Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY8398

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
477258 CV EXPL 12-729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Berekening volgens Hof-model. Moeten reiskosten, lijfrentepremies en beroepskosten meegenomen worden in de berekening van het netto-inkomen? Verrekening van het bruto-saldo van het eerste contract. Heeft Dexia recht op de restanttermijnen bij tussentijdse beeindiging?

Zie herstelbeslissing met zaaknummer 477258 / CV 12-729, LJN: BZ1033.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Oude IJsselstreek

Zaakgegevens 477258 CV EXPL 12-729

Grosse aan:

Afschrift aan:

vonnis van 10 januari 2013 van de kantonrechter

in de zaak van

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: EDR Incasso,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.M. Both (Leaseproces).

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1. Het procesverloop

1.1. Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 februari 2012,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 14 juni 2012, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- de comparitie van partijen, gehouden op 1 augustus 2012, waarvan aantekening is gehouden door de griffier,

- de akte van de zijde van Dexia,

- de antwoordakte van de zijde van [gedaagde].

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. Van de zijde van Dexia is hierna een akte genomen, houdende verzoek comparitie, tevens voorwaardelijk verzoek pleidooi.

2. De feiten.

2.1. [gedaagde] is met (Legio Lease, de rechtsvoorganger van) Dexia zeven overeenkomsten aangegaan van aandelen/effectenlease, als volgt:

- op 17 maart 1994 een overeenkomst met contractnummer [contractnummer 1] voor een leasesom van € 20.522,21 en een looptijd van 180 maanden,

- op 5 maart 1998 een overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] voor een leasesom van € 13.485,14 en een looptijd van 36 maanden,

- op 28 april 1999 een overeenkomst met contractnummer [contractnummer 3] met een leasesom van

€ 12.252,06 en een looptijd van 180 maanden,

- op 27 september 1999 een overeenkomst met contractnummer [contractnummer 4] met een leasesom van € 24.498,40 en een looptijd van 120 maanden,

- op 11 oktober 1999 drie overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 5], [contractnummer 6] en [contractnummer 7], ieder met een leasesom van € 9.633,23 en een looptijd van 120 maanden.

2.2. Het contract met nummer [contractnummer 8] is op 15 september 1999 geëindigd met een batig saldo van € 29.857,87.

De vier laatst afgesloten contracten zijn door Dexia beëindigd per 16 maart 2006. Na verkoop van de effecten was de opbrengst niet toereikend om (het restant van) de aankoopsom te voldoen. De eindafrekeningen laten een negatief saldo zien dat bij contractnummer [contractnummer 4] € 4.947,19 bedraagt en bij de contractnummers [contractnummer 5], [contractnummer 6] en [contractnummer 7] ieder € 2.296,84. In deze eindafrekeningen worden onder meer de resterende contractstermijnen in rekening gebracht.

3. Het geschil

3.1. Dexia vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling van:

- € 4.947,19 terzake contractnummer [contractnummer 4],

- € 1.928,24 terzake contractnummer [contractnummer 5],

- € 2.296,84 terzake contractnummer [contractnummer 6] en

- € 2.296,84 terzake contractnummer [contractnummer 7], steeds te vermeerderen met de wettelijke rente over de diverse bedragen vanaf 31 maart 2006,

- € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2012, terzake buitengerechtelijke incassokosten,

- en de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De procedure van partijen is vergelijkbaar met procedures die elders in het land gevoerd zijn en worden over – in hoofdlijn – dezelfde problematiek. Inmiddels zijn door de Hoge Raad arresten gewezen op 5 juni 2009 (LJN BH 2811, BH 2822 en BH2815), door het Gerechtshof te Amsterdam (hierna; het hof) op 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) en door de Hoge Raad op 29 april 2011 (LJN BP 4003 en LJN BP4012). De kantonrechter acht deze arresten, die algemeen toegankelijk zijn via www.rechtspraak.nl, bekend bij partijen. Deze arresten worden voor de zogenoemde “Dexiazaken” als richtinggevend beschouwd en worden over het algemeen in de rechtspraak gevolgd. Zo ook hier. Dexia heeft in haar laatste akte een comparitie, dan wel pleidooi gevraagd teneinde haar uitleg van de jurisprudentie, toegepast op de geschilpunten van partijen, nader toe te kunnen lichten. Dit verzoek wordt afgewezen, nu een comparitie van partijen reeds heeft plaatsgevonden en partijen daar ruim de gelegenheid hebben gehad zich over de geschilpunten en de jurisprudentie uit te laten en daar ook gebruik van hebben gemaakt.

4.2. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] zich tijdig door middel van een opt-out verklaring heeft onttrokken aan de werking van de algemeen verbindend verklaarde ‘Duisenbergregeling’. Dat brengt mee, dat de in de arresten van het hof genoemde uitgangspunten voor de vaststelling van aansprakelijkheid van een aanbieder van effectenleaseproducten, zoals de overeenkomsten die partijen zijn aangegaan, relevant zijn voor het geschil van partijen. In deze arresten is, onder meer, aan de orde gekomen dat een batig saldo dat aan een contractant ten goede is gekomen onder bepaalde voorwaarden in mindering mag worden gebracht op de restschuld(en) die voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen.

4.3. De vordering van Dexia ziet op de restschulden van de vier in 1999 gesloten overeenkomsten van partijen. In de eindafrekeningen zijn tevens achterstallige termijnen en beëindigingskosten opgenomen. Dexia heeft bij de omvang van haar vordering rekening gehouden met de door het hof ontwikkelde en door de Hoge Raad gesanctioneerde formule (het hofmodel), aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een effectenlease-overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last legt op een wederpartij van Dexia. Dexia heeft haar berekeningen voorafgaand aan de comparitie overgelegd en ter zitting toegelicht en is tot de slotsom gekomen dat geen sprake is van een onaanvaardbare financiële last voor [gedaagde] bij het aangaan van alle zeven overeenkomsten. Ook in de nadere akte, waarbij aangepaste berekeningen zijn gevoegd, komt Dexia tot deze conclusie.

4.4. De geschilpunten van partijen betreffen de vragen of sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, of en op welke manier het batig saldo van de eerste overeenkomst in de berekening moet worden betrokken, de relevantie van de saldi van de overeenkomsten met nummer [contractnummer 2] en [contractnummer 3] en het al dan niet verschuldigd zijn door [gedaagde] van de resterende maandtermijnen voor de vier overeenkomsten.

onaanvaardbaar zware financiële last?

4.5. De discussie over de vraag of sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last spitst zich toe op de vraag of bij de berekening volgens het hofmodel al dan niet rekening moet worden gehouden met de premie lijfrenteverzekering bij het berekenen van het netto (gezins)inkomen. [gedaagde] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten zelfstandig ondernemer. Hij had een lijfrentepolis afgesloten als pensioenvoorziening. [gedaagde] meent dat de kosten daarvan in mindering dienen te worden gebracht op het gezinsinkomen, nu deze kosten vergelijkbaar zijn met de pensioenpremie van een werknemer, die ook van het brutoinkomen wordt afgetrokken.

4.6. Dit standpunt van [gedaagde] kan worden gevolgd. Het gaat immers in de kern om de vraag of Dexia, bij nakoming van haar onderzoeksplicht, uit het onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van [gedaagde] voorafgaande aan het aangaan van de overeenkomsten, had moeten concluderen dat naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] zouden leggen. Aangenomen moet worden dat Dexia, bij uitvoering van dit onderzoek, had moeten constateren dat [gedaagde] bijzondere verplichtingen was aangegaan ter voorziening in zijn pensioen. Weliswaar is een zelfstandig ondernemer niet wettelijk verplicht een lijfrenteovereenkomst te sluiten voor zijn pensioenvoorziening, maar indien deze daarvoor gekozen heeft kan dit in beginsel als een redelijke keuze worden aangemerkt. Het betreft een specifieke verplichting die in het geval van [gedaagde] voor de bepaling van de financiële ruimte had moeten worden meegewogen. Bij een werknemer in loondienst zal de pensioenpremie door de werkgever op het brutoloon in mindering worden gebracht en zal deze post op vergelijkbare wijze voor de bepaling van de financiële ruimte in aanmerking worden genomen. Op het overgelegde biljet van proces van 1999 komt de post premies lijfrente voor met het bedrag ƒ 2.850,00. (€ 1.293,27)

4.7. [gedaagde] stelt vervolgens dat ook de beroeps- en reiskosten, die op het biljet van proces voorkomen, door Dexia in de berekening betrokken hadden moeten worden, nu deze geen deel uitmaken van de Nibud-basisnorm en evenmin op andere wijze in het hofmodel betrokken zijn, terwijl het kosten betreft ter verwerving, inning en behoud van het (gezins)inkomen. Deze redenering zou in beginsel kunnen worden gevolgd indien het onvermijdbare kosten betreft, maar dat dit het geval is, blijkt niet. Ten aanzien van de reiskosten heeft [gedaagde] onvoldoende geconcretiseerd dat daarvoor daadwerkelijk een bedrag ten laste van het inkomen is gekomen. In het biljet van proces zijn immers forfaitaire bedragen opgenomen, zodat onvoldoende onderbouwd is dat reiskosten die zijn gemaakt niet (door de werkgever van de echtgenote) vergoed zijn. De beroepskosten zijn niet nader gespecificeerd, zodat de noodzaak daarvan niet vast komt te staan.

4.8. Het voorgaande samen leidt tot de conclusie dat de overeenkomsten geen onaanvaardbaar zware financiële last voor [gedaagde] vormden. Uitgaande van deze conclusie brengt de jurisprudentie mee, dat de schade van [gedaagde] bestaande uit door hem betaalde rente en aflossingen voor zijn rekening blijft. Van de restschuld komt in beginsel 2/3 voor rekening van Dexia en 1/3 voor [gedaagde].

het batig saldo en de overeenkomsten met nummers [contractnummer 2] en [contractnummer 3]

4.9. Partijen discussiëren voorts over de vraag op welke wijze het batig saldo van de eerste overeenkomst in aanmerking moet worden genomen. Dexia is bij haar vordering uit gegaan van een voordeelverrekening waarbij tweederde deel van de restschulden van de laatste vier overeenkomsten is verrekend met het batig saldo van de eerste overeenkomst,

€ 29.857,87. Dexia concludeert dat na deze verrekening nog een batig saldo van € 17.159,96 resteert, zodat de restschulden door [gedaagde] voldaan dienen te worden.

[gedaagde] bepleit dat niet alleen (2/3 deel van) de restschulden van de laatste vier overeenkomsten, maar ook de negatieve saldi van de tweede en derde overeenkomst moeten worden verrekend. Hij stelt dat deze overeenkomsten een negatief resultaat hebben gehad van - samen - € 5.061,09.

4.10. Bij uitspraak van 29 april 2011, LJN BP4012 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen goede reden is om te aanvaarden dat degene die, als gevolg van het telkenmale tekortschieten van Dexia, ervoor kiest achtereenvolgens een aantal soortgelijke effectenleasetransacties aan te gaan, moet worden gecompenseerd voor daarbij geleden verlies zonder dat daarbij acht wordt geslagen op de door hem bij een deel van die transacties behaalde winst, zulks op de enkele grond dat sprake is van afzonderlijke transacties. De diverse transacties betreffen een zodanig samenhangend geheel van telkens soortgelijke transacties in een bepaalde periode waarbij Dexia telkens is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende bijzondere zorgplichten, dat dit in haar verhouding tot dezelfde afnemer aangemerkt kan worden als “een zelfde gebeurtenis” in de zin van art. 6:100 BW. Indien deze gebeurtenis zowel schade (bij verliesgevende transacties) als voordeel (bij winstgevende transacties) teweegbrengt, behoren de genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, volgens de Hoge Raad mede in aanmerking te worden genomen bij de begroting van de omvang van de schade.

Deze opvatting leidt er ook toe dat Dexia niet naar eigen keuze de verliezen uit één of meer van de transacties die tot ‘een zelfde gebeurtenis’ moeten worden gerekend buiten beschouwing kan laten op het moment dat zij voor de verliezen uit andere transacties van die gebeurtenis een vordering instelt.

4.11 Nu onweersproken vast staat dat het zeven transacties betreft die als een zelfde gebeurtenis in de zin van artikel 6:100 BW moeten worden gezien, dient te worden vastgesteld wat de uiteindelijke omvang is van de schade. Vast staat dat de eerste overeenkomst heeft geleid tot een batig saldo van € 29.857,87. [gedaagde] stelt dat de tweede en derde overeenkomst hebben geleid tot een negatief saldo van samen € 5.061,09, en berekent dat door vergelijking van de totalen van zijn inleg en de uiteindelijke uitkeringen. Blijkens de door [gedaagde] overgelegde eindafrekeningen zijn de overeenkomsten niet met een restschuld geëindigd, maar met een bescheiden uitkering, van respectievelijk € 1.757,35 en € 860,20. Dexia stelt dat om die reden de uitkomst van die overeenkomsten niet bij de berekening betrokken dient te worden.

4.12 Deze stelling kan niet worden gevolgd. Waar het batig saldo van de eerste overeenkomst is berekend door het totaal van de inleg af te trekken van het totaal van de uitkeringen (€ 34.859,39 uitkering + € 2.523,14 dividend -/- € 7.524,66 betaalde termijnen), kan het saldo van de andere uitkeringen niet op een andere wijze worden berekend.

Voor de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] is de berekening, uitgaande van de door Dexia overgelegde gegevens, als volgt: € 1.757,35 uitkering + € 31,93 dividend -/-

€ 2.537,50 betaalde termijnen = € 748,22 negatief en voor de overeenkomst met nummer [contractnummer 3] als volgt: € 860,20 uitkering + € 0,00 dividend -/- € 5.173,07 betaalde termijnen = € 4.312,87 negatief, zodat voor de drie overeenkomst samen het saldo € 29.857,87 -/-

€ 748,22 -/- € 4.312,87 = € 24.796,78 bedraagt.

de resterende termijnbedragen

4.13 De laatste discussie van partijen betreft de vraag of Dexia recht heeft op vergoeding van de termijnbedragen die betrekking hebben op het tijdvak vanaf de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst tot het einde van de oorspronkelijk overeengekomen looptijd. [gedaagde] is, onder verwijzing daar het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 april 2011, LJN BQ 1143, van mening dat Dexia geen aanspraak kan maken op deze resterende termijnen. Dexia vordert wel betaling daarvan.

4.14 Het standpunt van Dexia wordt ondersteund door het arrest van hetzelfde Hof van

28 februari 2012, LJN BW1425, en is in lijn met het meergenoemde arrest van de HR van

29 april 2011. Indien het aangaan van de overeenkomst naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last veroorzaakt, blijft het gehele bedrag van de door de afnemer betaalde rente en aflossing voor rekening van de afnemer. Daarbij kan het geen verschil maken of deze rente- en aflossingstermijnen vóór of door het (voortijdig) einde van de overeenkomst verschuldigd zijn geworden en evenmin of de verschuldigde termijnen al dan niet voldaan zijn. Immers de verplichting tot betaling is een onlosmakelijk gevolg van het aangaan van de overeenkomst. Het al dan niet voldoen van die verplichting doet daar niet aan af. Nu de door de afnemer betaalde rente en aflossing wegens eigen schuld voor rekening van de afnemer dient te blijven, valt niet in te zien dat nog niet betaalde, maar wel verschuldigde, termijnbedragen niet voor diens rekening zouden moeten worden gelaten.

4.15 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het batig saldo van € 24.796,78 van de eerste drie overeenkomsten hoger is dan de restschulden van de laatste vier overeenkomsten, in totaal blijkens de dagvaarding € 11.469,11. De onrechtmatige daad van Dexia heeft dan uiteindelijk niet geleid tot op dit moment voor vergoeding in aanmerking komende schade en Dexia vordert terecht de betaling van de openstaande restschulden. Die vordering is dan ook toewijsbaar. De gevorderde vergoedingen voor buitengerechtelijke werkzaamheden en rente over de hoofdsom zijn eveneens toewijsbaar.

4.16 [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van Dexia worden vastgesteld op € 97,64 explootkosten, € 437,00 griffierecht en € 750,00 salaris van de gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Dexia van het bedrag van € 12.269,11, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.469,11 vanaf 31 maart 2016,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 97,64 explootkosten, € 437,00 griffierecht en € 750,00 salaris van de gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.