Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9738

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
07.663141-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, gebruik van een uitbuitingssituatie als bedoeld in artikel 273 lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.663141-12

Uitspraak: 28 januari 2013

Vonnis in de strafzaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte D],

geboren op [1978 te[plaats],

wonende te [plaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring Ter Apel,

Ter Apelervenen 10, Ter Apel.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012, 16 november 2012, en 12 december 2012 en 14 januari 2013. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. A.E. Postma, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich op het standpunt gesteld dat, indien en zover deze vordering wordt toegewezen, dit hoofdelijk gebeurt met daarbij oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [getuige 2] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze wordt toegewezen tot een bedrag van € 5000,- met daarbij oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

TENLASTELEGGING

De verdachte is - na wijziging tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting aangepast)

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats] en/of Twist (Duitsland) en/of Grossefehn (Duitsland), althans in Nederland en/of Duitsland,

(lid 3)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een ander, te weten, [slachtoffer],

(lid 1 sub 4)

door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreigen met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie

heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat voornoemde persoon zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en/of

(lid1 sub 6)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer];

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen) terwijl die [slachtoffer] slecht/nauwelijks, kan lezen en/of schrijven;

- die [slachtoffer] voorgehouden dat hij schulden aan verdachte en/of zijn mededader(s) had en/of

- de financiële administratie van die [slachtoffer] overgenomen en/of

- de betaalpas en/of bankrekening op naam van die [slachtoffer] en/of zijn dochter in beheer genomen en/of gehouden en/of

- die [slachtoffer] mishandeld en/of

- die [slachtoffer] geïntimideerd en/of

- die [slachtoffer] verbaal bedreigd en/of

- die [slachtoffer] een vuurwapen getoond en/of

- een inbraak in scene gezet en die [slachtoffer] hiervan aangifte laten doen bij de politie en/of

- die [slachtoffer] auto's op zijn naam laten zetten en/of

- een hennepkwekerij opgezet in de woning van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] een BV laten oprichten en/of een subsidie aangevraagd voor die BV en/of

- die [slachtoffer], voornamelijk/mede gedurende de nacht, zonder beschermende kleding en in een ongekoelde ruimte, vlees laten verwerken en/of

- die [slachtoffer] klussen laten verrichten in de woning(en) van (de familie van) verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer], als gestolen opgegeven, auto's laten slopen en/of

- tijdens het verrichten van voornoemde werkzaamheden die [slachtoffer] geen, althans nauwelijks, rust gegund en/of

- die [slachtoffer] niet, althans nauwelijks, betaald voor voornoemde werkzaamheden en/of geen, althans geen in verhouding staande, tegenprestatie geleverd

EN/OF

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, (meerdere) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [getuige 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen;

althans, indien de hierboven beschreven diefstal niet tot een veroordeling leidt;

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk (meerdere) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [getuige 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verachte en/of zijn mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, aangezien verdachte en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode door [slachtoffer] is/zijn gevraagd om als beheerder(s) van zijn (financiële) administratie op te treden (mede) waardoor verdachte en/of zijn mededader(s) de beschikking had(den) over de bankpas(sen) met PIN-code(s) van [slachtoffer] en/of [getuige 2], alsmede de gegevens met betrekking tot het internetbankieren behorende bij de bankrekening(en) van die [slachtoffer] en/of [getuige 2], wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], met [getuige 2] (geboren op [1996]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [getuige 2], hebbende

verdachte meermalen, althans eenmaal

- zijn vinger(s) en/of zijn penis in de vagina van die [getuige 2] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die [getuige 2] geduwd/gebracht en/of

- over de vagina van die [getuige 2] gestreeld/betast en/of

- de borsten van die [getuige 2] gestreeld/betast en/of

- zich door die [getuige 2] laten aftrekken en/of

- zich door die [getuige 2] laten pijpen;

art 245 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk, aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid hennep en/of ongeveer 55 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2011 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid hennep en/of ongeveer 68 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 11 april 2012 te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) 468 gram delen van hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

6.

hij in of omstreeks de periode van 2 september 2010 tot en met 8 mei 2011 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, ASR verzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van geld (in totaal 16.725 euro), in elk geval van enig goed, hebbende

verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, aangifte gedaan van diefstal van een auto (merk BMW, kenteken [kenteken]), terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) kort voor deze valse aangifte een taxatierapport had/hadden laten opstellen voor deze auto, en/of (vervolgens) telefonisch en/of schriftelijk opgave van diefstal gedaan bij voornoemde verzekeringsmaatschappij, waardoor ASR verzekeringen werd bewogen

tot bovenomschreven afgifte;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 januari 2012, te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (een) voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en), heeft verworven, voor handen heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten één of meer geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en) dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit

enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrech

GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

De raadsman van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voor wat betreft feit 7 nietig is omdat uit de tenlastelegging onvoldoende duidelijk blijkt welke geldbedragen zouden zijn witgewassen.

De rechtbank volgt dit betoog en concludeert dat de dagvaarding voor wat betreft feit 7 niet voldoet niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 7 nietig.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, primair op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging moet worden verklaard ten aanzien van de ten laste gelegde feiten, omdat inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekortgedaan.

Daartoe is door de verdediging -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat:

1. het openbaar ministerie bij het voorbereidend onderzoek niet heeft gehandeld conform de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registeren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ (hierna: de Aanwijzing registratie verhoren);

2. belangrijke getuigen de verhoren van aangever [slachtoffer] en andere getuigen hebben bijgewoond;

3. niet is geverbaliseerd dat bepaalde getuigen verhoren van anderen hebben bijgewoond;

4. op verzoek van opsporingsambtenaren een document genaamd “worksheet 3” is opgesteld door [opsporingsambtenaar] en aangever [slachtoffer], terwijl het op de weg van de opsporingsambtenaren had gelegen om aangever zelf te horen.

5. de processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], welke op ambtseed zijn opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ernstige gebreken vertonen nu in deze processen-verbaal passages ontbreken, passages onjuist zijn weergegeven dan wel passages zijn ingevoegd die niet op de geluidsopnamen van bedoelde verhoren staan.

6. tijdens de verhoren van [medeverdachte B] ongeoorloofde druk op haar is uitgeoefend.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de beoordeling van het verweer moet het volgende worden vooropgesteld. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ten aanzien van punt 1, de Aanwijzing registratie verhoren:

De rechtbank overweegt dat de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registeren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ ten tijde van de betreffende verhoren van toepassing was en dat deze aanwijzing als recht in de zin van artikel 79 RO kan worden aangemerkt.

Gelet op de inhoud van genoemde aanwijzing hadden de door de verdediging aangehaalde verhoren auditief geregistreerd moeten worden aangezien de verdenking ten aanzien van feit 1 een misdrijf met een strafbedreiging van twaalf jaar of meer betrof. Het openbaar ministerie heeft in strijd met genoemde aanwijzing gehandeld door dit niet te doen en in zoverre is dus sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat niet hersteld kan worden.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit vormverzuim rechtsgevolgen moet hebben en zo ja, of dit moet leiden tot een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting danwel strafvermindering.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt elke – objectieve – aanwijzing dat de beslissing om de betreffende verhoren niet op te nemen doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is genomen. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt schending van voorschriften die het Openbaar Ministerie zichzelf oplegt om voor kwaliteitsverbetering in de opsporing te zorgen en die voor de verdediging in het kader van het toetsen van de betrouwbaarheid van afgelegde verklaring van belang kunnen zijn, in beginsel niet als dermate ernstig gezien dat daardoor aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De sancties niet-ontvankelijk verklaring en bewijsuitsluiting zijn derhalve niet aan de orde (o.a. HR 17 april 2007, LJN:AZ8824). Daarbij komt dat wanneer aldus geen bewijsuitsluiting plaatsvindt, strafvermindering evenmin een optie zal zijn, daar geen sprake is van een door strafvermindering te compenseren nadeel. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om op grond van het verzuim dat de verhoren niet zijn opgenomen te komen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. Over andere mogelijke gevolgen van dit verzuim zal de rechtbank zich hieronder onder het kopje ‘Bewijs’ uitlaten.

Ten aanzien van punt 3, het niet verbaliseren van de aanwezigheid van getuige [getuige 2] bij het verhoor van [getuige 3] d.d. 13 januari 2012.

De rechtbank constateert op grond van de verhoren bij de rechter-commissaris dat

getuige [getuige 2] bij het verhoor van [getuige 3] d.d. 13 januari 2012 aanwezig is geweest. De rechtbank constateert verder dat deze aanwezigheid niet in het proces-verbaal van aangifte van [getuige 3] d.d. 13 januari 2012 staat vermeld.

De rechtbank acht dit buitengewoon onzorgvuldig, hetgeen temeer klemt nu eerst bij voornoemde RC-verhoren is gebleken dat de bijdrage van [getuige 2] aan het verhoor vele malen groter is geweest dan die van [getuige 3] zelf. Hiermee is mede tekort gedaan aan een goede invulling van de verantwoordelijkheid van de politie voor een juiste informering van de rechter.

Niet echter is gebleken dat door de betreffende verbalisanten zodanig is gehandeld dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de officier van justitie om deze reden niet ontvankelijk is in zijn vervolging.

Over andere mogelijke rechtsgevolgen van dit verzuim zal de rechtbank zich hieronder onder het kopje ‘Bewijs’ uitlaten.

Ten aanzien van punt 5, de gebreken in de processen-verbaal van [medeverdachte B]:

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte B] geen verbatim weergave zijn van hetgeen op de van die verhoren gemaakte audio-opnamen als verklaring van [medeverdachte B] te horen is. De verbalisanten hebben bij de rechter-commissaris, daarnaar gevraagd, gezegd dat het verhoor niet letterlijk is uitgewerkt maar dat een samenvatting is gemaakt, dat het kan kloppen dat bepaalde zaken in andere bewoordingen zijn opgenomen en dat de passage omtrent omzetbelasting mogelijk niet op de geluidsband terecht is gekomen omdat de batterij van het opnameapparaat op dat moment wellicht werd verwisseld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging bedoelde en gewraakte passages er blijk van geven dat door de verbalisanten op punten onvoldoende zorgvuldigheid is betracht bij het opnemen en uitwerken van de door [medeverdachte B] afgelegde verklaringen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat door de betreffende verbalisanten zodanig is gehandeld dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om op grond van dit verzuim te komen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Over andere mogelijke rechtsgevolgen van dit verzuim zal de rechtbank zich hieronder onder het kopje ‘Bewijs’ uitlaten.

Ten aanzien van de overige gestelde verzuimen genoemd onder 2, 4 en 6:

Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier geen vormverzuimen in de zin van artikel

359a Sv. Deze door de verdediging gestelde verzuimen blijven daarom buiten het beoordelingskader van dit artikel. Deze gebreken zullen echter wel een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal en zullen daarom in dat kader worden besproken.

De rechtbank overweegt verder dat ook de cumulatie van de door de verdediging genoemde vormverzuimen – ook niet in samenhang met de hiervoor onder 2, 4 en 6 genoemde feiten of omstandigheden – niet tot het oordeel kan leiden dat het openbaar ministerie niet- ontvankelijk is in haar vervolging. Het ontvankelijkheidsverweer wordt gelet op al het voorgaande integraal verworpen.

BEWIJS

Beoordeling van de vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv hierboven genoemd onder 1, 3 en 5:

Ten aanzien van punt 1, de aanwijzing registratie verhoren:

Naar het oordeel van de rechtbank levert het niet naleven van de Aanwijzing niet een zodanig ernstig vormverzuim op dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van uitsluiting van het bewijs.

Voor strafvermindering is naar het oordeel van de rechtbank evenmin plaats omdat geen sprake is van door strafvermindering te compenseren nadeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voornoemde Aanwijzing is gegeven met het oog op waarheidsvinding en ter verbetering van de kwaliteit van opsporing en dat het gegronde verweer dat ziet op het schenden van de bepalingen van de Aanwijzing daarom feitelijk ziet op de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal.

Door het ontbreken van audio-opnamen van de betreffende verhoren is het weliswaar minder

toetsbaar en verifieerbaar of die verhoren op correcte en zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden, maar nu de rechtbank, zoals hierna nog zal worden overwogen, aanleiding ziet om de betrouwbaarheid van deze verklaringen extra kritisch te toetsen is van te compenseren nadeel geen sprake. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering van het vormverzuim.

Ten aanzien van punt 3, het niet verbaliseren van de aanwezigheid van getuige [getuige 2] bij het verhoor van [getuige 3] d.d. 13 januari 2012.

In het onderhavige geval staat voor de rechtbank vast dat de verdachte nadeel van dit vormverzuim heeft ondervonden en in zijn verdediging is geschaad. Zo heeft het niet verbaliseren van de aanwezigheid van de getuige [getuige 2] bij de aangifte van [getuige 3] en de wijze waarop de verklaring van aangever [getuige 3] is opgetekend de toetsing van de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen ernstig belemmerd. [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris bijvoorbeeld verklaard: “ik schat in dat ik een kwart verteld heb en [getuige 2] de rest” waardoor het niet meer is vast te stellen wat de herkomst van de informatie is.

Ten aanzien van de ernst van dit vormverzuim, overweegt de rechtbank dat het niet verbaliseren van de aanwezigheid van een getuige bij de aangifte een omissie is die op zijn minst als een grove nalatigheid dient te worden beschouwd.

Het onjuist en onvolledig verbaliseren raakt het beginsel dat de rechter erop moet kunnen vertrouwen dat de ambtsedige processen-verbaal waarheidsgetrouw en volledig zijn.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het verhoor van [getuige 3] d.d. 13 januari 2012 van het bewijs uit te sluiten.

Ten aanzien van punt 5. de gebreken in de processen-verbaal van [medeverdachte B]:

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de onzorgvuldigheden die bij het opnemen en uitwerken van de door [medeverdachte B] afgelegde verklaringen hebben plaatsgevonden niet een zodanig ernstig vormverzuim op dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van uitsluiting van het bewijs. Dit geldt temeer nu door het beluisteren van de audio-opnamen het nadeel dat verdachte door het verzuim heeft ondervonden, geacht moet worden gecompenseerd te zijn omdat aldus de gewraakte passages uit de verklaringen van [medeverdachte B] op onderdelen van het bewijs kunnen worden uitgesloten. De rechtbank zal daarom verder volstaan met de constatering van het vormverzuim.

Beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs / de afgelegde verklaringen:

Ten aanzien van punt 2, belangrijke getuigen hebben de verhoren van aangever [slachtoffer] en andere getuigen bijgewoond;

Wat er van deze omstandigheid ook zij, naar het oordeel van de rechtbank kan dit punt niet leiden tot het oordeel dat de aangehaalde verklaringen in hun geheel van het bewijs moeten worden uitgesloten. Wel wordt naar het oordeel van rechtbank afbreuk gedaan aan de bewijskracht van de betreffende verklaringen, omdat de bron en authenticiteit van de betreffende verklaringen niet goed kan worden beoordeeld. De rechtbank zal dan ook behoedzaam omgaan met de beoordeling van de verklaringen van aangever [slachtoffer].

Ten aanzien van punt 4, “worksheet 3” opgesteld door [opsporingsambtenaar] en aangever [slachtoffer]:

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat de informatie op worksheet 3 door onderlinge beïnvloeding tot stand is gekomen. Dit doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de door aangever [slachtoffer] afgelegde verklaringen. De worksheet is namelijk leidend geweest voor aangever bij het afleggen van zijn nadere verklaringen die daardoor alsmede door het ontbreken van audio-opnamen niet meer te beoordelen zijn op authenticiteit.

Met de mogelijkheid dat de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer] mede onder invloed van anderen is tot stand gekomen dient de rechtbank te meer ook rekening te houden, gelet op het feit dat [opsporingsambtenaar] en aangever [slachtoffer] tegenstrijdig verklaren over de wijze waarop zij zich op de verhoren bij de rechter-commissaris hebben voorbereid. Daarover verklaart [opsporingsambtenaar] dat ze zich niet heeft voorbereid, terwijl [slachtoffer] daarover verklaart dat hij met [opsporingsambtenaar] heeft gesproken over wat hem eventueel te wachten stond en dat ze samen een van de worksheets erbij hebben gehad en hebben doorgenomen.

Gelet op het voorgaande wordt de betrouwbaarheid van de door aangever [slachtoffer] afgelegde verklaringen aangetast. De rechtbank zal ook om deze reden behoedzaam omgaan met de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer].

Ten aanzien van punt 6, ongeoorloofde druk bij het verhoor van [medeverdachte B]:

De rechtbank overweegt dat de audio-opnamen van de verhoren van [medeverdachte B] zijn gemaakt

opdat later –voor de rechter- toetsbaar en verifieerbaar is of die verhoren op correcte en zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden, dus zonder dat ongeoorloofde druk op een verdachte is uitgeoefend dan wel suggestieve vragen zijn gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er wel elementen van druk in de verhoren te constateren maar is er geen sprake geweest van ongeoorloofde druk en is niet aannemelijk geworden dat de door [medeverdachte B] tijdens de verhoren afgelegde verklaringen daardoor onbetrouwbaar zouden zijn.

Zoals hiervoor is overwogen is door de verdediging een groot aantal punten aangevoerd dat afbreuk doet aan de bewijskracht van met name de verklaringen van aangever [slachtoffer], maar ook van die van zijn familieleden. Weliswaar zijn de gebreken tijdens het opsporingsonderzoek door de verhoren bij de rechter-commissaris ten dele gecompenseerd, maar niet optimaal. De rechtbank zal de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de betreffende getuigen om die reden met behoedzaamheid beoordelen. Dat klemt temeer nu het aangevoerde bewijsmateriaal in overwegende mate gebaseerd is op de verklaringen van aangever [slachtoffer].

De rechtbank komt slechts tot een bewezenverklaring voor zover de verklaringen van aangever [slachtoffer] of de betreffende getuigen in overtuigende mate worden ondersteund door bewijsmiddelen uit een andere bron, bijvoorbeeld ook door verklaringen van verdachte en medeverdachten zelf.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd overtreding van artikel 273f lid 1 sub 4 en overtreding van artikel 273f lid 1 sub 6. Hoewel in de omschrijving van artikel 273f sub 4 en in het onderdeel van de tenlastelegging dat daarop is toegespitst, de term uitbuiting niet is opgenomen, gaat de rechtbank er van uit - gelet op de wetsgeschiedenis - dat pas tot een bewezenverklaring van het betreffende onderdeel kan worden gekomen als sprake is van een uitbuitingssituatie.

Art. 273f Sr, waarop de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn toegesneden, luidt, voor zover hier van belang:

"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt (…) gestraft:

(...)

4º. degene die een ander met een van de onder 1º genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1º genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt."

6º. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander.

De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande gesteld voor de volgende vragen:

1. Heeft verdachte aangever [slachtoffer] gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten? (artikel 273f, lid 1, sub 4 deel 1)

2. Heeft verdachte enige handeling ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aangever [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten? (artikel 273f, lid 1, sub 4 deel 2)

3. Is sprake van de onder 1º genoemde middelen, te weten toepassing van dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, dan wel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen?

De rechtbank komt tot het oordeel dat niet bewezen is dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft bewogen om zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid. De rechtbank stelt vast dat niet verdachte maar diens broer [medeverdachte C] aangever heeft bewogen om werkzaamheden voor hem te verrichten in de vleesverwerking. Hiermee beantwoordt de rechtbank de hierboven onder 1 gestelde vraag ontkennend. Van bewijs voor het eerste deel van artikel 273 lid 1, sub 4 is aldus geen sprake.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigen bewezen dat verdachte handelingen heeft ondernomen waardoor aangever in de feitelijke situatie is komen te verkeren dat hij zich beschikbaar stelde voor arbeid. Van het tweede deel van artikel 273 lid 1, sub 4 is dus wel sprake. In dit kader overweegt de rechtbank dat de garage waar aangever zijn vleesverwerkingswerkzaamheden verrichtte hoorde bij de woning van verdachte, dat verdachte de financiële administratie van aangever [slachtoffer] beheerde, dat verdachte aangever heeft mishandeld teneinde af te dwingen dat verdachte een logé elders zou laten verblijven (hetgeen daarop ook gebeurde) en dat verdachte over de sleutel van de woning van aangever beschikte. Aldus heeft verdachte bijgedragen aan de afhankelijke situatie waarin aangever is komen te verkeren.

De rechtbank acht, voor wat betreft de onder 1º genoemde middelen, niet bewezen dat sprake is geweest van door verdachte uitgeoefende dwang, geweld, dreiging met geweld, afpersing, fraude of misleiding, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken. Weliswaar hebben aangever en zijn kinderen wel over dergelijke omstandigheden verklaard maar de door hen afgelegde verklaringen worden in onvoldoende mate ondersteund door bewijsmiddelen uit andere bron. De mishandeling die heeft plaatsgevonden kan naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet worden aangemerkt als middel in voornoemde zin nu onvoldoende is gebleken dat deze mishandeling verband houdt met de door aangever verrichte werkzaamheden. Wel illustreert het het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.

De overige onder 1º genoemde middelen kunnen naar het oordeel wel bewezen worden verklaard nu deze in voldoende mate worden ondersteund door bewijsmiddelen uit andere bron.

Uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.

Naar het oordeel kan worden vastgesteld dat verdachte overwicht had op aangever. In dit kader verwijst de rechtbank naar de hiervoor bij artikel 273f, lid 1 sub 4 deel 2 beschreven omstandigheden.

Kwetsbare positie werknemers

De rechtbank stelt verder vast dat aangever [slachtoffer] zich bevond in een kwetsbare en zwakke positie. Zo kon aangever [slachtoffer] slecht lezen en schrijven en was hij voor zijn gehele financiële reilen en zeilen afhankelijk van de [familie] omdat hij zijn administratie en pinpas bij verdachte en [medeverdachte B] had ondergebracht.

Voor het bewijs dat verdachte misbruik van dit overwicht en die kwetsbare positie heeft gemaakt, is toereikend dat kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeit dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet aanwezig moet zijn.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich ervan bewust is geweest dat aangever zich ten opzichte van hem in een volstrekt ongelijkwaardige en kwetsbare positie bevond. Aangever accepteerde dat hij lange uren moest maken zonder dat hij daarvoor werd betaald en dat hij moest werken onder zeer slechte werkomstandigheden. Verdachte wist daarbij dat aangever slecht kon lezen en schrijven en financieel afhankelijk was.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder genoemde omstandigheden bewezen worden verklaard dat verdachte handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aangever zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook sprake is geweest van een uitbuitingssituatie.

In dit kader overweegt de rechtbank dat de vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' niet in algemene termen is te beantwoorden, maar sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag kan bijvoorbeeld betekenis toekomen aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. (vgl. Hoge Raad, 27 oktober 2009, LJN BI7099, r.o. 2.6.1.)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een dergelijke uitbuitingssituatie. Hiertoe heeft de raadsman een aantal contra-indicaties aangevoerd voor het bestaan van een strafbare uitbuitingssituatie. Zo zou volgens de raadsman uit de bewijsmiddelen onder meer zijn gebleken dat sprake was van een vriendschapsrelatie tussen aangever en verdachte, dat sprake was van vriendendiensten, dat verdachte ook tegenprestaties heeft geleverd en dat niet aannemelijk is geworden dat aangever bang voor verdachte was.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis en vigerende jurisprudentie blijkt dat instemming met de situatie door het slachtoffer niet relevant is als één van de genoemde de in artikel 273f, lid 1 onder 1º genoemde middelen is gebruikt. Nu hiervan, zoals hiervoor is overwogen, is gebleken is eventuele vrijwilligheid niet relevant. Ook een eventuele vriendschapsrelatie in het verleden en de omstandigheid dat verdachte in het verleden diensten voor aangever heeft verricht kan aan de later ontstane uitbuitingssituatie niet af doen. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken van een omslagpunt in de wederkerigheid van de eerdere vriendschapsrelatie.

De rechtbank komt op grond van de selectie en waardering van de bewijsmiddelen tot het oordeel dat alleen ten aanzien van de door aangever in de garage van de woning van [verdachte C] gelegen aan de [adres] verrichtte vleesverwerkingwerkzaamheden kan worden gesproken van een uitbuitingssituatie in voornoemde zin.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat tijdens de vleesverwerkings werkzaamheden sprake was van (naar in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven) extreem lange werkuren, tegen geen danwel onevenredige betaling en zeer slechte werkomstandigheden.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet op de uitbuiting heeft gehad overweegt de rechtbank dat ‘oogmerk van uitbuiting’ geen bestanddeel vormt van de bepaling waarop de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn toegesneden.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan arbeidsuitbuiting als bedoeld in lid 1 sub 4 deel 2 van artikel 273f van het Wetboek van strafrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte uit de uitbuitingssituatie opzettelijk voordeel heeft getrokken als bedoeld in artikel 273f, lid 1 sub 6 van voornoemd artikel. De rechtbank spreekt verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.

De rechtbank is van oordeel dat evenmin kan worden vastgesteld dat sprake is van medeplegen ten aanzien van het eerste deel van artikel 273f, lid 1 sub 4. Ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte B] heeft schuldig gemaakt aan verduistering van een geldbedrag van de rekening van aangever [slachtoffer]. Het betreft de omzetbelasting waarover [medeverdachte B] in haar verklaring spreekt en die op bankafschriften staat vermeld.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De raadsman van verdachte heeft zich overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken

van het onder 2 ten laste gelegde voor wat betreft de periode 1 november 1999 tot en met 1 januari 2012. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank constateert dat verdachte heeft bekend dat hij één keer seks met aangeefster [getuige 2] heeft gehad en dat hij daarbij met zijn penis in haar vagina is geweest. [getuige 2] was toen net 15 jaar. Verdachte ontkent de overige ten laste gelegde gedragingen.

De rechtbank overweegt dat het dekbed van het slachtoffer door de politie is onderzocht op de aanwezigheid van sperma en dat op het dekbed een groot aantal vlekken is aangetroffen en dat op vijf van deze plekken aantoonbaar sperma aanwezig was.

De rechtbank constateert dat uit NFI rapporten blijkt dat het dekbed van het slachtoffer vervolgens op twee locaties is bemonsterd, dat op beide locaties sperma is aangetroffen en dat is vastgesteld dat dit sperma van verdachte was.

De rechtbank constateert verder dat er aanvullend onderzoek naar het beddengoed heeft plaatsgevonden en dat [verbalisant 3] brigadier van politie en technisch rechercheur bij de Forensische Opsporing, heeft geconcludeerd dat vanwege het opgevouwen zijn geweest van het dekbed, het mogelijk is dat enkele spermasporen gestempeld zijn en dat het daarom niet mogelijk is om te bepalen hoe vaak seks op dit beddengoed heeft plaatsgevonden maar dat het gezien de hoeveelheid spermavlekken op diverse verschillende plekken mogelijk is dat dit meerdere keren is gebeurd.

Om aan het wettelijke bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering te voldoen, moet de verklaring van aangeefster [getuige 2] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. In deze zaak is daar voor wat betreft één penetratie sprake van. Verdachte heeft dit immers bekend.

Nu verdachte de overige ten laste gelegde gedragingen echter heeft ontkend dient daarvoor ook steunbewijs aanwezig te zijn. Het NFI onderzoek biedt geen ondersteuning voor de stelling dat meermalen penetratie danwel seksuele gedragingen waarbij van ejaculatie sprake is geweest heeft plaatsgevonden. De mogelijkheid bestaat dat de twee locaties op het dekbed, met spermasporen van verdachte, zijn gestempeld. Het NFI heeft de overige locaties met sperma, zoals die op de foto’s zichtbaar zijn, kennelijk niet bemonsterd en het NFI stelt in zijn onderzoek niet vast dat de overige locaties met spermasporen afkomstig zijn van verdachte. Derhalve kan de rechtbank niet vaststellen dat meermalen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop acht de rechtbank één penetratie bewezen en zal de rechtbank verdachte van de overige onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe dat naast de verklaringen van aangever [slachtoffer] ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en met name [medeverdachte B] is gebleken dat verdachte bij de hennepkwekerij in de woning gelegen aan de [adres] betrokken is geweest. De rechtbank ziet in de door de verdediging aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om ter zake van de onderhavige hennepkwekerij aan de inhoud of juistheid van de verklaring van [medeverdachte B] te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [medeverdachte B] op dit punt gedetailleerd en consistent verklaard en is de verklaring uit voor verdachte onverdachte bron afkomstig. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 4 en 6 ten laste gelegde:

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft deze feiten bekend.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], onder omstandigheden van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van misbruik van een kwetsbare positie enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde persoon zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid immers heeft verdachte terwijl die [slachtoffer] slecht kan lezen en schrijven;

- de financiële administratie van die [slachtoffer] overgenomen en

- de betaalpas en bankrekening op naam van die [slachtoffer] en zijn dochter in beheer genomen en gehouden en

- die [slachtoffer] mishandeld en

- die [slachtoffer], mede gedurende de nacht, in een ongekoelde ruimte, vlees laten verwerken.

EN

hij op één tijdstip in de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer] welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, aangezien verdachte en één van zijn mededaders in voornoemde periode door [slachtoffer] zijn gevraagd om als beheerders van zijn (financiële) administratie op te treden waardoor verdachte en zijn mededaders de beschikking hadden over de bankpas met PIN-code van [slachtoffer], alsmede de gegevens met betrekking tot het internetbankieren behorende bij de bankrekening van die [slachtoffer] wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op een tijdstip in de periode van 1 november 2009 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], met [getuige 2] (geboren op [1996]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [getuige 2], hebbende verdachte eenmaal

- zijn penis in de vagina van die [getuige 2] geduwd/gebracht.

3.

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2010 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.

hij in de periode van 1 november 2011 tot en met 13 januari 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

5.

hij op 11 april 2012 te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) 468 gram delen van hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

6.

hij in de periode van 2 september 2010 tot en met 8 mei 2011 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, ASR verzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van geld (in totaal 16.725 euro), hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk in strijd met de waarheid, aangifte gedaan van diefstal van een auto (merk BMW, kenteken [kenteken]), terwijl verdachte en zijn mededader kort voor deze valse aangifte een taxatierapport had/hadden laten opstellen voor deze auto, en (vervolgens) opgave van diefstal gedaan bij voornoemde verzekeringsmaatschappij, waardoor ASR verzekeringen werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste is gelegd meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

Mensenhandel,

Strafbaar gesteld bij artikel 273f van het Wetboek van strafrecht.

en

Medeplegen van verduistering,

Strafbaar gesteld bij artikel 273f van het Wetboek van strafrecht.

Feit 2:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

Strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van strafrecht.

Feiten 3 en 4 (telkens):

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

Feit 5:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

Feit 6:

Medeplegen van oplichting,

Strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van strafrecht.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank heeft daarbij de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen, voor zover deze voor de desbetreffende delicten bestaan.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1, waarbij zij is uitgegaan van mensenhandel gedurende een periode van circa drie jaren, in welke periode sprake zou zijn geweest van uitbuiting bij meerdere activiteiten, te weten het klussen in woningen, het slopen van auto’s en het verwerken van vlees.

De rechtbank gaat er bij het bepalen van de straf evenwel van uit dat er alleen sprake is geweest van mensenhandel bij het verwerken van het vlees. Dit heeft circa twee weken geduurd. Voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen, is er in de periode die in de tenlastelegging is genoemd aanvankelijk sprake geweest van activiteiten binnen vriendschappelijke verhoudingen. In de loop der tijd zijn de verhoudingen binnen de vriendschap veranderd en is [slachtoffer] meer en meer in een positie van afhankelijkheid en kwetsbaarheid komen te verkeren. Waar de vriendschaprelatie is overgegaan in een situatie van uitbuiting is moeilijk vast te stellen. Voor de rechtbank is echter zonder meer duidelijk dat de werkzaamheden bij de vleesverwerking ver over de grens zijn van wat binnen vriendschapsbetrekkingen nog oirbaar is. Hierbij is voldaan aan één van de vele delictsomschrijvingen die onder het weerbarstige wetsartikel 273f van het Wetboek van Strafrecht als mensenhandel worden aangeduid, zij het dat de mensenhandel, zoals de rechtbank die bewezen acht, van een geheel andere orde is dan wat in de samenleving doorgaans met mensenhandel wordt bedoeld. De in de media gebruikte term ‘huisslaaf’ dekt ook de lading niet.

Met betrekking tot verdachte dient daarbij te worden opgemerkt dat hij niet de uitbuiter is geweest en ook niet is komen vast te staan dat hij daaruit voordeel heeft getrokken. Wel heeft verdachte er door zijn gedragingen de hand in gehad dat [slachtoffer] zich in een uitbuitingssituatie liet bewegen om de vleesverwerkingswerkzaamheden te verrichten.

Daarmee heeft verdachte er de hand in gehad dat er – bij die vleesverwerking – op een wanstaltige manier misbruik is gemaakt van de goedmoedigheid van [slachtoffer], met welke goedmoedigheid die [slachtoffer] ten opzichte van verdachte en zijn broer langzamerhand in een positie van afhankelijkheid en ondergeschiktheid was komen te verkeren. Hiervoor verdient verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, die het belang van de wettelijke norm moet benadrukken, herhaling in de toekomst moet tegengaan en uit een oogpunt van vergelding ook tegemoet moet komen aan het leed dat aan [slachtoffer] is aangedaan. Dat aan de andere kant de bewezen geachte mensenhandel slechts 2 weken heeft geduurd is overigens niet aan verdachte te danken, maar aan het feit dat [slachtoffer] een serieuze poging heeft gedaan om zichzelf van het leven te beroven. In hoeverre de geestelijke nood, waarin [slachtoffer] kennelijk verkeerde, door de uitbuiting van verdachte is veroorzaakt, is echter niet onomstotelijk komen vast te staan.

Met betrekking tot de overtreding van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht laat de rechtbank het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer meewegen. Verdachte heeft het overwicht dat hij als volwassene heeft, misbruikt.

Voor zover de raadsman van verdachte heeft betoogd dat er sprake is van enige vrijwilligheid van de zijde van het slachtoffer, doet dat geen afbreuk aan het strafwaardig handelen van verdachte. De wetgever heeft met artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht immers jonge mensen mede tegen zichzelf willen beschermen.

Daarnaast heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan hennepteelt en aan oplichting van een verzekeringsmaatschappij. Alles bijeen zal de rechtbank verdachte de hierna te noemen gevangenisstraf opleggen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 12 april 2012;

een reclasseringsrapport over de persoon van verdachte d.d. 14 juni 2012;

De beslissing van de rechtbank berust, naast de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, op de artikelen 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorlopige hechtenis

Door de raadsman is ter terechtzitting van 14 januari 2013 een verzoek gedaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Nu de rechtbank komt tot een veroordeling van feiten waarvoor verdachte thans in voorlopige hechtenis zit, zal het verzoek tot opheffing worden afgewezen.

Vorderingen benadeelde partij

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 145.719,17 gevoegd in het strafproces.

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en de vordering met een veelheid aan door de benadeelde partij overgelegde stukken is onderbouwd, is voor de rechtbank de hoogte van de schade slechts genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft een onevenredige belasting van het strafgeding op. Deze behelst namelijk een veelheid aan posten waarvan de causaliteit met het bewezenverklaarde niet op voorhand is aan te nemen, terwijl nader onderzoek daarnaar het strafproces onevenredig zou vertragen. Daarom zal de benadeelde partij [slachtoffer] voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij [slachtoffer] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De benadeelde partij [getuige 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 7.000,- gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [getuige 2] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. Deze vordering is met de door de benadeelde partij overgelegde stukken onderbouwd. De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 2.000,-,

De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij [getuige 2] levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal de benadeelde partij [getuige 2] voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij [getuige 2] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij

BESLISSING

De dagvaarding ten aanzien van feit 7 is nietig.

Het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [plaats], van een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro). Verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover verdachte en zijn mededader heeft/hebben voldaan aan deze verplichting dan komt de andere daarmee te vervallen.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [getuige 2], wonende te [plaats], van een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro).

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-, ten behoeve van het slachtoffer [getuige 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [getuige 2] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. L.J.C.. Hangx en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2013.