Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9769

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
05/901294-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een hogere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist voor witwassen van een bedrag van ruim € 165.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/901294-11

Data zittingen : 17 september 2012, 10 december 2012 en 14 januari 2013

Datum uitspraak : 28 januari 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

zonder vaste woon- of verblijfplaats te Nederland,

thans gedetineerd in PI [adres]

raadsvrouw : mr. D. Zeewuster, advocaat te Duiven.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 januari 2011 tot en met 05 juli 2012, te Harlingen en/of te Leeuwarden en/of te Ede en/of elders in Nederland, één of meer geldbedrag(en) en/of kleding en/of een boot ([naam boot]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die kleding en/of die boot, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of kleding en/of boot - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 januari 2011 tot en met 05 juli 2012, te Harlingen en/of te Leeuwarden en/of te Ede en/of elders in Nederland, één of meer geldbedrag(en) en/of kleding en/of een boot ([naam boot]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die kleding en/of die boot, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of kleding en/of boot - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 28 januari 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. D. Zeewuster, advocaat te Duiven.

De rechtbank gaat er vanuit dat de vordering van [benadeelde partij] Schadeverzekering N.V. ([benadeelde partij]) niet in deze zaak is ingediend, nu op het formulier alleen het parketnummer van de zaak van [medeverdachte] ([parkettnummer]) is vermeld en ook overigens uit het voegingsformulier niet blijkt dat beoogd is dat [benadeelde partij] zich ook als benadeelde partij in de onderhavige strafzaak zou voegen. De officier van justitie heeft ter zitting hetzelfde standpunt ingenomen.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) heeft op tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 januari 2011 tot en met 9 september 2011 geldbedragen van in totaal ongeveer € 828.231,64 waarover hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking kon beschikken verduisterd en overgeboekt naar zijn bankrekening Verdachte heeft op tijdstippen in de periode van 4 januari 2011 tot en met 5 juli 2012 te Harlingen en/of Leeuwarden en/of te Ede en/of elders in Nederland over geldbedragen beschikt, die hij ontving van [medeverdachte]. In diezelfde periode heeft hij met een deel van dit geld in Leeuwarden een boot (van [naam boot]) en in Leeuwarden, Harlingen en/of elders in Nederland kleding gekocht, de huur van kledingwinkels voldaan en die ingericht, de huur van zijn eigen woning voldaan en huisraad of ‘leuke dingen’ voor in zijn huis gekocht . In Harlingen en in Leeuwarden zijn kledingwinkels geopend. Verdachte regelde volgens afspraak alles in de winkels. het personeel deed de opbrengsten van de winkels in enveloppen in een kluis. Verdachte heeft het personeel wel eens met geld uit de kassa betaald. .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde, omdat verdachte niet wist en evenmin had moeten weten/vermoeden dat het geld dat hij telkens van [medeverdachte] ontving afkomstig was van een misdrijf. Volgens de verdediging is daar onvoldoende bewijs voor. Het bewijs dat er is, is afkomstig uit één bron, namelijk van [medeverdachte]. Geen enkele andere getuige heeft verklaard dat verdachte wist of behoorde te weten dat [medeverdachte] het geld had verduisterd bij zijn werkgever.

Beoordeling door de rechtbank

[medeverdachte] heeft, als getuige, verklaard dat verdachte niet veel geld had en dat hij ([medeverdachte]) hem uit liefdadigheid financieel wilde helpen om een huis te vinden, een studie te gaan volgen en, toen dat laatste niet lukte, werk te vinden door een kledingwinkel op te starten. Omdat [medeverdachte]s eigen financiële middelen na enige tijd waren uitgeput, heeft [medeverdachte] met verdachte de mogelijkheden besproken om aan geld te komen. Verdachte was er van op de hoogte dat [medeverdachte] werkzaam was bij een verzekeringsmaatschappij en bevoegd was om betalingen tot € 5.000,- te doen.

Verdachte heeft [medeverdachte] vervolgens voorgesteld om geld van diens werkgever te verduisteren. Na enige bedenktijd heeft [medeverdachte] verdachte medegedeeld dat ‘hij het zou gaan doen’. Volgens [medeverdachte] wist verdachte hiermee wat [medeverdachte] bedoelde.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] vanaf zijn eerste verhoor openheid van zaken heeft gegeven over wat zich heeft voorgedaan, ook ten aanzien van zijn eigen rol. Alle verklaringen die [medeverdachte] heeft afgelegd zijn consistent en consequent, zodat de rechtbank geen reden heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

Getuige [getuige] (hierna: ‘[getuige]’), bij wie verdachte meerdere malen partijen kleding heeft gekocht, heeft verklaard dat verdachte aan hem had verteld dat hij veel geld had overgehouden aan een transactie van een horecapand in Zuid-Afrika.

Verdachte ontkent dat hij aan [getuige] een dergelijke mededeling heeft gedaan. Daarom stelt verdachte dat deze verklaring niet klopt. De rechtbank volgt verdachte daarin niet. Niet is gebleken dat [getuige] enig belang zou hebben bij het afleggen van een valse verklaring, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris.

De rechtbank twijfelt daarom niet aan de juistheid van de verklaring van [getuige] en gaat van die verklaring uit. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat verdachte jegens [getuige] heeft gelogen over de bron van het geld waarover verdachte beschikte.

Uit de vaststaande feiten volgt dat verdachte geld heeft gekregen van [medeverdachte], waarvan hij onder andere een boot en kleding heeft gekocht en dat dit geld, die boot en die kleding middellijk of onmiddellijk afkomstig waren van een misdrijf. Het geld heeft verdachte gebruikt voor huur- en loonbetalingen en omgezet in verschillende goederen en de kleding is in de winkels onder leiding van verdachte overgedragen.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit de verklaring van [getuige], jegens een kledingleverancier de werkelijke herkomst van het geld, namelijk dat hij het had gekregen van [medeverdachte], wilde verbloemen een ondersteuning van de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte wist dat het door [medeverdachte] aan verdachte verstrekte geld van een misdrijf afkomstig was.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat het geld dat hij van [medeverdachte] ontving van een misdrijf afkomstig was.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op tijdstip(pen) in de periode van 04 januari 2011 tot en met 05 juli 2012, te Harlingen en/of te Leeuwarden en/of te Ede en/of elders in Nederland, één of meer geldbedrag(en) en/of kleding en/of een boot ([naam boot]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of kleding en/of boot - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair:

Witwassen, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 193 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (gerekend vanaf het moment waarop verdachte is overgedragen aan Nederland, te weten op 19 juli 2012).

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de feiten en de eerdere veroordeling van verdachte voor een soortgelijk feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafsoort en –maat.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 24 augustus 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een bedrag van totaal ruim € 165.000,- van een vriend ontvangen, die dat geld in diens functie van schadebehandelaar bij zijn werkgever had verduisterd. Verdachte wist hiervan; sterker, hij had dit zelf voorgesteld aan die vriend. Van dat geld heeft verdachte onder meer een boot en partijen kleding gekocht.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte in het verleden voor oplichting en diefstal is veroordeeld. Daarnaast vormen de omvang van het witwasbedrag en de omstandigheid dat verdachte wist dat zijn vriend door de verduistering zijn werkgever grote schade toebracht en voorts dat die vriend zijn baan en carrière daarmee op het spel zette, reden voor de rechtbank een hogere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, inclusief de periode gedurende welke verdachte gedetineerd heeft gezeten in België (te weten vanaf 5 juli 2012), wordt in mindering gebracht op de gevangenisstraf.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, inclusief de periode dat veroordeelde gedetineerd heeft gezeten in België, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 januari 2013.