Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9800

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
05/518351-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor drugstransport van Marokko naar Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/518351-08

Data zittingen : 14 mei 2009, 18 augustus 2011, 19 oktober 2011, 11 en 12 januari 2012 en 26 januari 2012, 14 augustus 2012, 23 oktober 2012, 16 januari 2013

Datum uitspraak : 30 januari 2013

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

woonplaats : [woonplaats],

thans uit anderen hoofde gedetineerd te P.I. [adres]

Raadsman : mr. P.C. Tuinenburg, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van de maand juni 2007 tot en met 27 juli

2008 te Lemmer, gemeente Lemsterland en/of te Terschelling en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1620

kilo hasjiesj, in elk geval een grote hoeveelheid van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2007 tot en met de maand april

2008, te Lemmer, gemeente Lemsterland en/of te Harlingen en/of te Arnhem

en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of te Helgoland (Duitsland)

en/of te Kenia, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een voorwerp, te weten een vaartuig, [naam boot], heeft verworven,

voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een

voorwerp, te weten een vaartuig, [naam boot], gebruik heeft gemaakt, terwijl

hij/zij wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is 16 januari 2013 laatstelijk ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is daarbij verschenen en is bijgestaan door mr. P.C. Tuinenburg, advocaat te Amsterdam. Op 11 en 12 januari 2012 was de zaak reeds inhoudelijk behandeld. De zaak is toen aangehouden tot 26 januari 2012 en uiteindelijk tot 16 januari 2013, om verdachte in de gelegenheid te stellen ter zitting aanwezig te zijn en als laatste het woord te voeren. De officier van justitie en de raadsman hebben daarbij opnieuw de gelegenheid gekregen tot het houden van requisitoir en pleidooi.

De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft gerekwireerd.

Verdachtes raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Feit 1

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 27 juli 2007 wordt op de Noordzee het zeiljacht [naam jacht]’ gesignaleerd en wordt de [naam jacht]’, als zij is binnengelopen in de haven van Terschelling, gevisiteerd. Aan boord van de [naam jacht]’ bevinden zich vier personen: [betrokkene1], [betrokkene2], [betrokkene3] e[betrokkene4]. Diezelfde dag is de [naam jacht]’ doorzocht en daarbij zijn 47 pakketten aangetroffen. In de pakketten bevindt zich hasjiesj. Het totale gewicht van deze hasj bedraagt 1620 kilogram. De hasj is op de Noordzee vanaf de boot ‘[naam boot]’ overgeladen naar de [naam jacht]’. De hasj is op 10 juli 2007 vanuit Marokko aan boord van de [naam boot]’ geladen. Aan boord van de [naam boot]’ bevonden zich [verdachte] (verdachte), [betrokkene5], [betrokkene6] en [betrokkene4]. De [naam boot]’ is van Kenia via Spanje naar Helgostad (Duitsland) gevaren.

Op 21 april 2008 zijn, tijdens een doorzoeking, in de Audi A4 met kenteken [x] die eigendom is van medeverdachte [medeverdachte1], drie pasfoto’s van medeverdachte [mededader2] aangetroffen, alsook een envelop met daarin een brief aan ‘[medeverdachte2] en [betrokkene vrouw7]’ ondertekend door ‘[adres]’, met op de achterzijde van de envelop een ‘(voorletter)’. In de brief staat onder meer ‘Hallo [medeverdachte2] en [betrokkene vrouw7] (…) ik heb een hoop werk voor je gedaan ben in Helgoland gekomen om 0030 (…) ik heb mij aan de afspraak gehouden ten opzichte van de politie (…) denk er goed om [medeverdachte2] de jongens die boven je staan hebben er oogen ook niet in hun zak’.

[verdachte] heeft aan de [adres] gewoond.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van juni 2007 tot en met juli 2007 samen met anderen 1.620 kilo hasj Nederland heeft ingevoerd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het schip [naam boot]’ in Kenia heeft opgehaald en dat hij daarmee via Marokko naar Helgoland is gevaren. Hij was daarbij als kapitein degene die het laatste woord had als er beslissingen moesten worden genomen. In Marokko werden er drugs, hasjiesj, op het schip geladen. Verdachte wist dit en is vervolgens met de [naam boot]’ verder gevaren naar Helgoland, Duitsland. Verdachte zou voor het succesvol vervoeren van de hasjiesj € 100.000,- krijgen.

[betrokkene4] heeft verklaard dat [betrokkene3] hem benaderd heeft om voor een klus naar Spanje te gaan. Toen hij [betrokkene3] vroeg om welke kleur het ging, zei [betrokkene3] hem dat het bruin was. [betrokkene4] wist toen dat het ging om het vervoeren van hasj. [betrokkene3] vertelde [betrokkene4] dat hij opgehaald zou worden door een vrouw. [betrokkene vrouw7] heeft [betrokkene4] opgehaald en samen zijn ze naar Schiphol gegaan en op 25 juni 2007 met het vliegtuig naar Spanje gevlogen. [betrokkene4] zegt dat [betrokkene vrouw7] ervan wist, dat zij de vrouw van de grote man is en dat [betrokkene vrouw7] wist hoe de vork in de steel zat en wat [betrokkene4] ging doen. Vanuit Madrid zijn [betrokkene vrouw7] en [betrokkene4] doorgevlogen naar Vigo en daar zijn ze opgehaald door [betrokkene8]. [betrokkene vrouw7] en [betrokkene8] kenden elkaar en [betrokkene8] heeft [betrokkene4] en [betrokkene vrouw7] naar de haven gebracht waar het moederschip, de [naam boot] , lag. [betrokkene vrouw7] heeft [betrokkene8] een stapeltje van ongeveer drie á vier centimeter geld gegeven, bestaande uit allemaal briefjes van vijftig. [betrokkene8] reed in een zwarte Mercedes Vito met Nederlands kenteken. [betrokkene8] heeft de generator op het schip geïnstalleerd.

Aan boord van het moederschip zaten [verdachte] en twee negers. Het moederschip moest gereed gemaakt worden om hasj in te voeren. Ze moesten onderhoud plegen aan het moederschip. Op 10 juli 2007 zijn ze met het schip voor de kust van Noord-Marokko gaan liggen en daar is de hasj aan boord gebracht. Met de hasj aan boord zijn ze door de Golf van Biskaje richting Nederland vertrokken. Ze, voornamelijk [verdachte], wilden buiten de territoriale wateren blijven. Daarna zijn ze naar de Noordzee gevaren en hebben ze gewacht op het schip van [betrokkene3], de [naam jacht]. [verdachte] heeft toen contact gehad met de grote baas. Rond 25 juli 2007 hebben [betrokkene4] en [betrokkene3] de hasj vanuit de [naam jacht] overgezet naar het moederschip. [betrokkene4] heeft van [verdachte] gehoord dat de partij hasj die ze aan boord hadden, bestemd was voor een dertigjarig persoon, vermoedelijk in Nederland. De organisator van het hasjtransport werd door [v[verdachte]achte] en [betrokkene3] ‘Klaas Vaak’ genoemd. Bij een doorzoeking van de [naam boot] is een opdrachtformulier aangetroffen van 2 maart 2007 van Shipshop, met als contactpersoon [betrokkene8], aan Flevobird, inzake een transport naar Kenia. [betrokkene8] heeft aan ambtenaren van de belastingdienst medegedeeld dat ene [mededader2] opdracht heeft gegeven voor het transport van het zeil naar Kenia, waarvoor [mededader2] contant heeft afgerekend. [betrokkene8] is in Vigo geweest voor de inbouw van een stuurautomaat in het schip [naam boot]. De schipper daarvan was een oude man met de naam [verdachte]. Er waren ook twee Kenianen aan boord. Er is ook een generator ingebouwd in de [naam boot]. [betrokkene8] is samen met [mededader2] naar Vigo gereden. [mededader2] heeft hem opgehaald met een donkerblauwe Mercedes Vito. [betrokkene8] is 8 dagen in Vigo geweest voor reparaties op de [naam boot]. In die 8 dagen is [mededader2] een paar keer langs geweest op de [naam boot]. De vrouw van [mededader2] en hun zoontje waren ook in Vigo. [medeverdachte2] heeft [betrokkene8] gezegd dat de [naam boot] en de Mercedes Vito van hem, [medeverdachte2], waren.

Getuige [betrokkene5] is gehoord. Hij is één van de Kenianen die zich aan boord van de [naam boot] bevonden. Hij heeft verklaard dat hij de man herkent die hem getoond wordt op de foto met aanduiding D/006 als [medeverdachte2]. [medeverdachte2] voer mee op de [naam boot] en is in La Coruna van boord gegaan. Daarna zijn ze naar Vigo gevaren. Daar zijn ze een week gebleven om de zeilen en de generator te repareren. Toen kwam [betrokkene4] aan boord en toen zag [betrokkene5] [medeverdachte2] in de verte staan met een klein jongetje en een vrouw naast hem. Dit is de vrouw die hem op foto D/010 wordt getoond . In die week kwam [medeverdachte2] vrijwel elke dag langs. Voor de kust van Marokko zijn er pakketten aan boord gebracht. Alles wat [verdachte], hij, [betrokkene6] en [betrokkene4] hebben gedaan was in opdracht van de Big man, [medeverdachte2]. De man op foto D/006. [betrokkene5] verklaart tevens dat toen ze in Spanje, bij Gibraltar waren, hij [verdachte] hoorde zeggen tegen de Douane dat hij de eigenaar was van de [naam boot]. [betrokkene5] vroeg [verdachte] toen: “ben jij de eigenaar?” [verdachte] zei toen tegen [betrokkene5]: “de naam van [medeverdachte2] mag niet genoemd worden”.

Foto D-006 betreft een foto van [mededader2]. Foto D-010 betreft een foto van [betrokkene vrouw7].

Getuige [betrokkene6] is de andere Keniaan die zich aan boord van de [naam boot] bevond. Hij verklaart dat de kapitein van het schip [verdachte] was en dat onderweg [medeverdachte2] en [verdachte] elkaar als kapitein aflosten. Hij herkent [medeverdachte2] op de foto aangeduid met D/006. [medeverdachte2] was feitelijk de baas aan boord. In Vigo is [medeverdachte2] van boord gegaan. Vanaf Vigo zijn ze naar Porto Santos gevaren. Daar werden ze verwezen naar Madeira, maar ze zijn doorgevaren. Ongeveer 150 mijl verderop kwam een boot met daar vijf Arabisch sprekende mannen. Vanuit die boot werden ongeveer 50 in canvas verpakte platte pakken overgeladen. [betrokkene6] en [betrokkene3] moesten van [verdachte] hierbij helpen en deze pakken in de salon van de boot zetten. Daarna zijn ze doorgevaren naar de Noordzee. Ten noorden van Nederland ontmoetten zij de boot [naam jacht]. [betrokkene4] en [verdachte] spraken in het Nederlands met de bemanning van dat schip. De [naam jacht] liet een rubberboot zakken. [verdachte] gaf hen de opdracht te helpen de pakketten in de rubberboot te laden. [betrokkene6] gaf de pakketten aan [verdachte] en [betrokkene3] gaf de pakketten vervolgens aan [betrokkene4] in de rubberboot. Alle pakketten aan boord van de [naam jacht]’ zijn van de [naam boot]’ overgebracht.

Conclusie

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder de feiten is vermeld, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde, tezamen en in vereniging met anderen, heeft begaan. Gelet op artikel 1 Opiumwetbesluit is hier sprake van een grote hoeveelheid in de zin van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet.

De rechtbank acht bewezen dat:

1.

hij in de periode van de maand juni 2007 tot en met 27 juli

2007 te Lemmer, gemeente Lemsterland en/of te Terschelling,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland

heeft gebracht ongeveer 1620 kilo hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Feit 2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft, nadat hij op 12 januari 2012 had gerekwireerd tot een veroordeling voor feit 2, ter terechtzitting van 16 januari 2013 zijn vordering aangepast in die zin dat hij thans vrijspraak voor het onder feit 2 tenlastegelegde vordert.

De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat hij twijfelt of verdachte bij de koop van het schip [naam boot]’ betrokken was. Nu verdachte heeft verklaard dat hij het schip slechts op zijn naam heeft laten zetten en niet betrokken was bij de koop ervan, en hij voorts heeft verklaard dat hij ook niet wist dat [mededader2] de [naam boot]’ had gekocht, kan volgens de officier van justitie niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wist dat de aanschaf van de boot met drugsgelden is gedaan. Het feitencomplex wijst volgens de officier wellicht op schuldwitwassen, maar dat is niet tenlastegelegd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak gevraagd en zich voor de motivering hiervan aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat het schip ‘de [naam boot]’ is bekostigd met geld dat uit enig misdrijf afkomstig is en voorts dat verdachte dit schip voorhanden had, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte wist dat dit vaartuig aangekocht was met uit enig misdrijf afkomstig geld.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem onder 2 tenlastegelegde feit.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 25 mei 2012 en het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 26 november 2007.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft, na aanvankelijk op 12 januari 2012 te hebben geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en tot betaling van een geldboete van € 10.000,- subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis, in tweede instantie naast de vrijspraak voor feit 2, ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de navolgende omstandigheden.

Verdachte lijkt buiten de ‘organisatie’ te staan maar kan wel worden beschouwd als een drugskapitein. Zijn rol is daardoor substantiëler dan de rol van de andere opvarenden van de betrokken boten. De geëiste gevangenisstraf is voorts mede ingegeven door de hoeveelheid van het aantal kilo’s hasj. Ten slotte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop, en voorts met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, ondanks dat het in dit geval gaat om een straf die is opgelegd door een buitenlandse rechtbank.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn, gelet op het tijdsverloop in de zaak. Voorts heeft hij er op gewezen dat de andere opvarenden van de [naam boot] allemaal zijn veroordeeld tot werkstraffen.

Ook heeft de raadsman erop gewezen dat toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht moet leiden tot niet meer dan schuldigverklaring zonder straf.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte tussen het plegen van het onderhavige delict en de behandeling van dit feit op zitting al veroordeeld is voor een soortgelijk feit in Spanje. Dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2009 heeft geoordeeld dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet geldt voor in het buitenland opgelegde straffen, neemt niet weg dat de opvatting hierover inmiddels kan zijn veranderd.

Immers, verdachte is in Spanje voor het vervoeren van 5.000 kilo hasj veroordeeld tot vijf jaar en drie maanden gevangenisstraf. Inmiddels is verdachte in het kader van de WETS of de WOTS overgebracht naar Nederland om hier het restant van zijn straf uit te zitten. De achterliggende gedachte van de WETS en de WOTS is wederzijdse erkenning van vonnissen. Toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht past binnen het huidige beleid van de Nederlandse overheid, waar het betreft de wederzijdse erkenning van vonnissen van landen binnen de EU in combinatie met het kennelijke beleid van vervroegde toepassing van de WETS, ook in gevallen waarbij deze nog niet in werking is getreden.

Daarnaast geldt dat het Spaanse feit ook in Nederland berecht had kunnen worden, zoals ook is gebeurd bij de echtgenote van verdachte en dat (los van de vraag of dit via de WOTS of de WETS is gebeurd) verdachtes straf kan worden omgezet naar een Nederlandse straf, waardoor artikel 63 makkelijker kan worden toegepast.

Was het Spaanse feit meegenomen bij onderhavig delict, dan had verdachte, rekeninghoudend met de Nederlandse richtlijnen voor strafmaten, nooit vijf jaar en drie maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen, zoals dat nu wel het geval is voor alleen het feit waarvoor verdachte in Spanje is veroordeeld.

De rechtbank zal daarom moeten volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling

A. ernst van de feiten

Uit de bewezenverklaring volgt dat verdachte, tezamen met anderen, 1.620 kilo hasj, zijnde een zeer omvangrijke hoeveelheid, vanuit Marokko Nederland heeft ingevoerd. Verdachte was degene die feitelijk leiding gaf aan de uitvoering van het drugstransport, door als kapitein mee te varen met de boot die de drugs ophaalde en vervolgens de drugs over te laden op een andere boot, daarbij instructies gevend aan de andere opvarenden.

Aannemelijk is dat verdachte het voornoemde louter met het oogmerk van geldelijk gewin heeft gedaan. Het vervoeren van en de handel in grote hoeveelheden hasj is verboden vanwege het voor de volksgezondheid schadelijke karakter daarvan. Verdachte heeft echter zijn eigen belang laten prevaleren en heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan de internationale handel en verdere verspreiding van een grote hoeveelheid hasj en daarmee ook aan de met de handel gepaard gaande instandhouding van de verslaving van anderen. Met dit soort criminele activiteiten zijn grote geldbedragen gemoeid en worden grote illegale geldstromen gegenereerd. Verdachte heeft ook hieraan door zijn handelen een bijdrage geleverd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het vervoeren van hasj.

B. redelijke termijn

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden, waarmee rekening dient te worden gehouden bij de strafmaat.

De rechtbank overweegt dat de verdenking tegen verdachte dateert van februari 2007, terwijl het eindvonnis in eerste aanleg in januari 2013 is uitgesproken. Dit is een forse overschrijding van de redelijke termijn, zoals die in ‘normale zaken’ wordt aangehouden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit langdurige tijdsverloop moet worden bezien in het licht van het totale dossier “Sprinkhaan”, waarvan de strafzaak tegen verdachte deel uitmaakt.

In de omvang, de complexiteit (vele verdachten met deels overlappende tenlasteleggingen) en het internationale karakter (aanvullende onderzoekswensen inclusief het doen van rechtshulpverzoeken, rogatoire verhoren in het buitenland) van het onderzoek “Sprinkhaan” ziet de rechtbank voldoende rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen 2007 en begin 2013. Daarenboven overweegt de rechtbank dat ook verdachte zelf vanaf 2009 tot en met 2011 meermalen heeft verzocht om nadere onderzoekshandelingen (getuigenverhoren in binnen- en buitenland).

Ook in de nauwe onderlinge verwevenheid van (de tenlasteleggingen in) de verschillende “Sprinkhaan”-zaken, ziet de rechtbank voldoende rechtvaardiging voor het tijdsverloop. Bovendien heeft verdachte zelf ook voordeel van de overschrijding gehad, nu hij hierdoor uiteindelijk in de gelegenheid is geweest om de behandeling van zijn eigen zaak bij te wonen.

Anderzijds realiseert de rechtbank zich dat reeds in januari 2012 het onderzoek ter terechtzitting gesloten had kunnen worden, hetgeen slechts niet heeft plaatsgevonden, omdat de raadsman van enkele medeverdachten medio januari 2012 ziek is geworden. Hierdoor is een verdere vertraging van de rechtsgang ontstaan, die door de rechtbank wordt aangemerkt als een niet te rechtvaardigen overschrijding van de redelijke termijn, waarmee naar het oordeel van de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening dient te worden gehouden. Om die reden zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan zij eigenlijk passend had gevonden, waarbij een maatstraf van (afgerond) 8 % in acht wordt genomen.

C. toepassing van artikelen 63 en 9a van het Wetboek van Strafrecht

De verdediging heeft aangevoerd dat door toepassing van artikel 63 Sr. moet worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging overeenkomstig artikel 9a Sr.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is. In zijn arrest van 31 maart 2009 heeft de Hoge Raad reeds bepaald dat indien bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan de verdachte straf is opgelegd, die strafoplegging niet een veroordeling als bedoeld in art. 63 Sr. oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat – daargelaten de vraag of in deze zaak de Wet WOTS of de Wet WETS van toepassing is, hetgeen niet duidelijk is geworden – ook de huidige Europese ontwikkelingen niet nopen tot een ander oordeel.

De rechtbank is voorts van oordeel dat toepassing van artikel 9a Sr. juist zou indruisen tegen het begrip ‘wederzijdse erkenning’, nu daarmee impliciet gezegd zou worden dat men in Spanje een te hoge straf heeft opgelegd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 9a Sr. niet past bij de ernst van het onderhavige feit. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman.

Wel houdt de rechtbank, in het kader van de persoonlijke omstandigheden, rekening met het feit dat verdachte in de tussentijd in Spanje reeds is veroordeeld tot vijf jaren en drie maanden gevangenisstraf voor een soortgelijk feit.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank in beginsel geen andere straf passend en geboden dan een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. Echter, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van – in het voordeel van verdachte afgerond – 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Een lagere straf komt, gelet op de ernst van de feiten en de rol die verdachte daarin gespeeld heeft zoals hiervoor overwogen, niet in aanmerking.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak, rechter als voorzitter,

mr. M.F. Gielissen, rechter,

mr. J.M. Klep rechter,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2012.