Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:3595

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
01/008965-22
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van de destijds tweejarige dochter van zijn partner door hevig geweld op haar uit te oefenen. Hierdoor heeft het slachtoffer twee gebroken dijbenen en een gebroken scheenbeen opgelopen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 28 maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk deel zijn de bijzondere voorwaarden van meldplicht en ambulante behandeling verbonden.

De vordering van het slachtoffer als benadeelde partij wordt toegewezen. De vordering van de vader van het slachtoffer als benadeelde partij voor geleden shockschade wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01.008965.22

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 juli 2022.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij of omstreeks 26 december 2020 te Loosbroek, althans in Nederland, aan een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, genaamd [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] 2018,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht te weten – gebroken linkerdijbeen (nabij de knie) en/of gebroken rechterdijbeen (nabij de knie) en/of gebroken rechter scheenbeen (nabij de knie), immers heeft hij, verdachte, meerdere malen, althans eenmaal,

- met een (zwaar) voorwerp met kracht op het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] geslagen en/of

- met (volle) kracht tegen het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] geschopt/getrapt en/of

- met (volle) kracht het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gebogen vanuit de lengterichting en/of

- met (volle) kracht die [slachtoffer] aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] getrokken en (hierbij) met het (volle) gewicht aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gehangen en/of

- met (volle) kracht bij een been/de beentjes die [slachtoffer] vastgepakt en/of opgetild en/of

- een gewelddadige handeling verricht tegen die [slachtoffer]

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij of omstreeks 26 december 2020 te Loosbroek, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] ,
geboren [geboortedatum slachtoffer] 2018, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meerdere malen, althans eenmaal, met een (zwaar) voorwerp met kracht op het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, met (volle) kracht tegen het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, met (volle) kracht het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] heeft gebogen vanuit de lengterichting en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, met (volle) kracht die [slachtoffer] aan het/de be(e)n(en) van die die [slachtoffer] heeft getrokken en (hierbij) met het (volle) gewicht aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gehangen en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, met (volle) kracht bij een been/de beentjes die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of opgetild en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, een gewelddadige handeling heeft verricht tegen die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] 2018, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, , heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen, althans eenmaal
- met een (zwaar) voorwerp met kracht op het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] geslagen en/of
- met (volle) kracht tegen het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] geschopt/getrapt en/of
- met (volle) kracht het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gebogen vanuit de lengterichting en/of
- met (volle) kracht die [slachtoffer] aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] getrokken en (hierbij) met het (volle) gewicht aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gehangen en/of
- met (volle) kracht bij een been/de beentjes die [slachtoffer] vastgepakt en/of opgetild en/of
- een gewelddadige handeling verricht tegen die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

Inleiding.

Op 27 december 2020 is bij de districtsrecherche van ‘s-Hertogenbosch een melding van een vertrouwensarts van Veilig Thuis over kindermishandeling binnengekomen, inhoudende dat [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] 2018 was opgenomen in het Bernhoven ziekenhuis in Uden met drie botbreuken rondom haar beide knieën. Er is een onderzoek gestart naar de oorzaak van het letsel. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt verdachte kort gezegd verweten dat hij op 26 december 2020 in Loosbroek [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair). Indien dit niet bewezen kan worden, is subsidiair ten laste gelegd dat verdachte geprobeerd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij [slachtoffer] (subsidiair). Meer subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld (meer subsidiair).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde zware mishandeling van [slachtoffer] op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, heeft de rechtbank acht geslagen op de hieronder uitgewerkte redengevende bewijsmiddelen die haar uit het onderhavige procesdossier zijn gebleken, te weten:

De bewijsmiddelen.

een proces-verbaal van aangifte van [vader slachtoffer] , dossierpagina’s 121-125, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik doe aangifte van zware mishandeling van mijn dochter, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2018. Deze heeft plaatsgevonden in de gemeente Loosbroek tussen vrijdag 25 december 2020 om 12:00 uur en 26 december 2020 om 17:00 uur.

een geschrift, te weten advies betreffende casus 20201226-E01 van Stichting LECK, opgemaakt d.d. 26 december 2020, dossierpagina’s 510-517, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

[p. 513] Er is sprake van een dwarse distale femurfractuur beiderzijds met enige impressie en een mediale torusfractuur van de proximale tibia rechts.
Dit is een zeer ongebruikelijke combinatie van fracturen. Er moet sprake zijn geweest van een forse krachtsinwerking met axiale belasting op beide benen. (zoals bij een sprong van hoogte met hard neerkomen op de hielen). Mogelijk kan ook hyperextensie een dergelijke combinatie van fracturen veroorzaken (gedacht kan worden aan geforceerd overstrekken met kracht op de knieën of geforceerd verluieren met kracht op knieën en voeten). [p. 515] Rekening houdend met de (ontwikkelings-)leeftijd van dit kind en de combinatie van huidletsels in het hoofdhalsgebied en multipele ongebruikelijke fracturen van distale femur beiderzijds en proximale tibia rechts, komen we tot de volgende conclusie voor de letselduiding/medische bevindingen: dit letsel is waarschijnlijker onder de hypothese niet-accidentele oorzaak dan onder de hypothese accidentele oorzaak.

een geschrift, te weten medisch-forensisch onderzoek naar aanleiding van letsel bij minderjarig meisje, opgemaakt d.d. 30 december 2021, dossierpagina’s 521-532, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

[p. 527] Bij [slachtoffer] werden op 26 december 2020 de volgende letsels vastgesteld:

- Een botbreuk van het linker dijbeen, nabij de knie;

- Een botbreuk van het rechter dijbeen, nabij de knie;

- Een botbreuk van het rechter scheenbeen, nabij de knie;

- Een onderhuidse bloeduitstorting op de linker wang;

- Een oppervlakkige huidbeschadiging rechts in de hals. […]

Bij [slachtoffer] zijn op 26 december 2020 drie botbreuken bij de knieën geconstateerd: Eén in beide dijbenen en één in het rechter scheenbeen. De breuken in de bovenbenen betroffen dwarse breuken, die niet door het gehele bot liepen en waarbij in elk geval de voorzijden aangedaan waren. De breuk in het rechter scheenbeen betrof een breuk waarbij het botvlies rondom het bot nog intact was. Voor het ontstaan van botbreuken aan een groot pijpbeen, zoals in het dijbeen, is tamelijk veel krachtsinwerking vereist. Een dwarse botbreuk van de schacht, dus met een breuklijn min of meer loodrecht verlopend op de lengte-as van het bot,

ontstaat door combinatie van buig- en trekkracht op het bot. Het kan zowel door direct stomp inwerkende kracht als door indirect inwerkende kracht ontstaan. Een breuk kan ontstaan bij een voorval in een accidenteel kader (val of ongeval) of bij een voorval in een niet-accidenteel kader (toegebracht letsel). Een mogelijk accidentele directe krachtsinwerking betreft bijvoorbeeld een val van hoogte waarbij het kind met het been op een object valt. Verder kan een breuk in het bovenbeen ontstaan als een voorwerp het bovenbeen treft met veel energieoverdracht (bijvoorbeeld een zwaar voorwerp dat van enige hoogte op een bovenbeen valt of bij verkeersongelukken). Een mogelijke accidentele indirecte krachtsinwerking betreft bijvoorbeeld een val van significante hoogte waarbij het kind op de knie landt. [p. 528] Een mogelijk niet-accidentele directe krachtsinwerking betreft bijvoorbeeld een harde slag of trap tegen het been. Een voorbeeld van een niet-accidentele indirecte krachtsinwerking is het hardhandig manipuleren van het been (bijvoorbeeld met kracht buigen van het been vanuit de lengterichting) of waarbij het kind aan het been van een bank of bed wordt getrokken en met het gewicht aan het been hangt.

Op een contactplaats kan bijvoorbeeld onderhuidse bloeduitstorting, huidkneuzing of

schaafletsel zichtbaar zijn. Echter, bij jonge kinderen is geregeld geen uitwendig

letsel zichtbaar. Door verzorgers normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen bij een kind met normale botsterkte, kan worden uitgesloten als oorzaak voor een dergelijke breuk.

In het geval van [slachtoffer] lijkt de combinatie van de 3 botbreuken het gevolg te zijn van impressie (kracht in de lengterichting van de benen), zoals kan ontstaan bij een sprong van hoogte met hard neerkomen op de hielen. Een andere mogelijke verklaring vormt zogenaamde hyperextensie, waarbij de benen volledig gestrekt worden met krachtige overstrekking, wat bijvoorbeeld beschreven is bij geforceerd kracht uitoefenen op de benen tijdens verschonen. [p. 529] Gezien het feit dat sprake is van 3 bijeen gelegen botbreuken acht ik deze combinatie van botbreuken iets waarschijnlijker onder een niet-accidentele dan onder een accidentele krachtsinwerking.

een geschrift, te weten een bericht van de forensisch arts de heer [forensisch arts] aan de officier van justitie, dossierpagina 728 voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op theoretische gronden is de normale anatomische stand van de drie botbreuken reden

voor de beschreven mogelijkheid van (aanvankelijk) weinig klachten en zelfs enig

functioneel gebruik. Ik kan daarom niet uitsluiten dat er (nadat de pijnklachten bij het

ontstaan van de breuk door de opgetreden krachtsinwerking weggetrokken zijn) enige

loopbewegingen kunnen zijn gemaakt zonder ogenschijnlijk veel pijnklachten of

bewegingsbeperking. Het ogenschijnlijk moeiteloos en/of pijnloos beklimmen van een

trap acht ik echter vrijwel uitgesloten, omdat het (op welke wijze dan ook) beklimmen

van een trap krachten in verschillende richtingen op de benen tot gevolg heeft waarbij

beweging tussen gebroken botdelen en (pijnlijke) krachten op de botvliezen zullen

optreden.

een proces-verbaal van verhoor getuige [moeder slachtoffer] , wonende te Loosbroek, opgemaakt d.d. 05 januari 2021, dossierpagina’s 405-430, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

[p.408] V: Hoe is de nacht van de eerste op tweede kerstdag verlopen?

A: Stil. Ze heeft goed doorgeslapen en we hebben ook echt lang uitgeslapen. Volgens mij zijn we rond 10.00 of 10.15 wakker geworden.

[p. 410] A: […] Ik weet nog wel dan [slachtoffer] naast mij op het kleed stond. Op dat moment leek er nog niets aan de hand omdat [slachtoffer] gewoon kon staan.

V: En toen?

A: […]. ik heb toen de deur naar de gang open gezet en ik zei 'kom hup' en ze loopt dan zelf de trap op. Zoals een kind doet, met handen en voeten. ik loop dat achter haar. Ze is zelf haar slaapkamer opgelopen en ik doe dan haar slaapzakje aan.

[p. 412] V: Is het gebruikelijk dat [slachtoffer] zelf op de bank klimt/ van de bank klimt?

A: Ja. Dat kan ze zelf. Dat kan ze al heel lang.

V: Hoe laat bracht je haar toen naar bed?

A: ik meen best vroeg, ik dacht 12.30 of 13.00 uur maar toen ik terug keek op de camera was het toch rond 13.30 uur.

V: Hoe was [slachtoffer] toen je haar in bed legde?

A: Gewoon rustig.

[p. 413] V: Hoe laat ga je naar de winkel?

A: Ja, ik denk rond een uur of 13.30 of 13.45 rond die tijd.

Ik ben daarna verder boodschappen gaan doen en toen heeft ie nog een keer geappt hoe ver ik was, ik heb toen een foto gestuurd van de zelfscanner dat ik bijna klaar was. […] [verdachte] belde toen dat [slachtoffer] wakker was en hij vroeg waar ik was. Ik dacht dat is vroeg. [verdachte] vroeg of hij haar uit bed mocht halen. Ik zei dat dat goed was omdat ik er met 10 minuten was. Tussentijds heeft hij ook nog een keer gebeld maar ik weet niet waarvoor. Dat was toen ik onderweg was van de supermarkt naar huis. Dat was een boodschapachtige vraag, Ik dacht ik ben zo thuis, kan dat niet even wachten. ik vond het een onbelangrijk iets.

[p. 415]

Foto 21: […] Het lijkt het moment dat [verdachte] [slachtoffer] terug op bed legt. Ik heb het idee door de manier hoe [verdachte] staat dat hij [slachtoffer] terug op bed legt. Het zal dan rond 14.45 uur zijn geweest.

Foto 22: Hoe dan ook tweede kerstdag maar ik denk dat deze foto is rond het tijdstip dat ik haar op bed heb gelegd om de huisartsenpost te hangen (de rechtbank begrijpt: bellen). Dat denk ik door de manier hoe ze in mijn armen hangt. Normaal laat ze zich niet zo hangen. Het is een bepaald gevoel wat ik heb. Gewoon hoe haar beentjes hangen. Die laat ze normaal niet zo slap hangen. Normaal is ze heel actief en druk. Het is net als op de bank dat ik vroeg of ze bij mama kwam liggen maar ze verroerde zich niet. Normaal slaat ze haar beentjes meer om mij heen. […]

Net als op foto 21 daar hangt ze ook een beetje slap in [verdachte] zijn armen. Dat is niet iets voor [slachtoffer] om te doen. Vooral foto 21 valt wel op hoe ze daar hangt.

[p. 416] V: Hoe laat was je thuis van het boodschappen doen?

A: Ergens rond 14.45 uur denk ik.

V: Hoe weet je dat het zo laat was?

A: Omdat ergens om en nabij iets over 14.30 belde [verdachte] mij en het is ongeveer 10 minuten rijden van Veghel naar mij thuis. Toen [verdachte] mij belde heb ik wel op de klok gekeken omdat ik verbaasd was dat [slachtoffer] al wakker was. Die lag er nog niet zo lang in want die moet ik weleens om 16.30 uur wakker maken.

[p.418] Vanaf het moment dat ze uit haar bed kwam is ze blijven jammeren. [verdachte] en [persoon] zijn aan tafel gaan zitten. Ik heb [slachtoffer] opgetild en wilde naar het speelkleed lopen met haar. Ik probeer haar op de grond te zetten en ze zakt gewoon weg en begint kei hard te huilen.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 10 januari 2021, dossierpagina’s 144-146, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1]

[p. 145] Nadat ik deze afbeelding had gezien ben ik, verbalisant [verbalisant 1] , de camerabeelden van de Jumbo aan de Verlengde Noordkade 14 te Veghel gaan bekijken. Ik zag dat op d.d. 26-12-2020 te 13:48:25 uur [moeder slachtoffer] door de klappoortjes de Jumbo in liep.

een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 29 december 2020, dossierpagina’s 128-136, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2]

[p. 128] Op dinsdag 29 december 2020 bekeek ik (…) de telefoon van [moeder slachtoffer] . Specifiek keek ik naar de screenshots gemaakt door de babyfoon. [p. 134] Filmpje 2: 14:36:19 [bestandsnaam 1]

ik zie een man de kamer binnen komen. ik zie dat deze man is gekleed in een t-shirt en lange broek. […] Ik zie dat de man een kindje uit het ledikant pakt en met dit kindje, zittend op zijn rechterarm, de kamer uit loopt. Einde van het filmpje is om 14:36:34 uur. Filmpje 3: 14:48:03 [bestandsnaam 2]

Te zien is dat de man uit filmpje 2, in dezelfde kleding, de kamer binnen komt gelopen met een kindje zittend op zijn rechterarm. Te zien is dat hij dit kindje in het ledikant legt en direct de kamer weer verlaat. Hierna verspringt de tijd naar 14:51:29 uur en komt er een vrouw de kamer ingelopen.

een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 18 januari 2022, dossierpagina’s 42-54, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

[p. 49] A: Toen heb ik [moeder slachtoffer] gebeld en gevraagd hoe ver ze was want [slachtoffer] huilt. Zij stond bij de kassa en ze kwam naar huis. Dat is van de Jumbo in Nistelrode naar Loosbroek 7 minuten tot 10 minuten max. Ik heb [slachtoffer] uit bed gehaald.

[…] Ik […] dacht dan leg ik haar terug in bed in de hoop dat ze weer in slaap valt. En meteen op het moment dat ik de gang in loop en de trap oploop komt [moeder slachtoffer] thuis.

De bewijsoverwegingen.

Het vastgestelde letsel.

Bij [slachtoffer] werd op 26 december 2020 door deskundigen vastgesteld dat zij een botbreuk had van het linker dijbeen, nabij de knie, een botbreuk van het rechter dijbeen, nabij de knie en een botbreuk van het rechter scheenbeen, ook nabij de knie. In het rechter scheenbeen ging het om een zogenaamde twijgbreuk, waarbij het botvlies rondom het bot nog intact was. De breuken in de bovenbenen van [slachtoffer] betroffen dwarse breuken. Dit is volgens de deskundige een zeer ongebruikelijke combinatie van fracturen.

Wanneer is het letsel ontstaan?

De moeder van [slachtoffer] , [moeder slachtoffer] , heeft verklaard dat [slachtoffer] in de ochtend van 26 december 2020 nog kon lopen en staan. [moeder slachtoffer] heeft tevens verklaard dat [slachtoffer] zelf nog de trap is opgelopen toen [moeder slachtoffer] haar in bed ging leggen voor haar middagdutje. Daarna is [moeder slachtoffer] boodschappen gaan doen. Uit de camerabeelden van de Jumbo in Veghel is gebleken dat [moeder slachtoffer] om 13:48 door de poortjes naar binnen gaat. Uit de bewegingscamera die op de kamer van [slachtoffer] staat, blijkt dat [moeder slachtoffer] om 14:51 weer thuis is en [slachtoffer] uit bed haalt. In het tijdsbestek dat [moeder slachtoffer] boodschappen is gaan doen is verdachte alleen geweest met [slachtoffer] . Toen [moeder slachtoffer] thuis kwam, lag [slachtoffer] in bed en heeft ze haar uit haar bedje gehaald. [slachtoffer] was aan het huilen en bleef sindsdien ook huilen. Op een later moment probeerde [moeder slachtoffer] [slachtoffer] op de grond te zetten. [slachtoffer] zakte daarop in elkaar op de grond en begon nog harder te huilen. Toen is [moeder slachtoffer] met haar naar de huisartsenpost gegaan. De deskundige dr. [forensisch arts] heeft verklaard dat het vrijwel onmogelijk is dat [slachtoffer] met dit letsel nog een trap zou hebben opgelopen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het letsel is ontstaan gedurende de periode dat [moeder slachtoffer] boodschappen is gaan doen en verdachte alleen was met [slachtoffer] .

De waarschijnlijkheid van de oorzaak van de letsels.

Over de waarschijnlijkheid van de mogelijke toedracht van de letsels aan beide bovenbenen en scheenbeen concludeert de deskundige van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling als volgt.

Rekening houdend met de (ontwikkelings-)leeftijd van dit kind en de combinatie van huidletsels in het hoofdhalsgebied en multipele ongebruikelijke fracturen van distale femur beiderzijds en proximale tibia rechts, komen we tot de volgende conclusie voor de letselduiding/medische bevindingen: dit letsel is waarschijnlijker onder de hypothese niet-accidentele oorzaak dan onder de hypothese accidentele oorzaak.”

Deze conclusie wordt bevestigd door de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat deze conclusies niet de kans weergeven dat een bepaalde hypothese waar is. Die kans hangt namelijk ook af van bijvoorbeeld overig bewijs. De conclusie van de deskundigen verwoordt slechts de bewijskracht van de resultaten ten aanzien van de gestelde hypothesen.

Tussenconclusie.

[slachtoffer] heeft op 26 december 2020 drie botbreuken in haar benen opgelopen. Dit letsel kan ontstaan zijn door een niet-accidentele oorzaak of een accidentele oorzaak. In beide scenario’s moet er sprake zijn geweest van een forse krachtsinwerking. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte op 26 december 2020 in ieder geval tussen 13:48 en omstreeks 14:51 uur zich als enige met [slachtoffer] in de woning heeft bevonden. Het letsel is in die periode ontstaan. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk geacht kan worden voor het toebrengen van het bij [slachtoffer] vastgestelde zwaar lichamelijk letsel.

Rol verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [slachtoffer] ernstig en zeer ongebruikelijk letsel heeft opgelopen op 26 december 2020 toen zij alleen met verdachte in huis was. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij haar letsel heeft toegebracht. Hij geeft aan in het duister te tasten over wat er is gebeurd.

Volgens de deskundigen moet het letsel zijn ontstaan door een forse krachtsinwerking, bijvoorbeeld, in het geval van een ongeluk, door een val van hoge hoogte, of door het vallen van een zwaar voorwerp op de benen van [slachtoffer] . Een dergelijke forse krachtsinwerking en het daardoor ontstaan van pijnlijk letsel bij een peuter moet naar het oordeel van de rechtbank gehoord zijn of anderszins opgemerkt zijn door de verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de verklaring van verdachte een scenario van een ongeluk niet aannemelijk geworden.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de uitingen van verdachte op dit punt zeer wisselend zijn. Toen [moeder slachtoffer] thuis kwam van boodschappen doen, heeft hij haar niets verteld over dat er mogelijk iets gebeurd was of dat hij iets gehoord had. Hij zou [slachtoffer] uit bedje hebben gehaald omdat ze huilde en binnen een kwartier weer terug in bedje hebben opgelegd omdat ze maar bleef huilen en ze mogelijk nog wat moest slapen. Toen [slachtoffer] later die middag bleef huilen en [moeder slachtoffer] vroeg of er iets gebeurd was, ontkende hij dat en later heeft hij dat in een appje herhaald. Hij had niets gezien of gemerkt, [slachtoffer] was nog naar het kleed gelopen. Later op de avond, wanneer steeds meer bekend wordt over het letsel bij [slachtoffer] , zegt verdachte dat hij haar daarna toch niet meer heeft zien staan en meldt hij in zijn berichten wel een harde klap te hebben gehoord in de kamer van [slachtoffer] toen ze wakker werd. Deze verklaring bevestigt verdachte als hij, nog als getuige, bij de politie wordt gehoord op 27 december 2020. Toen verdachte in januari van dit jaar werd gehoord als verdachte verklaarde hij dat [slachtoffer] ging huilen toen ze op de grond naast de bank lag. Verdachte verklaarde toen dat hij [slachtoffer] van de bank heeft horen vallen. Ook qua details over het wel of niet dragen van een slaapzak, het verschonen en het wel of niet meteen naar beneden lopen heeft verdachte wisselend verklaard. Verder vindt de rechtbank het opvallend dat verdachte de huilende [slachtoffer] op bed legde terwijl hij de moeder van [slachtoffer] op de oprit zag.

De rechtbank stelt vast dat er geen ongevalsscenario is dat past bij het letsel van [slachtoffer] . Dat verdachte zijn verklaringen steeds heeft gewijzigd en aangepast, duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat hij redenen heeft om iets te verzwijgen, namelijk dat hij het letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] . Hierin ligt tevens besloten dat hij opzet had op het toebrengen van dat letsel. Omdat het slachtoffertje niet zelf kan verklaren, blijft de exacte toedracht onbekend en zal de rechtbank uitgaan van wat de deskundigen hebben vermeld in hun rapporten.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 26 december 2020 te Loosbroek, een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, genaamd [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] 2018, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht te weten – gebroken linkerdijbeen (nabij de knie) en gebroken rechterdijbeen (nabij de knie) en gebroken rechter scheenbeen (nabij de knie), immers heeft hij, verdachte, meerdere malen, althans eenmaal,

- met een (zwaar) voorwerp met kracht op het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] geslagen en/of

- met (volle) kracht tegen het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] geschopt/getrapt en/of

- met (volle) kracht het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gebogen vanuit de lengterichting en/of

- met (volle) kracht die [slachtoffer] aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] getrokken en (hierbij) met het (volle) gewicht aan het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gehangen en/of

- met (volle) kracht bij een been/de beentjes die [slachtoffer] vastgepakt en/of opgetild en/of

- een gewelddadige handeling verricht tegen die [slachtoffer] .

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    met aan dit voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd in het rapport d.d. 04 augustus 2022.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd nu is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van de destijds slechts

2-jarige dochter van zijn partner, [slachtoffer] , door hevig geweld op haar uit te oefenen. Hierdoor heeft [slachtoffer] twee gebroken dijbenen en een gebroken scheenbeen opgelopen. [slachtoffer] was een weerloos kind, wiens zorg in de handen van verdachte was gelegd. Hij woonde sinds een aantal maanden met de moeder van [slachtoffer] samen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van en is ernstig tekortgeschoten in het vertrouwen dat de ouders van [slachtoffer] in hem hebben gelegd door hem alleen met hun 2-jarige dochter te laten. Verdachte heeft tot op heden geen verklaring gegeven voor het letsel. De ouders van [slachtoffer] , en zeker ook [slachtoffer] zelf, zullen zich altijd blijven afvragen wat verdachte precies gedaan heeft bij [slachtoffer] op 26 december 2020.

De reclassering heeft op 04 augustus 2022 een rapport omtrent de persoon van verdachte uitgebracht. Vanwege de ontkennende proceshouding van verdachte kan de reclassering geen gedegen advies uitbrengen. Bij een eventuele veroordeling adviseren zij bijzondere voorwaarden op te leggen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en vergelijkbare rechterlijke uitspraken.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, namelijk 8 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht een proeftijd van drie jaren passend. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte bij vonnis van 5 maart 2021 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens het begaan van misdrijven tegen een kind (van een voormalig partner) in 2018. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen omtrent de persoon van de verdachte in relatie tot minderjarigen. Dat voornoemd vonnis nog niet onherroepelijk is, doet hieraan niet af.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van 2.500,00 euro aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van [slachtoffer] kan worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt daarom 2.500,00 euro plus de wettelijke rente toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met het oog op de betoogde vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, nu geen sprake is van blijvend letsel.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Vast staat dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor ook op andere wijze in haar persoon is aangetast. Haar jonge leeftijd en de ernst van de mishandeling rechtvaardigen de toewijzing van het gevorderde. Dat er geen blijvend letsel is doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van 2.500,00 euro aan affectieschade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van [vader slachtoffer] kan worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt daarom 2.500,00 euro plus de wettelijke rente toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met het oog op de betoogde vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er in onderhavige zaak geen sprake is van shockschade. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de situatie zoals [vader slachtoffer] zijn dochter [slachtoffer] heeft aangetroffen in het ziekenhuis niet een situatie is die zoals door de Hoge Raad wordt bedoeld voor toewijzing van een vordering tot shockschade.

Beoordeling.

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat het aantreffen van [slachtoffer] in het ziekenhuis door de benadeelde partij – hoe traumatiserend ook – niet een situatie is die zich leent voor toewijzing van een vordering tot shockschade. Het is vaste jurisprudentie dat slechts gevallen waarbij sprake is van een hevige emotionele schok door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan zich laten lenen voor toewijzing van de vordering. Hoewel benadeelde partij [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft aangetroffen met haar letsel, is dit volgens vaste jurisprudentie niet een van de situaties die zich laten lenen voor toewijzing van de vordering. Evenmin is sprake van een situatie waarin affectieschade kan worden gevorderd.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

zware mishandeling, terwijl het feit wordt begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. feit 1 primair:

een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. En stelt als bijzondere voorwaarden:

- veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275, 5037 PD Tilburg. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- veroordeelde laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien de behandelaar en de reclassering het nodig achten werkt betrokkene mee aan diagnostiek.

- veroordeelde zal op geen enkele wijze- direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2018, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen.

t.a.v. feit 1 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.500,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 35 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

t.a.v. feit 1 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 2.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

t.a.v. feit 1 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader slachtoffer] af.

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Geboers, griffier,

en is uitgesproken op 31 augustus 2022.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ‘s-Hertogenbosch, onderzoeksnummer OB1R020167, onderzoek Tilamook. Aantal doorgenummerde pagina’s: 892.