Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:3324

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2013
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
237304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek deelgeschil. Kern van het geschil is de vraag of verzoekster zich in verband met haar beroep op artikel 25 WAM voldoende heeft ingespannen om tot vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon te komen (in de zin van artikel 25 lid 1 sub a WAM). Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/237304 / HA RK 12-301

Beschikking van 21 maart 2013

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaats],

verzoekster,

advocaat mr. L. Beij te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,

gevestigd te Rijswijk,

verweerster,

advocaat mr. R. Gruben te Voorburg.

Partijen worden hierna [verzoekster] en het Waarborgfonds genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 7 december 2012,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: [verzoekster] (vergezeld door haar echtgenoot), mr. Luijendijk namens mr. Beij voornoemd en mr. Gruben voornoemd.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is op 4 juni 2011 tijdens een georganiseerde fietstocht met haar fiets ten val gekomen op de Westenengseweg te Harskamp (gemeente Ede).

2.2.

[verzoekster] is na het ongeval per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis, waar sprake bleek van een rugwervelbreuk en een schaafwond aan de elleboog. [verzoekster] is in verband met haar verwondingen zes dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest en na die tijd heeft zij twaalf weken een korset gedragen. Na die tijd is [verzoekster] nog enige tijd arbeidsongeschikt gebleven.

2.3.

[verzoekster] heeft het Waarborgfonds op grond van artikel 25 WAM aansprakelijk gesteld, stellende dat het ongeval is veroorzaakt door een vrachtwagen die na het ongeval is doorgereden en waarvan het kenteken onbekend is gebleven. De rechtsbijstandverlener van [verzoekster] heeft in dat verband bij brief van 6 oktober 2011 het Waarborgfonds verzocht om over te gaan tot vergoeding van de door [verzoekster] geleden schade. Bij die brief waren gevoegd een door [verzoekster] op 21 augustus 2011 ingevuld schadeformulier en een verzoek om schadevergoeding. Tevens waren bij die brief een tweetal getuigenverklaringen gevoegd van twee fietsers die bij het ongeval aanwezig waren geweest.

2.4.

[verzoekster] heeft geen aangifte bij de politie gedaan van het ongeval.

2.5.

Het Waarborgfonds heeft uitkering geweigerd omdat [verzoekster] geen redelijke inspanning zou hebben verricht om tot vaststelling van de identiteit van de veroorzaker van het ongeval te komen.

3 Het verzoek en het verweer daartegen

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om te oordelen,

  1. dat de schade die [verzoekster] als gevolg van het verkeersongeval heeft geleden door het Waarborgfonds dient te worden vergoed,

  2. met begroting van de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] op € 3.534,81 te vermeerderen met het griffierecht, de nog te maken kosten in verband met de mondelinge behandeling, de daarmee gemoeide reistijd (2 uur) en de voorbereiding van de mondelinge behandeling (1 uur) tegen een uurtarief van € 255,00 en het Waarborgfonds te veroordelen tot betaling van dit bedrag.

3.2.

[verzoekster] heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Het Waarborgfonds is gehouden de schade te vergoeden die zij heeft geleden door het ongeval, omdat niet kan worden vastgesteld wie de aansprakelijke persoon is. De vrachtwagen die het ongeval heeft veroorzaakt is immers doorgereden en het kenteken is niet geregistreerd. Het Waarborgfonds beroept zich ten onrechte, zo vervolgt [verzoekster], op de “tenzij-bepaling” van artikel 25 lid 1 onder a WAM door te stellen dat niet de benodigde inspanning is geleverd om tot vaststelling van de identiteit van de veroorzaker van het ongeval te komen. Die inspanning heeft zij wel degelijk geleverd, aldus [verzoekster]. Haar echtgenoot heeft immers daags na het ongeval contact opgenomen met de organisator van de fietstocht en via haar de identiteit van twee andere fietsers die bij het ongeval aanwezig waren achterhaald. Hij heeft die fietsers toen – kort na het ongeval – ook opgebeld, maar ook zij konden geen kenteken of ander onderscheidend kenmerk van de vrachtwagen noemen. Zij heeft voorts een schadeformulier ingevuld, een situatieschets en een foto gemaakt en een schriftelijke verklaring opgevraagd bij de twee hiervoor bedoelde getuigen. Dit is pas enige tijd na het ongeval gedaan, omdat zij daartoe eerder niet in staat was in verband met de lichamelijke en psychische gevolgen van het ongeval. De getuigen hebben bevestigd dat de identiteit van de vrachtwagenchauffeur onbekend is gebleven en dat hij met een onverantwoord hoge snelheid, gebruikmakend van de binnenbocht, het ongeval heeft veroorzaakt en is doorgereden. Aangifte bij de politie is niet gedaan omdat zij niet inzag dat en op welke wijze de politie nog onderzoek zou kunnen doen naar de vaststelling van de identiteit van de veroorzaker van het ongeval. Het doen van aangifte zou dan ook zinloos zijn geweest, aldus [verzoekster].

3.3.

Het Waarborgfonds heeft verweer gevoerd. Het heeft zich primair met een beroep op artikel 25 lid 1 onder a WAM op het standpunt gesteld dat [verzoekster] niet heeft gedaan om tot vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon te komen, wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht. Zij heeft nagelaten aangifte te doen bij de politie, zij heeft geen buurtonderzoek verricht en zij heeft geen advertentie geplaatst teneinde de identiteit van de veroorzaker van het ongeval te achterhalen. Subsidiair heeft het gesteld dat, doordat [verzoekster] niet de benodigde inspanning heeft geleverd, de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid van de onbekende niet zijn komen vast te staan. Ook op die grond is het Waarborgfonds niet gehouden om tot schadevergoeding over te gaan, aldus het Waarborgfonds.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige geschil een deelgeschil is, zoals bedoeld in artikel 1019w Rv. [verzoekster] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

4.2.

Gelet op het gevoerde partijdebat is de kern van het geschil de vraag of [verzoekster] zich in verband met haar beroep op artikel 25 WAM voldoende heeft ingespannen om tot vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon te komen (in de zin van artikel 25 lid 1 sub a WAM). Bij de beantwoording van die vraag wordt het volgende vooropgesteld.

4.3.

Het Waarborgfonds waarborgt dat een slachtoffer schadevergoeding ontvangt, in het geval het voertuig, dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is verzekerd of niet is geïdentificeerd. Het Waarborgfonds heeft een subsidiair karakter: een benadeelde zal eerst moeten nagaan of hij zijn schade op een WAM-verzekeraar of aansprakelijke persoon kan verhalen. In dat verband volgt uit artikel 25 lid 1 onder a WAM dat een benadeelde geen recht heeft op een schadevergoeding als aannemelijk is dat een benadeelde niet tot vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon heeft gedaan, wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Bepalend is dan of de benadeelde, gelet op de omstandigheden, zich voldoende heeft ingespannen de identiteit te achterhalen door bijvoorbeeld het kenteken van het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt te noteren of tijdig aangifte te doen bij de politie.

4.4.

Ter zitting is verklaard dat de echtgenoot van [verzoekster] kort na het ongeval terug is gegaan naar de plaats van het ongeval en daar een foto van heeft gemaakt. Verder heeft hij kort na het ongeval contact opgenomen met de organisator van de fietstocht. Dit heeft hij gedaan om de organisatie opmerkzaam te maken op de gevaarlijke verkeerssituatie waar het ongeval zich had voorgedaan. Ook heeft hij gevraagd naar de contactgegevens van de fietsers die ook bij het ongeval aanwezig waren. Met twee getuigen heeft hij vervolgens contact opgenomen. Daaruit bleek dat zij evenmin nadere gegevens hadden over de betreffende vrachtwagen. Daar is het toen bij gebleven.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende inspanning is verricht ter vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon. Gelet op de ernst van het letsel (waarmee deze zaak ook verschilt van de door [verzoekster] aangehaalde uitspraken, Prg. 1998, 4908 en VR 1999, 171) en de toedracht van het ongeval zoals door [verzoekster] gesteld, had het op de weg van [verzoekster] (als zij daar in eerste instantie niet toe in staat was, desnoods via bijvoorbeeld haar echtgenoot) gelegen om contact op te nemen met de politie, hetgeen ook telefonisch had gekund. Dat vergt geen grote fysieke inspanning. De politie had op basis van die verstrekte informatie kunnen inschatten of het zinvol zou zijn om aangifte te doen en verdere actie te ondernemen (bijvoorbeeld het verrichten van een buurtonderzoek). [verzoekster] heeft door geen contact op te nemen met de politie, de politie de mogelijkheid ontnomen om onderzoek te doen naar de identiteit van de vrachtwagen en haar bestuurder. De kans dat een politie-onderzoek niet succesvol zou zijn geweest, is niet zodanig klein dat van [verzoekster] in redelijkheid niet verwacht kon worden dat zij met de politie contact zou opnemen.

4.6.

In augustus 2011, toen [verzoekster] op het bestaan van het Waarborgfonds opmerkzaam was gemaakt, heeft zij een schadeaangifteformulier ingevuld en een situatieschets gemaakt aan de hand van een foto. Ook zijn toen schriftelijke verklaringen (gedateerd 4 september 2011) opgenomen van getuigen, die geen nadere informatie hebben kunnen geven over de vrachtwagen. Die omstandigheden maken het oordeel echter niet anders. Deze handelingen zijn in wezen niet gericht geweest op het achterhalen van de identiteit van de aansprakelijke persoon, maar op het onderbouwen van de vordering op het Waarborgfonds.

4.7.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht. Op grond van artikel 25 WAM kan [verzoekster] daarom geen recht op schadevergoeding tegen het Waarborgfonds te gelde maken. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook worden afgewezen. Aan het subsidiaire verweer van het Waarborgfonds wordt niet toegekomen.

4.8.

Dan de kostenbegroting. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.9.

[verzoekster] heeft verzocht haar kosten van het deelgeschil te begroten op € 3.534,81 te vermeerderen met het griffierecht, de nog te maken kosten in verband met de mondelinge behandeling, de daarmee gemoeide reistijd (2 uur) en de voorbereiding van de mondelinge behandeling (1 uur) tegen een uurtarief van € 255,00 en het Waarborgfonds te veroordelen tot betaling van dit bedrag. Het Waarborgfonds heeft tegen de verzochte kostenbegroting geen verweer gevoerd. Conform het verzoek worden de kosten begroot op € 3.534,81 + € 1.020,00 (kosten in verband met mondelinge behandeling) + € 267,00 (griffierecht). [verzoekster] heeft tevens verzocht het Waarborgfonds in de aldus begrote kosten (totaal € 4.821,81) te veroordelen. Daarvoor bestaat gelet op het ontbreken van aansprakelijkheid aan de zijde van het Waarborgfonds geen grondslag. Dat verzoek is dan ook niet toewijsbaar.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

begroot de kosten van dit geschil aan de zijde van [verzoekster] op € 4.821,81,

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2013.

Cc: AB