Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9013

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
C/08/121834 / HA ZA 11-557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident. Vordering ex artikel 843a Rv.

De incidentele vordering tot afgifte van bescheiden wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/121834 / HA ZA 11-557

datum vonnis: 16 januari 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

Amlin Corporate Insurance N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

verder te noemen Amlin,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Winza Products B.V.,

gevestigd te Enschede,

verder te noemen Winza,

eiseressen in de hoofzaak,

incidenteel verweersters,

behandelend advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

procesadvocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HST Logistiek B.V.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde in de hoofdzaak,

incidenteel eiseres,

verder te noemen HST Logistiek,

behandelend advocaten: mr. J. Mulder te Hoogeveen en mr. J. Smit te Rotterdam,

procesadvocaat: mr. E.M.M. van de Loo te Enschede.

1. Het procesverloop

In de hoofdzaak en in het incident

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van HST Logistiek;

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;

- het (tussen)vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 8 februari 2012;

- de akte na tussenvonnis van HST Logistiek;

- het vonnis in het bevoegdheidsincident, tevens tussenvonnis in de hoofdzaak van 28 maart 2012, waarbij de vordering van HST Logistiek in het incident is afgewezen en waarbij de hoofdzaak is verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van HST Logistiek;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek, tevens incidentele conclusie ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) van HST Logistiek;

- de conclusie van antwoord in het incident van Amlin en Winza;

- de akte in het incident ex artikel 843a Rv van HST Logistiek.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In de hoofdzaak

2.1 Bij dagvaarding hebben Amlin en Winza gevorderd, zoals verkort weergegeven door de rechtbank in het tussenvonnis van 8 februari 2012. De rechtbank neemt over hetgeen in voornoemde (tussen)vonnissen van 8 februari 2012 en 28 maart 2012 is overwogen.

In het incident

2.2 HST Logistiek vordert in het incident dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, Winza veroordeelt om binnen zeven dagen na dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Winza daarmee in gebreke blijft, kopie te verstrekken aan de advocaat van HST Logistiek van de verzekeringspolis tussen Winza en Amlin, inclusief alle daarbij behorende clausules, voorwaarden en aanhangsels zoals geldig in de periode van de schadeveroorzakende gebeurtenissen.

2.3 Amlin en Winza voeren verweer in het incident en concluderen tot niet-ontvankelijk verklaring van HST Logistiek in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van HST Logistiek in de kosten van het incident, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na de dag waarop het vonnis is gewezen tot aan de dag der algehele voldoening.

2.4 Voor zover relevant zal de rechtbank bij de beoordeling nader ingaan op de stellingen van partijen.

De beoordeling in het incident

3.1 Ten aanzien van de in het incident gewisselde processtukken en de stellingen van partijen, overweegt de rechtbank dat ingevolge het bepaalde in artikel 843 a Rv een partij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

3.2 Aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van dit artikel zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden.

Zo dient de verzoeker een rechtmatig belang te hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, in die zin dat de gevraagde stukken relevant zijn voor diens rechtspositie.

Verzoeker moet inzage, uittreksel of afschrift vorderen van bepaalde, met name genoemde stukken, waarbij de gevraagde bescheiden in ieder geval zodanig concreet moeten worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of verzoeker een rechtmatig belang heeft.

Tenslotte moet de inzage, het afschrift of het uittreksel gaan om een onderhandse akte of een ander stuk aangaande een rechtsbetrekking waarin verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is. De rechtbank zal beoordelen of aan deze cumulatieve voorwaarden is voldaan.

3.3 De rechtbank overweegt dat HST Logistiek voldoende concreet en gemotiveerd heeft aangegeven wat haar rechtmatig belang is bij haar vordering tot inzage van de polisbescheiden ex artikel 843a Rv. Zij heeft gesteld er belang bij te hebben om te weten of zij heeft te gelden als medeverzekerde onder de door Winza bij Amlin afgesloten schadeverzekering, nu -indien dat het geval is- op grond van artikel 7:962 Burgerlijk Wetboek (BW) alsdan geen verhaal meer mogelijk is op een medeverzekerde. HST Logistiek heeft daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat de gevraagde bescheiden relevant zijn voor de beoordeling van haar rechtspositie, wat er zij van de overige door haar gevoerde verweren in deze procedure.

3.4 Van een ‘fishing expedition’ is daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu HST Logistiek immers voldoende concreet heeft omschreven van welke bescheiden zij inzage verlangt en met welke reden, zodat de rechtbank het rechtmatig belang naar behoren kan toetsen.

3.5 Dat HST Logistiek geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst kan aan het voorgaande niet afdoen, nu het voldoende is dat de gevraagde bescheiden relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de aanvrager partij is. Aldus kan een verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van een document betrekking hebben op een overeenkomst tussen twee andere partijen, maar ook op een ander document waarbij de aanvrager geen partij is (HR 29 januari 2010, NJ 2011/270).

3.6 Dat HST Logistiek voorafgaand aan haar conclusie van antwoord in deze procedure niet eerder een verzoek heeft gedaan tot verstrekking van polisbescheiden, betreffende de verzekeringsovereenkomst tussen Amlin en Winza, doet niet af aan de mogelijkheid tot het instellen van een incidentele vordering ex artikel 843 a Rv. in deze procedure. HST Logistiek heeft dienaangaande gemotiveerd gesteld dat zij een dergelijk verzoek niet voorgaand aan de procedure heeft gedaan, nu zij de mening is toegedaan met Winza een vaststellingsovereenkomst te hebben gesloten, uit hoofde waarvan zij € 75.000,-- aan Winza heeft voldaan, ter finale regeling van het geschil.

3.7 De rechtbank overweegt dat zij Amlin en Winza niet kan volgen in hun stelling dat door overlegging van het gedeeltelijk onleesbaar gemaakte voorblad van de polis (productie 22) evident is dat HST Logistiek niet als verzekerde heeft te gelden en dat er geen afstand van regresclausule in de polis is opgenomen.

3.8 Tenslotte overweegt de rechtbank dat afweging van de belangen van enerzijds HST Logistiek en anderzijds Amlin en Winza met zich brengt dat het aanbod van Amlin en Winza om door middel van het doen horen van getuigen aan te tonen dat HST Logistiek geen medeverzekerde is op de polis zal worden gepasseerd, om redenen van proceseconomie, nu het doen horen van getuigen in het algemeen een tijdrovende en kostbare aangelegenheid betreft, waar het overleggen van polisbescheiden relatief gezien weinig moeite kost.

3.9 In acht genomen het voorgaande acht de rechtbank het mogelijk dat HST Logistiek een onredelijk nadeel zal leiden indien de door haar gevraagde bescheiden in de hoofdprocedure niet beschikbaar komen. Het door Amlin en Winza gestelde belang om uit de polis blijkende vertrouwelijk informatie niet te onthullen, moet daarvoor wijken.

3.10 Winza zal worden veroordeeld de hierna te vermelden bescheiden in afschrift aan de advocaat van HST Logistiek ter beschikking te stellen. De gevorderde dwangsom zal als na te melden worden gematigd. Winza zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

In de hoofdzaak

3.11 Gelijk door haar verzocht, zal HST Logistiek in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de door Winza over te leggen bescheiden, waartoe de rechtbank de hoofdzaak zal verwijzen naar de rol.

De beslissing

In het incident

De rechtbank:

I. Veroordeelt Winza om binnen zeven dagen na dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,--, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Winza daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 50.000,--, kopie te verstrekken aan de advocaat van HST Logistiek van de verzekeringspolis tussen Winza en Amlin, inclusief alle daarbij behorende clausules, voorwaarden en aanhangsels zoals geldig in de periode van de schadeveroorzakende gebeurtenissen.

II. Veroordeelt Winza in de kosten van het incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van HST Logistiek begroot op € 452,-- aan salaris van de advocaat.

In de hoofdzaak

De rechtbank:

III. Verwijst de zaak naar de rol van 13 februari 2013 voor het nemen van een akte aan de zijde van HST Logistiek.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Lorist en is op 16 januari 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.