Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:670

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-02-2022
Datum publicatie
28-02-2022
Zaaknummer
SHE 21/3180
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank doet drie uitspraken over PAS-melders, bedrijven die een melding hebben ingediend onder het Programma aanpak stikstof dat na een uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 sneuvelde. Deze bedrijven hebben daardoor alsnog een natuurvergunning nodig maar zijn al wel in werking. De provincie weigert handhavend op te treden tegen deze bedrijven. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. De rechtbank vindt dat verweerder een te algemene belangenafweging heeft gemaakt en noemt een aantal bijzondere omstandigheden die bij deze afweging moeten worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/3180

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2022 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. van Winzum en mr. A. Speekenbrink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

In het besluit van 26 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de derde-partij wegens het in werking hebben van een varkenshouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] zonder vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), afgewezen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt, dat verweerder met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroep aan de rechtbank heeft doorgezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 januari 2022 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers heeft online deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en [naam 2] . De derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1. Op 29 mei 2019 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) onverbindend, omdat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet voldeed aan de eisen in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG). Dat betekende dat voor activiteiten die waren gemeld onder die regeling alsnog een vergunning op basis van de Wnb (verder: natuurvergunning) nodig was. Zo ook voor het bedrijf van de derde-partij.

In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij en de besluitvorming van verweerder. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of handhaven in dit geval onevenredig is in de gegeven omstandigheden en met het oog op de te dienen belangen en doelen. Tot slot bespreekt de rechtbank enkele overige geschilpunten die door partijen in deze procedure naar voren zijn gebracht.

Feiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden

 De derde-partij exploiteert een varkenshouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Het bedrijf ligt in de nabijheid van verschillende Natura 2000-gebieden waaronder het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel.

 Het bedrijf beschikt over een revisievergunning van 7 oktober 2014 voor meerdere stallen met een totale ammoniakemissie van 3.208,42 kg NH3/jr. Hierbij zijn ook verklaringen van geen bedenkingen afgegeven door verweerder en door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. Op 15 februari 2016 heeft het bedrijf een melding op grond van het PAS ingediend. Dit hield verband met het (in afwijking van de eerdere revisievergunning) volledig traditioneel huisvesten van 1.706 biggen. Dit resulteert in een totale emissie van 3.856,42 kg NH3/jr. Verweerder heeft deze melding geaccepteerd, omdat de stikstofdepositie onder de toen geldende wettelijke grenswaarde (1 mol/ha/jr) bleef.

 Op 29 november 2016 is hiervoor ook een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting.

 Op 22 april 2021 heeft het bedrijf bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een verzoek tot legalisatie ingediend.

 Op 24 augustus 2021 hebben eisers verweerder verzocht handhavend op te treden tegen 50 bedrijvenlocaties, waaronder het bedrijf van [naam 1] , wegens het in werking zijn van het bedrijf zonder de benodigde natuurvergunning.

 Naar aanleiding hiervan heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant op 22 november 2021 een controle uitgevoerd, waarvan verslag is opgemaakt. Tijdens de controle werden 1.238 biggen geteld in stal 1. De feitelijke totale emissie is nog steeds hoger dan is beschreven in de revisievergunning uit 2014, omdat stal 1 volledig traditioneel is uitgevoerd.

Is handhavend optreden onevenredig?

3.1

Verweerder heeft het handhavingsverzoek van eisers bij het bestreden besluit afgewezen omdat hij handhaving onevenredig vindt in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het belang dat is gediend met handhaving is volgens verweerder beperkt omdat het slechts gaat om een geringe depositie (een toename van max 0,27 mol/ha/jr ten opzichte van de referentiesituatie). Verweerder erkent dat, gelet op de overbelaste staat van veel stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden, het noodzakelijk is dat een behoorlijke stikstofdaling in gang wordt gezet, maar meent dat het stopzetten van een activiteit met een geringe depositie niet de manier is om dit te bereiken. In plaats daarvan heeft verweerder op 15 december 2020 de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) vastgesteld om de natuur sterker te maken, de stikstofuitstoot te verminderen en economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

3.2

Verweerder breidt de motivering uit in het verweerschrift met de volgende redenen:

 Volgens verweerder speelt het zicht op legalisatie in de evenredigheidsafweging een belangrijke rol. Het bedrijf heeft zich tijdig gemeld bij de RVO en heeft voorrang omdat een verzoek om handhaving is ingediend. Het gemelde project is voor 29 mei 2019 gerealiseerd en er zullen stikstof reducerende maatregelen worden getroffen. Mochten de maatregelen uit het legalisatieprogramma niet voor voldoende stikstofwinst zorgen, dan moeten er op korte termijn extra bronmaatregelen of compenserende maatregelen worden getroffen.

 Verweerder weegt het belang dat is gediend met handhaving niet zo zwaar omdat het slechts gaat om een geringe stikstofdepositie.

 Ten behoeve van het bedrijf is in 2016 conform de destijds geldende regelgeving een melding ingediend en de derde-partij zou dan ook een gerechtvaardigd beroep mogen doen op het evenredigheidsbeginsel.

 Verweerder neemt tot slot in aanmerking dat het voortbestaan van het bedrijf in gevaar zou kunnen komen als het bedrijf zou moeten voldoen aan het in 2014 vergunde emissieplafond. Verweerder wijst erop dat het bedrijf nauw is verbonden met een andere varkenshouderij, een zeugenhouderij en daarmee een gesloten cyclus vormt, in die zin dat de hoeveelheden dieren in beide bedrijven op elkaar zijn afgestemd.

3.3

Volgens eisers maakt de omstandigheid dat een bedrijf “onbedoeld” in overtreding is niet dat handhaving daarom onevenredig is. Juist niet handhaven is in strijd met de rechtszekerheid. Eisers betwisten dat sprake is van geringe deposities en wijzen op de feitelijke totale depositie op de betrokken Natura 2000-gebieden die de kritische depositiewaarde ver overstijgt, alsmede op de optredende cumulerende stikstofschade in de Natura 2000-gebieden. Eisers zien in het ontwerp legalisatieprogramma geen zicht op legalisatie omdat er nog veel moet gebeuren. Eisers betwisten de omvang van de financiële gevolgen van handhaven en vinden dat het houden van minder dieren van het bedrijf kan worden gevergd.

3.4.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in beginsel zal moeten optreden tegen een overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van verweerder worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en doelen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.5.

De rechtbank stelt vast dat de door verweerder genoemde omstandigheden gelden voor heel veel, zo niet alle PAS-melders. Er is niet een verzoek om handhaving ingediend tegen alle PAS-melders maar dat zou een kwestie van tijd kunnen zijn na de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 20221 op basis waarvan de Minister van LNV bedrijfsadresgegevens van agrarische PAS-melders aan eisers moet geven. Dat maakt de afweging van verweerder een erg algemene afweging. Een algemene afweging doet te veel afbreuk aan de hierboven genoemde beginselplicht tot handhaving. Verweerder kan slechts afzien van handhaving als dit onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en doelen in een concrete situatie. Dit wordt ook benadrukt in de recente uitspraak van de Afdeling van 2 februari 20222 naar aanleiding van de conclusie van de advocaten-generaal Widdershoven en Wattel van 7 juli 20213.

3.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst alle feiten en omstandigheden van dit concrete geval in kaart zal moeten brengen en pas daarna kan afwegen of handhavend optreden zo onevenredig is dat daarvan ten aanzien van de derde-partij zou moeten worden afgezien. Hieronder noemt de rechtbank een aantal omstandigheden en belangen aan de hand van een aantal vragen.

 Evident is dat als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 20194 het ervoor moet worden gehouden dat de gevolgen van het bedrijf voor Natura 2000-gebieden nooit voldoende passend zijn beoordeeld. Daarom kan niet worden uitgesloten dat al enige tijd significante gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden optreden. Handhavend optreden (sluiting) kan een geschikt middel zijn om deze gevolgen te voorkomen en om de strijdigheid met artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn op te heffen.

 Zijn er voor het bedrijf andere manieren om een natuurvergunning te verkrijgen? Met andere woorden, is het voor het bedrijf noodzakelijk om het PAS Legalisatieprogramma af te wachten? De rechtbank wijst erop dat het bedrijf ook een passende beoordeling van de gevolgen van de activiteit voor Natura 2000-gebieden zou kunnen maken. Het bedrijf zou verder kunnen kiezen voor het treffen van extra beschermingsmaatregelen (bijvoorbeeld emissie-reducerende maatregelen). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het controleverslag van de omgevingsdienst staat vermeld dat stal 1 van het bedrijf op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) per 1 januari 2024 aan de verscherpte emissie-eisen in bijlage 2 van de IOV moet voldoen, alsmede dat per september 2026 maatregelen moeten worden getroffen aan stallen 2 en 4. Verweerder heeft verzuimd aan te geven waarom in dit geval niet van het bedrijf kan worden gevergd om deze investeringen eerder te doen en waarom in de toekomst beschikbare ruimte vanuit het PAS legalisatieprogramma zou moeten worden ingezet voor een overtreding die binnen afzienbare termijn moet worden beëindigd vanwege strijd met de IOV.

 Wat is het betrokken natuurbelang? Is het noodzakelijk om het bedrijf te sluiten of kan de natuur een stootje hebben? Hierbij zal de staat van de Natura 2000-gebieden in kaart moeten worden gebracht die gevolgen ondervinden van het bedrijf. Verweerder heeft op dit moment niet in beeld wat de staat van de Natura 2000-gebieden is, omdat de geactualiseerde analyses van de verschillende Natura 2000-gebieden pas in het najaar van 2022 beschikbaar zijn. Mogelijk is de staat van de Natura 2000-gebieden zo goed, dat reeds daarom geen significante gevolgen van een beperkte stikstofdepositie te verwachten zijn. De door eisers overlegde informatie duidt echter op het tegendeel. Zij hebben juist uitvoerig gewezen op een meer dan viervoudige overschrijding van de kritische depositiewaarde in het Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel en Mariapeel’. De enkele omstandigheid dat verweerder van mening is dat sprake is van een geringe stikstofdepositie van dit bedrijf, is onvoldoende. Vele kleine beetjes hebben toch een groot gevolg en verweerder is bij vergunningverlening gehouden te kijken naar de cumulatieve effecten met andere activiteiten die gevolgen hebben voor de Natura 2000-gebieden.

 Verweerder merkt terecht op dat de regelgeving de derde-partij dwong om een melding in te dienen in plaats van een vergunning aan te vragen.

 Wat zijn de gevolgen van handhaving (sluiting van het bedrijf) en kunnen deze gevolgen op andere wijze worden voorkomen? Verweerder heeft in dit geval niet onderbouwd dat het houden van minder dieren zal leiden tot onoverkomelijke financiële gevolgen. Dat het bedrijf met een ander bedrijf samenwerkt, wil niet zeggen dat dit andere bedrijf niet biggen van een derde kan betrekken.

 Verweerder kan het legalisatieprogramma bij de afweging betrekken. Een algemene verwijzing naar dit programma is echter onvoldoende. In dit verband verwijst de rechtbank naar twee andere uitspraken die heden zijn gedaan, waarin het proces naar legalisering van PAS-melders op grond van de Regeling natuurbescherming wordt beschreven. Weliswaar heeft de derde-partij zich geregistreerd bij de RVO. Het is de rechtbank niet gebleken dat er al voldoende depositieruimte beschikbaar is voor het legaliseren van zijn melding en bovendien heeft hij nog geen aanvraag voor een natuurvergunning ingediend. Verweerder zal inzichtelijk moeten maken hoeveel depositieruimte beschikbaar komt op afzienbare termijn en of dit bedrijf het meest aangewezen bedrijf is om met voorrang deze depositieruimte toebedeeld te krijgen in een (nog aan te vragen) natuurvergunning.

Dit is geen volledige lijst van feiten en omstandigheden. Er kunnen ook andere feiten en omstandigheden zijn die een rol kunnen spelen. Verweerder moet in ieder geval alle relevante feiten, omstandigheden en belangen die door partijen worden aangevoerd meewegen.

3.7

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd en gemotiveerd dat handhavend optreden zo onevenredig is dat hij van handhaving tegen de derde-partij moest afzien. Hij heeft in ieder geval de specifieke omstandigheden van het bedrijf onvoldoende in kaart gebracht en hij is onvoldoende ingegaan op de staat van de Natura 2000-gebieden die gevolgen ondervinden van het bedrijf. Zo kan verweerder geen goede afweging maken van de betrokken belangen. De beroepsgrond van eisers slaagt.

Overige punten
4.1 Eisers hebben gesteld dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

4.2

Verweerder heeft niet ten grondslag gelegd aan zijn besluit dat sprake zou zijn van een concreet zicht op legalisatie, zodat deze beroepsgrond niet hoeft te worden besproken.

5.1

Eisers betwijfelen of de combiluchtwassers (stalsysteem BWL 2009.12) bij stal 3 wel deugdelijk functioneren. Verweerder heeft dit niet gecontroleerd.

5.2

Verweerder heeft uitsluitend gecontroleerd op de aanwezige dieraantallen.

5.3

In het handhavingsverzoek is verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf zonder natuurvergunning. Er is niet verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf in afwijking van de revisievergunning uit 2014 met de bijbehorende verklaringen van geen bedenkingen. Er is dus ook niet met zoveel woorden verzocht om na te gaan of de combiluchtwassers van het bedrijf goed functioneren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het verzoek van eisers geen aanleiding heeft hoeven zien om de werking van de combiluchtwassers te controleren.

6.1

Verweerder heeft in het verweerschrift ook gesteld dat handhavend optreden niet als passende maatregel kan worden aangemerkt omdat sprake is van een geringe stikstofdepositie. Volgens verweerder zijn er meerdere andere passende maatregelen mogelijk om verslechtering van de Natura 2000-gebieden te voorkomen. In het verweerschrift somt verweerder een aantal maatregelen op dat getroffen (gaat) worden vanwege de op 1 juli 2021 in werking getreden Wet stikstofreductie en natuurverbetering, het recente Coalitieakkoord en de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof. Verweerder heeft hierbij ook verwezen naar een oplossingsrichting die is genoemd in de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 22 september 20215 en knoopt aan bij de criteria genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021.6

6.2

Eisers zijn het niet eens met verweerder. Door te verwijzen naar het ontwerp-legalisatieprogramma en een voorschot te nemen op de mogelijke maar onzekere uitkomsten, herhaalt verweerder de fouten die zijn gemaakt met het PAS.

6.3

De rechtbank ziet geen aanleiding om de door verweerder voorgestane benadering te volgen. In de eerste plaats beschouwt de rechtbank handhaving van natuurregelgeving niet als een passende maatregel in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn maar als een hard uitgangspunt. De Habitatrichtlijn verplicht lidstaten niet tot het treffen van passende maatregelen omdat lidstaten zich niet aan de Habitatrichtlijn houden, maar tot het treffen van passende maatregelen als sprake is van verslechtering of verstoring met significante gevolgen. De benadering in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 is bedoeld om de noodzaak van het treffen van een passende maatregel (het intrekken van een onherroepelijke natuurvergunning) te beoordelen. Een dergelijke intrekking is niet nodig als hetzelfde doel kan worden bereikt met andere passende maatregelen. In dit geval gaat het niet om intrekking van een natuurvergunning. De bevestiging van de PAS-melding is niet op rechtsgevolg gericht en is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 20197, rechtsoverweging 33.2). Het handhavend optreden tegen een PAS-melder kan niet gelijk worden gesteld met het intrekken van een vergunning, aangezien de PAS-melder (als gevolg van de keuze van de wetgever) nooit een recht heeft gehad. De noodzaak voor handhavend optreden kan verweerder onderzoeken in het kader van de afweging van betrokken belangen in de evenredigheidstoets.

7.1

In de bijlage bij het aanvullende beroep hebben eisers aangevoerd dat de geboden rechtsbescherming in handhavingszaken voor verzoekers om handhaving betekenisloos is. Eisers wijten dit aan meerdere oorzaken. Zo is met handhaving ontzettend veel tijd gemoeid, het bevoegd gezag handhaaft in verschillende stappen volgens buitenwettelijke stappenplannen en strategieën of neemt een gedoogbesluit waartegen verzoekers dan weer moeten procederen bij de bestuursrechter. Zij klagen ook dat de bestuursrechter niet bereid lijkt te zijn om verstrekkende uitspraken te doen (zoals zelf een last onder dwangsom opleggen) als een beroep tegen een onterechte weigering van een handhavingsverzoek onverhoopt slaagt. Ook onderzoekt de bestuursrechter niet of er daadwerkelijk sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Als voorbeeld hebben eisers het verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming vanwege het beweiden en bemesten van agrarische gronden genoemd. Dat is in 2014 ingediend. Het heeft uiteindelijk geleid tot een uitspraak van de Afdeling van 29 mei 20198 maar er is nog steeds niet tegen het illegaal beweiden en bemesten opgetreden.

7.2

De rechtbank stelt voorop dat de onvrede bij eisers in deze zaak niet geheel terecht is. In deze zaak geeft de rechtbank een snel oordeel na het bestreden besluit (mede omdat de bezwaarfase wordt overgeslagen). De rechtbank heeft in de andere twee zaken over bedrijven die een PAS-melding hebben ingediend een duidelijk kader gegeven voor de legalisatie van deze overtredingen. De rechtbank sluit bij de evenredigheidstoets aan bij de bewoordingen van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb in plaats van een terughoudende toets (in navolging van de Afdeling in de uitspraak van 3 februari 20229). De rechtbank begrijpt de onvrede bij eisers over de lange duur van handhavingstrajecten en over het terugverwijzen naar verweerder. De Afdeling biedt echter geen ruimte om in handhavingszaken zelf in de zaak te voorzien (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 201810). In dit geval heeft verweerder éénmaal een onjuist besluit genomen. Bovendien moet nog nader onderzoek worden verricht.

Conclusie
8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet nu geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan het overschrijden van de beslistermijn, omdat de rechtbank ervan uit gaat dat verweerder zich zal houden aan de gestelde beslistermijn.

9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eisers terugbetalen. Verder krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt in de beroepsfase. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,00), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,00.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;

 draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 354,00 te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.518,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 16 februari 2022.

de griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Hoofdstuk 2 Regeling natuurbescherming

Artikel 2.3

  1. Er is een register met de naam AERIUS Register, waarin gegevens worden opgenomen over depositieruimte.

  2. Een besluit waarbij een project wordt toegestaan, kan worden genomen met gebruikmaking van in het register opgenomen depositieruimte.

  3. Het register wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.

  4. De minister draagt er zorg voor dat depositieruimte in het register wordt opgenomen die ontstaat door de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de bronmaatregelen, bedoeld in artikel 2.4.

  5. De minister neemt ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie als depositieruimte in het register op.

Artikel 2.4

1. Bronmaatregelen als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, zijn:

a.de snelheidsverlaging voor de rijkswegen ingevolge het besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2019, kenmerk RWS-2019/45657, Stcrt. 2019, 71032;

b.de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen.

2. Op verzoek van een college van burgemeester en wethouders, van gedeputeerde staten of van het dagelijks bestuur van een waterschap kan de minister een maatregel van dat bestuursorgaan aanmerken als een bronmaatregel als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid.

3. Een bronmaatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt alleen in de berekening van de vermindering van stikstofdepositie betrokken:

a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden;

b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en

c. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de bronmaatregel verzekerd is.

Artikel 2.4a

1. In het register wordt een onderscheid gemaakt tussen depositieruimte die beschikbaar is voor:

a. woningbouwprojecten en tracébesluiten;

b. woningbouwclusters; en

c. gemelde PAS-projecten.

2. Depositieruimte die is verkregen door de bronmaatregelen, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, is alleen beschikbaar voor woningbouwprojecten en tracébesluiten, behoudens voor zover toepassing is gegeven aan het derde lid.

3. De minister, in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Infrastructuur en Waterstaat, kan:

a. depositieruimte die is verkregen door de snelheidsverlaging voor de rijkswegen, ook beschikbaar stellen voor woningbouwclusters;

b .depositieruimte die is verkregen door de onomkeerbare sluiting van varkenshouderijlocaties, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, ook beschikbaar stellen voor:

1°.woningbouwclusters;

2°.gemelde PAS-projecten;

c. depositieruimte die beschikbaar is voor woningbouwclusters of gemelde PAS-projecten, ook beschikbaar stellen voor woningbouwprojecten en tracébesluiten.

Artikel 2.5

1. Depositieruimte kan, behalve in een Natura 2000-vergunning, ook worden toegedeeld in:

a. een omgevingsvergunning;

b. een Tracébesluit.

2. Depositieruimte kan alleen worden toegedeeld in een besluit als bedoeld in het eerste lid.

3. Depositieruimte wordt eenmalig en voor onbepaalde tijd toegedeeld.

4. Depositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd.

Artikel 2.6

  1. Reservering of toedeling van depositieruimte is mogelijk voor zover daarvoor depositieruimte beschikbaar is.

  2. De beschikbare depositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied is de bij vaststelling van de betrokken versie van het register in het register opgenomen depositieruimte voor die hectare, verminderd met de depositieruimte die tot dat moment met toepassing van artikel 2.10 is afgeschreven of met toepassing van de artikelen 2.8 tot en met 2.9 is gereserveerd, en vermeerderd met de depositieruimte die tot dat moment met toepassing van artikel 2.10 is bijgeschreven.

  3. De depositieruimte die ten behoeve van een of meer projecten wordt gereserveerd of toegedeeld in verband met de toename van stikstofdepositie is niet groter dan de hoogste stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied die die projecten in een jaar kunnen veroorzaken.

Artikel 2.7

1. Reservering van depositieruimte geschiedt door registratie van de reservering in het register door:

a. gedeputeerde staten voor woningbouwprojecten en woningbouwclusters;

b.de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor tracébesluiten;

c. het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunning voor gemelde PAS-projecten.

2. Een reservering voor een woningbouwproject, een Tracébesluit of een gemeld PAS-project vervalt als:

a. het bevoegd gezag een besluit heeft genomen op de betrokken aanvraag voor een Natura 2000-vergunning of een omgevingsvergunning;

b.de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het Tracébesluit heeft vastgesteld waarvoor hij depositieruimte had gereserveerd.

3. Een reservering voor een woningbouwcluster vervalt als en voor zover gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, maar in elk geval als sinds de reservering twee jaar zijn verstreken.

4. Gedeputeerde staten kunnen de termijn, bedoeld in het derde lid, eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar.

Artikel 2.8

1. Gedeputeerde staten kunnen depositieruimte reserveren voor een woningbouwproject na de ontvangst van:

a. een aanvraag voor een Natura 2000-vergunning voor dat project;

b. de mededeling van een gemeente dat zij een aanvraag heeft ontvangen voor een omgevingsvergunning voor dat project.

2. Gedeputeerde staten beslissen over de reservering van depositieruimte voor woningbouwprojecten in de volgorde waarin de aanvragen van een Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning voor deze projecten zijn ontvangen.

3. Gedeputeerde staten reserveren alleen depositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

Artikel 2.8a

  1. Op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten depositieruimte reserveren voor een woningbouwcluster in een gemeente.

  2. Bij de aanvraag wordt een berekening verstrekt waaruit blijkt dat in het register voldoende depositieruimte beschikbaar is voor het cluster.

  3. Gedeputeerde staten beslissen over de reservering van depositieruimte voor woningbouwclusters in de volgorde waarin de aanvragen zijn ontvangen.

  4. Gedeputeerde staten reserveren alleen depositieruimte voor een woningbouwcluster als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas.

Artikel 2.8b

1. Het bevoegd gezag reserveert alleen depositieruimte voor een gemeld PAS-project als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. voor het project gold een meldingsplicht op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019;

b. voor het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding gedaan;

c. het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019:

1°.volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht;

2°.nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of oprichting van installaties, gebouwen en infrastructuur; of

3°.nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan;

d. voor de activiteit waarop de melding betrekking heeft, is geen toereikende en onherroepelijke Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning verleend;

e. als de melding betrekking heeft op een wijziging van een project dat geheel of gedeeltelijk was gerealiseerd voor 1 februari 2009 maar na de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied, dan is de totale stikstofdepositie die door het gewijzigde project wordt veroorzaakt op een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied niet groter dan de op het moment van de melding geldende grenswaarde, bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019;

f. als het project substantieel afwijkt van het gemelde project, veroorzaakt het gewijzigde project niet meer stikstofdepositie op een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden dan het gemelde project; en

g. de activiteit waarop het project betrekking heeft, wordt nog verricht.

2. Het eerste lid, onderdeel g, geldt niet als het project voldoet aan onderdeel c, onder 3°, van dat lid.

Artikel 2.8c

Het bevoegd gezag geeft bij het reserveren van depositieruimte voor gemelde PAS-projecten voorrang aan projecten ten aanzien waarvan het vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel een verzoek heeft ontvangen tot handhaving van artikel 2.7, tweede lid, van de wet. Als het na toepassing van de eerste zin noodzakelijk is om een keuze te maken tussen projecten, kiest het bevoegd gezag die combinatie van projecten die gezamenlijk voor een optimale benutting van de beschikbare depositieruimte zorgt.

Artikel 2.8d

  1. Het bevoegd gezag kan alleen depositieruimte reserveren voor gemelde PAS-projecten die zijn geselecteerd met toepassing van artikel 2.8c.

  2. Het bevoegd gezag kan de ruimte reserveren na ontvangst van een aanvraag om een Natura 2000-vergunning of omgevingsvergunning voor dat project.

(…)

Artikel 2.10, lid 4

Voor gemelde PAS-projecten draagt het bevoegd gezag terstond zorg voor:

a. afschrijving in het register van depositieruimte die aan dat project is toegedeeld;

b. doorhaling van gereserveerde depositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een besluit is genomen op de betrokken aanvraag;

c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde depositieruimte als de vergunning is vernietigd.

1 ECLI:NL:RVS:2022:128.

2 ECLI:NL:RVS:2022:335.

3 ECLI:NL:RVS:2021:1468.

4 ECLI:NL:RVS:2019:1603.

5 ECLI:NL:RBMNE:2021:4523.

6 ECLI:NL:RVS:2021:71.

7 ECLI:NL:RVS:2019:1603.

8 ECLI:NL:RVS:2019:1604.

9 ECLI:NL:RVS:2022:285.

10 ECLI:NL:RVS:2018:2658.