Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9599

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
C/08/133820 KGZA 12-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffen van beslag wordt afgewezen. De notariele akte die is opgemaakt als wilsverklaring van de vrouw kan niet worden gekwalificeerd als meerzijdige rechtshandeling, nu het daarin opgenomen voorstel tot verdeling door de man nooit is aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : C/08/133820 KGZA 12-264

Uitspraak : 24 januari 2013

Vonnis in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij, hierna ook wel [eiser] te noemen,

gemachtigde: mr. R. Kaya, advocaat te Almelo

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij, hierna ook wel [gedaagde] te noemen,

gemachtigde: mr. I. Kruiders, advocaat te Enschede.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de op 8 januari 2013 door [gedaagde] toegezonden producties;

- de mondelinge behandeling; ter zitting zijn verschenen [eiser], vergezeld door mr. Kaya, en [gedaagde], vergezeld door mr. Kruiders, die gebruik heeft gemaakt van een pleitnota.

1.2 Tenslotte heeft [eiser] vonnis verzocht.

2. Het geschil en de beoordeling

2.1 De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangenomen. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest op 30 oktober 1980 te Almelo in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 13 februari 2004. Bij vonnis van 18 maart 2009 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de echtelijke woning wordt toebedeeld aan de man en dat de man wegens overbedeling een bedrag ad € 34.377,54 moet betalen aan de vrouw.

2.2 Bij arrest van 31 augustus 2010 heeft het gerechtshof te Arnhem in hoger beroep geoordeeld dat de man uit hoofde van overbedeling aan de vrouw verschuldigd is een bedrag ad € 30.177,54. Het hof heeft de man dienovereenkomstig tot betaling veroordeeld. De man werd daarbij niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel, voor zover dit zich richtte tegen de beslissing van de rechtbank, dat de echtelijke woning aan hem werd toegescheiden.

2.3 De vrouw heeft op 10 december 2010 executoriaal beslag laten leggen op alle voor zodanig vatbare gelden, geldswaarden, vorderingen en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn van de man. Op 21 maart 2011 heeft zij beslag doen leggen op de WIA-uitkering van de man.

2.4 Bij notariële akte van 2 februari 2012 heeft de vrouw een verklaring vastgelegd die, voor zover hier van belang, luidt als volgt. Onder het kopje ‘OVERBEDELING’: “De comparante, handelend als gemeld, verklaarde dat in verband met bovenstaande afspraken tot verdeling de man is overbedeeld, als gevolg waarvan hij een schuld heeft ten bedrage van dertig duizend één honderd zevenenzeventig euro en vierenveertig eurocent (€ 30.177,44) aan de vrouw”. De akte vermeldt voorts, onder de kop “SCHULDOMZETTING”: “Deze vordering is voldaan door dat hij in de bron der verbintenis is omgezet in een schuld wegens geleend geld, direct aflosbaar en tegen een nader overeen te komen rente per jaar, in december van elk jaar te voldoen”.

2.5 In aanvulling op deze vaststaande feiten heeft de man het volgende gesteld. Ondanks zijn verzet heeft de rechtbank de echtelijke woning aan hem toegedeeld, nog voordat hem een extra hypotheek was verstrekt, waarmee hij aan de daaruit voortvloeiende vordering van de vrouw wegens overbedeling kon financieren. Achteraf is gebleken dat de hypotheekverstrekker niet bereid was om een hypotheekverhoging aan de man te verstrekken wegens gebrek aan voldoende draagkracht, en om dezelfde reden was het ook niet mogelijk om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. De toedeling van de woning aan de man is een fout van de rechtbank, waardoor de man ernstig is benadeeld. De vrouw heeft ten onrechte reeds € 10.951,- geïncasseerd, en dat bedrag zal moeten worden terugbetaald.

2.6 Uit de notariële akte blijkt dat de vordering van de vrouw op de man is voldaan doordat hij is omgezet in een schuld wegens geleend geld tegen een nader te bepalen rente per jaar. Als gevolg daarvan is de geldvordering niet opeisbaar meer, zodat het ter uitvoering van het arrest gelegde beslag dient te worden opgeheven.

2.7 De vrouw betwist de gevorderde opheffing van het beslag en heeft hiertoe onder meer aangevoerd, dat de vordering onverkort openstaat en opeisbaar is, zodat zij rechtmatig beslag heeft gelegd onder het UWV op de WIA-uitkering van de man en geen sprake kan zijn van terugbetaling van enig bedrag.

2.8 De voorzieningenrechter beoordeelt het geschil als volgt. Bovenaan de notariële akte staat ‘AKTE VAN VERDELING’. Onderaan de akte staat de volgende passage: “Na zakelijke opgave van de inhoud van deze akte aan de comparanten, hebben deze eenparig verklaard van de inhoud van deze akte te hebben kennisgenomen en op volledige voorlezing daarvan geen prijs te stellen. Vervolgens is deze akte na beperkte voorlezing door de comparanten en mij, notaris, ondertekend,…”. Uit deze teksten kan op het eerste gezicht de indruk ontstaan dat het hier gaat om een verdelingsovereenkomst tussen twee partijen, namelijk de vrouw en de man, die met deze akte samen de uitvoering van het arrest van het hof hebben willen regelen.

2.9 Dat is echter niet het geval. Uit de akte blijkt zonneklaar dat deze slechts is opgemaakt als wilsverklaring van de vrouw, en niet ook van de man. Immers, mevrouw [K], werkzaam bij Suwijn notarissen, heeft blijkens de akte verklaard te handelen als schriftelijk gevolmachtigde van [gedaagde] als ‘volmachtgever’. Mevrouw [K] was dus de comparante bij het passeren van de akte, en trad daarbij alleen op namens de vrouw, en niet ook namens de man.

2.10 Daarom kan de notariële akte niet worden gekwalificeerd als een meerzijdige rechtshandeling van de vrouw en de man samen. De voorzieningenrechter ziet de akte als een eenzijdig aanbod van de vrouw aan de man om de boedel te verdelen zoals in de akte is beschreven, dus met inbegrip met toedeling van de woning aan de man. De akte dateert van

2.11 2 februari 2012.

2.12 Er is echter niet gesteld of gebleken dat de man dat aanbod sindsdien ooit heeft aanvaard. Van een expliciete aanvaarding blijkt niet. De man had het aanbod ook impliciet kunnen aanvaarden, bijvoorbeeld door een voorstel te doen over de door hem te betalen rente over het openstaande bedrag, maar ook dat heeft hij kennelijk niet gedaan.

2.13 De akte bevat voorts als uitgangspunt dat de woning aan de man wordt toebedeeld, en hij vindt die toedeling kennelijk nog steeds onacceptabel, nu hij deze ter terechtzitting heeft gekwalificeerd als een ernstige fout van de rechtbank. Ook uit dat standpunt valt niet af te leiden dat de man het aanbod heeft aanvaard. Terzijde merkt de voorzieningenrechter hierover nog op dat een ernstig bezwaar van één der partijen tegen een rechterlijk oordeel nog niet meebrengt dat dit oordeel onjuist is.

2.14 Omdat de man de in de akte aangeboden verdeling dus niet heeft aanvaard, moet dit aanbod inmiddels als vervallen worden beschouwd. Daarom komt aan de man geen beroep toe op slechts één door hem wel gewenst onderdeel van dat aanbod, namelijk de omzetting van zijn opeisbare schuld in een niet opeisbare schuld wegens geleend geld tegen een nader overeen te komen rente.

2.15 Uit het voorgaande volgt dat de vrouw het onderhavige beslag mocht leggen ter uitvoering van de in het arrest van het hof neergelegde veroordeling van de man tot betaling van € 30.177,54. Het beslag is dus niet onrechtmatig gelegd. Ook blijkt niet dat het beslag op onrechtmatige wijze wordt uitgevoerd, nu blijkens een door de man overgelegde brief van het UWV van 21 maart 2011 de toepasselijke bepalingen met betrekking tot de in acht te nemen beslagvrije voet worden toegepast. Ook overigens blijkt niet van misbruik van recht.

2.16 De vordering tot opheffing van het beslag moet dus worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal de proceskosten compenseren, omdat partijen gehuwd zijn geweest.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I Wijst de vordering af.

II Compenseert de kosten tussen partijen, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

III Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, kantonrechter, en op

24 januari 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.