Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:4157

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-10-2022
Datum publicatie
11-10-2022
Zaaknummer
C/01/376770 / HA ZA 21-809
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Cubaanse overheid heeft aan een joint venture van eiseres en een Cubaanse rechtspersoon een exclusiviteitsrecht verleend voor onder meer de productie, distributie en verkoop van bier en heeft deze exclusiviteit na enige jaren weer ingetrokken. Gedaagde heeft vervolgens in Cuba het recht verkregen voor de productie, distributie en verkoop van bier. Eiseres vordert een verklaring voor recht dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door te profiteren van de schending van het exclusiviteitsrecht van eiseres. Eiseres stelt daartoe dat de Cubaanse overheid onrechtmatig heeft gehandeld door het exclusiviteitsrecht in te trekken en dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door in dit gat te springen. In het incident stelt eiseres in het incident dat de rechtbank niet bevoegd is om over de vordering te oordelen omdat er sprake is van immuniteit van jurisdictie ten aanzien van de Republiek Cuba.

De rechtbank acht zich niet bevoegd van de vordering kennis te nemen vanwege de staatsimmuniteit van Cuba. Ook als de Republiek Cuba zelf geen partij is in de procedure dient de rechtbank te beoordelen of staatsimmuniteit aan kennisneming van de vordering in de weg staat. Er is ten aanzien van de gestelde onrechtmatige daad van de Cubaanse overheid, die mede aan de vordering ten grondslag is gelegd, sprake van overheidshandelen. Het beroep op immuniteit van jurisdictie gaat niet op als er sprake is van handelen van de Cubaanse overheid op gelijke voet als een particulier. Het is aan verweerder in het incident om gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat er van die uitzondering sprake is.( Acta iure gestionis). Verweerder in het incident heeft niet aan die gemotiveerde stelplicht voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer / rolnummer: C/01/376770 / HA ZA 21-809

Vonnis in incident van 5 oktober 2022

in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Canada ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaten: mrs. J.D. Drok en A.M. Bruggink te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Nederland ,

2. de vennootschap naar Spaans recht

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Spanje ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam.

Partijen zullen hierna enerzijds [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en anderzijds [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] genoemd worden.

Inleiding

Deze zaak gaat, kort gezegd, over de (vermeende) rechten van partijen ten aanzien van de Cubaanse biermarkt die door de overheid van de Republiek Cuba wordt gereguleerd.

Eerst aan de orde is de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. De zaak kent immers internationale aspecten en bovendien hebben [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] als exceptief verweer (onder meer) aangevoerd dat er sprake is van immuniteit van jurisdictie van de Republiek Cuba, zodat de rechtbank zich onbevoegd zou moeten verklaren. In dit vonnis komt de rechtbank tot de conclusie dat dit verweer doel treft. De rechtbank verklaart zich om die reden onbevoegd om in de hoofdzaak kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Daarmee komt met dit vonnis een einde aan de procedure.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van 30 augustus 2021 met (10) producties, in zowel de Nederlandse taal als de Spaanse taal, en het certificaat van betekening in het buitenland;

- de incidentele conclusie houdende een vordering tot zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv, exceptieve verweren tot onbevoegdverklaring ex artikel 11 Rv, een verzoek tot het gelasten van een mondelinge behandeling en een verzoek tot het gelasten van een regiezitting met (10) producties;

- de conclusie van antwoord in het incident tot zekerheidsstelling ex 224 Rv en exceptie tot onbevoegdheid ex 11 Rv met producties (12-13);

- de akte houdende overlegging producties (11-16) van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ;

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling, gehouden op 10 augustus 2022, met daaraan aangehecht de spreekaantekeningen van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] en de pleitnotities van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ;

- de brief van 23 augustus 2022 van mr. Strik met opmerkingen op het proces-verbaal;

- de brief van 1 september 2022 van mr. Drok met opmerkingen op het proces-verbaal en tevens een reactie op voornoemde brief van 23 augustus 2022 van
mr. Strik;

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

ten aanzien van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] :

2.1.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] is een Canadese onderneming die deel uitmaakt van het Anheuser-Busch InBev-concern (AB InBev). In de bierbranche is AB InBev wereldwijd marktleider. In Nederland is zij vooral bekend van de merken Hertog Jan, Dommelsch, Jupiler, Leffe, Hoegaarden, Budweiser, Beck’s en Corona.

2.2.

In 1997 heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] met Corporacion Alimentaria S.A. (hierna: Coralsa) een joint venture opgericht onder de naam Cerveceria Bucanero S.A. (hierna: Bucanero). Hiervoor is toestemming verleend door het Uitvoerend Comité van de Raad van Ministers van de Republiek Cuba. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en Coralsa hebben ieder een aandelenbelang van 50% in Bucanero. Bucanero houdt zich bezig met de productie, marketing, distributie en verkoop van bier op de Cubaanse markt.

2.3.

Bij overeenkomst nr. 4330 van 27 februari 2002 van het Uitvoerend Comité van de Raad van Ministers van de Republiek Cuba is aan Bucanero het exclusieve recht verleend om 30 jaar bier te produceren, distribueren en verkopen.

2.4.

Bij overeenkomst nr. 8002 van 5 oktober 2016 van het Uitvoerend Comité van de Raad van Ministers van de Republiek Cuba is voorzien in een wijziging van de aan Bucanero toegekende exclusiviteit in een voorwaardelijk recht van eerste optie voor [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] om een nieuwe brouwerij te ontwikkelen in ZED Mariel, Cuba.

2.5.

Bij overeenkomst nr. 8557 van 16 februari 2019 van het Uitvoerend Comité van de Raad van Ministers van de Republiek Cuba zijn de hiervoor genoemde overeenkomst nr. 8002 en daarmee het exclusiviteitsrecht evenals het voorkeursrecht van Bucanero respectievelijk [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ingetrokken.

2.6.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft bij request van 15 februari 2021 een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het International Court of Arbitration van de International Chamber of Commerce tegen haar joint-venture-partner Coralsa.

ten aanzien van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] :

2.7.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] maken deel uit van de [A] groep die zich richt op de productie en verkoop van (alcoholvrij) bier en frisdrank. In Nederland is zij vooral bekend van de merken: Bavaria, Swinckels, 8.6, La Trappe en Palm. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] is opgericht op 16 december 2019. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] heeft een aandelenbelang van 100% in [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] .

2.8.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] en de Cubaanse vennootschap [B] S.A. (hierna: [B] ) hebben in 2020 de Cubaanse vennootschap Cerveceria Cubana S.A. (hierna: Cubana) opgericht. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] houdt 60% van de aandelen in Cubana.

2.9.

Cubana is een bierbrouwerij gaan ontwikkelen in ZED Mariel, Cuba.

3 De vordering en het verweer

in de hoofdzaak:

3.1.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ieder afzonderlijk dan wel gezamenlijk een onrechtmatige daad plegen jegens [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] door te profiteren van de schending van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] 's exclusiviteitsrecht althans voorkeursrecht;

  2. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] te bevelen met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze te wijzen vonnis, iedere activiteit te staken en gestaakt te houden die het exclusiviteitsrecht althans voorkeursrecht van Bucanero in Cuba schendt. Zulks op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 25.000,- en € 25.000,- voor iedere dag of gedeelte dat zij het bevel geheel of gedeeltelijk niet nakomen;

  3. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] te veroordelen van vergoeding aan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] van de door haar geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de door [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] gepleegde onrechtmatige daad, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  4. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] te veroordelen de ongerechtvaardigde verrijking aan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] terug te betalen;

  5. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] te veroordelen in de redelijke en evenredige proceskosten en andere kosten die eiseres heeft gemaakt, zoals bepaald in artikel 237 lid 1 Rv, althans zodanige kosten als de rechter passend acht, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met bepaling dat deze kosten binnen veertien (14) dagen na de datum van het vonnis moeten worden betaald, bij gebreke waarvan [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] in verzuim zullen zijn.

3.2.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] hebben hun rechten om verweer te voeren voorbehouden.

in het incident:

3.3.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] hebben gevorderd bij (provisionele) beschikking, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Incident tot zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] te veroordelen tot het stellen van zekerheid ten behoeve van ieder der gedaagden in dit incident op grond van artikel 224 Rv voor elk een bedrag van
€ 147.348,08, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, door middel van:

Primair: het stellen van een deugdelijke bankgarantie afgegeven door een in Nederland gevestigde bank, waarbij de bankgarantie een looptijd dient te hebben tot ten minste een maand nadat de einduitspraak in de hoofdzaak van de onderhavige procedure onherroepelijk is geworden en waarop direct een beroep kan worden gedaan indien een proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard of anderszins voor executie vatbaar is, waarbij deze zekerheid dient te worden gesteld binnen vier weken na de in dit incident te wijzen beschikking, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] in de bodemprocedure;

Subsidiair : het storten van het bedrag op een te openen escrow rekening bij een in Nederland gevestigde bank, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vorm van zekerheid, waarop direct een beroep kan worden gedaan indien een proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard of anderszins voor executie vatbaar is en waarbij de zekerheid dient te worden gesteld binnen vier weken na het in dit incident te wijzen beschikking, op straffe van niet­ ontvankelijkheid van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] in de bodemprocedure;

II. Bevoegdheidsexceptie ex artikel 11 Rv

Primair: zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van vorderingen tegen [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] voor zover deze zien op de vermeende (on)rechtmatigheid en wanprestatie gepleegd door de Republiek van Cuba en het gestelde voortduren van het exclusiviteitsrecht van Bucanero wegens immuniteit van jurisdictie van de Republiek Cuba;

Subsidiair: zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van vorderingen tegen [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ;

III. Verzoek mondelinge behandeling en regiezitting

te gelasten dat ter inhoudelijke behandeling van de door [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ingestelde incidenten en excepties een mondelinge behandeling met pleidooi plaatsvindt en dat gedurende diezelfde mondelinge behandeling een regiezitting plaatsvindt;

IV. In alle incidenten en excepties

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] te veroordelen in de kosten van alle incidenten en excepties.

3.4.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, worden ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident:

Exceptie van onbevoegdheid vanwege immuniteit van jurisdictie

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat het, meest verstrekkende, exceptieve verweer van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] , dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het geschil vanwege immuniteit van jurisdictie van de Republiek Cuba, doel treft.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Standpunten partijen – verkort weergegeven

4.2.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] hebben in het licht van artikel 11 Rv aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] vanwege de immuniteit van jurisdictie die de Republiek Cuba geniet. Dit geldt volgens [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ongeacht of de Republiek Cuba (uiteindelijk) als formele procespartij in de onderhavige procedure is of wordt opgeroepen. De vorderingen dienen op basis van zowel Nederlands recht als internationaal gewoonterecht te worden beschouwd als te zijn gericht tegen de Republiek Cuba, omdat zij de eigendommen, rechten, belangen of activiteiten van de Republiek Cuba beogen te raken. De vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] zijn namelijk gebaseerd op de centrale stelling dat sprake zou zijn van onrechtmatig handelen dan wel wanpresteren door “de Cubaanse overheid". Het is daarom voor toewijzing van de vorderingen noodzakelijk dat de rechtbank oordeelt over de vermeende (on)rechtmatigheid van handelingen c.q. wanprestatie van de Cubaanse overheid tegenover [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] . Hierdoor zouden de soevereine belangen van de Republiek Cuba in het gedrang (kunnen) komen. Aan de Republiek Cuba komt immuniteit van jurisdictie toe. Aan [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] komt een zelfstandig beroep toe op die immuniteit op basis van het beginsel van indirect impleading dat onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde en van het internationale gewoonterecht en is gecodificeerd in artikel 6 lid 2 aanhef en sub b van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van Staten en hun eigendommen, New York, 2 december 2004 (hierna: het VN-Immuniteitsverdrag). Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] naar de expertopinie van prof. [C] die zij in het geding hebben gebracht en vaste rechtspraak, waaronder de zaken KPM/Ambon1, Crystallex/PDVSA2 en Israëlische legercommandanten3. Voor zover aan [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] geen zelfstandig beroep op de immuniteit van de Republiek Cuba zou toekomen, dan geldt dat de rechtbank ambtshalve moet toetsen of hiervan sprake is, aldus [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] .

4.3.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft hiertegen ten eerste aangevoerd dat alleen een staat zich kan beroepen op immuniteit van jurisdictie. De dagvaarding is niet gericht aan de Republiek Cuba. [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] zijn geen staten en kunnen zich dus niet beroepen op immuniteit. In Nederland wordt bovendien een restrictieve doctrine van staatsimmuniteit gehanteerd. Een staat komt géén beroep op immuniteit toe wanneer een staat op voet van gelijkheid rechtsbetrekkingen is aangegaan met particulieren, anders gezegd: zodra een staat als privaatrechtelijk rechtssubject deelneemt aan het rechtsverkeer (de zogenoemde acta iure gestionis). De staat kan zich alleen op immuniteit beroepen wanneer het in de procedure gaat om typische overheidshandelingen, oftewel handelingen die de staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak (de zogenoemde acta iure imperii). Het sluiten van een joint venture overeenkomst, zoals die tussen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en Coralsa, heeft naar haar aard niet het karakter van een overheidshandeling.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] beroepen zich verder volgens [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ten onrechte op artikel 6 van het VN-Immuniteitsverdrag, want dit verdrag is nog niet in werking getreden en dus niet bindend, de temporele werking zal beperkt zijn tot geschillen die ná inwerkingtreding aanhangig worden gemaakt èn Cuba is geen partij bij het verdrag. De Hoge Raad heeft daarnaast in het Irak-arrest4 geoordeeld dat artikel 6 van het VN-Immuniteitsverdrag geen codificatie is van internationaal gewoonterecht, wat ook wordt onderkend door de door [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] geraadpleegde prof. [C] . Het artikel, waaronder lid 2 aanhef en sub b waarop [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] zich beroepen, mist dus ook om die reden toepassing. Artikel 6 van het VN-Immuniteitsverdrag geeft overigens (procesrechtelijk) regels voor de toepassing van artikel 5 van het VN-Immuniteitsverdrag waarin de immuniteit is vastgelegd en schept dus op zichzelf geen immuniteit. Daar komt nog bij dat van een situatie die artikel 6 van het VN-Immuniteitsverdrag beoogt te beschermen in dit geval geen sprake is. Uit de travaux préparatoires volgt namelijk dat het bijvoorbeeld ziet op situaties waarin conservatoir beslag is gelegd en (het genot van) bezittingen van een staat worden aangetast.

Uit de vorderingen volgt verder dat de procedure draait om [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] . De procedure is niet ingesteld om de juridische- of vermogenspositie van de Republiek Cuba te raken, oftewel [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft niet beoogd om de eigendommen, rechten, belangen of activiteiten van Cuba te raken, zoals toepassing van artikel 6 lid 2 aanhef en sub b van het VN-Immuniteitsverdrag vereist. Als de vorderingen worden toegewezen, raakt dit Cuba niet, aldus [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] die concludeert tot afwijzing van de incidenten en excepties.

Aanvullend standpunt [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident]

4.4.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] nog aanvullend aangevoerd dat het verweer van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] bij nader inzien volgens haar niet lijkt te gaan om het beginsel van indirect impleading, maar om de act of state-doctrine, en dat voor dit leerstuk geen ruimte is in de Nederlandse rechtspraktijk.

[gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] hebben bezwaar gemaakt tegen deze aanvullende stellingname vanwege strijd met de goede procesorde.

De rechtbank staat het in dit geval evenwel toe, omdat er geen sprake is van strijd met de goede procesorde.

Toetsingskader – vertrekpunt

4.5.

In artikel 1 Rv is bepaald dat, onverminderd dat wat over rechtsmacht in verdragen en EG-verordeningen is bepaald en onverminderd artikel 13a van de Wet algemene bepalingen (Wet AB), de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt beheerst door de bepalingen van Boek 1, Titel 1, Afdeling 1 Rv. Met het opnemen van een verwijzing naar artikel 13a Wet AB is beoogd de rechtstoepasser nadrukkelijk(er) te wijzen op het bestaan van volkenrechtelijke immuniteiten van jurisdictie, om te voorkomen dat rechtsmacht wordt aangenomen in strijd met de volkenrechtelijke immuniteitsverplichtingen van de Nederlandse Staat. In artikel 13a Wet AB is namelijk bepaald dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. De in het internationaal gewoonterecht erkende immuniteit van jurisdictie behoort tot deze uitzonderingen. De Nederlandse Staat is volkenrechtelijk verplicht om immuniteit van jurisdictie te waarborgen. De belangrijkste ratio hierachter is dat soevereine staten formeel op gelijke voet staan en geen gezag of rechtsmacht behoren uit te oefenen over elkaars handelen (par in parem non habet imperium).

4.6.

Voorheen was er sprake van absolute immuniteit, dat wil zeggen dat staten in alle gevallen immuniteit van jurisdictie genoten, maar daarin is halverwege de 20e eeuw verandering gekomen. Immuniteit is relatief geworden, in die zin dat een staat alleen immuniteit van jurisdictie toekomt als het gaat om acta iure imperii (typische overheidshandelingen; handelingen die de staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak), en niet als het gaat om acta iure gestionis (commerciële overheidshandelingen; handelingen die een staat verricht op gelijke voet met particulieren). Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling hiervan gekeken worden naar de aard (en dus niet het doel) van de handelingen in kwestie, hetgeen ook in het internationaal recht aanvaard is.

4.7.

Anders gezegd, immuniteit van jurisdictie is het uitgangspunt en de beperking daarvan (in geval van acta iure gestionis) is de uitzondering. Degene die zich beroept op de uitzondering moet gemotiveerd stellen en, in geval van betwisting, bewijzen dat er sprake is van commerciële handelingen (in plaats van typische overheidshandelingen).

Wijze van toepassing immuniteit van jurisdictie

4.8.

Het feit dat een staat immuniteit toekomt, is onderdeel van zowel de Nederlandse rechtspraktijk als het internationaal gewoonterecht. Daarover zijn partijen het eens.

De wijze waarop het recht op immuniteit van jurisdictie wordt toegepast, wordt, (1) indien geen verdragsregeling van toepassing is, bepaalt door (2) hetzij internationaal gewoonterecht, (3) hetzij het nationale recht van de aangezochte rechter. In dit licht verschillen partijen op (bijna) alle vlakken van mening. Voor zover nodig voor de beoordeling, wordt daarop hieronder nader ingegaan.

- op grond van een verdragsregeling

4.9.

Aan de orde is ten eerste de vraag of er een verdragsregeling van toepassing is. In dit geval is artikel 6 van het VN-Immuniteitsverdrag relevant. In lid 1 is namelijk bepaald dat een staat immuniteit van jurisdictie ambtshalve moet toetsen in een geding tegen een andere staat voor zijn gerechten en in lid 2 is nader omschreven in welk geval “een geding voor een gerecht van een staat wordt geacht te zijn ingesteld tegen een andere staat” als bedoeld in lid 1: direct (sub a) of indirect (sub b).

4.10.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat het verdrag nog niet in werking is getreden. Artikel 6 van het VN-Immuniteitsverdrag kan om die reden niet rechtstreeks worden toegepast.

- op grond van internationaal gewoonterecht en/of Nederlands recht

4.11.

Wat wèl ter discussie staat tussen partijen is de vraag (#1) of hetgeen in artikel 6 is bepaald onderdeel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde en internationaal gewoonterecht en dus om die reden moet worden toegepast. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, mede gelet op de door partijen aangehaalde jurisprudentie, in beginsel een drietal situaties kan worden onderscheiden:

- ten eerste de situatie waarin een staat is gedagvaard voor een gerecht van een vreemde staat en daar (inhoudelijk) in rechte verschijnt. In dat geval doet de gedaagde staat kennelijk afstand van diens immuniteit van jurisdictie. Dat is hier niet het geval.

- ten tweede de situatie waarin een staat is gedagvaard voor een gerecht van een vreemde staat en niet in rechte verschijnt. De Hoge Raad heeft in het Irak-arrest bepaald dat in dergelijke (verstek)zaken, voor zover die na 1 januari 2018 aanhangig zijn gemaakt, ambtshalve moet (dus niet langer alleen mag) worden getoetst of aan de gedaagde staat immuniteit toekomt. Ook dat is hier niet aan de orde.

- ten derde, tevens ten slotte, de situatie waarin een staat niet is gedagvaard (en ook niet via bijvoorbeeld voeging of tussenkomst in rechte verschijnt) voor een gerecht van een vreemde staat, maar wel wordt beoogd de eigendommen, rechten, belangen of activiteiten van die staat te raken. In het onderhavige geval is de Republiek Cuba niet gedagvaard om voor deze rechtbank te verschijnen. De vraag (#2) – die partijen ook verdeeld houdt – is of wel wordt beoogd de eigendommen, rechten, belangen of activiteiten van de Republiek Cuba te raken.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank valt, in het kader van de eerste vraag (rov. 4.11), niet in te zien waarom de tweede situatie anders zou moeten worden behandeld als de derde situatie. Zoals reeds overwogen zijn partijen het erover eens dat immuniteit van jurisdictie op zichzelf onderdeel uitmaakt van internationaal gewoonterecht en de Nederlandse rechtsorde. In het VN-Immuniteitsverdrag is immuniteit vastgelegd (gecodificeerd) in artikel 5. Nergens uit blijkt dat de modaliteiten van artikel 6 niet ook tot internationaal gewoonterecht en de Nederlandse rechtsorde behoren.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] , die meent dat dit niet het geval is, heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het Irak-arrest. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit arrest geen aanwijzingen bevat dat de ambtshalve verplichting niet ook geldt in het geval waarin een staat indirect bij een procedure betrokken is, en evenmin argumenten die de conclusie rechtvaardigen dat artikel 6 lid 2 aanhef en sub b van het VN-Immuniteitsverdrag geen internationaal gewoonterecht zou zijn.

De rechtbank betrekt hierbij niet alleen de jurisprudentie waaruit (onder meer) volgt dat deze bepaling strookt met de Nederlandse rechtspraktijk (zoals Israëlische commandanten en Crystallex/PDVSA), maar ook het feit dat het CAVV geen voorbehoud heeft geadviseerd bij ratificatie van artikel (5 en) 6 van het VN-Immuniteitsverdrag, èn er volgens de Nederlandse regering ook geen punten zijn waarop het verdrag afwijkt van de Nederlandse rechtspraktijk.

De rechtbank acht verder van belang dat de belangrijkste ratio van staatsimmuniteit is dat de rechter van de ene staat niet behoort te oordelen over het optreden van een andere staat (zie rov. 4.5), wat door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] – gelet op haar centrale stelling – kennelijk wel van deze rechtbank wordt verlangd.

4.13.

In het kader van de tweede vraag komt de rechtbank, gelet op het voorgaande, dan ook tot de conclusie dat door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] wordt beoogd de eigendommen, rechten, belangen of activiteiten van de Republiek Cuba te raken. Dat een toewijzend vonnis niet rechtstreeks ten laste van de Republiek Cuba ten uitvoer gelegd kan worden, maakt dit niet anders. Een oordeel over de (on)rechtmatigheid van de overeenkomsten in kwestie (typische overheidshandelingen) raakt immers onmiskenbaar de soevereine belangen van de staat Cuba. Het is uitsluitend aan “de Cubaanse overheid” om te bepalen hoe zij haar interne (bier)markt wenst te reguleren, ook (en misschien wel met name) ten opzichte van buitenlandse investeerders zoals partijen.

Relatieve immuniteit Republiek Cuba

4.14.

Zoals al is overwogen (rov. 4.7) is immuniteit van jurisdictie het uitgangspunt en de beperking daarvan (in geval van acta iure gestionis) de uitzondering. Degene die zich beroept op de uitzondering moet stellen en, in geval van betwisting, bewijzen dat er sprake is van commerciële handelingen (in plaats van typische overheidshandelingen, in dit geval [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] .

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] haar stelling, dat de handelingen van “de Cubaanse overheid” kwalificeren als commerciële overheidshandelingen, echter onvoldoende onderbouwd, mede gelet op de voldoende gemotiveerde betwisting van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.16.

De centrale stelling van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] is dat “de Cubaanse overheid” onrechtmatig heeft gehandeld door het exclusiviteits- respectievelijk voorkeursrecht van Bucanero en [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] (kort gezegd: hun monopolie) in te trekken (en dat [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] onrechtmatig hebben gehandeld door daarvan te profiteren). Deze stelling richt zich op de wijze waarop de Republiek Cuba bierbrouwactiviteiten op het eiland wenst te reguleren, waarbij de Republiek Cuba ook bepaalt of en in hoeverre de biermarkt wordt opengesteld voor buitenlandse investeerders zoals partijen. Het gaat dus niet, zoals [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] verder betoogt, om de bierbrouwactiviteiten van Bucanero an sich, noch om het sluiten van de joint venture tussen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en Coralsa. De centrale stelling van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] is immers gebaseerd op de overeenkomsten van het Uitvoerend Comité van de Raad van Ministers van de Republiek Cuba (rov. 2.2 t/m 2.5).

4.17.

Met haar stelling dat het handelen van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] (in lijn met de zaak Crystallex/PDVSA) niet als overheidshandelen kan worden gekwalificeerd miskent [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] dat in het kader van haar vorderingen – gelet op de centrale stelling die daaraan ten grondslag ligt – eerst moet worden gekeken naar de (on)rechtmatigheid van het handelen van de Republiek Cuba, vóórdat wordt toegekomen aan de (on)rechtmatigheid van het handelen van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] . Anders gezegd, het gaat erom dat de rechtbank bij de beoordeling van de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] , anders dan in de zaak Crystallex/PDVSA waarin het onrechtmatig handelen van Venezuela al vast stond, eerst (ook) de (on)rechtmatigheid van de handelingen van de Republiek Cuba moet beoordelen.

4.18.

Kortom, de immuniteit van jurisdictie van de Republiek Cuba staat in de weg aan een beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] , aangezien een beoordeling van het handelen van de Republiek Cuba daaraan vooraf zou moeten gaan en [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat het gaat om handelingen die zijn verricht op gelijke voet met particulieren en niet om overheidshandelen. De rechtbank is niet bevoegd om daarover te oordelen.

Act of state-doctrine

4.19.

Anders dan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] betoogt, gaat het naar het oordeel van de rechtbank overigens niet om de act of state-doctrine (en was dit evenmin het geval in de zaak KPM/Ambon). Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een procedurele en een materiële insteek bij dit verweer. Dit volgt ook uit de – door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] zelf aangehaalde – noot van prof. mr. dr. Van der Plas in JOR 2019/242 onder het arrest van Gerechtshof Amsterdam van 7 mei 20195. Hieruit maakt de rechtbank op dat het in die zaak niet ging (en ook niet kon gaan) om immuniteit van jurisdictie omdat een dergelijk beroep niet toekomt aan een eisende partij, maar alleen aan een gedaagde partij (zoals [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] ). Indien het beroep (dat dus enkel aan een gedaagde partij toekomt) vanuit procedureel oogpunt wordt bezien, dan gaat het om immuniteit van jurisdictie. Indien het betoog een materiële insteek heeft, dan ziet het op de act of state-doctrine. In dit geval heeft het verweer een procedurele insteek, namelijk gericht op de onbevoegdheid van de rechtbank, en komen we aan de (on)rechtmatigheid van de overeenkomsten van de vreemde staat (de Republiek Cuba) niet toe (wat door [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] als prealabele kwestie aan de orde zou zijn gesteld indien wel bevoegdheid zou zijn aangenomen). Het kan dus zogezegd als verweer naast elkaar bestaan, even daargelaten of voor de act of state-doctrine ruimte bestaat in de Nederlandse rechtspraktijk.

Kortom

4.20.

Naar het oordeel van de rechtbank komt aan [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] een zelfstandig beroep op de immuniteit van jurisdictie van de Republiek Cuba toe en zou een ambtshalve toets ook overigens niet tot een ander oordeel leiden.

4.21.

Nu de rechtbank vanwege de immuniteit van jurisdictie van de Republiek Cuba onbevoegd is om de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] (in de hoofdzaak) te beoordelen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire exceptieve verweer van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] , dat de rechtbank in ieder geval ten aanzien van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] onbevoegd zou zijn. Evenmin wordt toegekomen aan een zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv of (nog) een (regie)zitting. Kortom, de overige vorderingen zullen worden afgewezen.

4.22.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] zal in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, omdat zij ongelijk krijgt. Gelet op de aard van de vorderingen wordt hierbij uitgegaan van het tarief voor vorderingen van onbepaalde waarde. De kosten aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] worden daarom begroot op € 1.126,00 (2,0 punten x tarief € 563,00) aan salaris advocaat voor de incidentele conclusie en de mondelinge behandeling van
10 augustus 2022.

in de hoofdzaak:

4.23.

Met de onbevoegdverklaring komt een einde aan de procedure.

4.24.

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] zal in de proceskosten worden veroordeeld, omdat zij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] worden begroot op € 667,00 aan griffierecht. In de hoofdzaak hebben [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] geen proceshandelingen verricht en is [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] dus geen salaris advocaat verschuldigd geworden.

5 De beslissing

De rechtbank,

in het incident:

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] in de hoofdzaak kennis te nemen;

5.2.

veroordeelt [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] tot op heden begroot op € 1.126,00;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst dat wat meer of anders is gevorderd af;

in de hoofdzaak:

5.5.

veroordeelt [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiseres in incident 2] tot op heden begroot op € 676,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2022.

1 Gerechtshof Amsterdam 8 februari 1951, ECLI:NL:GHAMS:1951:15

2 Rechtbank Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11906

3 Gerechtshof Den Haag 7 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2374

4 HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054, NJ 2019/137

5 ECLI:NL:GHAMS:2019:1566