Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:3433

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
19-08-2022
Zaaknummer
C/01/381495 / JE RK 22-643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moeder is niet-ontvankelijk in haar primaire en haar subsidiaire verzoek in de zin van artikel 1:262b BW, omdat de rechtbank van oordeel is dat de geschillen die de moeder wil voorleggen vallen onder gedragingen van de GI jegens de moeder in de zin van artikel 4.2.1. van de Jeugdwet. Dit betekent dat de geschillenregeling van artikel 1:262b BW niet open staat.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 262b
Jeugdwet 4.2.1
Jeugdwet 4.2.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/01/381495 / JE RK 22-643

Datum uitspraak: 9 augustus 2022

Beschikking van de meervoudige kamer op basis van de geschillenregeling

in de zaak van

[naam moeder] ,

wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. Sent,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [land] ,

advocaat: mr. mr. H.P. Scheer,

de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

statutair gevestigd te Eindhoven, locatie Helmond.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 22 april 2022, ingekomen bij de griffie op 22 april 2022;

- een brief met bijlage van de GI van 7 juni 2022.

1.2.

Op 28 juni 2022 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door mr. Sent en de vader, bijgestaan door mr. Scheer. Daarnaast zijn mevrouw [naam] en mevrouw [naam] namens de GI verschenen.

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad van [maand] 2009 tot [maand] 2011. [minderjarige] is uit die relatie geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Het gezag over [minderjarige] berust bij de vader.

2.2.

[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan in de periode van [dag en maand] 2014 tot [dag en maand] 2016. Bij beschikking van 30 juli 2020 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, zijnde tot 30 juli 2021. Tevens is bij die beschikking machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Die maatregelen duren nog steeds voort en lopen tot

30 juli 2023.

2.3.

De moeder heeft twee dochters uit eerdere relaties, [dochter A] en [dochter B] . [minderjarige] woont bij de moeder en zijn halfzussen.

2.4.

In de procedure tussen de ouders met zaaknummer 341968 / FA RK 19-30 heeft de rechtbank bij beschikking van 28 december 2021 het verzoek van de moeder om samen met de vader te worden belast met het gezag over [minderjarige] afgewezen. Verder heeft de rechtbank de voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader die zij had vastgesteld bij beschikking van 16 oktober 2020 gewijzigd en in plaats daarvan heeft de rechtbank de volgende omgangsregeling vastgesteld:

[minderjarige] verblijft ten minste eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vader, welk contact onder regie van de GI dient te worden uitgebreid met – ter keuze van de GI – één of een combinatie van de volgende opties:

  • -

    het contactweekend in tijdsduur te verlengen door dit bijvoorbeeld eerder dan vrijdag 18:00 te laten aanvangen of na de zondagavond langer te laten duren;

  • -

    het contact niet gedurende een weekend per veertien dagen te laten plaatsvinden, maar gedurende drie weekenden per vier weken;

  • -

    rondom de schooltijden en schooldagen van [minderjarige] contact bij de vader te laten plaatsvinden op twee doordeweekse dagen met één of twee overnachtingen;

  • -

    extra contactmomenten met één of meerdere overnachtingen te laten plaatsvinden gedurende vakanties en feestdagen;

  • -

    enige andere door de GI passend en mogelijk geachte uitbreiding van de contacten.

Iedere verdere beslissing op de in die procedure nog voorliggende verzoeken over de omgang en het gewijzigd verzoek van de vader tot afgifte van [minderjarige] heeft de rechtbank aangehouden.

2.5.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 28 december 2021. De procedure in hoger beroep loopt nog.

2.6.

Sinds half december 2021 wordt aan de voorlopige omgangsregeling die de rechtbank heeft vastgesteld bij de hiervoor genoemde beschikking van 16 oktober 2020 en dus ook aan de daarna gewezen beschikking van 28 december 2021, waarin is bepaald dat de omgang moet worden uitgebreid, geen uitvoering gegeven. [minderjarige] en de vader hebben tweemaal per week digitaal contact met elkaar tijdens welke contacten zij samen gamen.

2.7.

Bij beschikking van heden in de zaak met zaaknummer 341968 / FA RK 19-30 heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot contact met elkaar eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de rechtbank bepaalt dat naar deze omgangsregeling wordt toegewerkt door, in de eerste fase, de contacten tussen [minderjarige] en de vader te laten begeleiden door [instelling] , en waarbij de rechtbank bepaalt dat zodra [minderjarige] weer naar de vader gaat voor de omgang, de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terug brengt naar de moeder, tenzij de ouders hierover in onderling overleg andersluidende afspraken maken. Het verzoek van de vader tot afgifte van [minderjarige] heeft de rechtbank afgewezen, nadat de vader dat verzoek bij de mondelinge behandeling van 28 juni 2022 heeft ingetrokken.

3 Het verzoek

3.1.

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te bepalen dat:

Primair

I. de gezinsvoogd de op 7 maart 2022 gemaakte afspraken nakomt en de rechtbank en/of het hof informeert dat de huidige gezagssituatie redelijkerwijs niet in het belang van [minderjarige] kan worden geacht, naar zowel rechtbank als hof;

Subsidiair

II. per direct een andere GI/gezinsvoogd te benoemen die geheel zelfstandig functioneert en opnieuw beoordeelt aan de hand van de thuissituatie gecombineerd met de juridische situatie wat er in het belang van [minderjarige] geadviseerd moet worden;

Meer subsidiair

III. dan wel een beslissing neemt in goede justitie te bepalen in het belang van het kind, gezien de huidige ontwikkelingsbedreiging.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de rechtbank kan een beslissing worden gevraagd als de GI en een ouder van mening verschillen over de manier waarop de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd. De rechtbank neemt dan een beslissing in het belang van het kind (artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

4.2.

Uit het verzoekschrift is de rechtbank niet duidelijk geworden welk geschil de moeder met haar primaire verzoek exact aan de rechtbank heeft willen voorleggen. Op vragen van de rechtbank heeft de advocaat van de moeder dit bij de mondelinge behandeling toegelicht. De rechtbank begrijpt die toelichting aldus dat het geschil dat de moeder primair wil voorleggen is dat de GI bij de mondelinge behandeling op 16 november 2021 in de procedure tussen de ouders met zaaknummer 341968 / FA RK 19-30 een bepaalde uitlating heeft gedaan – namelijk dat de moeder op dat moment in de visie van de GI niet mede het gezag over [minderjarige] zou moeten krijgen – en dat de GI die uitlating daarna niet naar de wens van de moeder heeft aangepast, terwijl dat volgens de moeder tijdens een gesprek op 7 maart 2022 wel is

afgesproken. De moeder vindt dat de GI die afspraken moet nakomen.

4.3.

Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het primaire verzoek, moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of het verzoek valt binnen de reikwijdte van artikel 1:262b BW en of de moeder dus ontvankelijk is in haar verzoek. Artikel 1:262b BW bepaalt namelijk dat “gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet” zijn uitgezonderd.

4.4.

De in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet (Jw) genoemde gedragingen van, voor zover hier

van belang, de GI jegens de in dat artikel genoemde personen, waaronder de ouder zonder

gezag, kunnen aan de klachtencommissie worden voorgelegd. Alhoewel er geen exacte

scheidslijn is tussen wat onder een gedraging in de zin van artikel 4.2.1 Jw valt waarover

kan worden geklaagd en wat dus niet in het kader van de geschillenregeling van artikel

1:262b BW aan de kinderrechter kan worden voorgelegd, is in de parlementaire

geschiedenis bezien in samenhang met het klachtbegrip uit de Jeugdwet wel een

aanknopingspunt voor de beantwoording van de in 4.3. geformuleerde vraag te vinden. In de

toelichting bij artikel 1:262b BW (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 015, E, p. 14)

staat:


‘In dit artikel is per amendement in een geschillenregeling voorzien. Welke typen geschillen betreft dit artikel of kan dit artikel betreffen? Ik denk dat met name pleegouders gebruik zullen maken van de regeling, bij overplaatsingen van hun pleegkind binnen één jaar en geschillen tussen bureau jeugdzorg en de pleegouders over een (gewijzigde) omgangsregeling tussen ouders en kind. Verder zouden geschillen tussen ouders en bureau jeugdzorg over de (bijgestelde) doelen waarin in het kader van de ondertoezichtstelling moet worden voldaan, kunnen worden voorgelegd.’

en

‘Gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling is het mogelijk dat er tussen ouders, kinderen, pleegouders of zorgaanbieders verschillen van mening ontstaan over de aanpak van de problemen. Soms lukt het niet om die problemen op te lossen en verschillen van mening in goed overleg te overbruggen, hetgeen als gevolg heeft dat het conflict een goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen in de weg staat en de behartiging van de belangen van de minderjarigen kan belemmeren. Om deze reden wordt voorgesteld om een geschillenregeling in te voeren naar analogie van de regeling zoals deze nu bestaat voor de ouders met gezag om een geschil over de uitoefening van het gezag voor te leggen aan de kinderrechter (artikel 253a). Krachtens de nieuwe regeling krijgen het Bureau Jeugdzorg, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de ouders met gezag, de pleegouders en de zorgaanbieder waar het kind verblijft de mogelijkheid om geschillen voor te leggen aan de kinderrechter. Het betreft een verzoekschriftprocedure (met verplichte procesvertegenwoordiging) waardoor een drempel wordt ingebouwd en niet ieder klein geschil aan de kinderrechter zal worden voorgelegd. Advocaten kunnen een zeeffunctie vervullen bij geschillen en oplossingen aanreiken waardoor een gang naar de rechter niet meer nodig is.

Van de geschillenregeling zijn geschillen rondom gedragingen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder b, van de Wet op de jeugdzorg uitgesloten. Over deze gedragingen kan op grond van hoofdstuk XII van de Wet op de jeugdzorg een klacht worden ingediend bij een klachtencommissie. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 015, nr. 38).’

4.5.

De parlementaire geschiedenis op de Jeugdwet omschrijft het klachtbegrip als volgt (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 684, nr. 3, p. 169):

‘Klachten kunnen betrekking hebben op gedragingen van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling of van personen van wie deze zich bedienen, jegens de jeugdige of ouder. Onder gedragingen vallen ook het nalaten en het expliciet innemen van standpunten of het nemen van beslissingen.’

4.6.

Uit de verwijzing naar de rechtsbescherming voor pleegouders, de gelegde parallel met artikel 1:253a BW, het feit dat verplichte procesvertegenwoordiging is ingesteld en het benoemen van een ‘zeeffunctie’ volgt dat de wetgever niet heeft beoogd ieder geschil onder de geschillenregeling te brengen als daarvoor een alternatief open staat. Nu de Jeugdwet onder gedragingen expliciet noemt het innemen van standpunten, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een gedraging van de GI jegens de moeder in de zin van artikel 4.2.1 Jw Dit betekent dat de geschillenregeling niet openstaat en dat moeder in haar primaire verzoek niet-ontvankelijk is.

4.7.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de moeder.

4.8.

Ook hier moet de rechtbank eerst beoordelen of de moeder gezien de reikwijdte van artikel 1:262b BW ontvankelijk is in haar verzoek. Uit de toelichting van de moeder bij de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank dat de moeder heeft bedoeld te verzoeken de gezinsvoogdijwerker te vervangen en niet zozeer vervanging van de GI te vragen. De rechtbank is van oordeel dat de moeder ook in dit verzoek niet-ontvankelijk is.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat de kinderrechter op grond van de wet niet de bevoegdheid heeft om de gezinsvoogdijwerker, een natuurlijk persoon, te vervangen. Die bevoegdheid had de kinderrechter wel onder de oude wetgeving van vóór 1 november 1995. Die bevoegdheid is vervallen met de inwerkingtreding op 1 november 1995 van de Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255. De reden hiervoor is dat met de inwerkingtreding van die wet niet langer de gezinsvoogdijwerker als natuurlijk persoon verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, maar de gezinsvoogdij-instelling, inmiddels onder de huidige wetgeving genaamd de gecertificeerde instelling (de GI). Volgens het systeem van de wet bepaalt de GI of een gezinsvoogdijwerker moet worden vervangen of niet. De rechtbank heeft op grond van de wet alleen via de weg van artikel 1:259 BW de bevoegdheid om de gecertificeerde instelling te vervangen door een andere gecertificeerde instelling.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat de geschillenregeling evenmin gevolgd kan worden om te bewerkstelligen dat een gezinsvoogdijwerker wordt vervangen. Noch uit de tekst van artikel 1:262b BW noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de oude bevoegdheid van de kinderrechter om een gezinsvoogdijwerker te vervangen heeft willen laten terugkeren in de huidige wetgeving. De moeder voert aan dat het aanwijzen van een gezinsvoogdijmedewerker de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft en dat volgens de definitie van artikel 1:262b BW een geschil omtrent de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de rechtbank kan worden voorgelegd. Daarbij ziet de moeder naar het oordeel van de rechtbank over het hoofd dat niet ieder geschil over de uitvoering van de ondertoezichtstelling onder de reikwijdte van artikel 1:262b BW valt. Geschillen omtrent gedragingen in de zin van artikel 4.2.1 Jw zijn namelijk uitgezonderd van de reikwijdte van artikel 1:262b BW. Een gedraging in de zin van artikel 4.2.1 Jw omvat mede een gedraging betreffende de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit volgt uit artikel 4.2.1 Jw inhoudende dat de gecertificeerde instelling een regeling treft voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder, ouder zonder gezag, voogd, degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefent of een pleegouder in het kader van de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

4.11.

Het enkele feit dat een geschil de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft, betekent dus nog niet dat het onder de reikwijde van de geschillenregeling valt.

4.12.

Artikel 4.2.2 lid 3 Besluit Jeugdwet bepaalt dat de GI een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker kan aanwijzen. De GI kan dit doen op verzoek dan wel ambtshalve. Formeel behoort de moeder als ouder zonder gezag niet tot de kring van verzoekers genoemd in dit artikellid. De moeder kan echter wel de GI vragen gebruik te maken van haar ambtshalve bevoegdheid om een andere gezinsvoogdijwerker aan te wijzen.

Volgens de moeder lukt het haar niet om bij de GI iemand te spreken te krijgen. De advocaat van de moeder zegt meerdere malen te hebben geprobeerd de regiomanager te spreken te krijgen, maar dat dit niet lukt. De moeder weet niet wat zij moet doen en waar zij met haar klacht naartoe moet.

4.13.

Als de GI, nadat de moeder daar om heeft gevraagd, ervoor kiest om niet ambtshalve een andere gezinsvoogdijwerker aan te wijzen, kan de moeder – ook als ouder zonder gezag – hierover een klacht indienen bij de klachtencommissie van de GI. De rechtbank is namelijk, gelet op wat hiervoor is overwogen over wat valt onder gedragingen in de zin van artikel 4.2.1 Jw, van oordeel dat het voorbijgaan aan een vraag van de moeder om een andere gezinsvoogdijwerker aan te wijzen, kan worden gezien als een gedraging jegens de moeder over de uitvoering van de ondertoezichtstelling in de zin van dat artikel. Voor die gedragingen geldt dat deze buiten de reikwijdte van artikel 1:262b BW vallen.

4.14.

De rechtbank verklaart de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar subsidiaire verzoek.

4.15.

Het meer subsidiaire verzoek van de moeder is dermate onbepaald en algemeen gesteld dat de rechtbank ook niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dat verzoek.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar primaire en subsidiaire verzoek;

5.2.

wijst het meer subsidiaire verzoek af;

5.3.

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door S.M.J. Korthuis-Becks (voorzitter), mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. G. Aarts, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2022.

MKa