Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY7787

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
08-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres geen recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs voor de categorie BBL (beroepsbegeleidende leerweg). De werknemers zijn ingeschreven voor de opleiding assistent voedingsindustrie NT2, niveau 1. Niet aannemelijk is geworden dat werknemers deze opleiding ook daadwerkelijk hebben gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/30
V-N 2013/17.27.8
FutD 2013-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 12/2014

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 8 januari 2013

inzake

[X] B.V. (voorheen: [A] B.V.), gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Enschede, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak december 2008 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].A.030.8500) loonheffingen opgelegd van € 23.094, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 2.309. Tevens is bij beschikking

€ 1.543 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 maart 2012 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 mei 2012, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012 te Arnhem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, mr. [gemachtigde], advocaat te [Q], tot bijstand vergezeld van [B], directeur van [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [D], tot bijstand vergezeld van [E] en mr. [F], beiden werkzaam bij de Inspectie van het Onderwijs.

Verweerder heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Partijen hebben ter zitting een (aanvulling op de) pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft eiseres op 21 december 2012 een nader stuk met bijlage ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. De rechtbank zal deze stukken, gelijktijdig met de verzending van de uitspraak, aan eiseres retourneren.

2. Feiten

Eiseres exploiteert een uitzendbureau. In de aangifte loonheffingen voor het tijdvak december 2008 heeft eiseres een zogenoemde afdrachtvermindering onderwijs geclaimd van € 23.094 voor de categorie beroepsbegeleidende leerweg (hierna ook: BBL). Deze afdrachtvermindering heeft betrekking op 9 werknemers uit Polen (hierna: de werknemers) die werkzaam zijn geweest bij [G] B.V. te [R] (hierna: [G]).

De werknemers hebben bij aanvang van de werkzaamheden voor [G] een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (hierna: BPV) gesloten met [C] te [S] (hierna: [C]) en eiseres, voor de opleidingsvorm BBL met de kwalificatie “assistent voedingsindustrie”. [C] biedt deze opleiding aan in 2 varianten, één zonder NT2 en één met NT2, waarbij NT2 staat voor “Nederlands als Tweede Taal”. De werknemers hebben zich bij [C] ingeschreven voor de opleiding “Assistent medewerker voedingsindustrie NT2 (Nederlands als Tweede Taal), niveau 1”.

Op 12 november 2009 heeft verweerder een (aanvullend) boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de toegepaste afdrachtvermindering onderwijs in de aangifte voor het tijdvak december 2008. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 31 maart 2011, dat tot de gedingstukken behoort.

In het rapport heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de door de werknemers van eiseres gevolgde opleiding hoofdzakelijk is gericht op scholing in Nederlands als tweede taal. Volgens verweerder is geen sprake van een BBL opleiding waarvoor een afdrachtvermindering onderwijs mogelijk is.

Overeenkomstig dit standpunt heeft verweerder de door eiseres in aanmerking genomen afdrachtvermindering onderwijs door middel van de onderhavige naheffingsaanslag (met dagtekening 21 april 2011) gecorrigeerd. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag heeft verweerder aan eiseres een verzuimboete opgelegd van € 2.309 (10% van de nageheven loonheffingen) en heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

3. Geschil

In geschil is of eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs voor de categorie BBL.

4. Beoordeling van het geschil

In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) zijn faciliteiten opgenomen die voorzien in een vermindering van de af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. Eén daarvan is de in geschil zijnde afdrachtvermindering onderwijs (artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de WVA). Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de WVA is de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing met betrekking tot de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. De beroepsopleiding van de beroepsbegeleidende leerweg moet voor 60% of meer van de studieduur uit een praktijkdeel bestaan (zie artikel 7.2.2., tweede lid, onderdeel b, van de WEB).

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiseres de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende post. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aan haar bewijslast voldaan. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.

Zoals hiervoor overwogen stelt artikel 14 van de WVA als voorwaarde voor de afdrachtvermindering onderwijs, dat de werknemer de beroepspraktijkvorming van de BBL volgt. Eiseres heeft met de door haar overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat de werknemers voor de opleiding assistent voedingsindustrie bij [C] zijn ingeschreven en ook weer zijn uitgeschreven, dat zij aanwezig zijn geweest bij lessen Nederlands, dat toetsen zijn afgenomen op taalniveau A1 en dat aan de werknemers een aantal certificaten is verstrekt voor assessments op taalniveau A1. Over het praktijkdeel, dat naar de rechtbank begrijpt door [G] zou moeten worden verzorgd, geven deze stukken geen enkel inzicht. Dit geldt ook voor het rapport van de Inspectie van het Onderwijs, het onderwijs- en examenreglement voor de opleiding tot Assistent voedingsindustrie niveau 1 en de competentiematrix assistent voeding/voedingsindustrie, waarin informatie over de opleiding is opgenomen. Een aanwijzing dat de betreffende werknemer gedurende de tijd dat hij bij [G] werkzaam is geweest een praktijkdeel heeft gevolgd is in deze stukken niet te vinden.

Ook ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de werknemers, afgezien van de lessen Nederlands die de werknemers in eigen tijd in het bedrijfsrestaurant van [G] daadwerkelijk hebben gevolgd, nog meer opleiding hebben genoten. Of en, zo ja, welk gedeelte van de tijd dat ze werkzaam zijn geweest bij [G] is besteed aan het praktijkdeel, is ook ter zitting niet inzichtelijk geworden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers de beroepspraktijkvorming van de BBL hebben gevolgd. Eiseres heeft dan ook geen recht op de gevraagde afdrachtvermindering.

De rechtbank zal het ter zitting gedane aanbod van eiseres - om bewijs aan te dragen over de ervaringen en achtergrond van de werknemers - passeren aangezien dit niet kan bijdragen aan het bewijs dat de werknemers de beroepspraktijkvorming van de BBL hebben gevolgd.

Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden tegen de verzuimboete aangevoerd. Nu eiseres geen recht heeft op de afdrachtvermindering, ziet de rechtbank geen aanleiding de verzuimboete te matigen. Eiseres heeft evenmin afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd. Ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente dient ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep van eiseres ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 8 januari 2013

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.