geneeskunde (SOG) een begaanbare weg is voor beide partijen.

Op 8 juni 2012 heeft Start People [eiser] spontaan voorgedragen bij Livio voor een snuffelstage.

Op 15 juni 2012 heeft [eiser] een gesprek gehad met de manager behandeling en paramedische diensten en leidinggevende van de verpleeghuisartsen bij Livio, de heer [vertegenwoordiger]. Livio stelt zelf dat er tijdens dat gesprek is gesproken over de werkervaring en opleiding van [eiser]. [eiser] zou in dat gesprek uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat de recente ziekte van zijn moeder (kanker) hem het gevoel had gegeven om over te stappen naar de ouderengeneeskunde. Echter daarmee is niet gezegd dat [eiser] gedurende 8 jaar zijn zieke moeder in Egypte heeft verzorgd.

De heer [vertegenwoordiger] heeft ter terechtzitting gezegd dat hij tijdens het gesprek met [eiser] had moeten doorvragen omtrent het gat in zijn CV, maar dat niet heeft gedaan.

De voorliggende vraag is dan of [eiser] uit zichzelf opening van zaken had moeten geven over de periode vanaf 2003. Hijzelf vindt van niet. Hij zegt dat de reclassering hem heeft aangeraden niet uit zichzelf te gaan spreken over zijn verleden.

Daarnaast heeft hij ter terechtzitting gezegd dat hij de waarheid zou hebben gezegd als hem daarnaar zou zijn gevraagd, maar dat dat laatste niet het geval was.

Naar het oordeel van de kantonrechter rustte op [eiser] onder die omstandigheden niet de plicht om uit zichzelf opening van zaken te geven omtrent zijn verleden.

Livio betoogt weliswaar anders maar daarbij miskent zij dat er voor [eiser] geen reden aanwezig was om er van uit te gaan dat zijn spreken noodzakelijk was voor een goede uitoefening van de werkzaamheden: het gebeuren heeft zich immers afgespeeld in de relationele sfeer, terwijl die situatie zich naar alle waarschijnlijkheid niet meer voor zal gaan doen, zodat het verleden niet relevant is voor een goede uitoefening van de werkzaamheden.

Partijen dienen, aldus de Hoge Raad, hun gedrag mede te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Dit brengt met zich mee, zo concludeert de kantonrechter, dat [eiser] had moeten praten, indien er een reëel recidive gevaar zou ontstaan, indien [eiser] de werkzaamheden zou gaan uitvoeren. Dit laatste doet zich echter niet voor.

Daarnaast mag toch zeker niet onvermeld blijven dat Livio haar onwetendheid voor een zeer groot deel aan haarzelf te wijten heeft door niet naar het verleden van [eiser] te vragen, terwijl daarvoor alle redenen en aanwijzingen aanwezig waren.

Het proefschrift van mr. Kötter, getiteld “de rechtspositie van de sollicitant en de werknemer tijdens de proeftijd” maakt dat niet anders.

Voorts is ter terechtzitting gezegd door en namens Livio dat het nog maar de vraag was of zij, op de hoogte zijnde van het verleden van [eiser], bij de sollicitatie zou hebben afgezien van de snuffelstage. Zij zou graag de mogelijkheid hebben gehad om een onderzoek te laten uitvoeren naar een persoonlijkheidsstoornis en door het zwijgen van [eiser] is haar die mogelijkheid ontnomen.

Dit argument komt de kantonrechter wat onwaarachtig voor. Het zou dan veel meer voor de hand hebben gelegen dat Livio een dergelijk onderzoek bij aankomende verpleeghuisartsen tot norm gaat verheffen en niet slechts afwachtend gaat reageren op eventuele mededelingen vanuit de aspirant arts.

Livio heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Zij heeft de overeenkomst beëindigd omdat, zo zegt zij, het vertrouwen van haar in [eiser] onherstelbaar is beschadigd.

Dat het vertrouwen een deuk heeft opgelopen, wil de kantonrechter wel geloven, maar dat deze onherstelbaar is, lijkt wat overtrokken. Noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt van een spoor van kritiek op het functioneren van [eiser], zodat het er voor moet worden gehouden dat [eiser] op een adequate wijze functioneert.

Als die deuk in het vertrouwen er is, dan dient Livio de hand ook in eigen boezem te steken. Mede door haar toedoen is deze hele onverkwikkelijke zaak immers ontstaan. Indien zij op een alerte wijze het sollicitatiegesprek was ingegaan en in dat gesprek de gebruikelijke vragen had gesteld, dan had zij het hele verhaal boven tafel gekregen. Dit heeft zij niet gedaan, zodat het niet fair lijkt om de gevolgen van haar eigen onjuist handelen geheel en al voor rekening van [eiser] te laten komen. Dat gebeurt immers als de vordering van [eiser] wordt afgewezen: hij zal naar alle waarschijnlijkheid na alle commotie in de media over deze zaak nergens een stageplaats kunnen bemachtigen!

Uit voorgaande vloeit voort dat de kantonrechter de vordering in kort geding als na te melden zal toewijzen. De vraag of er sprake is van een al dan niet verlengde arbeidsovereenkomst kan daarbij voorshands buiten beschouwing blijven, omdat het in deze gaat om de beweerde overeenkomst die er toe zou leiden dat [eiser] zal worden toegelaten tot de opleiding tot specialist Ouderengeneeskunde. Het moge dan zo zijn dat er wellicht (nog) geen op schrift gestelde overeenkomst met betrekking tot de stageplaats bij Livio is opgesteld, feit is wel dat beide partijen op zijn zachtst gezegd de intentie hadden om [eiser] in staat te stellen die opleiding te gaan volgen en dat Livio daarvoor een stageplaats zou leveren. Dit nu is de strekking van de vordering van [eiser] en die is naar de vaste overtuiging van de kantonrechter toewijsbaar.

Gelet op de grote publiciteit die deze zaak in de media heeft gekregen, ligt het voor de hand dat Livio enige tijd nodig heeft om binnen haar organisatie weer een plaats voor [eiser] in te ruimen. De gevraagde termijn van twee dagen komt de kantonrechter in dit verband wat kort voor. Die termijn zal gesteld worden op één week.

De dwangsom zal de kantonrechter bepalen op € 1.000,-- per dag en zal worden gemaximeerd tot € 45.000,--.

Livio zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

De beslissing:

Veroordeelt Livio om [eiser] binnen één week na betekening van dit vonnis toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden als verpleeghuisarts/specialist Ouderenzorg in opleiding en hem alle ondersteuning te bieden bij het effectueren en volgen van de opleiding tot Specialist Ouderen Zorg, waaronder begrepen maar daartoe niet beperkt, het bieden van de voor die opleiding vereiste stageplaatsen en noodzakelijke begeleiding,

één en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat Livio in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling te voldoen.

Stelt het bedrag dat Livio terzake die dwangsom maximaal zal verbeuren vast op € 45.000,--.

Veroordeelt Livio in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 172,38 wegens verschotten en € 400,-- wegens salaris van zijn gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. H.R.K. Valk, kantonrechter, en op 29 januari 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.