Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9616

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
06/940376-12, 06/460551-08 (TUL) en 06/940342-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor stalking van zijn ex-vriendin. De rechtbank heeft een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk opgelegd. De bijzondere voorwaarden behelzen onder meer een contactverbod met aangeefster en een verplichte behandeling door een forensische polikliniek. De proeftijd voor de algemene en bijzondere voorwaarden geldt voor resp. de duur van 2 en 3 jaar. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 500,-- toegewezen gekregen. Voorts zijn er nog eerdere door de politierechter te Zutphen opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen ten uitvoer gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Gelderland

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 06/940376-12, 06/460551-08 (TUL) en 06/940342-10 (TUL)

Uitspraak d.d. 25 januari 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [datum, plaats],

[adres, postcode woonplaats].

Raadsman: mr. E.A.C. Sandberg, advocaat te Vorden

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 januari 2013

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2012 tot en met 1 oktober 2012, althans van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012, te Didam, gemeente Montferland, in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die persoon, in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte bij die [slachtoffer] er meermalen op aangedrongen een relatie aan te gaan met hem en/of heeft verdachte een zeer groot aantal, althans vele Whattsapp- en/of SMS-berichten en/of berichten via Facebook naar die [slachtoffer] en/of naar (een) vriend(in)(n)(en) van die [slachtoffer] gestuurd (waarin hij o.a. aangeeft te weten waar zij en/of haar dochtertje is/zijn) en/of heeft verdachte een ansichtkaart naar die [slachtoffer] gestuurd en/of is verdachte meermalen met zijn auto langs de woning van die [slachtoffer] gereden en/of heeft verdachte zich meermalen (met zijn auto) in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer] bevonden en/of heeft verdachte (willekeurige) internetfoto's met tekst "Dit is [naam]" naar vrienden van die [slachtoffer] gestuurd;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 september 2012 te Didam, gemeente Montferland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto, al dan

niet met verhoogde snelheid, op die persoon is toegereden en/of ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 30 september 2012 te Didam, gemeente Montferland, een

persoon genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte

opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto, al dan niet

met verhoogde snelheid, op die persoon toegereden en/of ingereden, althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 11 september 2012 verscheen [slachtoffer] (hierna: aangeefster) op het politiebureau te Didam. Ze verklaarde ten overstaan van een verbalisant dat zij gestalkt werd door haar ex-vriend [verdachte]. Naar aanleiding hiervan werd door de politie een zogenaamd stalkingsprotocol in werking gesteld. Nadat zij in persoon en telefonisch zich in de dagen daarna nog enige malen gemeld heeft bij de politie ter zake (verdere) stalkingshandelingen door [verdachte], heeft zij op 19 september 2012 aangifte van stalking gedaan. Voorts heeft zij uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van [verdachte] (hierna: verdachte) over te gaan. Vervolgens is de politie Noord- en Oost Gelderland een opsporingsonderzoek gestart.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat verdachte gelet op de geringe frequentie van de contacten geen stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Met betrekking tot de periode voorafgaand aan 12 september 2012, zijnde de datum van uitreiking van de stalkingsbrief, heeft de raadsman aangevoerd dat hier het wederrechtelijk karakter ontbreekt, nu verdachte eerst vanaf dat moment wist dat hij zich schuldig maakte aan stalking. Verdachte dient gelet op het niet bewezen kunnen worden van deze bestanddelen van de delictsomschrijving derhalve van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken te worden. Op de verdere verweren van de raadsman is hierna, voor zover relevant, ingegaan.

Met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen zodanig uiteenlopen dat eveneens vrijspraak voor deze feiten moet volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van de resultaten van het opsporingsonderzoek komt de rechtbank tot de volgende beslissingen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank stelt vast dat de lezingen van aangeefster en de getuige [naam getuige] met betrekking tot dit gebeuren op essentiële onderdelen uiteenlopen. Zo wordt er enerzijds verschillend verklaard over de snelheid waarmee verdachte in de [straat] te Didam met zijn auto gereden zou hebben, anderzijds wordt er ook wisselend verklaard over het feit of verdachte al dan niet tegen aangeefster zou zijn aangereden. [naam getuige] heeft bovendien verklaard het gebeuren niet te hebben gezien maar pas te hebben omgekeken nadat zij aangeefster hoorde gillen. Voorts heeft verdachte verklaard weliswaar in voornoemde straat gereden te hebben, maar juist op enig moment weggereden te zijn omdat omstanders het naar zijn idee op hem en zijn auto gemunt hadden. Deze omstandigheden in ogenschouw nemend, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging doodslag dan wel bedreiging van aangeefster.

De rechtbank komt, anders dan de raadsman, op grond van het navolgende wel tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

Op 19 september 2012 heeft aangeefster aangifte gedaan van stalking tegen verdachte.2 In deze aangifte heeft zij onder meer aangegeven dat zij een korte relatie heeft gehad met verdachte. Eind juli 2012 heeft zij duidelijk gemaakt deze relatie te beëindigen.

Verdachte heeft verklaard dat op 1 augustus 2012 de relatie verbroken was.3

Aangeefster heeft onder meer verklaard dat verdachte haar vanaf 1 augustus 2012 constant heeft belaagd met Whatsapp-berichten. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het proces-verbaal ten behoeve van de voorgeleiding4 bij de rechter-commissaris voor het beslissen op een vordering tot inbewaringstelling talloze Whatsapp-berichten zijn gedocumenteerd. Daarnaast bevinden zich in het proces-verbaal ten behoeve van de inhoudelijke zitting ook door verdachte aan aangeefster verzonden sms-berichten. De inhoud van deze berichten laten zich karakteriseren als pathetische, aandachtvragende, bedreigende en inbreuk op de privacy makende berichten. Exemplarisch hiervoor zijn berichten als:

"wil je aub by me terugkomen..lig op bed met verdriet xxxxx..wil er voor je zijn poes"5

"ga me maar haten sgat....maak het makkelijker voor me"6

"[naam] kijk.dit bedoel ik..wens je sterkte je kijkt op je app en zegt niks" en "dit laat ook zien dat ik stront ben voor jw"

Als aangeefster daarop reageert met: "Niet alles draait om jou nee" whatsappt verdachte: "Ik wens je tog sterkte gvd"7

"ik wil gewoon weten of het goekomt"8

"is er hoop ja of nee meer vraah ik niet"9

"weet niet wat ik moet doen om je terug te krijgen"10

"[naam] nieuwe schoentjes..."11

Daarnaast bevinden zich in het proces-verbaal ook sms-berichten met teksten als:

"ja je zit in hotel in tilburg met [naam]..had je nicht tegen die chinees verteld...laten we dit oplossen, waar zit je vd valk in rije vlakbij efteling"12

"schat al ga je een jaar weg..je komt terug"13

"hoop gewoon dat we vrienden kunnen zijn voor altijd..reageer aub [naam]" en "ik heb een relatie met je gehad..je hoort met mij te praten.."14

Verdachte heeft verklaard nadat de relatie was beëindigd via de Whatsapp dagelijks contact met aangeefster gehad te hebben.15

Aangeefster heeft voorts verklaard dat verdachte ook vrienden heeft benaderd met Whatsapp berichten.16

De vriendin van aangeefster, [naam getuige], heeft tegenover de politie een verklaring afgelegd.17 Zij heeft onder meer verklaard vanaf 31 juli 2012 honderden rare en opdringerige Whatsapp-berichten van verdachte te krijgen. Zo wist verdachte precies, aldus getuige [naam getuige], wanneer [naam] (i.e. aangeefster) en zij bij elkaar waren. Bij haar verklaring is een lijst van Whatsapp-berichten gevoegd.18 Uit de overlegde lijst is gebleken dat verdachte getuige [naam getuige] in de periode van 31 juli 2012 tot en met 22 september 2012 onder meer de volgende berichten heeft gestuurd:

"je bent nu met [naam] aant praten...waar heb je het over"19 en

"[naam]...weet jij waar [naam] zit..ga eens aub in mijn positie staan..je houdt van iemand en ineens is er ruzie en is ze volgens familie een week naar tilburg met [naam]..ik wil haar opzoeken"20 en

"ik hoor net dat ze met [naam] weg is..als dat zo is he?..mij voorliegen voor kk turk"21 en

"dat ze zo ineens niks meer laat horen" "is dat normaal" "moet ik dat pikken..kan toch niey"22 en

"want je vriendin die my bedrogen heeft en nikd merr van zich laat horen en en een nieuw nr heeft schijnt met zon schooier te lopen"23 en

"nou ik niet schijt aan die kankerkampers" en "ben al met gasten van de turkse maffia bij haar geweest..ze is er nog niet klaar mee [naam]"24 en

"was altyd goed voor haar maar door die hoerige kkmoeder werd het [naam] moeilijk gemaakt"25 en

"alle kampers uit dtc die ik ken zieden al dat is een hoertje en ze hadden gelijk"26.

[vriend aangee[vriend aangeefster], zijnde een vriend van aangeefster, heeft eveneens verklaard verschillende Whatsappberichten ontvangen te hebben van verdachte die gerelateerd konden worden aan het stalken door verdachte van aangeefster. Zo bevatten enkele berichten, aldus getuige [vriend aangeefster], de volgende inhoud: "...tegen mij doet ze stug...totdat ik ontplof dan is het te laat voor hun daar" en "Ik wacht wel af en de eerste de beste die haar aanraakt, grijp ik." Deze berichten zijn, aldus getuige [vriend aangeefster], op 14 augustus 2012 verzonden.27

Naast voornoemde belaging, maakt aangeefster in haar aangifte en een later verhoor voorts melding van andere vormen van in de tenlastelegging genoemde belaging. Zo heeft aangeefster verklaard dat zij op 18 september 2012 de auto van verdachte op een parkeerplaats vlakbij haar huis zag staan.28 Op 3 oktober 2012 heeft aangeefster opnieuw een verklaring afgelegd.29 Aangeefster heeft daarin gemeld dat op 12 september 2012 een brief is uitgereikt aan verdachte, waarin aangegeven wordt dat verdachte op geen enkele wijze contact mag zoeken met aangeefster. Deze brief werd die dag aan verdachte uitgereikt nadat aangeefster op het politiebureau had aangegeven achtervolgd te worden door verdachte. Deze brief bevindt zich in het proces-verbaal.30 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard die dag achter haar aangereden te zijn en haar achterna te zijn gegaan tot in het politiebureau. Ook heeft hij verklaard de bewuste brief in ontvangst te hebben genomen. Op de vraag wat er na 12 september 2012 is gebeurd, verklaart aangeefster verder dat zij een kaart, met afstempeldatum 25 september 2012, van verdachte heeft gehad. De (ansicht)kaart is door aangeefster aan de politie overgelegd en bevindt zich ook in het proces-verbaal.31 Verdachte heeft terechtzitting verklaard deze kaart aan aangeefster verzonden te hebben. Op 16 september 2012 is aangeefster in haar auto door verdachte klemgereden waarna verdachte haar portier geopend heeft en tegen haar heeft geschreeuwd. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend de portier van de auto van aangeefster geopend te hebben en tegen aangeefster te hebben geschreeuwd. Aangeefster heeft voorts verklaard dat verdachte op 19, 23, 25 en 30 september 2012 in de nabijheid van haar woning is geweest doordat verdachte door de straat waaraan haar woning is gelegen of een belendende straat is gereden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard aangegeven meermalen door haar straat zijn gereden. Tegenover de politie heeft verdachte voorts verklaard dat hij de hoop had om aangeefster te treffen.32

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, zoals hiervoor weergegeven, van oordeel dat verdachte door middel van het versturen van genoemden Whatsapp- en smsberichten, het sturen van een ansichtkaart, het opentrekken van de portier van aangeefsters auto en het tegen aangeefster schreeuwen en het zich meermalen langs of bij haar woning begeven stelselmatig en wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Daartoe acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in het bijzonder redengevend:

- het relatief lange tijdsbestek waarin de talloze Whatsapp- en smsberichten zijn verstuurd;

- zinsneden in de Whatsapp- en smsberichten die, in onderling verband bezien, talloze malen van een voortdurend pathetische, aandachtvragende, bedreigende en inbreuk op de privacy makende lading zijn voorzien;

- de impact die de berichten daadwerkelijk op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster hebben gehad.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het oogmerk had aangeefster te dwingen te dulden contact met hem te hebben, contact met bepaalde anderen te mijden, dan wel vrees aan te jagen. Dit oogmerk volgt uit de bewezenverklaarde handelingen, waaruit kan worden afgeleid dat aangeefster geen keuze werd gelaten in het al dan niet aanvaarden van de contacten met verdachte. Door zijn handelen dwong verdachte aangeefster feitelijk te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan 12 september 2012 geen wederrechtelijke inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het is verdachte, aldus de raadsman, pas op 12 september 2012 duidelijk geworden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan stalking. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat ook aangeefster heeft gereageerd op de Whatsapp-berichten. Na 12 september 2012 heeft verdachte in een korte periode 28 berichten gestuurd, is er een kaart verzonden, is de portier opengetrokken en zijn er op drie verschillende data in september contacten geweest. Dit brengt niet mee dat gesproken kan worden van stelselmatigheid, aldus de raadsman. Voorts blijkt niet uit de brief dat verdachte niet bij de woning van aangeefster mocht komen. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat de contacten die er met derden zijn geweest, geen inbreuk vormen op de levenssfeer van aangeefster.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het lastig vallen van derden, waaronder de rechtbank ook verstaat het sturen van vele Whatsapp- en sms-berichten, kan worden verstaan onder belaging (vgl. Hof Leeuwarden 12 december 2006, LJN AZ4596). Voorts maakt het in ontvangst nemen van een brief waarin verdachte duidelijk wordt gemaakt geen contact te zoeken met aangeefster, niet dat de stalkingshandelingen in de periode daaraan voorafgaand niet strafbaar zijn. Dat verdachte op grond van die brief niet in de buurt van aangeefster mocht komen blijkt genoegzaam uit de bewoordingen en de inhoudelijke strekking van die brief. Dat aangeefster binnen de zeer grote hoeveelheid aan door verdachte verzonden Whatsapp- en sms-berichten ook op spaarzame momenten reageert, doet eveneens aan de strafbaarheid van verdachte niet af.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012, te Didam, in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van [slachtoffer], met het oogmerk die persoon, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte bij die [slachtoffer] er meermalen op aangedrongen een relatie aan te gaan met hem en heeft verdachte een zeer groot aantal, althans vele Whattsapp- en SMS-berichten naar die [slachtoffer] en naar vrienden van die [slachtoffer] gestuurd (waarin hij o.a. aangeeft te weten waar zij en/of haar dochtertje zijn) en heeft verdachte een ansichtkaart naar die [slachtoffer] gestuurd en is verdachte meermalen met zijn auto langs de woning van die [slachtoffer] gereden en/of heeft verdachte zich meermalen (met zijn auto) in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer] bevonden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

belaging

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1 en 2 subsidiair zal worden [naam]ordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met betrekking tot de algemene voorwaarden en een proeftijd van 3 jaar met betrekking tot de bijzondere voorwaarden, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Als bijzondere voorwaarden stelt de officier van justitie dat verdachte zich moet melden bij de reclassering zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig acht. Voorts mag verdachte op geen enkele wijze contact opnemen met aangeefster, zo lang de reclassering dat nodig acht. Ten slotte moet verdachte zich verplicht laten behandelen bij De Tender.

Voorts verzoekt de officier van justitie de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de straf.

De raadsman voert aan dat zowel de maatschappij als verdachte er bij gebaat zijn als hij de mogelijkheid heeft om zijn behandeling bij De Tender te continueren en dat een straf absoluut niet bijdraagt aan het oplossen van zijn problemen. De raadsman heeft verder aangevoerd dat, mocht wel een straf worden opgelegd, verdachte bereid is een werkstraf uit te voeren. Met betrekking tot de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de mogelijke straf heeft de raadsman naar voren gebacht dat verdachte in beginsel de inhoudelijke behandeling van een strafzaak in tweede aanleg in vrijheid moet kunnen afwachten.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft verder overwogen dat verdachte reeds eerder is [naam]ordeeld, zo blijkt mede uit een betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2012, voor eerdere gevallen van belaging. Nota bene liep verdachte nog in twee verschillende proeftijden die waren gebaseerd op [naam]ordelingen ter zake van belaging. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 12 september 2012 door tussenkomst van de politie een brief in handen heeft gesteld van aangeefster met de mededeling dat hij geen contact met haar mocht zoeken. Verdachte was derhalve bekend met de omstandigheid dat aangeefster in ieder geval vanaf 12 september 2012 geen contact met hem wenste. Verdachte heeft deze waarschuwingen naast zich neergelegd en is doorgegaan met het op hardnekkige wijze en op verschillende manieren zoeken van contact met aangeefster.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, op zijn plaats. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is bedoeld om verdachte er van te doordringen, dat hij zijn hardnekkige recidivegedrag op het gebied van belagen van ex-vriendinnen dient te staken. Om verdachte er voorts van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, alsmede ter ondersteuning van een optimale medewerking van verdachte aan de begeleiding door de reclassering en aan de zeer noodzakelijk geachte behandelingen, acht de rechtbank aldus ook een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de hierna te noemen bijzondere voorwaarden op zijn plaats. De proeftijd bedraagt 2 jaren ten aanzien van de algemene voorwaarden en 3 jaren ten aanzien van de bijzondere voorwaarden.

De vordering van de officier van justitie dat bevolen wordt de op grond van artikel 14c Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht als bedoeld in artikel 14d Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat er geen ernstige rekening mee moet worden gehouden dat [naam]ordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar [naam]orzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een mondelinge opgave van de inhoud van de vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,-- (immateriële schade) ter terechtzitting gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,-- met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen als zijnde onbewezen en/of ongegrond.

Het verweer van raadsman, dat niet aan formele vereisten voor het indienen van een civiele vordering is voldaan, nu geen bedrag op het voegingsfomulier is ingevuld, wordt verworpen. Juist is dat er geen bedrag is ingevuld op het voegingsformulier, en in zoverre lijkt er van een juiste en complete voeging als bedoeld in artikel 51g, eerste lid, Sv nog geen sprake. Een voeging kan echter ook ter zitting worden gedaan, zelfs mondeling (zie daartoe artikel 51g, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering). In deze is er mondeling een toelichting gegeven op de eerdere schriftelijke voeging en is ook een bedrag gevorderd. Daarmee is de eerdere omissie in het voegingsformulier hersteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, staat voor de rechtbank derhalve vast. De rechtbank ziet in de ernst en de intensiteit van de belaging termen om de verzochte immateriële schade tot een bedrag van € 500,- toe te wijzen. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De ervaring leert dat een slachtoffer door het handelen zoals ten laste is gelegd immateriële schade lijdt. Zulks blijkt ook uit de aangifte. Uit de mondelinge toelichting op haar vordering, is naar voren gekomen welke psychische gevolgen de gedragingen van verdachte op aangeefster/de benadeelde partij hebben gehad. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op na te melden bedrag.

Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straffen onder parketnummers 06/460551-08 en 06/940342-10. In de zaak met parketnummer 06/460551-08 verzoekt de officier van justitie één maand en in de zaak met parketnummer 06/940342-10 100 dagen ten uitvoer te leggen, zodat de bijzondere voorwaarden binnen het restant van de proeftijden gehandhaafd blijven.

De raadsman heeft afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging met voornoemde parketnummers bepleit nu de vorderingen op een laat moment zijn betekend. De raadsman voert aan dat de wet weliswaar geen eisen stelt aan de betekeningstermijn van dergelijke vorderingen, maar dat in het onderhavige geval, waar de vorderingen daags voor en op de dag van de zitting zijn betekend aan verdachte, de beginselen van een eerlijk proces geschonden zijn. De raadsman stelt met name dat hij zich niet heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank begrijpt uit de bewoordingen dat de raadsman de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vorderingen bepleit. Voorts voert de raadsman aan dat de verdachte zich wel heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden, die overigens zien op strafzaken met andere aangeefsters. De raadsman verzoekt de proeftijd te verlengen dan wel de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank stelt vast dat de betekening van genoemde vorderingen op een laat moment heeft plaatsgevonden. Wettelijke termijnen zijn, eenvoudigweg bij het ontbreken daarvan, echter niet geschonden. Voorts blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting dat verdachte zich bewust is geweest dat hij in twee verschillende proeftijden liep. Gesteld kan dan ook worden dat verdachte niet verrast kan zijn geweest door de, zij het late, betekening van de vorderingen. De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie van 10 januari 2013 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 05 februari 2009 (parketnummer 06/460551-08) voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 4 maanden van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt en reeds op 10 februari 2011 door de Politierechter te Zutphen 2 maanden zijn omgezet in 120 uur werkstraf- de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijk straf op zijn plaats is, te weten de nog resterende 2 maanden gevangenisstraf.

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie van 11 januari 2013 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 10 februari 2011 (parketnummer 06/940342-10) voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 130 dagen voorwaardelijk van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt- de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijk straf op zijn plaats is, te weten 130 dagen gevangenisstraf.

De rechtbank ziet geen termen om, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging over te gaan nu de proeftijden binnen afzienbare tijd aflopen en er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zich op welke wijze dan ook heeft ingelaten met de bij de vorderingen ten uitvoerlegging betrokken aangeefsters. Voor een omzetting in een werkstraf, zoals subsidiair door de raadsman betoogd, acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als: belaging,

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de navolgende algemene en/of bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd. Ten aanzien van de algemene voorwaarden geldt een proeftijd van 2 jaren en ten aanzien van de bijzondere voorwaarden geldt een proeftijd van 3 jaren:

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

* zolang de reclassering zulks nodig zich, gedurende de proeftijd, (ambulant) zal laten behandelen door de forensische polikliniek De Tender danwel een soortgelijke instelling. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die door of namens de leiding van de Reclassering of die andere instelling zullen worden gegeven;

* zich binnen twee werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland en dat hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de Reclassering gedurende deze periode nodig acht;

* zich gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [slachtoffer] zolang de Reclassering dat nodig acht;

* wijst af de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht;

* wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer], een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

* bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat zij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

* legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van:

- een bedrag groot € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het [slachtoffer]

* bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

* bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

* Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van twee (2)maanden, zijnde het restant van de 4 maanden gevangenisstraf die voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen op 05 februari 2009, onder parketnummer 06/460551-08 en waarvan de overige twee maanden eerder bij beslissing van 10 februari 2011 reeds waren omgezet in 120 uur werkstraf.

* Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van honderdendertig (130) dagen voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen op 10 februari 2011, onder parketnummer 06/940342-10.

* heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, E.G. de Jong en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Koster, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 januari 2013.

Mr. E. G. de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0642 2012145599, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, gesloten en ondertekend op 25 oktober 2012.

2 P. 24-26

3 P. 87

4 (ongenummerd) proces-verbaal van voorgeleiding d.d. 3 oktober 2012

5 8 augustus 2012 18:37 uur

6 8 augustus 2012 22:33 uur

7 13 augustus 2012 14:53 - 14:59 uur

8 19 augustus 2012 15:41 uur

9 29 augustus 2012 11:35 uur

10 6 september 2012 20:58 uur

11 12 september 2012 12:30 uur

12 14 september 2012 21:56 uur, p. 105

13 14 september 2012 22:06 uur, p. 105

14 14 september 2012 10:10 uur, p. 103

15 P. 82

16 P. 26

17 P. 46

18 P. 54

19 1 augustus 2012 te 22:00 uur, p. 55

20 15 september 2012 10.13 uur, p. 57

21 15 september 2012 11:44 uur, p. 57

22 17 september 2012 20:54 uur, p. 58

23 22 september 2012 00:10 uur, p. 59

24 22 september 2012 00:41 uur, p. 59

25 22 september 2012 00:43 uur, p. 59

26 22 september 2012 00:45 uur, p. 59

27 P. 61

28 P. 26

29 P. 30

30 P. 15

31 P. 37

32 P. 86