Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY8803

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
Awb 12/927 en 928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers verzoek een jaar later gebruik te mogen maken van de SBF-regeling 2006 afgewezen. Verweerder heeft eiser buitengewoon verlof verleend zonder behoud van bezoldiging. Daarbij heeft verweerder aan eiser tot 1 september 2013 een uitkering toegekend van 80% van zijn laatstgenoten bezoldiging, met ingang van welke datum aan eiser ontslag zal worden verleend.

Rb.: Naar het oordeel van de Rb. is art. 97 van het ARAR als zodanig niet in strijd met de WGBL. Het maken van een leeftijdsonderscheid bij ambtenaren die substantieel bezwarende functies uitoefenen, is gericht op het verminderen van de gezondheids- en veiligheidsrisico's voor de betrokken ambtenaar zelf en derden en dient daarmee een legitiem doel.

De wijze waarop verweerder in dit concrete geval art. 97, lid 2 en 4 ARAR heeft toegepast is echter in strijd met de voorwaarde, zoals die volgt uit art. 7, lid 1, aanhef en onder c, van de WGBL, dat het middel noodzakelijk is. Verweerders weigering om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het leeftijdsontslag met een jaar uit te stellen, is in dit geval immers niet ingegeven door zorg over mogelijke gezondheids- en veiligheidsrisico's, maar door de noodzakelijke inkrimping van personeel in verband met bezuinigingen, hetgeen als détournement de pouvoir moet worden aangemerkt.

Met eiser is de Rb. van oordeel dat verweerder voor het laten afvloeien van medewerkers andere middelen ter beschikking staan. Indien het nodig is om de omvang van de dienst te verkleinen, dan zijn de bepalingen van het ARAR betreffende reorganisatie van toepassing. Het is dan ook niet (in de zin van de WGBL) noodzakelijk het werkgelegenheidsbelang te beschermen door een extensieve toepassing van de uitzondering op het verbod van leeftijdsontslag.

De Rb. is tenslotte in dit verband van oordeel dat het dienstbelang, zoals dit is geformuleerd in art. 97, lid 4 ARAR niet zo ruim moet worden opgevat dat het íeder belang kan omvatten dat verweerder kan hebben bij ontslag.

De Rb. is dan ook van oordeel dat het gemaakte leeftijdsonderscheid niet objectief gerechtvaardigd is en dat verweerder een verboden onderscheid heeft gemaakt door het verzoek van eiser niet te honoreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/927 en 928

uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[eiser],

gemachtigde: mr. J. Aberkrom, werkzaam bij de AbvaKabo te Deventer,

en

de Minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

1.1. Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft verweerder het door eiser ingediende verzoek

een jaar later gebruik te mogen maken van de Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006 (hierna: SBF-regeling 2006), afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 5 juli 2011 ongegrond verklaard, in afwijking van het door de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht (verder: de commissie) gegeven advies. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nummer Awb 12/928.

1.2. Bij besluit van 3 januari 2011 heeft verweerder aan eiser per 1 maart 2011 buitengewoon verlof verleend zonder behoud van bezoldiging. Daarbij heeft verweerder aan eiser tot 1 sep-tember 2013 een uitkering toegekend van 80% van zijn laatstgenoten bezoldiging, met ingang van welke datum aan eiser ontslag zal worden verleend. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 16 september 2011 ongegrond verklaard, in afwijking van het door de commissie gegeven advies. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nummer Awb 12/927.

De beroepen zijn ter zitting van 23 oktober 2012 gevoegd behandeld. Eiser is verschenen,

bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.W. Ahlers, J. van Leeuwen en drs. J.A.M. de Groot.

Overwegingen

2.1. De rechtbank stelt voorop dat, ingevolge het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtbank Arnhem bevoegd is om dit beroep te behandelen.

Artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen bepaalt dat de Raad voor de rechtspraak op het verzoek van het bestuur van een rechtbank, bij gebrek aan voldoende zittingscapaciteit of aan gespecialiseerde zittingscapaciteit in het arrondissement waarbinnen de rechtbank bevoegd is, tijdelijk een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het arrondisse-ment kan aanwijzen. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt bij het Aanwijzingsbesluit bestuursrecht Oost-Nederland (Stcrt. 2012, nr. 6079), hierna te noemen het Aanwijzings¬besluit. Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder d, van het Aanwijzings¬besluit is Zwolle aangewezen als nevenzittingsplaats van de rechtbanken Almelo, Arnhem

en Zutphen.

2.2. Artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (verder: ARAR) bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een in categorie A en B onderverdeelde lijst met functies wordt vastgesteld, die uit hoofde van de aard van de aan die functies verbonden werkzaamheden

als substantieel bezwarend worden aangemerkt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 97, tweede lid , van het ARAR wordt aan de ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie A van de in het eerste lid bedoelde lijst, eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 97, vierde lid, van het ARAR kan het bevoegd gezag van het verlenen van ontslag op deze grond, telkens voor de duur van ten hoogste één jaar,

afzien, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek lichamelijk

en psychisch in staat kan worden geacht om zijn functie te blijven vervullen.

2.3 Eiser, geboren op [….1950], was werkzaam als plaatsvervangend vestigings-directeur van de P.I. Grave. Deze functie is als substantieel bezwarend aangemerkt volgens genoemde categorie A, bedoeld in artikel 97,eerste lid van het ARAR, hetgeen tussen partijen niet in geschil is.

Bij brief van 6 oktober 2009 heeft eiser het verzoek ingediend om een jaar langer door te mogen werken. Bij brief van 25 februari 2010 heeft verweerder dit verzoek gehonoreerd

en daarbij overwogen dat er geen dienstbelang is dat zich ertegen verzet dat eiser na 1 maart 2010 nog een jaar doorwerkt. Verweerder heeft dan ook aan eiser uitstel van ontlag verleend voor een periode van een jaar.

Bij brief van 3 september 2010 heeft eiser genoemd verzoek herhaald, waarna besluitvor-ming heeft plaatsgevonden, zoals beschreven onder de rubriek Procesverloop.

2.4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet honoreren van het verzoek van eiser leidt tot een vermindering van de boventalligheid die bestaat binnen de functie-groep van (plaatsvervangend) vestigingsdirecteuren. Dit gegeven heeft verweerder aange-merkt als een dienstbelang dat zo zwaarwegend is dat op grond hiervan het verzoek van eiser niet wordt gehonoreerd. Verweerder voelt zich in dit oordeel gesterkt nu het in lijn is met de criteria die voor het begrip dienstbelang worden gehanteerd in de Wet aanpassing arbeids-duur.

2.5. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, indien moet worden vast-

gesteld dat het afwijzen van het verzoek van eiser om langer door te werken wel moet worden gezien als het maken van onderscheid op grond van leeftijd vanwege werkgelegen-heids- of arbeidsmarktbeleid ter bevordering van arbeidsparticipatie van bepaalde leeftijds-categorieën, er geen strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL).Verweerder heeft daarbij overwogen dat de grondslag dienstbelang voor het af-wijzen van het door eiser ingediende verzoek om langer door te werken is opgenomen in het ARAR en hiermee is voldaan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder a,van de WGBL, inhoudende dat het beleid is vastgesteld bij of krachtens wet. Voor zover er wel sprake zou zijn van leeftijdsonderscheid heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in de situatie van eiser hiervoor een geoorloofde objectieve rechtvaardiging bestaat.

2.6. Eiser heeft – samengevat - aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het dienstbelang zich verzet tegen de verlenging van de aanstelling. Verder is er geen wezenlijk onderscheid tussen de aanvraag in 2010 en 2011 en is artikel 7, eerste lid, onder a, van de WGBL niet van toepassing in de situatie van eiser, omdat er geen werkge-legenheids- of arbeidsmarktbeleid is vastgesteld bij of krachtens wet ter bevordering van arbeidsparticipatie van bepaalde leeftijdscategorieën. Tenslotte is naar het oordeel van eiser sprake van détournement de pouvoir.

De rechtbank overweegt als volgt.

3.1. Artikel 3, aanhef en onder d, van de WGBL bepaalt, voor zover hier van belang, dat onderscheid verboden is bij het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de WGBL wordt onder onderscheid verstaan: onderscheid op grond van leeftijd of op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dat onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft.

Ingevolge artikel 7, eerste lid , aanhef en onder c, van de WGBL geldt het verbod van onderscheid niet indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 97 van het ARAR als zodanig niet in strijd met de WGBL. Het maken van een leeftijdsonderscheid bij ambtenaren die substantieel bezwarende functies uitoefenen, is gericht op het verminderen van de gezondheids- en veiligheidsrisico's voor de betrokken ambtenaar zelf en derden en dient daarmee een legitiem doel.

3.3. De wijze waarop verweerder in dit concrete geval artikel 97, tweede en vierde lid, van het ARAR heeft toegepast is echter in strijd met de voorwaarde, zoals die volgt uit artikel 7, eerste lid , aanhef en onder c, van de WGBL, dat het middel noodzakelijk is. Verweerders weigering om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het leeftijdsontslag met een jaar uit te stellen, is in dit geval immers niet ingegeven door zorg over mogelijke gezondheids- en veiligheidsrisico's, maar door de noodzakelijke inkrimping van personeel in verband met bezuinigingen, hetgeen als détournement de pouvoir moet worden aangemerkt.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor het laten afvloeien van medewer-kers andere middelen ter beschikking staan. Indien het nodig is om de omvang van de dienst te verkleinen, dan zijn de bepalingen van het ARAR betreffende reorganisatie van toepas-sing. Het is dan ook niet (in de zin van de WGBL) noodzakelijk het werkgelegenheids-belang te beschermen door een extensieve toepassing van de uitzondering op het verbod van leeftijdsontslag.

De rechtbank is tenslotte in dit verband van oordeel dat het dienstbelang, zoals dit is geformuleerd in artikel 97, vierde lid, van het ARAR niet zo ruim moet worden opgevat dat het íeder belang kan omvatten dat verweerder kan hebben bij ontslag.

3.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gemaakte leeftijdsonderscheid niet objectief gerechtvaardigd is en dat verweerder een verboden onderscheid heeft gemaakt

door het verzoek van eiser niet te honoreren.

3.5. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 5 juli 2011 dient daarom gegrond

te worden verklaard en te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3 van de WGBL.

De rechtbank zal niet het geschil finaal beslechten door zelf in de zaak te voorzien, nu de rechtbank op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens niet kan bezien in hoeverre terugkeer naar de oude functie feitelijk nog mogelijk of wenselijk is en evenmin kan bezien of eiser een nadere functie binnen het gezagsbereik van verweerder kan en wil uitoefenen dan wel of partijen aan een andere oplossing voor hun geschil de voorkeur geven. Verweerder zal hierover eiser dienen te horen, alvorens een nader besluit op bezwaar wordt genomen.

3.6. Gelet op voorgaande gegrondverklaring van het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 5 juli 2011, is aan het besluit van 16 september 2011 de rechtsgrond komen te ontvallen, zodat ook dit besluit zal worden vernietigd. In het belang van een finale geschilleneslechting zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en bepalen dat het primaire besluit van 3 januari 2011 wordt herroepen.

4. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van de beroep gemaakte kosten, waarbij beide beroepen als samenhangende zaken worden beschouwd. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874. Daarbij is 1 punt toegekend voor het opstellen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) en een waarde per punt van € 437.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juli 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

-draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 16 september 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

-herroept het primaire besluit van 3 januari 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,-, welk bedrag verweerder aan eiser dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 304,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, voorzitter, mr A. Oosterveld en

mr.W.F. Bijloo, rechters, en door de voorzitter en C. Kuiper als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.