Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:3396

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2022
Datum publicatie
12-08-2022
Zaaknummer
21/117
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Laden en lossen en bezoekers van een motoren bedrijf

De zaak gaat over de geluidsoverlast van bewoners vanwege een motorenbedrijf in de buurt en de vraag of verweerder daar iets aan moet doen. Volgens de rechtbank is het organiseren van recreatieve activiteiten op het terrein van het bedrijf in strijd met de bestemming. Het bedrijf kan niets worden verweten ten aanzien het geluid van motoren op de openbare weg buiten de inrichting. Het is vast komen te staan dat het piekgeluid door optrekkende motoren op het terrein van het bedrijf hoger is dan de grenswaarde in 2.17, eerste lid van het Abm. De rechtbank beschouwt het bezoek van klanten op motoren op het terrein van het bedrijf niet als het laden of lossen van goederen of daaraan verwante activiteit met uitzondering van het wegreden op een net gekochte of gerepareerde motor. In de uitspraak geeft de rechtbank nog een aantal oplossingsrichtingen zoals het via een maatwerkvoorschrift schrappen van de uitzondering voor laden en lossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2022/379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/117


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2022 in de zaak tussen


Wijkvereniging De Herven, uit 's-Hertogenbosch, eiseres

(gemachtigden: [naam] en [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch (verweerder)

(gemachtigden: mr. R. Visser en mr. A. Exterkate).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] (verder: [naam] ) uit Eindhoven (vergunninghouder).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving van eiseres vanwege geluidsoverlast die bewoners in de wijk ‘De Herven’ ervaren vanwege [naam] .

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 augustus 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 december 2020 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, vergezeld door [naam] en de gemachtigden van verweerder. [naam] is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

1. Deze zaak gaat over de gevolgen van de exploitatie van een motorenzaak voor de omgeving en de vraag of verweerder daar iets aan moet doen. De rechtbank zet eerst de feiten op een rij en vervolgens de standpunten van partijen. Daarna beantwoordt de rechtbank drie vragen:

  • -

    Wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan?

  • -

    Wordt gehandeld in strijd met het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm)?

  • -

    Hoe kan verweerder geluidsoverlast van het bedrijf zelf of vanwege het bedrijf (indirecte hinder) reguleren en controleren (ofwel, hoe los je dit op)?

De tekst van de toepasselijke regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten

 Sinds maart 2020 is aan de [adres] [naam] gevestigd. De vestiging is onderdeel van het bedrijfsverzamelgebouw. Voorin zit een showroom, achter een werkplaats. Het bedrijf heeft twee in- en uitritten aan de [straat] . Deze straat sluit direct aan op de [straat] . Meerdere bedrijven worden ontsloten via de [straat]

 Op het terrein van het bedrijf liggen ook parkeerplaatsen die deel uitmaken van de inrichting. Verder is er een achter terrein.

 Op de gronden van het bedrijf geldt het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Treurenburg, Maaspoort, Haambakenwetering, Brabantpoort, De Brand, De Herven’(verder: het bestemmingsplan). De gronden hebben de bestemming ‘bedrijventerrein’ met de aanduiding ‘bedrijf van categorie 3.1’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel abc’.

 Aan de overzijde van de Hervensebaan ligt een woonwijk ‘De Herven’. De bewoners zijn verenigd in de wijkvereniging (eiseres).

 Bij brief van 13 juli 2020 heeft eiseres aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen [naam] in verband met het veroorzaken van geluidsoverlast voor omwonenden aan de Hervensebaan en omgeving.

 Het bureau Cauberg Huygen heeft in opdracht van verweerder op 5 november 2020 een akoestisch rapport opgemaakt. Op 16 maart 2021 (na het bestreden besluit) heeft dit bureau een aanvullende memo uitgebracht. Op 13 oktober 2021 is nog een rapport uitgebracht. Hierin wordt aangegeven dat er (in 2021) ongeveer 27 motoren per uur komen. Op basis van geluidmetingen stelt het bureau vast dat de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ruimschoots in acht worden genomen. Er worden wel piekgeluiden in de dagperiode waargenomen die leiden tot een geluidsbelasting van meer dan 70 dB(A) op meetpunten in de woonwijk. Het heersend verkeersbeeld op de Hervensebaan ligt al op een etmaalwaarde van 60 dB(A) op woningen in de woonwijk. De wegrijdende motoren die rijden over de Hervensebaan leiden soms tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met 5 dB(A).

 Een vereniging van motorrijders organiseert ritten waarbij de deelnemers zich verzamelen op het terrein van [naam] .

Standpunten van partijen

3.1

Eiseres wil dat verweerder optreedt tegen de directe en indirecte geluidshinder die wordt veroorzaakt door [naam] en noemt daarbij een aantal vermoedelijke oorzaken.

Op het parkeerterrein bij het bedrijf verzamelen zich regelmatig -en met name in de weekeinden en op zon- en feestdagen- groepen motorrijders.

 Er komen klanten bij de showroom van [naam] met motoren waarvan de uitlaat is aangepast (en dat leidt tot meer geluidsoverlast).

 Er worden na reparaties door werknemers van [naam] ritten gemaakt op illegaal aangepaste motoren.

 Er worden proefritten gemaakt door klanten van [naam] op motoren.

 Dit vindt soms ook plaats in de avond na 19.00 uur.

In beroep heeft eiseres een rapport overgelegd van Erik Roelofsen van bureau de Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG) met kritiek op het rapport van Cauberg Huygen.

3.2

Verweerder is van mening dat het bedrijf handelt volgens het bestemmingsplan. Volgens verweerder is het geluid van de motoren van klanten uitgezonderd in het Abm en kan het Abm ook geen grondslag bieden om op te treden tegen het verkeer van motoren op de Hervensebaan.

Is het gebruik in strijd met het bestemmingsplan?

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het bedrijf verantwoordelijk is voor wat er gebeurt op haar terrein. Dat betekent dat het bedrijf dus ook verantwoordelijk is voor bijeenkomsten van de motorrijders vereniging als die plaatsvinden op het terrein van het bedrijf. Het bedrijf kan dit immers gewoon verbieden.

4.2

De showroom en de werkplaats van het bedrijf zijn volgens de rechtbank in overeenstemming met het bestemmingsplan. Hetzelfde bestemmingsplan laat ook de detailhandel in motoren toe. Het is wat onduidelijker of het bestemmingsplan ook detailhandel in aanverwante artikelen toelaat. De verkoop van losse onderdelen van motoren is volgens de rechtbank onder een gelijke noemer te scharen als de detailhandel in motoren zelf. De verkoop van aanverwante artikelen (bijvoorbeeld kleding of een motorhelm) is volgens de rechtbank verboden. De rechtbank wijst er hierbij op dat er een algemeen verbod is op detailhandel op het bedrijventerrein en dat alleen een uitzondering wordt gemaakt voor de handel in motoren. Een dergelijke uitzondering moet beperkt worden uitgelegd. De rechtbank beseft dat het onderscheid niet altijd even makkelijk is te maken. Verweerder zal dit ter plekke moeten onderzoeken en moeten kijken wat er ter plekke allemaal te koop wordt aangeboden of wordt uitgestald. Ook de uitstalling ten behoeve van verkoop ter plaatse is detailhandel (zie artikel 1.29 van het bestemmingsplan).

4.3

Een recreatief medegebruik van het perceel is niet toegelaten binnen het bestemmingsplan. Het organiseren van bijeenkomsten door een motorrijders vereniging op het terrein van [naam] is in strijd met het bestemmingsplan. Ook het toelaten dat de vereniging bijeenkomsten organiseert op haar terrein, al is het om te verzamelen voor een rit op de motor, is in strijd met het bestemmingsplan. Vergunninghoudster mag dit dus niet toelaten. Ook als [naam] zelf recreatieve activiteiten organiseert, is dit niet toegelaten op grond van het bestemmingsplan zonder vergunning. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. Het bestreden besluit klopt op dit onderdeel niet. De beroepsgrond slaagt.

4.4

Ter zitting is gebleken dat verweerder ondertussen [naam] heeft aangemaand om het organiseren van bijeenkomsten op haar terrein te verbieden. Ter zitting is ook besproken of de vereniging dan bijeen mag komen op een openbare parkeerplaats. De rechtbank heeft aangegeven dat dit in beginsel is toegelaten tenzij de Algemene Plaatselijke Verordening van ’s-Hertogenbosch hier regels over bevat.

Is de geluidsbelasting vanwege motoren buiten het terrein van het bedrijf in strijd met het Abm?

5.1

Uit de rapportages van Cauberg Huygen en de klachten van omwonenden blijkt dat mensen veel last hebben van optrekkende motoren op de Hervensebaan. De Hervensebaan ligt buiten het terrein van het bedrijf en maakt geen onderdeel uit van de inrichting. Het is een openbare doorgaande weg waar ook auto’s of motoren rijden die niet naar het bedrijf van [naam] rijden maar gewoon door ‘s-Hertogenbosch rijden.

5.2

[naam] heeft een bijzondere zorgplicht op basis van artikel 2.1, tweede lid onder k, van het Abm om nadelige gevolgen zoals geluidsoverlast door het verkeer van personen van en naar haar bedrijf te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er staat geen harde norm in het Abm zoals een grenswaarde voor de geluidsbelasting vanwege het verkeer op de openbare weg buiten de inrichting (het terrein van het bedrijf). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste jurisprudentie1 van de Afdeling de gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar een bedrijf niet daaraan worden toegerekend, als dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. [naam] kan er niets aan doen als op de Hervensebaan hard wordt opgetrokken met alle geluidsoverlast van dien. Zij kan alleen haar klanten vragen om rekening te houden met de woonwijk aan de overzijde van de Hervensebaan. Als een klant zich hier niets van aantrekt, kan [naam] op dat moment er ook niets aan doen, want het is aan het bevoegd gezag (de politie) om op te treden tegen overtredingen op de openbare weg. [naam] pleegt hier op dit moment geen overtreding van de op haar rustende zorgplicht.

Is de geluidsbelasting vanwege motoren op het terrein van het bedrijf in strijd met het Abm?

6.1

Er zijn drie vormen van motorengeluid op het terrein van het bedrijf:

 geluid veroorzaakt door motoren die worden bereden door werknemers van het bedrijf,

 geluid veroorzaakt door motoren die worden gebruikt voor proefritten en

 geluid veroorzaakt door motoren van mensen die het bedrijf van [naam] bezoeken en daar eventueel iets kopen.

6.2

In artikel 2.17, eerste lid onder a, van het Abm zijn grenswaarden voor het maximale geluidniveau geplaatst (ofwel, waarden die niet mogen worden overschreden door plotselinge geluiden). In artikel 2.17, eerste lid onder b, van het Abm is bepaald dat deze waarden niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten. In de toelichting op het Abm is aangegeven dat onder de laad- en losactiviteiten ook aanverwante activiteiten worden verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.

6.3

Proefritten door werknemers of door klanten zijn géén laad- en losactiviteiten. Kenmerk van deze ritten is dat ze onvermijdelijk altijd weer terugkomen op het terrein van het bedrijf. De grenswaarden voor het maximale geluidniveau gelden zonder meer voor deze motorritten, voor zover deze ritten plaatsvinden op het terrein van het bedrijf.

6.4

Verder wijst de rechtbank er op dat de uitzondering voor laden en lossen alleen geldt tussen 07:00 en 19:00 uur. In artikel 2.18, derde lid onder c, van het Abm is weliswaar een uitzondering gemaakt voor de avond- en de nachtperiode maar verweerder heeft niet onderzocht of het bezoek na 19:00 uur plaatsvindt dan wel beperkt blijft tot één voertuigbeweging. Eiseres heeft dit wel gesteld dus verweerder had hiernaar moeten kijken. De rechtbank gaat er van uit dat in de nachtperiode geen activiteiten plaatsvinden.

6.5

Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag of de geluiden van motoren van klanten als ‘laad- en losactiviteiten’ zijn te beschouwen. Verweerder baseert zich op de advisering van Cauberg Huygen. Dat bureau wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 december 20032 over verkeersbewegingen die aanverwant zijn aan laden en lossen. Als een klant iets koopt, zou het als ‘laden’ kunnen worden beschouwd, als hij of zij niets koopt, dan moet het geluid van de motor van de klant op het terrein van het bedrijf voldoen aan de grenswaarde.

6.5

Ook de rechtbank heeft nagedacht over de vraag of het geluid van de motoren van klanten valt onder de uitzondering in artikel 2.17, eerste lid onder b, van het Abm. Het is een uitzondering dus dit artikel moet beperkt worden uitgelegd. De rechtbank heeft hierover geen latere rechtspraak van de Afdeling gevonden dan de door verweerder genoemde uitspraak, vermoedelijk omdat het bezoekersverkeer van en naar een inrichting nooit meer geluid maakt dan de grenswaarde in het Abm. Wat hier verder ook van zij, de rechtbank beschouwt het bezoek van klanten op motoren op het terrein van het bedrijf niet als het laden of lossen van goederen of daaraan verwante activiteit. De uitzondering in het Abm betreft laden en lossen in eigenlijke zin (het daadwerkelijk en bedrijfsmatig laden of lossen). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het kopen en verkopen en repareren van motoren is te beschouwen als de bedrijfsmatige kernactiviteit van het bedrijf. Alleen als een klant wegrijdt op een net gekochte of gerepareerde motor of als een klant een motor aflevert ter reparatie, zou dit als ‘laden en lossen’ in eigenlijke zin kunnen worden beschouwd. Het overige (een bezoekende klant die alleen maar gaat kijken naar een nieuwe motor, of een klant die een los onderdeeltje gaat kopen of alleen gaat kijken maar niets gaat kopen, beschouwt de rechtbank niet als ‘laden en lossen’ omdat met een dergelijke uitleg de uitzondering in artikel 2.17, eerste lid onder b, van het Abm veel te veel wordt opgerekt.

Hoe los je dit op?

7.1

Met het bovenstaande oordeel van de rechtbank schieten partijen maar weinig op. Verweerder kan ervoor kiezen om het bedrijf te sommeren de recreatieve activiteiten van het bedrijf zelf of van de motorvereniging te staken. Dit zal niet zonder meer kunnen voorkomen dat wijkbewoners geluidsoverlast door motoren van klanten van [naam] kunnen ervaren.

7.2

Op de zitting hebben de rechtbank en partijen gesproken over mogelijke oplossingen. De rechtbank zet hieronder de voor- en nadelen van enkele oplossingen op een rij. De rechtbank gaat in deze uitspraak verweerder niet opdragen om een bepaalde oplossing te kiezen, dat is aan verweerder zelf, zo mogelijk in overleg met het bedrijf en met eiseres.

 Artikel 2.1, derde lid van het Abm biedt de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift te stellen ter invulling van de zorgplicht op basis van artikel 2.1, tweede lid onder k, van het Abm. Verweerder zou ervoor kunnen kiezen om een grenswaarde voor de geluidsbelasting van motoren op de Hervensebaan op te nemen, maar het zal moeilijk zijn om een dergelijk voorschrift te handhaven. De Hervensebaan wordt ook gebruikt door ander verkeer. Bovendien blijft de vraag of [naam] kan worden verweten dat een onverlaat op de openbare weg te hard gaat rijden met veel geluidsoverlast.

 Artikel 2.20, vijfde lid van het Abm biedt verweerder de mogelijkheid om in een maatwerkvoorschrift gedragsvoorschriften op te nemen waarmee [naam] aan de geldende geluidsnormen kan voldoen. Dit biedt geen oplossing voor het verkeer op de Hervensebaan, waar geen harde geluidsnorm voor geldt waar [naam] aan moet voldoen. Deze bevoegdheid biedt wel mogelijkheden voor het geluid op het terrein van de inrichting zelf. [naam] kan langs die weg worden verplicht om haar werknemers en haar klanten te instrueren niet te hard op te trekken. Ook zou [naam] kunnen worden verplicht om proefritten uitsluitend op het achter terrein of op de [straat] te laten plaatsvinden. Hetzelfde artikel biedt ook de mogelijkheid voor technische maatregelen, zoals een verkeersdrempel in de opritten van het bedrijf al zal verweerder zich dan wel moeten afvragen of het bedrijf hier niet teveel door wordt belemmerd.

 Artikel 2.20, zesde lid van het Abm biedt verweerder de mogelijkheid om in een maatwerkvoorschrift grenswaarden voor het maximale geluidsniveau vast te stellen in afwijking van artikel 2.17 van het Abm. Door middel van deze bevoegdheid kan verweerder in afwijking van artikel 2.17 van het Abm bepalen dat de uitzondering voor laden en lossen niet van toepassing is op [naam] om zo iedere discussie te vermijden en handhavend optreden makkelijker te maken. Hierbij zal verweerder zich moeten afvragen in hoeverre een dergelijke verplichting evenredig is jegens [naam] en of [naam] kan beletten dat klanten te hard optrekken bij het wegrijden.

 Een laatste mogelijkheid die is genoemd door eiseres, staat niet in het Abm. Verweerder (dan wel de gemeenteraad) kan ook een verkeersbesluit nemen waardoor het wordt verboden om op de Hervensebaan rechtsaf te slaan rijdend vanuit de [straat] ter hoogte van [naam] . Ook hierbij zal de vraag moeten worden gesteld of dit evenredig is voor [naam] en de overige bedrijven aan de [straat] .

Conclusie en gevolgen

8.1

Het beroep is gegrond omdat verweerder in het bestreden besluit er ten onrechte van uit is gegaan dat alle activiteiten op het terrein passen in het bestemmingsplan en dat alle geluidsoverlast is uitgezonderd in het Abm. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De oplossing in deze zaak zit in het opleggen van maatwerkvoorschriften, in overleg met [naam] en omwonenden. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of verweerder in de gelegenheid te stellen om het bestreden besluit te verbeteren. Dit is geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor 16 weken, mede gelet op het feit dat het overleggen over en het opleggen van maatwerkvoorschriften enige tijd in beslag zou kunnen nemen.

8.2

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,- vanwege de notitie van [naam] en diens inspanningen voorafgaande en +deelname aan de zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het besluit van 3 december 2020;

 draagt verweerder op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

 bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 354,- aan eiseres moet vergoeden;

 veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Bestemmingsplan “Bedrijventerreinen (Treurenburg, Maaspoort, Hambakenwetering, Brabantpoort, De Brand, De Herven)

Artikel 1 Begrippen

1.29

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; een internetwinkel / postorderbedrijf wordt hier niet onder begrepen.

5.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.1': bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels als Bijlage 1 behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein;

b. t/m j. (..);

k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - abc': tevens detailhandel in auto's, boten, caravans, motoren, banden, (landbouw)werktuigen en machines;

l. t/m q. (…)

r. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

met inachtneming van het volgende:

s. t/m w. (..).

5.5

Specifieke gebruiksregels

a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming.

b. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van:

1. bedrijven, anders dan de bedrijven die zijn genoemd in artikel 5.1;

2. een seksinrichting;

3. horeca, anders dan bedoeld in artikel 5.1;

4. detailhandel, anders dan bedoeld in artikel 5.1;

5. kantoren, anders dan bedoeld in artikel 5.1;

6. bewoning, anders dan bedoeld in artikel 5.1.

c. Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gehandhaafd.

d. Gebruik van ruimten binnen een bedrijfswoning en in de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voorzover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. t/m 4. (..).

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 1.2

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

inrichting type B: een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en die geen inrichting type A is;

Afdeling 2.1 Zorgplicht

Artikel 2.1

1. Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

2. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a. t/m e. (..);

f. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder;

g. t/m j. (..);

k. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting;

l. t/m q. (..).

3. (..).

4. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste en derde lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft dan wel degene die loost, te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting dan wel het lozen, bedoeld in het derde lid, nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Artikel 2.17

1.Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a.de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel 2.17a

07:00–19:00 uur 19:00–23:00 uur 23:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige

Gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)

LAr,LT in- en aanpandige

gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige

Gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)

LAmax in- en aanpandige

gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)

b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;

c. de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

d. (..);

e. (..);

f. de waarden in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; en

g. de in tabel 2.17a aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

Artikel 2.18

4. De maximale geluidsniveaus (LAmax), bedoeld in artikel 2.17, 2.17a dan wel 2.20, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing ten aanzien van aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij laad- en losactiviteiten indien:

a. degene die de inrichting drijft aantoont dat het voor de betreffende inrichting in die periode geldende maximale geluidsniveau (LAmax), niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 meter van het motorvoertuig niet hoger is van 65dB(A).

Artikel 2.20

5. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

6. In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, Nota van Toelichting (Staatsblad 2007, nr. 415, pag 203)

Artikel 2.17

Eerste lid, onderdeel b

De waarden voor de maximale geluidsniveaus zijn in de dagperiode niet van toepassing op laad- en losactiviteiten. In de praktijk blijken overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden. Onder de laad- en losactiviteiten worden tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.

1 Zie de uitspraak van 24 december 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:4397

2 (ECLI:NL:RVS:2003:AO0877