Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:920

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2022
Datum publicatie
17-03-2022
Zaaknummer
C/01/377993 / KG ZA 21-765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

geldvordering in kort geding/ordemaatregel.

moeder na hersenbloeding opgenomen in verzorgingshuis. Dochter maakt met bankpas moeder zonder machtiging danwel toestemming moeder grote bedragen over naar haar bankrekening en naar bankrekeningen van haar gezinsleden bij wijze van voorschot (opeisbaar) kindsdeel nalatenschap wijlen haar vader en gepretendeerde schenkingen. Sprake van eigenrichting/onrechtmatig jegens moeder/verwijtbaar handelen/ beroep op verrekening afgewezen ogv artikel 6:2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2022-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/377993 / KG ZA 21-765

Vonnis in kort geding van 3 maart 2022

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Yadegari te Zaandam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L. van der Steen te Veghel.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde sub 1] genoemd worden en gedaagde sub 2 zal worden aangeduid met [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 januari 2022 met 10 producties;

  • -

    de nadere producties 11 tot en met 19 van [eiseres] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 februari 2022 die via een skypeverbinding heeft plaatsgevonden;

  • -

    de pleitnota van mr. van der Steen met 3 producties;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Yadegari.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De relevante feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn moeder en dochter van elkaar. [gedaagde sub 1] is getrouwd met [gedaagde sub 2] . Op [datum] 2011 is de heer [erflater] (echtgenoot van [eiseres] , vader van [gedaagde sub 1] ) overleden (hierna te noemen: erflater).

2.2.

In 1995 hebben [eiseres] en erflater in het kader van vermogensplanning beslissingen genomen over “verschuiving” van hun vermogens ten gunste van hun twee kinderen [gedaagde sub 1] en [A ] (broer van [gedaagde sub 1] ). In 1995 heeft [A ] de bedrijven van zijn ouders overgenomen waarbij afgesproken is dat [gedaagde sub 1] (vanwege de (vermogens)bevoordeling van [A ] ) vanaf 1996 naast [eiseres] de enige erfgenaam van de ouders zou worden. Daarnaast zou [gedaagde sub 1] de ouderlijke woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning) in eigendom verkrijgen. Blijkens de notariële akte van levering d.d. 30 december 2003 heeft [gedaagde sub 1] de woning verkregen tegen een koopsom van € 297,950.00, waarop ten tijde van de notariële overdracht een bedrag van € 31.100,00 is kwijtgescholden. Van de koopprijs resteerde het bedrag van € 266.850,00.

2.3.

Ten gunste van [eiseres] en erflater werd op de woning het beperkte recht van gebruik en bewoning gevestigd. Het echtpaar heeft daar ook gewoond. [eiseres] laatstelijk tot oktober 2019.

2.4.

De te betalen koopprijs van € 266.850,00 door [gedaagde sub 1] is door de ouders omgezet in een lening die vervolgens vanaf 2004 jaarlijks (deels) door schenkingen werd “afgelost”. Als productie 6 heeft [gedaagde sub 1] een aantal aktes van kwijtschelding overgelegd. Het restant van de schuld bedroeg in 2018 blijkens de elkaar opvolgende aktes van kwijtschelding 73.217,00.

De laatste twee aktes van kwijtschelding dateren van 3 oktober 2019 en van 26 december 2019 voor de respectievelijke bedragen van € 5.428,00 en € 67.789,00. Na aftrek van deze twee laatste bedragen zou de schuld van [gedaagde sub 1] aan [eiseres] terzake de koop van de woning geheel zijn ingelost (waarover hierna meer in r.o. 2.21. van het feitenoverzicht).

2.5.

Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 7 oktober 2010. In dit testament heeft erflater – voorzover hier relevant - [eiseres] en [gedaagde sub 1] tot zijn enige erfgenamen benoemd. Daarnaast heeft erflater bepaald dat op zijn nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is die in het testament onder randnummer IV als volgt is omschreven:

“IV WETTELIJKE VERDELING

Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.

Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.

A. VASTSTELLING GELDVORDERINGEN

De geldvorderingen van mijn afstammelingén worden vastgesteld bij notariële akte binnen een jaar na mijn overlijden. In verband met deze vaststelling moet een boedelbeschrijving worden opgemaakt die de waardering van de goederen en

schulden van mijn nalatenschap bevat. De waardering vindt plaats in onderling overleg (…).

B. BIJZONDERE BEPALINGEN

Opeisbaarheid

Ik bepaal dat de vordering van mijn dochter opeisbaar is in geval mijn echtgenote

(…);

- in een verzorgingshuis is opgenomen en bij haar definitieve opname in een verpleegtehuis”.

2.6.

Na het overlijden van erflater in 2011 heeft [gedaagde sub 1] de financiële zaken van [eiseres] samen met [eiseres] behartigd. [gedaagde sub 1] had toegang, inclusief pincode, tot de bankpas van [eiseres] .

2.7.

Op 21 oktober 2019 is [eiseres] opgenomen in het ziekenhuis als gevolg van een hersenbloeding. [eiseres] is daarna niet meer teruggekeerd naar de woning en is op 9 maart 2020 in verzorgingstehuis [verzorgingstehuis] te [plaats] gaan wonen. [eiseres] woont daar nog steeds.

2.8.

Gedurende de ziekteperiode van [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] de financiën van [eiseres] “waargenomen”.

2.9.

De auto van [eiseres] , [automerk] met kenteken [kenteken] , is door [gedaagde sub 1] in gebruik genomen. Op 14 augustus 2020 heeft [gedaagde sub 1] de auto op haar naam overgeschreven.

2.10.

In de periode november 2019 tot en met augustus 2020 heeft [gedaagde sub 1] bedragen van de bankrekening van [eiseres] overgeboekt naar haar eigen rekening en betalingen verricht vanaf de bankrekening van [eiseres] die gezamenlijk een omvang hebben van € 157.128,54.

2.11.

[eiseres] heeft daarvoor naar haar zeggen geen toestemming gegeven. Doordat [eiseres] van de Rabobank hoorde dat er grote bedragen waren overgeboekt, raakte [eiseres] hiervan pas op de hoogte.

2.12.

[gedaagde sub 1] heeft terzake een deel van de bedragen (waarover hierna meer in r.o. 2.15. van het feitenoverzicht) het standpunt ingenomen dat dit haar (kinds)deel in de nalatenschap van erflater is en dat zij daarop een voorschot heeft opgenomen. Volgens [gedaagde sub 1] is het bedrag aan kindsdeel opeisbaar geworden uit hoofde van het testament van erflater door het verblijf van [eiseres] in een verzorgingstehuis.

2.13.

Op verzoek van partijen heeft de notaris [B ] te [plaats] op 30 september 2020 het kindsdeel van [gedaagde sub 1] begroot op € 152.005,00.

Op 28 oktober 2020 heeft de notaris dit bedrag evenwel gecorrigeerd naar € 72.077,50, stellende dat in de aangifte erfbelasting van 17 november 2012 en de aanslag erfbelasting van 23 april 2013 per abuis het vruchtgebruik van [eiseres] over het kindsdeel van [gedaagde sub 1] dubbel is geteld waardoor het vermogen ten onrechte hoger is berekend.

2.14.

Op 4 november 2020 heeft [eiseres] jegens [gedaagde sub 1] aangifte gedaan terzake van verduistering.

2.15.

In november 2020 heeft [gedaagde sub 1] een bedrag van € 30.000,00 naar [eiseres] overgemaakt.

2.16.

Op 6 januari 2021 heeft tussen de advocaat van [eiseres] en [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] een gesprek plaatsgevonden waarin zij hebben getracht tot afspraken te komen. Dit is niet gelukt.

2.17.

Bij verzoekschrift van 29 maart 2021 heeft [eiseres] verzocht om een voorlopig getuigenverhoor. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 augustus 2021 is het verzoek gehonoreerd. Op 29 oktober 2021 zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehoord door de rechtbank. Op 3 november 2021 heeft het getuigenverhoor van [C] (belastingadviseur van [eiseres] ) plaatsgevonden en op 12 november 2021 is [eiseres] gehoord. Van deze verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt.

2.18.

Blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van [eiseres] heeft zij over de overboekingen en betalingen aan derden het volgende verklaard:

‘U vraagt mij wat ik weet van de betalingen van mijn bankrekening. Op een gegeven ogenblik ontving ik geen rekeningafschriften meer en had ik ook niet meer de beschikking over een bankpasje. [gedaagde sub 1] vertelde mij dat zij dat bankpasje had en dat ze bang was dat, als ze het aan mij zou geven, het zou worden gestolen. Ik had in die tijd een hersenbloeding gekregen en ben toen plotseling opgenomen in het ziekenhuis. Ik heb op de IC gelegen.

Alle spullen van mij lagen nog gewoon thuis, [gedaagde sub 1] heeft toen mijn bankpasje veiliggesteld. Ik heb diverse keren aan

haar gevraagd om mijn bankpasje dan wel om een tweede bankpasje. Dat tweede bankpasje werd maar niet ontvangen. Dat zou naar [gedaagde sub 1] gaan.

Omdat ik maar niets hoorde, heb ik haar gebeld. [gedaagde sub 1] zei dat ze het nog niet had ontvangen. ik heb toen de bank gebeld. De medewerker van de bank vertelde mij dat ze het tweede bankpasje al lang had verstuurd. Van die betalingen van mijn bankrekening, waarvan ik u rechter hoor zeggen dat het met name om drie betalingen gaat, wist ik niets af.

Dat is niet met mijn toestemming gebeurd.

Toen ik dit hoorde, ben ik daarvan geschrokken.

Ik wil zelf over mijn geld beschikken en daarvoor niet afhankelijk zijn. Ik weet nog goed wanneer die betalingen zijn

gedaan. Dat was op 10 augustus 2020. Op 11 augustus 2020 had ik nog een gesprek met [gedaagde sub 1] over het tweede

bankpasje. Dat gesprek vond plaats buiten bij [verzorgingstehuis] omdat [gedaagde sub 1] vanwege de corona niet naar binnen mocht.

Bij dat gesprek was ook een vrouwelijke medewerker van de bank. [gedaagde sub 1] heeft mij toen niets gezegd over die betalingen van 10 augustus 2020. Zo’n twee dagen later ben ik door de bank gebeld met de vraag of ik wist dat er betalingen waren verricht vanuit mijn bankrekening en dat al het geld ervan af was gehaald.

Toen ik dit hoorde, ben ik naar de bank geweest en ik heb ervoor gezorgd dat de bankrekening werd geblokkeerd. Ik ben hiervan geschrokken, omdat ik dit niet had verwacht, Ik wilde het geld terughalen, maar de bonk zei mij dat dit niet meer kon.’

2.19.

Tijdens het verhoor van [gedaagde sub 1] heeft zij erkend dat zij op 10 augustus 2020 drie bedragen van € 50.000,00, € 27.035,86 en € 45.192,99 van de bankrekening van [eiseres] naar haar eigen bankrekening heeft overgemaakt. Voorts heeft zij de volgende betalingen aan derden vanaf de rekening van [eiseres] erkend:

€ 2.173,00 naar [gedaagde sub 2]

€ 2.173,00 naar dochter 1 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

€ 2.173,00 naar dochter 2 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

€ 2.173,00 naar de zoon van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

€ 17,86 Toolstation

€ 92,96 [naam 1]

€ 28,91 kit en tex [adres]

€ 20,00 Energiecertificaat via Dolder [adres]

€ 553,72 Doorax nieuwe cilinders [adres]

€ 116,28 BTW Doorax nieuwe cilinders [adres]

€ 7,65 metsel- en ophoogzand

€ 2.164,47 Loodgieter [adres]

€ 349,99 [naam 2] elektricien [adres]

€41,10 Welkoop webwinkel, 16 maart 2020

€ 17,45 l23Schoon BV., 25 mei 2020

Alle bedragen (zoals genoemd in r.o. 2.19.) bij elkaar opgeteld belopen de som van

€ 134.736,24.

2.20.

De vier bedragen van elk € 2.173,00 heeft [gedaagde sub 1] op 29 december 2019 overgemaakt naar haar kinderen en naar haar echtgenoot, stellende dat dit op verzoek van [eiseres] is gebeurd bij wijze van (belastingvrije) schenking. [eiseres] heeft dit betwist.

2.21.

Op 12 februari 2021 heeft [eiseres] de akte van kwijtschelding van 26 december 2019 (het bedrag van € 67.789,00) vernietigd omdat deze door bedrog en/of misbruik van omstandigheden en/of listigheid heeft plaatsgevonden.

2.22.

Ter zitting heeft de advocaat van [eiseres] de vernietiging van de akte van kwijtschelding van 3 oktober 2019 (het bedrag van € 5.428,00) ingeroepen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad en verkort weergegeven:

Primair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 220.985,56

Subsidiair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen (met verrekening van het kindsdeel ad € 72.077,50,) tot betaling aan [eiseres] van € 148.908,06;

Tertiair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen (met verrekening van het kindsdeel ad € 72.077,50 en van aan [eiseres] het betaalde bedrag ad € 30.000,00) tot betaling van € 118.908,06;

Primair subsidiair of tertiair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de in het petitum genoemde uitgesplitste deelbedragen.

En [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen de proceskosten van het kort geding en in de nakosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] ervaart het als een groot onrecht (en als financieel misbruik van een oudere) dat [gedaagde sub 1] haar bankrekening heeft leeggehaald.

[eiseres] legt aan haar vorderingen – in de kern weergegeven - ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zonder toestemming gelden van haar rekening hebben onttrokken waardoor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zichzelf hebben verrijkt en [eiseres] is verarmd. Er is sprake van ongerechtvaardigde verrijking danwel onverschuldigde betaling. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij [gedaagde sub 1] geen toestemming heeft gegeven om de overboekingen en betalingen te verrichten. [eiseres] is nog steeds in staat om haar financien en administratie te beheren. Weliswaar werd zij daarbij geholpen door [gedaagde sub 1] , maar [eiseres] heeft altijd de controle over haar vermogen gehouden.

3.2.1.

Het primair gevorderde bedrag van € 220.985,56 heeft [eiseres] als volgt begroot:

  • -

    € 134.736,24, het bedrag dat zonder recht of titel van haar rekening is overgemaakt naar [gedaagde sub 1] en naar derden;

  • -

    € 4.858,30, het bedrag aan houderschapslasten, onderhoudskosten en APK-keuring van de [automerk] ;

  • -

    € 6.122,79, proceskosten voorlopig getuigenverhoor;

  • -

    € 2.051,23, buitengerechtelijke kosten;

  • -

    € 73.217,00, restschuld koop ouderlijke woning.

3.2.2.

[eiseres] sluit zich aan bij de berekening van de notaris en erkent dat [gedaagde sub 1] van haar te vorderen heeft een bedrag van € 72.077,50, zijnde het kindsdeel van [gedaagde sub 1] uit hoofde van de nalatenschap van erflater, zodat zij subsidiair vordert het bedrag van € 148.908,06.

3.2.3.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] het overgemaakte bedrag van € 30.000,00 bij wijze van schenking heeft voldaan. Voor het geval dit bedrag niet als schenking kan worden beschouwd dan vordert [eiseres] het bedrag van € 118.908,06.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben – in de kern en voorzover in dit kort geding relevant – naar voren gebracht dat [eiseres] geen vordering op [gedaagde sub 1] heeft en hebben daartoe het volgende naar voren gebracht:

  • -

    het spoedeisend belang ontbreekt en de zaak leent zich niet voor kort geding;

  • -

    [gedaagde sub 1] erkent dat zij in totaal € 124.639,38 heeft overgemaakt naar haar eigen rekening, die van haar kinderen en naar die van [gedaagde sub 2] . Deze bedragen zijn door [gedaagde sub 1] gedaan als voorschot op de nalatenschap van erflater. De 4 x schenkingsbedragen heeft [gedaagde sub 1] verricht op verzoek van [eiseres] ;

  • -

    De kosten met betrekking tot de woning heeft [eiseres] altijd aan [gedaagde sub 1] vergoed;

  • -

    [gedaagde sub 1] heeft een opeisbare vordering op [eiseres] uit hoofde van het testament van erflater;

  • -

    [gedaagde sub 1] houdt vast aan de 1e berekening van de notaris met betrekking tot haar kindsdeel, te weten € 152.005,00. Rekening houdend met het totaalbedrag [gedaagde sub 2] € 124.639,38 waarover [gedaagde sub 1] beschikt, heeft zij nog € 27.365,62 tegoed van [eiseres] ;

  • -

    [gedaagde sub 1] heeft € 30.000,00 naar [eiseres] overgemaakt. Dit bedrag betreft geen schenking. [gedaagde sub 1] heeft dus nog € 57.365,62 van [eiseres] te vorderen;

  • -

    Op de resterende koopprijs van de woning van € 266.850,00 zijn jaarlijks door de ouders van [gedaagde sub 1] en na de dood van wijlen haar vader door [eiseres] jaarlijks bedragen kwijtgescholden ten titel van schenking. Laatstelijk in 2019 heeft [eiseres] € 5.428,00 en € 67.789,00 kwijtgescholden. Dit betekent dat [eiseres] uit dien hoofde geen vordering meer heeft op [gedaagde sub 1] ;

  • -

    De vordering van [eiseres] terzake de [automerk] wordt door [gedaagde sub 1] betwist. Uit niets blijkt dat [eiseres] vanaf haar hersenbloeding vond dat [gedaagde sub 1] de kosten van de [automerk] diende over te nemen. [gedaagde sub 1] heeft in de zomer van 2020 de auto overgeschreven op haar naam om te voorkomen dat de vaste lasten van [eiseres] hierover zouden doorlopen.

[gedaagde sub 1] maakte jarenlang samen met [eiseres] gebruik van de auto in onderling overleg en in ruil hiervoor zorgde [gedaagde sub 1] dat de tank altijd gevuld was. [gedaagde sub 1] betwist dat de dagwaarde van de auto € 3.000,00 bedraagt;

  • -

    Het bedrag van € 626,17 (de helft van de notariskosten voor het opstellen van de herziene berekening van het kindsdeel van [gedaagde sub 1] ) hoeft [gedaagde sub 1] niet te betalen. [gedaagde sub 1] heeft geen opdracht gegeven voor deze tweede berekening;

  • -

    Voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaat geen grondslag;

  • -

    [eiseres] heeft [gedaagde sub 2] ten onrechte betrokken in de onderhavige procedure. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn niet gehuwd in gemeenschap van goederen.

4 Het geschil in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen samengevat - [eiseres] te veroordelen tot het stellen van zekerheid met betrekking tot hetgeen als voorlopige voorziening wordt toegewezen, door het stellen van een deugdelijke bankgarantie namens [eiseres] en zulks tot genoegen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , het storten van het bedrag waartoe [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mochten worden veroordeeld onder een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan te wijzen notaris, waarvan de kosten voor rekening van [eiseres] komen dan wel door het bedrag waartoe [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mochten worden veroordeeld in depot te storten op de derdengeldenrekening van Stichting derdengelden Bouwman Advocaten, een en ander totdat in een bodemprocedure een onherroepelijk oordeel is gegeven over de verschuldigdheid

Van enig door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan [eiseres] te betalen bedrag.

4.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] leggen hieraan ten grondslag dat bij (gedeeltelijke) toewijzing in conventie een restitutierisico ontstaat aan de zijde van [eiseres] . Gelet op het hoge bedrag dat [eiseres] op grond van haar vermogen maandelijks als eigen bijdrage zal moeten betalen aan CAK zal het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] terug te betalen bedrag snel verdwijnen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dan geen vermogensbestanddelen waarop verhaal mogelijk is als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de bodemprocedure in het gelijk worden gesteld.

4.3.

[eiseres] voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

De procespositie van [gedaagde sub 2]

5.1.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun stelling dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] . Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde sub 2] het, ondanks het vorenstaande, in zijn macht heeft om aan eventuele rechterlijke veroordelingen in deze, te weten het terugstorten van de overgemaakte bedragen, te kunnen voldoen. Hem kan ook niet worden verweten dat [gedaagde sub 1] over de bankrekening van [eiseres] heeft “beschikt”.

De geldvorderingen

5.2.

De vorderingen strekkende tot veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling van de geldbedragen zijn geldvorderingen.

5.3.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.4.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting (en de erkenning van [gedaagde sub 1] ) staat vast dat [gedaagde sub 1] op 10 augustus 2020 met het bankpasje van haar moeder drie grote bedragen van [eiseres] heeft overgeboekt naar haar eigen rekening (€ 50.000,00, € 27.035,86 en € 45.192,99) en op 29 december 2019 4 x € 2.173,00 heeft overgemaakt naar haar kinderen en naar [gedaagde sub 2] .

5.5.

[gedaagde sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde sub 1] dit heeft gedaan met medeweten en toestemming van [eiseres] . Onder deze omstandigheden moeten de overschrijvingen door [gedaagde sub 1] van de bankrekening van [eiseres] naar haar eigen bankrekening en de bankrekeningen van haar kinderen en [gedaagde sub 2] als eigenrichting door [gedaagde sub 1] worden gekwalificeerd. De overschrijvingen zijn hiermee onrechtmatig jegens [eiseres] en niet in het belang van [eiseres] verricht. Enige geldige reden voor die overboekingen ontbreekt bovendien. [gedaagde sub 1] heeft weliswaar als verweer aangevoerd dat zij nog een vordering op [eiseres] heeft vanwege de opeisbaarheid van haar kindsdeel uit de nalatenschap van erflater, maar dat kan [gedaagde sub 1] niet baten, al was het maar omdat de door haar gepleegde eigenrichting in rechte niet kan worden gehonoreerd. De onderhavige situatie is temeer schrijnend omdat [eiseres] [gedaagde sub 1] als vertrouwenspersoon heeft beschouwd en in de veronderstelling verkeerde dat haar dochter haar wilde ontzorgen door een deel van de financiële zorg en administratie van haar over te nemen. Gebleken is dat [gedaagde sub 1] misbruik heeft gemaakt van haar feitelijke positie, hetgeen voor [eiseres] in deze kwetsbare periode van haar leven bijzonder verdrietig moet zijn. [gedaagde sub 1] heeft hiermee het vertrouwen van haar moeder in haar in ernstige mate geschonden. [eiseres] wil zelf zeggenschap en regie houden over haar vermogen en heeft [gedaagde sub 1] nimmer gevolmachtigd om gelden over te boeken. [eiseres] heeft dit op zitting ook op duidelijke wijze aan de voorzieningenrechter verteld. Van [gedaagde sub 1] had vanwege het in haar gestelde vertrouwen verwacht mogen worden dat zij de belangen van haar moeder zorgvuldiger had behartigd. [gedaagde sub 1] heeft evenwel op kwalijke wijze slechts in haar eigen financiële belang gehandeld.

5.6.

[eiseres] heeft een spoedeisend belang dat zij weer over geld kan beschikken. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat haar bankrekening (voor de terugboeking van € 30.000,00) nagenoeg leeg was, zij naast AOW geen pensioen heeft en het geld op haar rekening deels bedoeld is voor haar oudedagsvoorziening. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om bij wijze van ordemaatregel zoals hierna te melden [gedaagde sub 1] te veroordelen om de hiervoor genoemde bedragen (vermeerderd met de wettelijke rente) minus € 30.000,00 aan [eiseres] terug te betalen. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat [gedaagde sub 1] het toe te wijzen bedrag aan [eiseres] dient te betalen en haar schuld aan [eiseres] niet kan verrekenen met de door haar gestelde vordering op [eiseres] . Omdat [gedaagde sub 1] het vertrouwen van [eiseres] in haar in ernstige mate heeft geschaad en zij niet bevoegd was over de bankrekening van [eiseres] te “beschikken”, dient een beroep door [gedaagde sub 1] op verrekening op grond van art. 6:2 lid 2 BW te worden afgewezen.

5.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar overig gevorderde geldbedragen (waaronder ook vallen de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van de voorlopige getuigenverhoren). Gelet op de stellingen over en weer van partijen is binnen het bestek van dit kort geding niet met voldoende mate van zekerheid te voorspellen in welke omvang een bodemrechter deze vorderingen van [eiseres] zal toewijzen. Een kortgedingprocedure leent zich (in beginsel) niet ertoe een en ander gedetailleerd uit te zoeken. Er bestaat in het licht van de onder 5.3 weergegeven maatstaf onvoldoende grond voor toewijzing van de geldvorderingen van [eiseres] in dit kort geding. Deze overige geldvorderingen van [eiseres] zullen derhalve worden afgewezen. Hetgeen partijen over en weer te dien aanzien hebben aangevoerd kan onbesproken blijven en zullen partijen desgewenst in een bodemprocedure moeten inbrengen.

De proceskosten

5.8.

De voorzieningenrechter zal de proceskosten gelet op de familierelatie op grond van artikel 237 Rv compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6 De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie

6.1.

De reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering in conventie zou worden toegewezen. Nu aan die voorwaarde is voldaan, komt de reconventie dus aan de orde. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af bij gebreke aan enige in rechte te honoreren grondslag voor het stellen van zekerheid door [eiseres] . In dit verband wijst de voorzieningenrechter naar Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4930.

6.2.

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] ;

7.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.692,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2019 door overboeking van dit bedrag op de bankrekening van [eiseres] ;

7.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 92.228,85 (€ 122.228,85 minus 30.000,00), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2020 door overboeking van dit bedrag op de bankrekening van [eiseres] ;

7.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

7.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in (voorwaardelijke) reconventie

7.6.

wijst de vorderingen af,

7.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2022.