Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:85

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
132928 / FA RK 12-1381
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek nietigverklaring huwelijk o.g.v. artikel 1:73 BW. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn geestvermogens op het moment van het aangaan van het huwelijk zodanig gestoord waren dat hij daardoor niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. Er bestaat geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en beveelt partijen om, zodra de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 173
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 132928 / FA RK 12-1381 (SvE)

beschikking van 16 januari 2013

In de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. T. Şeker te Enschede,

tegen

[verweerster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verweerder,

advocaat: mr. R.P. Adema te Apeldoorn.

Het procesverloop

Bij op 7 november 2012 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de man verzocht het huwelijk van partijen nietig te verklaren alsmede om vernietiging van de erkenning van de minderjarige dochter van de vrouw.

Op 2 januari 2013 is een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 20 december 2012 een brief van mr. Şeker van 19 december 2012 met bijlagen;

- op 3 januari 2013 een brief van mr. Şeker van diezelfde datum met bijlage.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft na te noemen [minderjarige] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zelf haar mening over het verzoek van de man aan de rechter kenbaar te maken.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 januari 2013. De man en de vrouw zijn, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Namens hen zijn respectievelijk mr. Şeker en mr. Adema verschenen. Namens [minderjarige] is mr. E.M. Elfrink, kantoorgenoot van na te noemen bijzonder curator mr. Zweerman-Oude Breuil, verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen “de raad”, is verschenen de heer B. Giessen en namens de stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel is verschenen mevrouw M. Wichman.
Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Partijen hebben vanaf augustus 2011 een affectieve relatie en zijn op 18 augustus 2012 te Enschede met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Uit de vrouw is op [2000] te [geboorteplaats] [minderjarige], verder te noemen “[minderjarige]”, geboren. De man heeft dit kind op 16 augustus 2012 met toestemming van de vrouw en het kind erkend waarbij zij hebben gekozen voor de geslachtsnaam “[X]”.

Bij beschikking van 18 december 2007 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] met ingang van die datum onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, met benoeming van de stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel tot gezinsvoogdijinstelling, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd, laatstelijk bij beschikking van 4 december 2012.

Op basis van een door de kinderrechter van deze rechtbank verleende machtiging tot uithuisplaatsing is [minderjarige] geplaatst bij haar grootvader (m.z.).

Bij beschikking van 8 november 2012 heeft deze rechtbank mr. A.S.M. Zweerman-Oude Breuil benoemd tot bijzonder curator over [minderjarige].

Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

- het op 18 augustus 2012 te Enschede tussen partijen voltrokken huwelijk nietig te

verklaren;

- de op 16 augustus 2012 gedane erkenning door de man van [minderjarige] te vernietigen;

- te bepalen dat door de vernietiging van de erkenning [minderjarige] met ingang van de datum

van deze beschikking de geslachtsnaam [Y] draagt.

subsidiair

- verzoekt hij tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

De man stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat de totstandkoming van het huwelijk impulsief, onder invloed van zijn geestelijke beperkingen en zijn op dat moment verstandelijke onvermogen heeft plaatsgevonden. Gelet op zijn gestoorde geestestoestand was hij ten tijde van het aangaan van het huwelijk niet in staat zijn wil te bepalen en/of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. Bij hem is op 10 augustus 2012 uitgezaaide longkanker gediagnosticeerd. Om zijn ziekte draaglijker te maken en de kwaliteit van leven te verbeteren heeft hij morfine toegediend gekregen. Door die medicatie is zijn geestesvermogen aanzienlijk aangetast. De situatie had zowel lichamelijk als geestelijk een grote impact op de man. Het bevreemdt de man dat hij, slechts vijf dagen nadat hij bekend werd met zijn ziekte, in ondertrouw is gegaan en drie dagen nadien in het ziekenhuis met de vrouw is gehuwd. Subsidiair is hij van mening dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. In verband met voornoemde omstandigheden verzoekt hij tevens vernietiging van de door hem gedane erkenning van [minderjarige]. Hij kan niet verklaren waarom hij hiertoe is overgegaan. De vrouw heeft misbruik gemaakt van de situatie waarin hij verkeerde. De man heeft er recht en belang bij dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de vrouw houdt.

Het verweer tevens houdende zelfstandige verzoeken

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek verzoekt zij de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de man te veroordelen om met haar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een boedelnotaris en een onzijdig persoon zoals de wet voorschrijft.

Zij bestrijdt dat de man ten tijde van het aangaan van het huwelijk een gestoorde geestestoestand kende en dat hij op dat moment zijn wil niet kon bepalen, dan wel de betekenis van zijn verklaring niet kon begrijpen. Dat de man zware medicatie kreeg brengt niet zonder meer mee dat zijn geestvermogens zodanig waren aangetast dat hij daardoor zijn wil niet meer kon bepalen of de gevolgen van zijn verklaringen niet kon begrijpen. De door de man overgelegde verklaringen onderbouwen zijn standpunt niet. Daarbij komt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand bij het sluiten van het huwelijk kennelijk ook niet is gebleken van enig huwelijksbeletsel. De vrouw betwist dat sprake is van een geestelijke stoornis op grond waarvan de door de man gedane erkenning van [minderjarige] vernietigd zou moeten worden. De man kan zijn verzoek niet gronden op misbruik van omstandigheden, nu die grond enkel van toepassing is voor de minderjarige erkenner. De vrouw is van mening dat aan alle formele vereisten voor erkenning is voldaan. De man kan niet worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige], nu bij toewijzing van het verzoek van de man [minderjarige] van rechtswege weer de geslachtsnaam van de moeder zal dragen. Zij erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De beoordeling

Ten aanzien van het horen van de man

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gebracht acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de beslissing op het verzoek van de man aan te houden om hem alsnog nader te horen, als door de man verzocht. De rechtbank gaat er vanuit dat de man en zijn advocaat uitvoerig overleg hebben gehad over de onderhavige procedure en dat de advocaat van de man aldus voldoende geïnformeerd is om het standpunt van de man over het voetlicht te brengen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn stellingen te onderbouwen. Dit geldt temeer nu de man, zeker nu hij niet in staat was ter mondelinge behandeling te verschijnen, zijn standpunt in deze ook schriftelijk aan de rechtbank naar voren had kunnen brengen. Dat hij daar niet voor heeft gekozen is een omstandigheid die de rechtbank voor zijn rekening laat.

Ten aanzien van de nietig verklaring van het huwelijk

De man stelt dat het huwelijk ingevolge de in artikel 1:73 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde grond vernietigbaar is. De vrouw betwist dat.

Ingevolge artikel 1:32 BW mag een huwelijk niet worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze partij niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Ingevolge artikel 1:69 lid 1 onder b BW kan, op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigen om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door ieder der echtgenoten. Ingevolge artikel 1:73 BW kan nietigverklaring van een huwelijk uit hoofde van een geestelijke stoornis na het ophouden van de stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het verzoek vervalt door een samenwoning van tenminste zes maanden na het ophouden van de stoornis.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat zijn geestvermogen op het moment van de huwelijkssluiting zodanig waren verstoord dat hij daardoor niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. De door de man overgelegde brief van longarts A.J. Polman van 30 oktober 2012, de verklaring van de heer en mevrouw [S] van 28 oktober 2012 en de e-mail van mevrouw [B] van de gemeente Enschede van 24 oktober 2012, kunnen de stelling van de man niet onderbouwen.

Uit voormelde brief van de longarts blijkt immers dat deze de vraag of de geestestoestand van de man op het moment van de huwelijksvoltrekking dusdanig was dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen, niet kan beantwoorden omdat hij op dat moment niet aanwezig was. Door hem geraadpleegde collega’s die er op dat moment wel waren zeggen echter niet de indruk te hebben dat de man op de dag van de huwelijksvoltrekking niet een toereikende geestestoestand had om zijn wil te bepalen. Voorts stelt de longarts dat de man in de betrokken periode weliswaar morfinomimetica gebruikte, maar dat het daarom niet vanzelfsprekend is dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen.

Ook uit voormelde brief van de heer en mevrouw [S] blijkt onvoldoende dat bij de man op het moment van de huwelijksvoltrekking sprake was van een geestesstoornis die maakte dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. Dat de heer en mevrouw [S] de afgelopen maanden hebben gezien dat het huwelijk achteraf bezien niet de juiste keuze blijkt te zijn geweest, is een omstandigheid die de vrouw niet kan worden tegengeworpen en zegt niets over de geestestoestand van de man op het moment van de huwelijksvoltrekking.

Ook het emailbericht van mevrouw [B] van de gemeente Enschede geeft onvoldoende aanknopingspunten die het standpunt van de man kunnen onderschrijven. Dit geldt temeer nu de man op 16 augustus jl. nota bene zelf telefonisch contact heeft gezocht met mevrouw [B] waarbij hij tegen haar heeft gezegd dat hij graag met de vrouw wilde huwen en dat hij blij was dat een en ander zo snel geregeld was.

Omdat de man aldus in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn geestvermogens op het moment van het aangaan van het huwelijk zodanig gestoord waren dat hij daardoor niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen, ziet de rechtbank, met de vrouw, geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten die de stelling van de man zou kunnen onderbouwen. Dit verzoek zal de rechtbank afwijzen. Daarbij komt dat ook niet valt in te zien waarom de man niet eerder zelf een deskundige heeft ingeschakeld om zijn stelling nader te onderbouwen, temeer nu voorop gesteld moet worden dat op de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, de bewijslast rust van zijn stelling dat hij ten tijde van de huwelijkssluiting niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. Het verzoek van de man tot nietigverklaring van het huwelijk dient daarom te worden afgewezen.

Ten aanzien van de vernietiging van de erkenning

Omdat mr. Şeker ter mondelinge behandeling heeft meegedeeld dat de man zijn verzoek tot vernietiging van de door hem gedane erkenning van [minderjarige] en zijn verzoek omtrent de geslachtsnaam van [minderjarige] intrekt, behoeven deze onderdelen geen verdere bespreking.

Ten aanzien van de echtscheiding

Nu de man subsidiair stelt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, hetgeen de vrouw niet betwist, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. Het verzoek tot echtscheiding kan daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de verdeling

De man stelt dat het niet redelijk is om de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen conform de wettelijke bepalingen. Mr. Şeker heeft daarom namens de man ter mondelinge behandeling verzocht te bepalen dat ieder van partijen na echtscheiding toekomt wat zij reeds bezaten voordat het huwelijk is gesloten. De vrouw heeft tegen deze eerst ter mondelinge behandeling gedane vermeerdering van eis geen bezwaar gemaakt. Zij verzoekt de rechtbank echter dit verzoek af te wijzen en de man te veroordelen om met haar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen heeft de man onvoldoende gesteld en in het geheel niet onderbouwd dat zijn geestvermogens op het moment van het aangaan van het huwelijk zodanig gestoord waren dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn toen afgelegde verklaring te begrijpen. Hieruit volgt dat niet geoordeeld kan worden dat het huwelijk tussen de man en de vrouw niet rechtsgeldig is gesloten. Vast staat dat partijen voor of tijdens het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, zodat tussen hen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Op grond hiervan hebben beide partijen na de ontbinding van het huwelijk een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. In hetgeen door de man is aangevoerd wordt onvoldoende aanleiding gevonden om van dit wettelijk uitgangspunt af te wijken.

De beslissing

De rechtbank:

I. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 18 augustus 2012 te Enschede gehuwd.

II. Beveelt partijen om, zodra de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd.

III. Benoemt notaris mr. A.D. Plaggemars te Enschede tot notaris, voor wie de werkzaamheden van die verdeling zullen plaats hebben op een door die notaris te bepalen tijdstip en plaats. Dit tenzij partijen binnen veertien dagen nadat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een andere notaris kiezen.

Verstaat dat de kosten die de benoemde of gekozen notaris voor deze werkzaamheden maakt, ten laste van de te verdelen gemeenschap komen.

Benoemt mr. W.H. Kesler, advocaat te Enschede, tot onzijdig persoon om diegene te vertegenwoordigen die weigert aan de verdeling mee te werken.

IV. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, mr. M.H. van der Lecq en mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.