Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:3754

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
07-09-2022
Zaaknummer
C/01/375448 / FA RK 21-4638
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partijen hebben bij de berekening van kinderalimentatie geen rekening gehouden met hun inkomens uit sparen en beleggen (box 3). Het is aannemelijk dat als daar wel mee was gerekend, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen aanzienlijk hoger was uitgevallen. Nu de man een (aanzienlijk) hogere kinderalimentatie kon betalen dan in het ouderschapsplan is overeengekomen, zijn partijen bij het maken van hun afspraken ten nadele van de kinderen afgeweken van de wettelijke maatstaven, ofwel deze miskend (artikel 1:401 lid 5 BW). De rechtbank stelt na herberekening van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen een hogere kinder- en partneralimentatie vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familierecht

Zaaknummer: C/01/375448 / FA RK 21-4638

Kinder- en partneralimentatie

Beschikking van 24 augustus 2022

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.J.P.H. Custers-Kuijpers,

t e g e n

[de man],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C. Snikkenburg-den Haan.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  1. het verzoekschrift tot wijziging van kinder- en partneralimentatie met bijlagen 1 tot en met 19, binnengekomen op 11 oktober 2021;

  2. het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 11;

  3. het F9-formulier mr. Snikkenburg-den Haan met bijlagen 12 tot en met 18, binnengekomen op 15 juli 2022;

  4. het F9-formulier tot wijziging verzoekschrift met bijlagen 20 tot en met 33, binnengekomen op 16 juli 2022;

  5. het F9-formulier van mr. Custers-Kuijpers met bijlage 34, binnengekomen op 16 juli 2022;

  6. het F9-formulier van mr. Snikkenburg-den Haan met bijlage, binnengekomen op 26 juli 2022, en

  7. het F9-formulier mr. Custers-Kuijpers met bijlage 35, binnengekomen op 26 juli 2022.

1.2.

De mondelinge behandeling vond via videobellen plaats op 27 juli 2022. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Bij deze behandeling waren aanwezig:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.3.

De rechtbank heeft aan (de hierna nader te noemen) [kind_1] en [kind_2] gevraagd wat zij van het verzoek vinden. Zij hebben dat per brief van 17 mei 2022 laten weten.

2 Waar gaat het over?

2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 13 juli 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.

2.2.

Partijen zijn de ouders van [kind_1] (verder: [kind_1]), geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats] en [kind_2] (verder: [kind_2]), geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats]. [kind_1] en [kind_2] staan ingeschreven op het adres van de vrouw.

2.3.

Op 16 juni 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant beslist dat de man – volgens het op 1 en 7 november 2019 ondertekende ouderschapsplan dat aan die beschikking is gehecht – per 1 maart 2019 een kinderalimentatie van € 241,- per kind per maand en per de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven een partneralimentatie van € 500,- per maand moet betalen aan de vrouw. Vermeerderd met de wettelijke indexering bedroeg de kinderalimentatie in 2021 € 254,- per kind per maand.

2.4.

De vrouw wil dat de kinderalimentatie per 19 juli 2021 of per de datum indiening van het verzoekschrift op € 464,- per kind per maand en per 25 april 2022 op € 461,- per maand voor [kind_1] en op € 620,- per maand voor [kind_2] – of per een andere datum op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag – wordt gesteld. Daarnaast wil de vrouw dat de partneralimentatie per voormelde data eerst op € 3.242,- bruto per maand en vervolgens op € 1.936,- per maand wordt gesteld.

2.5.

Volgens de vrouw is de destijds door hen gesloten vaststellingsovereenkomst (waarop het ouderschapsplan deels is gebaseerd) met grove miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand gekomen, omdat daarin (voor de berekening van de behoefte van [kind_1] en [kind_2]) van onjuiste inkomensgegevens is uitgegaan. Daarnaast zijn ook de omstandigheden intussen gewijzigd, nu het inkomen van de man uit vermogen wezenlijk is gestegen en de zorgregeling met [kind_2] is gestaakt.

2.6.

De man is het daar niet mee eens en vraagt de rechtbank de vrouw niet te ontvangen
in haar verzoek of dat af te wijzen. Hij stelt dat de vaststellingsovereenkomst destijds onder begeleiding van een mediator tot stand is gekomen en daarin – onder andere – afspraken zijn gemaakt over kinderalimentatie. Om die reden klopt het niet dat daarin van onjuiste inkomensgegevens is uitgegaan. Daarnaast is nadrukkelijk afgesproken dat een wijziging van de overeenkomst slechts mogelijk is indien partijen het daarover en de gevolgen daarvan eens zijn. Daarbij komt dat vrouw niet behoeftig is nu zij door fulltime te werken zelf (volledig) in haar behoefte kan voorzien.

3 De beoordeling

conclusie

3.1.

De rechtbank beslist dat de man per 1 november 2021 een kinderalimentatie van € 378,- per maand voor [kind_1] en van € 532,- per maand voor [kind_2] en een partneralimentatie van € 1.933,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw. Dit betekent dat zij het verzoek van de vrouw deels toewijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij alleen in op de standpunten die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

wijzigingsgrond: wat zegt de wet?

3.2.

Op grond van artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een overeenkomst met betrekking tot levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

grove miskenning van de wettelijk maatstaven?

3.3.

De contractsvrijheid van partijen bij het maken van afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven (van behoefte en draagkracht). Dit houdt in dat niet ten nadele van minderjarige kinderen van die maatstaven afgeweken mag worden, ongeacht of dat nu bewust of onbewust gebeurt.1

3.4.

Uit de door de vrouw overgelegde berekening van de mediator (bijlage 8) blijkt dat zowel bij de berekening van de behoefte van de kinderen als bij de berekening van de draagkracht van partijen – ten onrechte – geen rekening is gehouden met het door hen genoten inkomen uit sparen en beleggen (box 3), terwijl dit inkomen bij de bepaling van de belastingdruk wel in aanmerking werd genomen. Het is gelet op het vermogen van partijen aannemelijk dat de behoefte van [kind_1] en [kind_2] en de draagkracht van partijen wezenlijk hoger was uitgevallen indien wel rekening was gehouden met (werkelijk) inkomen uit vermogen. Nu de behoefte van [kind_1] en [kind_2] hoger is en de man een hogere kinderalimentatie kon betalen dan in het ouderschapsplan is overeengekomen, zijn partijen daarbij ten nadele van [kind_1] en [kind_2] afgeweken van de wettelijke maatstaven, althans hebben partijen deze maatstaven bij het maken van hun afspraken miskend.

ingangsdatum

3.5.

De wet2 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

3.6.

De rechtbank laat de wijziging van de kinder- en partneralimentatie ingaan per 1 november 2021. Dat is de eerste dag van de maand nadat de vrouw haar inleidend verzoekschrift indiende. Nu de door partijen gesloten overeenkomst van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, kon de man in elk geval vanaf het moment dat de vrouw haar inleidend verzoek indiende rekening houden met een
door de rechtbank vast te stellen gewijzigde bijdrage. Anders dan de vrouw ziet de rechtbank geen reden om de gewijzigde alimentatie (nog) eerder te laten ingaan. Weliswaar heeft de vrouw de man al daarvoor, namelijk op 16 juni 2021 per mail (bijlage 19) meegedeeld dat haar contract niet verlengd zou worden, maar daaruit volgt niet zonder meer dat zij een hogere bijdrage van de man verlangde. Het lag op
de weg van de vrouw om, die eerdere brief vergezeld te laten gaan van (financiële) stukken op basis waarvan de man zelf een inschatting kon maken of een hogere bijdrage te verwachten was of eerder dan zij heeft gedaan een verzoekschrift in te dienen.

‘kinderalimentatie’

3.7.

De wet bepaalt dat eerst moet worden voorzien in de behoefte van [kind_1] en [kind_2] en daarna in de behoefte van de vrouw.3 De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie en beoordeelt daarna of en in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.

behoefte [kind_1] en [kind_2]

3.8.

De behoefte van [kind_1] en [kind_2] dient opnieuw te worden bepaald. Daarbij kijkt de rechtbank naar de inkomensgegevens van partijen toen zij nog bij elkaar waren en met [kind_1] en [kind_2] een gezin vormden.

3.9.

Uit de jaaropgaven 2018 van de vrouw (bijlage 10) blijkt een belastbaar inkomen van € 3.023,- en € 3.157,-. Verder blijkt uit haar aanslag IB 2018 (bijlage 9) een inkomen in box 3 van € 2.320,-. De rechtbank rekent derhalve met een belastbaar inkomen van in totaal € 8.500,-. Aan de zijde van de man rekent de rechtbank met de gemiddelde winst uit onderneming (€ 51.236) van 2016, 2017 en 2018. Ook de man had inkomen in box 3. Uit de aanslag IB 2018 van de vrouw blijkt een grondslag sparen en beleggen van € 554.540,-. Daarvan was het deel van € 91.499,- toegekend aan de vrouw zodat het resterende deel van € 463.041,- toekwam aan de man. Vermeerderd met het heffingsvrije vermogen van € 30.000,- kwam het aan de man toegekende vermogen dus op € 493.041,-. Daaruit volgt een inkomen in box 3 van € 18.393,-. De rechtbank rekent aan de zijde van de man dus met een belastbaar inkomen van in totaal € 69.629,-.

3.10.

Uit de aangehechte berekening volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen € 4.937,- per maand bedroeg.4 De rechtbank hanteert de tabel Kosten van Kinderen 2018. Op basis van dit inkomen en de leeftijd van [kind_1] en [kind_2] bedroeg hun behoefte in 2018 € 572,- per kind per maand. Vermeerderd met de wettelijke indexering is dat € 616,- per maand in 2021.

draagkracht ouders

3.11.

De rechtbank stelt vervolgens vast wat partijen kunnen betalen: de ‘draagkracht’. Volgens de wet moeten ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien.5

draagkracht man

3.12.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank met het gemiddelde van de door de man gegenereerde winst uit onderneming in 2017, 2018 en 2019 van € 46.570,-. Hoewel de man stelt dat de winst door de situatie rondom Covid-19 is afgenomen en dat ook blijkt uit de jaarstukken van 2020 en 2021, heeft hij onvoldoende gesteld en onderbouwd om welke reden de winst zich intussen niet heeft hersteld. Om deze reden houdt de rechtbank het ervoor dat de man in staat is om een winst uit onderneming te genereren die vergelijkbaar is met de winst in de periode vóór Covid-19.

3.13.

De rechtbank rekent bij de bepaling van de draagkracht ook met de waarde van de beleggingsrekeningen van de man per 1 januari 2021. De rente op sparen en beleggen was weliswaar laag, maar het vermogen van de man nam toe. Uit het jaaroverzicht van 2021 (bijlage 29) blijkt een waarde van in totaal € 721.058,-. Daaruit volgt een inkomen in box 3 van € 28.904,-. Anders dan de vrouw heeft de rechtbank daarbij met een fictief rendement gerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw niet (althans onvoldoende) aannemelijk gemaakt dat de vermogenstoename van de man verband hield met een hoger rendement dan het forfaitaire percentage. Dit geldt te meer nu de man tijdens de mondelinge behandeling – onweersproken door de vrouw – heeft verklaard dat zijn vermogen (onder meer) is toegenomen door de opbrengst uit de verkoop van de woning van zijn ouders.

3.14.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man is € 4.784,- per maand.6 Uit de aangehechte berekening blijkt een bijbehorende draagkracht voor kinderalimentatie van € 1.644,- per maand.

draagkracht vrouw

3.15.

De rechtbank maakt uit de door vrouw overgelegde stukken op dat haar overeenkomst bij [bedrijf] per 19 juli 2021 eindigde en zij aansluitend per 20 juli 2021 een ziektewetuitkering ontving. Vervolgens is de vrouw per 19 april 2022 (bijlage 23) in dienst getreden bij [bedrijf] Uit de loonstrook van mei 2022 blijkt dat zij een loon voor loonheffing heeft van € 1422,- per maand. Nu de vrouw niet lang na indiening van haar verzoekschrift weer aan het werk is gegaan, neemt de rechtbank bij de bepaling van haar draagkracht per 1 november 2021 (om praktische redenen) haar huidige inkomen als uitgangspunt.

3.16.

Anders dan de man ziet de rechtbank geen reden om de vrouw een hogere verdiencapaciteit toe te kennen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw reeds een wezenlijk hoger inkomen verwerft dan ten tijde van het uiteengaan van partijen het geval was. Daarbij komt dat de vrouw tot voor kort arbeidsongeschikt was en zij nog steeds lichamelijke klachten stelt te hebben. In dat licht diende de man meer te stellen en te onderbouwen. Dit geldt te meer nu de kinderen er (financieel) de dupe van worden, indien de rechtbank de vrouw een fictieve verdiencapaciteit zou toekennen die zij niet kan realiseren.

3.17.

Het NBI van de vrouw bedraagt € 1.832,- per maand.7 Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget. Uit de aangehechte berekening blijkt een bijbehorende draagkracht van € 258,- per maand.

verdeling kosten

3.18.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.19.

De draagkracht van partijen is samen € 1.902,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [kind_1] en [kind_2] te betalen. Dit betekent dat de man (€ 1.644 ÷ € 1.902 x € 1.232 =) € 1.065,- per maand dragen en de vrouw (€ 258 ÷ € 1.902 x € 1.232 =) € 167,- per maand.

zorgkorting

3.20.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man (gemiddeld) vierenhalve dag per twee weken omgang heeft met [kind_1]. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte: € 154,- per maand. Verder is gebleken dat de zorgregeling met [kind_2] per april 2022 is gestaakt. Hoewel de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij verwacht dat de omgang na de zomervakantie weer op gang zal komen, is de feitelijke situatie zo dat er op dit moment geen omgang plaatsvindt. Om deze reden past de rechtbank voor [kind_2] geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de man een kinderalimentatie van (€ 532 - € 154 =) € 378,- per maand voor [kind_1] en € 532,- per maand voor [kind_2] moet betalen. Indien de zorgregeling met [kind_2] weer op gang komt, kunnen partijen eenvoudig bepalen met welk bijpassend bedrag de bijdrage van de man moet worden verminderd.

indexering

3.21.

Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2022 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2022 met de wettelijke indexering van 1,9%.

‘partneralimentatie’

3.22.

Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor de kinderen moet betalen, kan de rechtbank berekenen of (en hoeverre) hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.

huwelijksgerelateerde behoefte

3.23.

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen: de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven.

3.24.

Voor de vaststelling van die behoefte sluit de rechtbank aan bij de in de (rechts)praktijk ontwikkelde Hofnorm. Daarbij wordt het NBGI van partijen toen zij nog bij elkaar waren als uitgangspunt genomen. Omdat [kind_1] en [kind_2] onderdeel uitmaakten van het huishouden van partijen, moet bij de vaststelling van de behoefte van partijen rekening worden gehouden met hun kosten: wat de ouders voor hun uitgaven was niet beschikbaar voor hun eigen lasten. Het idee daarachter is dat zij gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Omdat partijen na de scheiding meer geld nodig hebben omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden en zij de kosten niet meer kunnen delen, gaat de Hofnorm ervan uit dat de huwelijksgerelateerde behoefte 60% van het NBGI minus de kosten van [kind_1] en [kind_2].

3.25.

Volgens de man moet in dit geval niet worden aangesloten bij de Hofnorm nu partijen gedurende hun huwelijk hun vermogen gescheiden hielden en leefden van het geld dat zij op de gezamenlijke en/of rekening stortten. Dit zou ook blijken uit de akte van de huwelijksvoorwaarden (bijlage 14). Om die reden moet bij de bepaling van de behoefte de daadwerkelijk door hen gedane uitgaven aan de kosten van huishouding als uitgangspunt worden genomen. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.26.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man. Weliswaar blijkt uit de akte van de huwelijksvoorwaarden dat partijen met uitsluiting van de wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. Dat neemt niet weg dat zij daarin (ook) hebben afgesproken dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding naar evenredigheid van hun inkomen zouden worden voldaan. De rechtbank leidt daaruit af dat de man gelet op zijn (hogere) inkomen een groter aandeel voor zijn rekening nam dan de vrouw. Hierdoor raakte de vrouw gewend aan de welstand die het NBGI gedurende hun huwelijk bood.8 Kortom: de man heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat partijen hun inkomens volledig gescheiden hielden.

3.27.

Hiervoor is overwogen dat het NGBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan € 4.937,- per maand bedroeg. Voor partijen resteerde na aftrek van de kosten voor [kind_1] en [kind_2] € 3.793,- per maand.9 Volgens de Hofnorm leidt dat tot een behoefte van € 2.276,- netto per maand. Door wettelijke indexering bedroeg de behoefte € 2.451,- per maand in 2021.

behoeftigheid

3.28.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf het voormelde bedrag te verdienen. Als de vrouw daar niet of slechts gedeeltelijk toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.

3.29.

Net als bij de berekening van kinderalimentatie, neemt de rechtbank bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw haar huidige inkomen als uitgangspunt. Uit de aangehechte berekening blijkt dat de vrouw een NBI heeft van € 1.440,- per maand. De door de vrouw te dragen kosten voor [kind_1] en [kind_2] bedragen € 167,- per maand (zie hiervoor onder 3.19) Dat bedrag is lager dan het KGB dat de vrouw ontvangt, zodat zij haar gehele inkomsten ter beschikking heeft om (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Daarmee resteert een aanvullende behoefte van (€ 2.451 - € 1.440 =) € 1.011,- netto per maand. Dit bedrag komt (rekening houdend met een afbouwende algemene heffingskorting en de belaste bijdrage ZVW) neer op € 1.951,- bruto per maand.

draagkracht man

3.30.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank – net als bij de berekening van kinderalimentatie – met een winst uit onderneming van € 46.570,- en een inkomen in box 3 van € 28.904,-. Zijn NBI voor partneralimentatie bedraagt € 4.779,- per maand.10

3.31.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welke noodzakelijke kosten de man moet betalen: het ‘draagkrachtloos inkomen’. Bij de bepaling van dit inkomen is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.079,- per maand minus de daarin begrepen wooncomponent van € 114,- en van de volgende, door de vrouw niet betwiste lasten:

  1. de hypotheekrente van € 227,- per jaar;

  2. het eigenwoningforfait van € 1.550,- per jaar;

  3. de totale premie zorgverzekering van € 117,-, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW van € 34,- per maand, en

  4. het eigen risico van € 885,- per jaar.

3.32.

Van het NBI van de man blijft dan na aftrek van het totale draagkrachtloos inkomen € 3.543,- netto per maand over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak 60% beschikbaar voor alimentatie: € 2.126,- netto per maand. De man betaalt een bijdrage voor [kind_1] en [kind_2] van (in totaal) € 910,- per maand. Deze bijdrage vermindert zijn draagkracht zodat € 1.216,- netto per maand beschikbaar is voor partneralimentatie. De partneralimentatie die de man betaalt mag hij echter als aftrekpost opvoeren in zijn belastingaangifte. Daardoor betaalt hij minder belasting en dat belastingvoordeel telt de rechtbank op bij zijn netto draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op € 1.933,- bruto per maand. De man dient gelet op de aanvullende behoefte van de vrouw dit gehele bedrag als partneralimentatie aan haar te voldoen.

indexering

3.33.

Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2022 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2022 met de wettelijke indexering van 1,9%.

uitvoerbaar bij voorraad

3.34.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de partneralimentatie betaald moet worden, ook al wordt tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

proceskosten

3.35.

Partijen moeten hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan en beslist dat de man per 1 november 2021:

  1. een kinderalimentatie voor [kind_1] en [kind_2] van € 378,- en € 532,- per maand en

  2. een partneralimentatie van € 1.933,- bruto per maand

aan de vrouw moet betalen, steeds vóór de eerste van de maand;

4.2.

beslist dat deze bijdragen op basis van de wettelijke indexering per 1 januari 2022 € 385,- per maand voor [kind_1], € 542,- per maand voor [kind_2] en € 1.970,- per maand voor de vrouw bedragen;

4.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

beslist dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen, en

4.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit is de beslissing van rechter mr. J.B. de Groot, tot stand gekomen in samenwerking met mr. N. Kum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2022 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlage 1: berekening behoefte

Bijlage 2: berekening draagkracht man

Bijlage 3: berekening draagkracht vrouw

1 HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422 en 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689.

2 Artikel 1:402 BW

3 Artikel 1:400 lid 2 BW

4 Zie bijlage 1

5 Artikel 1:397 lid 2 BW

6 Zie bijlage 2

7 Zie bijlage 3

8 ECLI:NL:GHARL:2022:6028

9 Zie bijlage 1

10 Zie bijlage 2