Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:2777

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
201371 - HZ ZA 12-210 - 1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Nederlandse rechter om te oordelen over reconventionele vorderingen van een Nederlandse vennootschap jegens een Italiaanse vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/917
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

201371 / HZ ZA 12-21016 januari 2013

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/07/201371 / HZ ZA 12-210

Vonnis in incident van 16 januari 2013

in de zaak van

de vennootschap naar Italiaans recht

IMPER ITALIA S.P.A.,

gevestigd te (10071) Borgaro Torinese (Italië),

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident in conventie,

eiseres in het incident in reconventie,

advocaat mr. G.A. Offerhaus te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AABO TRADING DEVENTER B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident in conventie,

verweerster in het incident in reconventie,

advocaat mr. R. Gijsen te Maastricht.

Partijen zullen hierna Imper en Aabo Deventer genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot nietigheid van dagvaarding tevens houdende de conclusie van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident in conventie tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in conventie

2.1.

In de hoofdzaak vordert Imper de veroordeling van Aabo Deventer tot betaling van € 34.440,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.

Imper legt aan haar vordering ten grondslag dat zij aan Aabo Deventer dakrollen heeft geleverd en dat zij in verband daarmee op 24 september 2012 een bedrag van € 34.440,00 aan Aabo Deventer heeft gefactureerd. Aabo Deventer heeft deze factuur niet betaald.

2.2.

De incidentele vordering van Aabo Deventer strekt tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding dan wel tot niet-ontvankelijkverklaring van Imper in haar vorderingen. Aabo Deventer voert hiertoe aan dat Imper in de dagvaarding bewijs heeft aangeboden, maar heeft nagelaten deze stukken in het geding te brengen, waardoor Aabo Deventer het bestaan van de betreffende overeenkomst(en) niet kan verifiëren. Volgens Aabo Deventer voldoet de dagvaarding niet aan de vereisten van artikel 111 lid 2 aanhef en onder d Rv en heeft Imper niet voldaan aan haar substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

2.3.

Imper voert verweer.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling in het incident in conventie

3.1.

Ingevolge artikel 111 lid 2 sub d juncto artikel 120 lid 1 Rv dient de dagvaarding op straffe van nietigheid de gronden van de eis te bevatten. De gronden van de eis zien op de feitelijke onderbouwing van hetgeen de eisende partij vordert.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de stellingen van Imper in de dagvaarding voldoende duidelijk wat de gronden zijn van haar vorderingen jegens Aabo Deventer en moet het voor Aabo Deventer mogelijk zijn om zich op behoorlijke wijze tegen deze vorderingen te verweren, hetgeen zij ook heeft gedaan in haar conclusie van antwoord. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de dagvaarding nietig te verklaren wegens het ontbreken van de gronden van de eis.

3.2.

Met betrekking tot de stelling van Aabo Deventer dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard, omdat Imper niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv, heeft te gelden dat ingevolge artikel 120 lid 4 Rv het niet naleven van deze substantiëringsplicht niet met nietigheid is bedreigd. Bovendien volgt uit artikel 111 lid 3 Rv niet dat Imper gehouden was om de factuur waarvan in de hoofdzaak betaling wordt gevorderd in het geding te brengen.

3.3.

Gelet op het voorgaande dient de door Aabo Deventer in het incident aangevoerde exceptie van nietigheid van de dagvaarding te worden verworpen.

3.4.

Aabo Deventer heeft daarnaast een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van Imper in haar vorderingen. Zij heeft dit beroep niet anders toegelicht dan met de argumenten die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op de nietigheid van de dagvaarding. Nu deze argumenten falen, bestaat voor niet-ontvankelijkheid evenmin grond.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vorderingen van Aabo Deventer zullen worden afgewezen.

3.6.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

In de hoofdzaak vordert Aabo Deventer – kort gezegd – dat voor recht wordt verklaard dat Imper toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten waarop de facturen van 3 oktober 2008 en 4 december 2008 aan Aabo Trading Drachten B.V. (verder: Aabo Drachten) en de factuur van 20 november 2008 aan Aabo Trading Almere B.V. (verder: Aabo Almere) zien voor zover deze betrekking hebben op leveranties Unifol, dat deze overeenkomsten buitengerechtelijk zijn ontbonden en dat Imper aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Daarnaast vordert Aabo Deventer de veroordeling van Imper tot betaling van een bedrag van € 73.458,74, vermeerderd met de wettelijke rente, en de overige schade nader op te maken bij staat.

Aabo Deventer legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Imper dakrollen Unifol aan Aabo Drachten en Aabo Almere heeft geleverd die niet voldoen aan de door hen opgegeven specificaties. Volgens Aabo Deventer dient Imper de reeds betaalde facturen terug te betalen en rust op haar de verplichting om de door Aabo Drachten en Aabo Almere geleden schade te vergoeden. Aabo Drachten en Aabo Almere hebben hun vorderingen op Imper op 2 september 2012 aan Aabo Deventer gecedeerd.

4.2.

Imper vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de reconventionele vorderingen van Aabo Deventer kennis te nemen. Imper voert daartoe aan dat zij krachtens artikel 2 van de EG-Executieverordering (EG nr. 44/2001) (verder: EEX-Verordening) alleen kan worden opgeroepen voor de bevoegde rechter in Italië. Volgens Imper kan zij niet voor de Nederlandse rechter worden opgeroepen, omdat geen sprake is van een in de artikelen 5 tot en met 24 EEX-Verordening genoemde bijzondere bevoegdheidsgrond. Imper brengt daarbij naar voren dat artikel 6 lid 3 EEX-Verordening de bevoegdheid ten aanzien van reconventionele vorderingen uitdrukkelijk beperkt tot het geval dat een tegenvordering voortspruit uit dezelfde overeenkomst, waarvan in dit geval geen sprake is. Daarnaast stelt Imper dat ook aan artikel 5 lid 1 EEX-Verordening geen bevoegdheid kan worden ontleend, omdat zij met Aabo Drachten respectievelijk Aabo Almere is overeengekomen dat haar fabriek in Italië de plaats van levering van de dakrollen is. Volgens Imper is de Incoterm “Ex Works” onderdeel van de gesloten overeenkomsten, waarbij zij heeft verwezen naar de door haar verzonden facturen waarop “Ex Works” staat vermeld. Uit deze Incoterm volgt volgens Imper dat haar fabriek in Italië de plaats van levering is. Imper wijst er ook op dat Aabo Trading Company B.V. te Nijmegen (verder Aabo Trading), de moedermaatschappij van Aabo Deventer, Aabo Drachten en Aabo Almere, de goederen altijd heeft laten ophalen bij haar fabriek.

4.3.

Aabo Deventer voert verweer. Aabo Deventer betoogt dat de rechtbank op basis van artikel 6 lid 3 EEX-Verordening bevoegd is, omdat tussen de vorderingen in conventie en reconventie een nauw verband bestaat. Daarnaast voert Aabo Deventer aan de rechtbank aan artikel 5 aanhef lid 1 sub b EEX-Verordening rechtsmacht kan ontlenen. Aabo Deventer betwist in dit verband dat de Incoterm “Ex Works” op de overeenkomsten van toepassing is. Volgens haar zijn de dakrollen in Drachten en Almere geleverd, omdat deze daar door de vervoerder feitelijk aan Aabo Drachten en Aabo Almere ter hand zijn gesteld. Daarbij wijst Aabo Deventer erop dat de Italiaanse rechter zich onbevoegd heeft geacht om van de vorderingen van Imper in conventie kennis te nemen. Volgens Aabo Deventer zal de Italiaanse rechter zich ook onbevoegd verklaren ten aanzien van haar reconventionele vorderingen. Tot slot brengt Aabo Deventer naar voren dat haar reconventionele vorderingen voor zover deze strekken tot betaling van schadevergoeding door Imper een verbintenis tot betaling van een geldsom betreffen, waaromtrent in artikel 6:116 lid 1 BW is bepaald dat de betaling daarvan moet worden gedaan de woonplaats van de schuldeiser. Om die reden is volgens Aabo Deventer de rechtbank ingevolge artikel 5 aanhef lid 1 sub a EEX-Verordering bevoegd om van deze vorderingen kennis te nemen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident in reconventie

5.1.

In artikel 2 EEX-Verordening is bepaald dat, onverminderd de bepalingen van deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dient Imper (in beginsel) voor de Italiaanse rechter te worden opgeroepen. Op grond van het bepaalde in artikel 3 EEX-Verordening is slechts afwijking van deze hoofdregel mogelijk op grond van de regels, zoals neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 5 tot en met 24) van de EEX-Verordening. In casu is derhalve de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel van artikel 2 EEX-Verordening afwijkende bijzondere bevoegdheid, op grond waarvan de rechter te Zwolle rechtsmacht heeft om van de reconventionele vorderingen van Aabo Deventer kennis te nemen.

5.2.

Op grond van artikel 6 lid 3 EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een EEX-staat in verband met een tegenvordering die voortvloeit uit de overeenkomst of het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gebaseerd, worden opgeroepen voor het - op grond van de EEX-Verordening bevoegde - gerecht in een andere EEX-staat waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is.

In dit verband wordt overwogen dat de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de overeenkomst tussen Imper enerzijds en Aabo Deventer, dan wel Aabo Trading, anderzijds en dat de reconventionele vorderingen zijn gebaseerd op de overeenkomsten die Aabo Drachten respectievelijk Aabo Almere met Imper hebben gesloten. Gelet hierop zijn de reconventionele vorderingen van Aabo Deventer gebaseerd op andere overeenkomsten dan die waarop de vorderingen in conventie zijn gegrond, waardoor artikel 6 lid 3 EEX-Verordening in dit geval niet van toepassing is. Dat Aabo Drachten en Aabo Almere hun pretense vorderingen op Imper aan Aabo Deventer hebben gecedeerd, maakt vorenstaande niet anders.

5.3.

De rechtbank zal voorts beoordelen of zij bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 5 aanhef lid 1 EEX-Verordening. Ingevolge dit artikel kan de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis uit overeenkomst die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Deze plaats van uitvoering is ingevolge artikel 5 aanhef lid 1 sub b eerste streepje van de EEX-Verordening bij koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, zoals in dit geval dakrollen Unifol, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of hadden moeten worden, tenzij anders is overeengekomen.

Het Hof van Justitie van de EU heeft bij arrest van 9 juni 2011 (LJN BQ8420) bepaald dat dit aldus moet worden uitgelegd dat bij verkoop op afstand de plaats waar de goederen volgens de overeenkomst werden geleverd of hadden moeten worden geleverd, op basis van de bepalingen van de overeenkomst moet worden bepaald. Om na te gaan of de plaats van levering is bepaald “volgens de overeenkomst” moet de aangezochte rechter alle voorwaarden en alle relevante clausules van deze overeenkomst op basis waarvan deze plaats duidelijk kan worden aangewezen in beschouwing nemen. Dit omvat mede de voorwaarden en clausules die algemeen erkend en in de internationale handel gebruikelijk zijn, zoals de International Commercial Terms (Incoterms), indien zij van dien aard zijn dat deze plaats op basis ervan duidelijk kan worden bepaald. Wanneer de betrokken overeenkomst dergelijke voorwaarden of clausules bevat, kan het noodzakelijk blijken te onderzoeken of zij bepalingen zijn die uitsluitend de voorwaarden inzake de verdeling van het transportrisico van de goederen of inzake de kostenverdeling tussen de overeenkomstsluitende partijen vastleggen, dan wel of zij eveneens de plaats van levering vastleggen. Indien de plaats van levering niet aldus kan worden bepaald zonder toepassing van het op de overeenkomst toepasselijke materiële recht, is dit de plaats van de materiële overdracht van de goederen, waardoor de koper op de eindbestemming van de verkooptransactie de feitelijke beschikkingsmacht over deze goederen heeft verkregen of had moeten verkrijgen.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat de plaats van levering in dit geval niet op basis van de bepalingen van de overeenkomsten kan worden bepaald. Hiertoe is van belang dat niet is gebleken dat de Incoterm “Ex Works” deel uitmaakt van de tussen Imper en Aabo Drachten respectievelijk Aabo Almere gesloten overeenkomsten. De enkele vermelding “Ex Works” op de facturen van Imper is daartoe onvoldoende. Deze facturen zijn eerst na het sluiten van de overeenkomsten verzonden en daaruit niet blijkt dat Aabo Drachten respectievelijk Aabo Almere de toepasselijkheid van deze Incoterm hebben aanvaard.

5.5.

Uit het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie van de EU volgt dat de plaats van levering in dit geval de plaats van de materiële overdacht van de goederen is, waardoor Aabo Drachten en Aabo Almere de feitelijke beschikkingsmacht over deze goederen hebben verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat deze overdracht heeft plaatsgevonden bij de fabriek van Imper in Italië. Daartoe wordt overwogen dat door Aabo Deventer niet is weersproken dat Aabo Trading de goederen heeft laten ophalen bij de fabriek van Imper. Het vervoer van de goederen van Italië naar Nederland is kennelijk verzorgd in opdracht van Aabo Drachten en Aabo Almere. Nu de vervoerder door Aabo Drachten en Aabo Almere is ingeschakeld, is deze vervoerder op het moment dat Imper de goederen aan hem heeft afgegeven de goederen gaan houden voor zijn opdrachtgeefsters. Op dat moment heeft de levering van de goederen aan Aabo Drachten en Aabo Almere plaatsgevonden en hebben zij de feitelijke beschikkings-bevoegdheid over de goederen verkregen.

Nu de plaats van levering is gelegen in Italië, zijn de overeenkomsten in Italië uitgevoerd en kan de Nederlandse rechter, in dit geval de rechtbank, aan artikel 5 aanhef lid 1 sub b EEX-Verordening geen bevoegdheid ontlenen om van de reconventionele vorderingen van Aabo Deventer kennis te nemen. Hierbij wordt opgemerkt dat het betoog van Aabo Deventer dat ook de Italiaanse rechter zich onbevoegd zal achten om van haar vorderingen kennis te nemen niet kan worden gevolgd, nu een gedaagde ingevolge het bepaalde in artikel 2 EEX-Verordering altijd kan worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar hij woonplaats heeft.

5.6.

Bij de beoordeling van de vraag of de rechtbank op grond van artikel 5 aanhef lid 1 sub a EEX-Verordening bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende vorderingen tot schadevergoeding is van belang wat moet worden verstaan onder “een verbintenis uit overeenkomst”. In het algemeen geldt dat tot “verbintenissen uit overeenkomst” niet alleen de verplichtingen behoren die rechtstreeks uit de overeenkomst voortvloeien, maar ook de verplichtingen die in de plaats treden van de niet-nagekomen contractuele verplichtingen, zoals de verplichting tot schadevergoeding wegens wanprestatie. Is, zoals in het onderhavige geval, de eis gebaseerd op een vervangende verplichting, dan is niet de plaats van uitvoering van die vervangende verplichting, maar de plaats van uitvoering van de contractuele verplichting waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van de vervangende verplichting beslissend voor de bevoegdheid op grond van artikel 5 aanhef lid 1 sub a EEX-Verordening. Niet de vervangende maar de vervangen verbintenis is dus competentiescheppend, in dit geval de tussen Imper en Aabo Drachten respectievelijk Aabo Almere gesloten koopovereenkomsten. Met betrekking tot deze koopovereenkomsten heeft de rechtbank hiervoor reeds vastgesteld dat deze overeenkomsten zijn uitgevoerd in Italië. Gelet hierop kan de Nederlandse rechter met betrekking tot de ingediende vorderingen tot schadevergoeding geen bevoegdheid ontlenen aan artikel 5 aanhef lid 1 sub a EEX-Verordening.

5.7.

Gezien het vorenstaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren kennis te nemen van het geschil in reconventie in de hoofdzaak.

5.8.

Aabo Deventer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Imper worden begroot op € 579,00.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident in conventie

6.1.

wijst de vorderingen van Aabo Deventer af,

6.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in het incident in reconventie

6.3.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in reconventie in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.4.

veroordeelt Aabo Deventer in de kosten van het incident, aan de zijde van Imper, tot op heden begroot op € 579,00,

in de hoofdzaak in conventie

6.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 januari 2013

voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.