Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:519

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
AWB-12_2090
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:8029, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/2090, AWB 12/2091 en AWB 12/2092

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 23 januari 2013

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Almelo, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd:

  • -

    voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H57), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.050 en een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000, alsmede bij beschikking een boete van € 18.774. Tevens is bij beschikking € 6.814 aan heffingsrente in rekening gebracht.

  • -

    Voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [000].H66), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.052 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000, alsmede bij beschikking een boete van € 4.444. Tevens is bij beschikking € 589 aan heffingsrente in rekening gebracht.

  • -

    Voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [000].H76), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.383 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000, alsmede bij beschikking een boete van € 1.650. Tevens is bij beschikking € 670 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 april 2012 de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 en de bijbehorende boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 12 april 2012 de aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 en de bijbehorende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 9 mei 2012, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2012 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde], verbonden aan [A] te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen mr. drs. [gemachtigde] en [B].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een compromis te sluiten.

Op 19 november 2012 heeft verweerder bericht dat geen overeenstemming is bereikt.

Daarna is van beide partijen toestemming verkregen uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting zou worden gehouden.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Eiser heeft aangifte IB/PVV 2005 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.550. Voor 2006 heeft eiser aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.974 negatief. Voor 2007 heeft eiser aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.621.

Op 22 september 2008 is bij eiser een boekenonderzoek aangevangen. Daarvan is met dagtekening 2 december 2009 een rapport opgemaakt. Daarin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

2.1

Rechtsvorm en activiteiten onderneming

Door de heer [X] worden vanaf 2003 activiteiten uitgeoefend die gepresenteerd worden als éénmanszaak. Daarvoor was uitsluitend sprake van loondienst.

De activiteiten bestaan in 2003 uit het in opdracht medisch keuren van particulieren in verband met verzekeringen e.d.. Deze activiteiten worden verricht voor [C] B.V.

(…)

Begin 2005 worden nog enige werkzaamheden voor [C] uitgevoerd alsmede loondienstactiviteiten voor [D]. Daarnaast geniet de heer [X] resultaat uit overige werkzaamheden in de vorm van een beloning die in de voorperiode van een besloten vennootschap ([E] B.V.) wordt genoten waarvan de heer [X] groot-aandeelhouder wordt.

Ook heeft de heer [X] nog overige inkomsten genoten van met name [F] B.V. en enkele incidentele opdrachtgevers.

Zowel de inkomsten uit de voorperiode als de ontvangsten van [G] B.V. en de ontvangsten van enkele incidentele opdrachtgevers zijn in 2005 niet verantwoord onder de opbrengsten.

Voor het jaar 2005 is een VAR verklaring met de kwalificatie winst uit onderneming afgegeven.

In 2006 is de heer [X] vooral in loondienst van [E] B.V.. Daarnaast worden negatieve inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheid aangegeven. In 2006 is gedurende een korte periode nog sprake geweest van inkomsten van [G] B.V.

In 2006 is overigens nog sprake van één andere ontvangst met betrekking tot werkzaamheden voor een verzekeraar. Deze ontvangst is niet als opbrengst verantwoord. Voor het jaar 2006 is geen VAR verklaring aangevraagd.

(…)

3.3

Overige kosten resultaat uit overige werkzaamheden

In 2006 wordt als kosten voor resultaat uit overige werkzaamheden een bedrag afgetrokken van € 51.299.

Dit betreft een tweetal posten. Een bedrag van € 11.299 heeft betrekking op kilometervergoedingen “alle activiteiten” en een bedrag van € 40.000 heeft betrekking op investeringen in Turkije.

Vastgesteld is dat de kilometers reeds gedeclareerd en vergoed zijn door [H] B.V. Aftrek van kosten is derhalve fiscaal niet juist.

Correctievoorstel 6, autokosten 2006 € 11.299

In 2007 wordt er een bedrag afgetrokken van 8.825 in verband met kilometerkosten “alle activiteiten”. In 2007 zijn er echter naast het loondienstverband geen andere activiteiten, althans niet in de aangifte inkomstenbelasting. Aftrek van dergelijke kosten, evenals andere kosten die verband houden met het dienstverband zijn niet mogelijk.

Correctievoorstel 7, kilometervergoeding 2007 € 8.825

Van de investering in Turkije heeft de heer [X] mondeling reeds op 27 november 2008 aangegeven dat voor
€ 27.000 sprake is van investeringen met betrekking tot privé bestedingen (vakantiewoning). Voor dit deel is sprake van zakelijke kosten voor activiteiten. Dit wordt overigens bevestigd in het (concept) verzoek tot het leggen van conservatoir beslag dat zijn advocaat heeft opgesteld ten laste van de verkopende partij, al komen de bedragen niet geheel overeen. Onder punt 1 in dit verzoek wordt aangegeven dat voor € 36.000 een stuk bouwgrond te [R] Turkije wordt aangeboden waarop meerdere vakantiehuizen kunnen worden gebouwd. Hierop heeft de heer [X] € 30.000 aanbetaald.

Verder verklaarde de heer [X] dat de totale uitgaven € 48.000 zouden omvatten waarvan € 21.000 contant is voldaan. De heer [X] heeft aangegeven dat er zakelijke activiteiten zouden worden uitgoeoefend. Hiervoor had de heer [X] [I] B.V. willen oprichten. Deze B.V. is echter nooit opgericht. Dat betekent dat de heer [X] deze activiteiten als natuurlijk persoon zou gaan verrichten. In een dergelijke vorm zijn de activiteiten belast daar waar deze feitelijk plaatsvinden en dat zou Turkije zijn geweest. Aftrek in Nederland is derhalve niet mogelijk. Overigens is onduidelijk gebleven welke kosten dit betreffen en ontbreken specificaties en facturen en andere toelichtingen.

Correctievoorstel 8, kosten resultaat uit overige werkzaamheden 2006 € 40.000

(…)

4.2

Resultaat uit overige werkzaamheden

In 2005 zijn inkomsten genoten van [E] B.V. waarvan de heer [X] directeur-grootaandeelhouder is in de periode 2005 tot en met 2007. Deze B.V. is in 2006 perfect geworden. Gedurende de voorperiode in 2005 zijn er inkomsten genoten ten bedrage van € 32.400. Inkomsten in deze vorm dienen als resultaat uit overige werkzaamheden te worden verantwoord. Deze inkomsten zijn niet aangegeven.

De heer [X] schrijft hierover in zijn brief van 8 november 2009: ‘Leuk voor u, maar dit bedrag is niet door mij ontvangen. Als het in een later stadium verrekend is (zoals ik begrepen heb ik 2008) is over dit bedrag al belasting betaald. Het frame van uw onderzoek was net een jaartje tekort om dit te kunnen vaststellen. (…)

De heer [X] haalt hier 2 zaken door elkaar. De inkomsten uit de voorperiode van de B.V. zijn toegekend en via de rekening-courantverhouding met de besloten vennootschap verrekend en derhalve genoten. De verrekening in 2008 heeft te maken met verlaging van lonen ten opzichte van 2007 in verband met bedrijfseconomische omstandigheden en heeft niets te maken met inkomsten die in 2005 zijn toegekend en genoten.

Concluderend zijn de kosten in 2005 door de besloten vennootschap genomen en is de heer [X] tegoed geschreven voor deze inkomsten die als resultaat uit overige werkzaamheden moeten worden aangegeven.

Correctievoorstel 11, niet aangegeven inkomsten uit voorperiode B.V. 2005 € 32.400

4.3

Inkomsten Eigen woning

(…)

Bij het sluiten van deze hypotheek is € 36.000 aangewend ter aflossing van een consumptieve lening. Dit deel van de nieuwe hypotheek is niet aftrekbaar. Dit is 11,8% van de totale hypotheek. Vanaf 1 maart 2004 is derhalve 11,8% van de hypotheekrente niet aftrekbaar.

(…)

In mei 2005 heeft opnieuw een aanpassing van de hypotheek plaatsgevonden. De verhoging van de hypotheek is voor een bedrag van € 16.938 gebruikt voor het aflossen van een flexibel krediet. Daarnaast is een bedrag van
€ 73.410 op een spaarrekening gestort. Voor deze beide bedragen geldt dat geen aftrek van hypotheekrente mogelijk is in het kader van de eigen woning regeling.

Samen met het bedrag uit 2004 is vanaf mei 2005 voor een bedrag van in totaal € 126.348 van de totale hypotheek van € 400.000 geen aftrek van hypotheekrente mogelijk. Dit is 31,6% van de totale hypotheek en werkt ook door in volgende jaren.

Van de rekening [001] wordt tot en met mei 2005 hypotheekrente betaald. Bankbescheiden van betalingen nadien ontbreken. Daarom hebben wij zelf een opstelling gemaakt van de in 2005 aftrekbare hypotheekrente waarbij is vastgesteld dat de totaal afgetrokken rente in 2005 overeenkomst met de opgave van de hypotheekverstrekker.

Hypotheekrente tot en met mei 2005

€ 3.740

 

Niet aftrekbaar (zie 2004) 11,8%

€ 440 -/-

 
 

€ 3.290

In de aangifte afgetrokken hypotheekrente

€ 11.630

 

Tot en met mei 2005 betaald

€ 3.730 -/-

 
 

€ 7.900

 

Niet aftrekbaar 31,6%

€ 2.496 -/-

 
  

€ 5.404

In 2005 fiscaal aftrekbare hypotheekrente

 

€ 8.694

Afgetrokken hypotheekrente

 

€ 11.630

Correctie hypotheekrente

 

€ 2.936

Correctievoorstel 14, minder negatieve inkomsten uit eigen woning 2005 € 2.936

Opgemerkt wordt nog dat de kosten van hypotheekakte e.d. niet aftrekbaar zijn in 2005 aangezien de verhoging van de hypotheek niet is aangewend voor bestedingen in het kader van de eigen woning. Overigens is de WOZ-waarde van de eigen woning tegen een onjuist bedrag aangegeven hetgeen ook in 2004 het geval is. Gezien de relatief geringe verschillen wordt geen correctie voorgesteld.

Op basis van de berekeningen zoals hierboven omschreven is 31,6% van de hypotheekschuld niet aangewend ten behoeve van de eigen woning. Dit betekent dat van de totale hypotheekrente van € 18.788 een bedrag van
€ 12.851 aftrekbaar is.

Correctievoorstel 15, minder negatieve inkomsten uit eigen woning 2006 € 5.937

Evenals in voorgaande jaren wordt overigens uitgegaan van een onjuiste WOZ-waarde.

Deze bedraagt voor 2006 € 239.000. Gezien het verschil wordt geen correctie voorgesteld.

Voor 2007 geldt ook dat 31,6% van de hypotheekschuld niet is aangewend ten behoeve van de eigen woning. Dit betekent voor 2007 een correctie van €5.937.

Correctievoorstel 16, minder negatieve inkomsten uit eigen woning 2007 € 5.937

(…)

4.4

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Op 11 september 2009 is de heer [X] door middel van een brief die aan de adviseur is uitgereikt, geïnformeerd over de correcties die betrekking hebben op het boekenonderzoek bij [E] B.V. c.s. Voor de jaren 2005 tot en met 2007 betekent dit dat meer inkomsten zijn genoten dan boekhoudkundig zijn verwerkt. Deze correcties zijn belast als uitdeling (dividend) in box 2 als inkomen uit aanmerkelijk belang nu u in de betreffende jaren als 60% aandeelhouder en directeur werkzaam bent geweest bij de betreffende besloten vennootschap wordt naar rato van het percentage aandeelhouderschap de correctie aangebracht.

De privé analyse geeft hier mede aanleiding toe. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk uit welke middelen de contante betalingen met betrekking tot Turkije (zie 3.3) zijn gedaan.

(…)

Correctievoorstel 17, uitdeling van winst [E] B.V. 2005 € 15.000

Correctievoorstel 18, uitdeling van winst [E] B.V. 2006 € 15.000

Correctievoorstel 19, uitdeling van winst [E] B.V. 2007 € 15.000

(…)

5 Overzicht correcties

(…)

2005

Correcties box 1:

Correctievoorstel 3, niet aangegeven ontvangsten

€ 43.469

Correctievoorstel 11, niet aangegeven inkomsten voorperiode B.V.

€ 32.400

Correctievoorstel 14, hypotheekrenteaftrek

€ 2.936

Totaal

€ 78.805

Door de gecorrigeerde inkomsten 2005 wordt de drempel voor de aftrek van buitengewone uitgaven zodanig dat geen aftrek meer mogelijk is terwijl € 1.365 is afgetrokken. Dit bedrag wordt dan ook gecorrigeerd.

Vastgesteld belastbaar box 1 inkomen

€ 7.880

Totaal correctievoorstellen

€ 78.805

Correctie buitengewone uitgaven door gewijzigde drempel

€ 1.365

Bij navordering vast te stellen box 1 inkomen

€ 88.050

Correcties box 2:

Correctievoorstel 17, uitdeling van winst € 15.000

Het box 2 inkomen zal bij navordering worden vastgesteld op € 15.000.

2006

Correcties box 1:

Correctievoorstel 4, niet aangegeven ontvangsten

€ 320

Correctievoorstel 6, minder autokosten

€ 11.299

Correctievoorstel 8, uitgaven Turkije

€ 40.000

Correctievoorstel 15, hypotheekrenteaftrek

€ 5.937

Totaal

€ 57.556

In 2006 is gezien de correcties het drempelbedrag voor de buitengewone uitgaven zodanig dat geen aftrek resteert. Gezien het negatieve inkomen had nog geen verrekening plaatsgevonden.

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

€ 41.974 -/-

Totaal correcties

€ 57.556

Vast te stellen belastbaar inkomen box 1

€ 15.582

Correcties box 2:

Correctievoorstel 18, uitdeling van winst € 15.000

Het box 2 inkomen zal definitief worden vastgesteld op € 15.000.

2007:

Correcties box 1:

Correctievoorstel 7, kilometervergoeding

€ 8.825

Correctievoorstel 16, hypotheekrenteaftrek

€ 5.937

Totaal

€ 14.762

  

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

€ 81.621

Totaal correcties

€ 14.762

Vast te stellen box 1 inkomen

€ 96.383

Correcties box 2:

Correctievoorstel 19, uitdeling van winst € 15.000

Het box 2 inkomen zal definitief worden vastgesteld op € 15.000.

(…).”

Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn aan eiser de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 en de aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 en de bijbehorende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente opgelegd.

3 Geschil


In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB/PVV, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente terecht en tot een juist bedrag aan eiser zijn opgelegd. In het bijzonder is in geschil of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard op de grond dat niet de vereiste aangifte is gedaan.

Voor het jaar 2005 zijn de volgende correcties in geschil: hypotheekrenteaftrek, inkomsten voorperiode [E] BV en inkomsten uit aanmerkelijk belang [E] BV. Niet meer in geschil zijn de correcties provisie [J] en [K], nu verweerder deze correcties bij het verweerschrift heeft teruggenomen.

Voor het jaar 2006 zijn de volgende correcties in geschil: autokosten, uitgaven Turkije, hypotheekrenteaftrek en inkomsten uit aanmerkelijk belang [E] BV.

Voor het jaar 2007 zijn de volgende correcties in geschil: autokosten, hypotheekrenteaftrek en inkomsten uit aanmerkelijk belang [E] BV.

4 Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslag IB/PVV 2005

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Verweerder wijst erop dat eiser heeft erkend dat het belastbaar inkomen uit werk en woning tot een bedrag € 36.419 te laag is aangegeven. Voorts wijst hij erop dat daarnaast nog diverse posten in de aangifte hadden moeten worden opgenomen, namelijk de hypotheekrenteaftrek tot een bedrag van

€ 3.207, de inkomsten van [E] B.V. i.o. tot een bedrag van € 32.400 en inkomsten uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van € 15.000.

Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, BNB 2010/47, LJN: BH1083).

Nu eiser heeft erkend dat het belastbaar inkomen uit werk en woning tot een bedrag van € 36.419 te laag is aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser moet zich ten tijde van het doen van aangifte bewust zijn geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dat eiser zijn administratieve zaken en aangiften heeft uitbesteed doet daaraan niet af. De handelingen van degene die zijn administratieve zaken en aangiften deed moeten immers in het kader van de omkering van de bewijslast aan eiser worden toegerekend. De bewijslast moet op grond van het voorgaande worden omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat eiser overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan zijn bewijslast voldaan.

Ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek is de door eiser eerst ter zitting overgelegde verklaring met betrekking tot een verbouwing van zijn woning in 2005 onvoldoende, nu deze verklaring op geen enkele wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld met betalingsbewijzen voor de gestelde werkzaamheden en gebruikte materialen. Ook het overgelegde taxatierapport is daartoe onvoldoende, nu daaruit eveneens niet blijkt welke bedragen zijn besteed.

Met betrekking tot de inkomsten uit de voorperiode van [E] BV voert eiser aan dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat een tegoedschrijving bij de BV tot loon zou kunnen leiden en dat toekenning van een beloning in de voorperiode niet conform zijn wensen was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet overtuigend aangetoond dat deze correctie onjuist is.

Met betrekking tot de winstuitdeling stelt eiser dat hij niet voornemens is geweest om in de startperiode van [E] geld uit de BV op te nemen en dat het anders voor de hand zou hebben gelegen om dat in rekening-courant te doen. Hiermee heeft eiser niet aangetoond dat, ondanks de aangifte vennootschapsbelasting van [E] BV, waarin deze bedragen zijn opgenomen, deze bedragen niet door hem zijn genoten.

Dat ontslaat verweerder evenwel niet van de verplichting de door hem opgelegde aanslag niet naar willekeur vast te stellen (vergelijk Hoge Raad 29 september 1993, nr. 28 400, BNB 1993/330).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een redelijke schatting gemaakt van de niet aangegeven posten.

Verweerder heeft zich, gelet op het rapport boekenonderzoek, terecht op het standpunt gesteld dat onduidelijk is of alle hypothecair geleende gelden zijn aangewend voor de eigen woning. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van verweerder dat een daarmee verband houdend percentage van de betaalde rente niet aftrekbaar is, niet onredelijk. In het verweerschrift heeft verweerder zich, met een beroep in interne compensatie, op het standpunt gesteld dat dit percentage - anders dan in het rapport boekenonderzoek was berekend - 32,75% bedraagt. Eiser heeft hiertegen geen gronden aangevoerd, en ook overigens ziet de rechtbank geen reden om dit onjuist te achten, zodat de niet aftrekbare hypotheekrente € 3.027 bedraagt.

In de aangifte vennootschapsbelasting 2005 van [E] BV is een bedrag van € 54.000 aan personeelskosten afgetrokken. Dit bedrag is gesplitst in € 22.500 en € 31.500. Het bedrag van € 22.500 ziet op voorperiode en het bedrag van € 31.500 op de resterende periode. Aan eiser is daarvan 60% (€ 32.400) toegerekend naar gelang zijn aandeelhouderschap. [E] BV heeft ultimo 2005 een rekening-courant schuld aan de directie van € 28.800. Verweerder leidt hieruit af dat het resterende bedrag is uitbetaald aan de directie en dus is genoten. Verweerder is voorts van mening dat ook het schuldig gebleven bedrag is genoten. Naar het oordeel van de rechtbank is deze aanname niet onredelijk. Dat verweerder het voorstel van eiser om te verrekenen met 2008 heeft afgewezen, acht de rechtbank evenmin onredelijk.

Verweerder is verder uitgegaan van een uitdeling van € 15.000. Dit is 60% van de omzetcorrectie van € 25.000 bij [E] BV. Deze correctie is gebaseerd op een schatting. Die schatting was nodig omdat op basis van administratieve gebreken en de onvolledigheid van de omzetverantwoording de administratie van [E] BV is verworpen. Verweerder verwijst ter onderbouwing daarvan naar correspondentie tussen de belastingdienst en [E] BV. Daaruit blijkt dat geen opheldering is gegeven over de geconstateerde gebreken in de administratie. Ook eiser heeft deze opheldering niet gegeven. Gelet hierop, is naar het oordeel van de rechtbank het aannemen van deze winstuitdeling niet onredelijk.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 gegrond is. De correcties provisie [J] en [K] vervallen, de niet-aftrekbare hypotheekrente wordt vastgesteld op € 3.027 en het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 81.091.

Aanslag IB/PVV 2006

Autokosten

Eiser heeft ter zitting, zonder enige onderbouwing, gesteld dat de gecorrigeerde autokosten zijn gemaakt in verband met medische cursussen.

Eiser heeft met deze enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat deze autokosten verband houden met activiteiten waarvoor niet reeds een vergoeding van [H] BV is ontvangen. Eiser heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, zodat deze correctie terecht is.

Uitgaven Turkije

Eiser heeft gesteld dat de onderneming in Turkije niet van de grond is gekomen en dat het daarom redelijk is om de kosten ten laste van het in Nederland belaste inkomen uit werk en woning te brengen, omdat de kosten anders tussen wal en schip terecht komen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij investeringen in Turkije heeft gedaan die ten laste van zijn inkomen kunnen worden gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De kosten zijn niet aannemelijk gemaakt en evenmin is aannemelijk gemaakt dat de kosten, voor zover zij al zijn gemaakt, in Nederland aftrekbaar zijn. De bij brief van 25 oktober 2012 overgelegde stukken zijn daartoe niet voldoende, nu daaruit slechts kan worden afgeleid dat eiser voornemens is geweest [I] BV op te richten, maar daaruit niet blijkt dat, en zo ja welke kosten zijn gemaakt voor investeringen in Turkije. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door eiser ter zitting opgeworpen stellingen en daarmee samenhangende bewijsaanboden te laat zijn gedaan. In het beroepschrift heeft eiser ten aanzien van dit onderwerp volstaan met het standpunt dat hij het redelijk vindt deze kosten ten laste van het inkomen te brengen. Voorts heeft verweerder in de bezwaarfase en voordien diverse malen om relevante informatie, zoals specificaties en facturen, verzocht en heeft hij nooit iets gekregen. Gelet op het feit dat de onderhavige zaak de aanslag voor het jaar 2006 betreft, terwijl de zitting eind 2012 heeft plaatsgevonden, verzet de goede procesorde zich ertegen dat de zaak wordt aangehouden om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen om bewijsstukken over te leggen.

Hypotheekrenteaftrek

Eiser heeft hypotheekrenteaftrek geclaimd tot een bedrag van € 18.788. Verweerder heeft betwist dat van de hoofdsom van € 400.000 een bedrag van € 36.000 (2004) en € 95.000 (2005) aan de eigen woning is besteed. Van de hypotheekrente is dus volgens verweerder een daarmee verband houdend percentage van de betaalde rente niet aftrekbaar. Evenals hiervoor met betrekking tot het jaar 2005 is overwogen, is de rechtbank ook voor 2006 van oordeel dat eiser niet aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van deze aftrekpost heeft voldaan.

Omkering van de bewijslast

Gelet op vorenstaande correcties heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De volgens de aangifte verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting en eiser moet zich daarvan ten tijde van de aangifte bewust zijn geweest.

Uit het vorenstaande volgt reeds dat eiser ten aanzien van de drie aftrekposten (autokosten, uitgaven Turkije en hypotheekrenteaftrek) niet aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat verweerder een redelijke schatting heeft gemaakt.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen voor het jaar 2005 is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van de inkomsten uit aanmerkelijk belang [E] BV sprake is van een redelijke schatting.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2006 ongegrond is.

Aanslag IB/PVV 2007

Autokosten

Eiser heeft ter zitting, zonder enige onderbouwing, gesteld dat de gecorrigeerde autokosten zijn gemaakt in verband met medische cursussen.

Eiser heeft met deze enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat deze autokosten verband houden met activiteiten, waarvoor niet reeds een vergoeding van [H] BV is ontvangen. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat hij andere inkomsten had dan uit dienstverband. Eiser heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, zodat deze correctie terecht is.

Hypotheekrenteaftrek

Eiser heeft hypotheekrenteaftrek geclaimd tot een bedrag van € 18.788. Verweerder heeft betwist dat van de hoofdsom van € 400.000 een bedrag van € 36.000 (2004) en € 95.000 (2005) aan de eigen woning is besteed. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van verweerder dat een daarmee verband houdend percentage van de betaalde rente niet aftrekbaar is, niet onredelijk. In het verweerschrift heeft verweerder zich, met een beroep in interne compensatie, op het standpunt gesteld dat dit percentage - anders dan in het rapport boekenonderzoek was berekend - 32,75% bedraagt. Eiser heeft hiertegen geen gronden aangevoerd, en ook overigens ziet de rechtbank geen reden om dit onjuist te achten, zodat - indien het beroep aanleiding is voor het vaststellen van een lager belastbaar inkomen - de niet aftrekbare hypotheekrente € 6.153 bedraagt.

Omkering van de bewijslast

Gelet op vorenstaande correcties is naar het oordeel van de rechtbank de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief niet aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat ook in 2007 de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Ten aanzien van de inkomsten uit aanmerkelijk belang van [E] BV heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust is geweest dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, zodat ook het ontbreken van deze inkomsten niet tot omkering van de bewijslast kan leiden.

Hieruit volgt dat ten aanzien van deze correctie de bewijslast op verweerder rust.

Inkomsten uit aanmerkelijk belang [E] BV

Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten aanzien van deze correctie niet aan zijn bewijslast voldaan. Hoewel op grond van de overgelegde stukken aannemelijk is dat eiser een winstuitdeling heeft ontvangen, staat niet vast dat dit een bedrag van € 15.000 is geweest. Derhalve dient deze correctie te vervallen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2007 gegrond is. De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang dient op nihil te worden gesteld, en het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op €96.599.

Vergrijpboeten

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser opzet kan worden verweten. Met betrekking tot het jaar 2005 stelt verweerder subsidiair dat sprake is van grove schuld van eiser.

De rechtbank overweegt dat voor beboeting wegens (voorwaardelijke) opzet noodzakelijk is dat die opzet aanwezig is geweest op het moment waarop de aangifte is ingediend. Voor het aannemen van (voorwaardelijke) opzet is niet alleen vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belastingplichtige als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid moet worden gekwalificeerd (vgl. HR 19 december 1990, nr. 25.301, LJN: ZC4481, BNB 1992/217).

In het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40.518, LJN: AZ3355, VN 2006/62.4, is beslist dat opzet of grove schuld van een ingeschakelde adviseur niet aan de belastingplichtige kan worden toegerekend, zodat het er om gaat dat aan de belastingplichtige zelf (voorwaardelijke) opzet of grove schuld kan worden verweten. Dit neemt niet weg dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur.

De bewijslast dat sprake is van opzet dan wel grove schuld rust op verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Vaststaat dat eiser een adviseur heeft ingeschakeld voor het invullen van zijn aangiften IB/PVV. Gesteld nog gebleken is dat eiser niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Voor een toerekening van de opzet dan wel grove schuld van eisers adviseur aan eiser is daarom geen aanleiding.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank uit de door verweerder aangevoerde feiten en omstandigheden aannemelijk geworden dat eiser zelf opzet dan wel grove schuld kan worden verweten. Verweerder heeft daartoe immers niets aangevoerd.

Het nalaten van een controle op de aangiften IB/PVV is naar het oordeel van de rechtbank niet zo verwijtbaar dat sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen is er immers geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept.

Gelet op het voorgaande kan niet worden aangenomen dat het aan (voorwaardelijke) opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat de (oorspronkelijke) aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of de aangiften tot een te laag bedrag zijn gedaan. De opgelegde vergrijpboeten dienen dan ook te vervallen.

Heffingsrente

Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen IB/PVV 2005 en IB/PVV 2007.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, nr. 41 235, LJN: BA2802, BNB 2007/260). Ook indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, LJN: BP2975). Hiervan is in dit geval niet gebleken.

De rechtbank vindt wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2006 en de beschikking heffingsrente 2006 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen inzake de aanslagen IB/PVV 2005 en IB/PVV 2007, de beschikkingen heffingsrente 2005 en 2007, en de boetebeschikkingen 2005, 2006 en 2007 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van 6 april 2012 met betrekking tot het jaar 2005:

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van 12 april 2012 met betrekking tot het jaar 2006 voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van 12 april 2012 met betrekking tot het jaar 2007;

  • -

    vermindert de belastingaanslag IB/PVV 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.091 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.000;

  • -

    vermindert de belastingaanslag IB/PVV 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.599;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente 2005 en 2007 dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 944;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.