Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:3330

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
378625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling gemeenschap (onroerende zaak) ex art. 3:178 jo 3:182 BW; verdeling/splitsing huisartsenpraktijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Team Handel

Zaaknummer : 378625

Datum : 3 augustus 2022

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. N.C. Ogg,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. E. Willemse.

Partijen zullen hierna worden genoemd “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Dit blijkt uit het volgende:

a. het door de sector Civiel Recht, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, tussen partijen gewezen vonnis in het incident van 2 maart 2022, waarbij de vordering tot verwijzing en voeging is afgewezen en in de hoofdzaak is bepaald dat de zaak op de rolzitting van 13 april 2022 zal komen voor het nemen van een conclusie van antwoord en, indien die conclusie van antwoord wordt genomen, een verschijning van partijen is bevolen voor mr. G.J. Roeterdink, in het gerechtsgebouw te Eindhoven, opdat de behandeling gelijktijdig zal kunnen plaatsvinden met de behandeling van het verzoekschrift in de procedure met zaaknummer 9478879 EJ 21-550 waarin eveneens vandaag uitspraak wordt gedaan;

b. de conclusie van antwoord, waarbij tevens een voorwaardelijke tegenvordering ("eis in reconventie") is ingediend;

c. het schriftelijk verweer tegen de voorwaardelijke tegenvordering;

d. de mondelinge behandeling van 21 april 2022 die tegelijk met de behandeling van voormeld verzoek met zaaknummer 9478879 van [gedaagde] tot het treffen van een beheersregeling heeft plaatsgevonden, waarbij partijen de standpunten nader hebben toegelicht, mr. Willemse mede aan de hand van spreekaantekeningen die zijn voorgedragen en overgelegd.

1.2

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde] en [eiser] zijn beide huisarts. Zij zijn thans ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de praktijkruimte aan [adres] in [woonplaats] (hierna: de praktijkruimte).

2.2

Partijen hebben vanaf januari 1986 samengewerkt in een (huisartsen) maatschap.

Zij hebben samen met de huisartsen [namen 1] de praktijkruimte gekocht. De praktijkruimte is op 31 december 1997 geleverd. Na de levering is de praktijkruimte in gezamenlijke opdracht verbouwd. Aan een zijde van de praktijkruimte heeft de maatschap van partijen haar intrek genomen, aan de andere zijde de maatschap van [namen 1] .

2.3

De verhouding tussen partijen is vanaf 2000 enorm verslechterd. Partijen hebben vanaf 2000 niet meer met elkaar gesproken.

2.4

In 2001 bleek er tussen partijen een onoverbrugbaar verschil van inzicht te bestaan over waarneming, wijze van communiceren, het onderhoud van de praktijkruimte, de verdeling van de ruimtes in de praktijkruimte, het onderhoud en de kosten enz. Coaching en bemiddeling hebben niet tot enige verbetering in de verhouding tussen partijen geleid.

2.5

De maatschap tussen partijen is op 31 december 2002 ontbonden. Het proces van de ontbinding van de maatschap is uiterst moeizaam verlopen. Een juridische procedure was noodzakelijk om tot afspraken te komen over de ontbinding van de maatschap.

De ruimtes in de praktijkruimte en de verdeling daarvan zijn buiten de afwikkeling van de maatschap gebleven.

2.6

Partijen hebben de communicatie over de praktijkruimte aan hun echtgenotes overgelaten.

2.7

Huisarts [huisarts 1] is overleden, huisarts [huisarts 2] heeft zijn praktijk beëindigd. Daarna werd het deel van de praktijkruimte dat door [namen 1] werd gebruikt door (de erven van) [namen 1] verhuurd aan de huisartsen [namen 2] .

2.8

Naast de praktijkruimte is in 2011 een tijdelijke noodbebouwing geplaatst die uitsluitend werd gebruikt door [gedaagde] , [namen 2] .

2.9

In 2016 is onder begeleiding van een advocaat getracht om tot afspraken te komen over het gezamenlijk gebruik van een aantal ruimtes in de praktijkruimte. Er is een overeenkomst opgesteld waarin onder meer afspraken zijn neergelegd over de verdeling van twee PO-ruimtes, de verdeling van de gezamenlijke gebruikskosten en de communicatie over de praktijkruimte. Partijen verschillen van mening over de vraag of zij aan die overeenkomst waren gebonden.

2.10

De echtgenote van [eiser] is in 2016 gaan optreden als beheerder van de praktijkruimte.

2.11

Begin 2020 hebben [namen 2] de huur van de praktijkruimte beëindigd en zijn zij daaruit vertrokken.

2.12

Vanaf dat moment zijn nieuwe onenigheden tussen partijen ontstaan over het leegstaande deel van de praktijkruimte en zijn de verhoudingen nog verder verslechterd.

2.13

In 2020 hebben partijen elk 50% van de praktijkruimte in eigendom verworven.

2.14

In 2020 en 2021 is opnieuw, maar weer zonder enig resultaat, getracht om door middel van mediation tot een regeling omtrent de verdeling, het gebruik en het onderhoud van de praktijkruimte te komen.

2.15

De echtgenote van [eiser] is van plan om medio 2022 haar taken als beheerder neer te leggen in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

2.16

[eiser] heeft architect [architect] en ingenieursbureau [ingenieur] (hierna: [ingenieur] ) de opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van splitsing van de praktijkruimte. [ingenieur] heeft daarover op 9 december 2021 een rapport uitgebracht.

3 Het geschil

in conventie (= m.b.t. de vorderingen van [eiser] ) :

3.1

[eiser] vordert:

  1. [gedaagde] te bevelen met hem over te gaan tot verdeling van de eigendom en derhalve tot splitsing van de praktijkruimte, op de wijze als beschreven op pagina 24 van het rapport van [ingenieur] (randnummer 21 dagvaarding) en ter bepaling van de rechtbank toewijzing van het linker dan wel het rechter deel van de praktijkruimte aan hem en het andere deel aan [gedaagde] en daarbij [gedaagde] te veroordelen om voor de helft bij te dragen in de (bouwkundige) kosten van de splitsing en verdeling, althans een splitsing en verdeling van de praktijkruimte tussen hem en [gedaagde] op de wijze als de rechtbank juist zal achten, een en ander ten overstaan van een notaris, met benoeming van deze notaris en een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) om [gedaagde] te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling en splitsing indien [gedaagde] onwillig is, met bevel aan [gedaagde] om, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij nalaat aan het bevel te voldoen, de benodigde medewerking te verlenen overeenkomstig dit vonnis;

  2. [gedaagde] te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 3.332,80 (de helft van € 6.665,59 voor de door hem ingeschakelde deskundige genoemd onder randnummer 24 van de dagvaarding) binnen twee weken na het wijzen van dit vonnis;

  3. [gedaagde] te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 3.942,15 in verband met de door hem gemaakte kosten van de reparatie van het dak (de helft van € 5.524,80 en € 2.359,50) binnen twee weken na het wijzen van dit vonnis;

  4. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen zoals precies omschreven in de dagvaarding

  5. het vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Partijen zijn beide eigenaar van de praktijkruimte, er is sprake van een eenvoudige gemeenschap. Hij wenst de splitsing en eigendomsverdeling van de praktijkruimte. Op grond van artikel 3:178 BW in samenhang met artikel 3:185 BW heeft hij als deelgenoot in de gemeenschap het recht te allen tijde verdeling van de praktijkruimte (een gemeenschappelijke zaak) te vorderen.

De relatie tussen partijen is bijzonder slecht. De praktijkruimte kent veel achterstallig onderhoud dat alleen in gezamenlijk overleg kan worden aangepakt. Tussen partijen is al meer dan twintig jaar geen sprake van gezamenlijk overleg. Het verschil van inzicht tussen partijen over een gezamenlijke aanpak van het achterstallig onderhoud van de praktijkruimte is onoverbrugbaar gebleken.

Hij is van plan op niet al te lange termijn zijn praktijk te verkopen. Hij wil de praktijkruimte in goede staat overdragen en een opvolger niet belasten met een onverdeelde eigendom en de daarmee samenhangende discussies.

Bovendien is het bij vervreemding van de praktijkruimte noodzakelijk dat een gedeelte als afzonderlijk te individualiseren zaak kan worden aangewezen. Het deel van de praktijkruimte dat aan hem toebehoort is nu echter niet aan te wijzen. Dat kan alleen als beide partijen hierover overeenstemming bereiken. Partijen zijn verdeeld over de vraag wie van hen welk gedeelte van de praktijkruimte kan gebruiken. Hij is niet gerechtigd om alleen een beschikkingshandeling tot verdeling te verrichten. De medewerking van de gezamenlijke deelgenoten is daartoe vereist (artikel 3:170 lid 3 BW). [gedaagde] is niet bereid zijn medewerking te verlenen.

Hij heeft recht op verdeling van de praktijkruimte. Dat zou slechts anders zijn indien de belangen van [gedaagde] aanmerkelijk groter zouden zijn dan zijn belangen. Dat is niet het geval. Beide partijen hebben belang bij een verdeling zodat er een einde komt aan alle discussies die partijen al meer dan twintig jaar verdeeld houden.

Hij heeft deskundigen ingeschakeld die diverse splitsingstekeningen en voorstellen hebben gemaakt en uitgewerkt. De kosten van die deskundigen bedroegen in totaal € 6.665,59. [gedaagde] dient de helft daarvan te dragen omdat die kosten zijn gemaakt om de mogelijkheden en de kosten van de verdeling en de splitsing te kunnen bepalen.

[gedaagde] dient ook bij te dragen in de kosten die met de splitsing samenhangen, zoals bouwkundige kosten en die van de notaris.

Indien [gedaagde] zijn medewerking aan de splitsing en verdeling, ondanks een veroordelend vonnis, blijft weigeren, vordert hij dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring, medewerking en handtekening van [gedaagde] ten aanzien van de splitsing en verdeling van de praktijkruimte bij de notaris op grond van artikel 3:300 lid 2 BW.

Hij heeft in 2012 voor eigen rekening de buitenkant van de praktijkruimte laten schilderen voor een bedrag van € 5.524,80. Daarnaast heeft hij in september 2021, tijdens de vakantie van [gedaagde] , een noodreparatie laten uitvoeren. Daarmee was een bedrag van € 2.359,50 gemoeid. Deze bedragen hebben ook ten gunste van [gedaagde] gestrekt, zodat hij de helft daarvan dient te betalen.

3.3

[gedaagde] voert het volgende verweer.

De vordering tot verdeling van de praktijkruimte moet worden afgewezen omdat die in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Zijn belangen bij het treffen van een beheersregeling zijn groter dan de belangen van [eiser] bij een splitsing van de praktijkruimte.

De kosten die met de splitsing gepaard gaan zijn aanzienlijk. Splitsing is niet noodzakelijk en leidt tot waardeverlies van de praktijkruimte. De praktijkruimte is gebouwd op functionaliteit. De voorzieningen zijn niet zo eenvoudig te splitsen.

[eiser] heeft hem op voorhand niet gekend in de kosten die nodig waren voor het voorstel tot splitsing. Hij is niet gehouden bij te dragen in die kosten.

Hij is bereid om de factuur van € 2.359,50 voor de noodreparatie voor de helft aan [eiser] te voldoen. De vordering die betrekking heeft op de werkzaamheden van de schilder aan de buitenkant van de praktijkruimte is verjaard. Bovendien zijn die werkzaamheden niet aan te merken als een noodreparatie.

in voorwaardelijke reconventie (= m.b.t. de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] ) :

3.4

[gedaagde] vordert, indien de rechtbank oordeelt dat de praktijkruimte tussen partijen

moet worden verdeeld, een andere wijze van verdeling.

Hij vordert in dat geval dat:

a. hij de praktijkruimte krijgt toebedeeld waarbij hij [eiser] uitkoopt.

Deze uitkoop kan plaatsvinden na een gezamenlijke taxatie van de praktijkruimte waarmee het bedrag van de uitkoop kan worden vastgesteld;

de kosten van de taxatie gelijkelijk door partijen moeten worden gedragen;

indien [eiser] zijn medewerking tot verdeling en uitkoop, ondanks een veroordelend vonnis, weigert, het door de rechtbank te wijzen vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring, medewerking en handtekening van [eiser] bij de notaris (artikel 3:300 lid 2 BW).

[gedaagde] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Bij een verdeling wenst hij de praktijkruimte toebedeeld te krijgen en [eiser] uit te kopen. Dat is een praktischer oplossing voor het door [eiser] gestelde conflict omdat partijen dan niet meer met elkaar hoeven te communiceren. Ook hoeven dan geen extra kosten te worden gemaakt zoals bij splitsing wel het geval is.

In conventie en in voorwaardelijke eis van reconventie vordert [gedaagde] de proceskosten als precies omschreven in de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie.

3.5

[eiser] voert, kort weergegeven, het volgende verweer.

De vorderingen van [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie moeten hem worden ontzegd, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie, de nakosten daaronder begrepen.

Hij houdt vast aan de verdeling en splitsing van de praktijkruimte. Indien de praktijkruimte geheel aan [gedaagde] zou worden toebedeeld komt hij met zijn huisartsenpraktijk in feite op straat te staan.

4 De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie :

4.1

De vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie worden vanwege hun nauwe samenhang gezamenlijk behandeld.

Kader

4.2

Partijen zijn beiden, ieder voor de helft, eigenaar van de praktijkruimte. De gemeenschap die tussen partijen bestaat is geen bijzondere gemeenschap als bedoeld in artikel 3:189 BW. Dat betekent dat in dit geval sprake is van een gemeenschap waarop slechts de bepalingen van afdeling 3.7.1. (artt. 3:166 – 188) BW van toepassing zijn.

Een deelgenoot in een eenvoudige gemeenschap kan niet over zijn onverdeeld aandeel in een gemeenschappelijk goed (in dit geval de praktijkruimte) beschikken zonder toestemming of medewerking van zijn mededeelgenoot.

Ieder van de deelgenoten kan te allen tijde de verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen (3:178 BW in verbinding met 3:185 BW).

Verdeling en splitsing

4.3.1

[eiser] vordert de verdeling van de gemeenschappelijke praktijkruimte in een bouwkundige en juridische/kadastrale splitsing van de praktijkruimte. Hij voert daartoe onder meer aan dat partijen al jaren lang in onmin met elkaar leven en zij er niet in slagen om in onderling overleg de praktijkruimte te gebruiken en te beheren. [gedaagde] weigert medewerking aan de verdeling en splitsing van de praktijkruimte te verlenen.

4.3.2

Voor de beoordeling van de vordering is het volgende van belang.

Partijen praten al meer dan 20 jaar niet met elkaar hoewel zij beiden (inmiddels ieder voor de helft) eigenaar van de praktijkruimte zijn en daarvan voor hun werk als huisarts gebruik maken. Partijen zijn in het verleden niet in staat gebleken om op zakelijke wijze overleg te voeren over, voor zover hier van belang, het gebruik en het onderhoud van de praktijkruimte.

Mediation en tussenkomst van derden heeft daarin geen, althans onvoldoende, verandering gebracht.

Dat [gedaagde] ook de mening is toegedaan dat er een oplossing voor de ontstane situatie nodig is volgt ook uit randnummer 37 van de conclusie van antwoord/voorwaardelijke eis in reconventie. In de visie van [gedaagde] weigert [eiser] om met hem in overleg te treden en is het volgens hem logisch dat partijen geen werkbare oplossing kunnen vinden zolang zij de dialoog niet kunnen aangaan.

Het lukt partijen niet, ook niet met hulp van derden, overleg te voeren over het gebruik en het onderhoud van de praktijkruimte.

In 2016 is weliswaar een beheersregeling tot stand gekomen, maar daar was de tussenkomst van een advocaat voor nodig. Nadat die beheersregeling tot stand leek te zijn gekomen, heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij zich daaraan niet gebonden achtte. Wat er ook van die beheersregeling uit 2016 zij, daaraan is door het vertrek van de huisartsen [namen 2] in ieder geval een einde gekomen.

Het opleggen van een nieuwe beheersregeling zoals door [gedaagde] in de procedure bij de kantonrechter is verzocht (zaaknummer 9478879 21-550) ligt nu niet voor de hand. De echtgenote van [eiser] heeft in 2016 de taak van beheerder op zich genomen. Zij heeft het voornemen die taak dit jaar neer te leggen in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Een nieuwe beheerder vinden zal, gelet op de slechte verhoudingen tussen partijen, moeilijk en tijdrovend zijn. Bovendien is het zeer de vraag of beide partijen zich allebei zullen kunnen vinden in een nieuwe beheerder. Als er al een voor beide partijen aanvaardbare beheerder kan worden gevonden, zal daar waarschijnlijk enige tijd mee zijn gemoeid. Tijd die er in verband met de slechte staat van onderhoud van de praktijkruimte en de noodzaak van reparaties niet is. Tussen partijen is niet in geschil dat met name het dak van de praktijkruimte dringend onderhoud nodig heeft.

4.3.3

Uit het onderzoek van de architect en het rapport van [ingenieur] waartoe [eiser] opdracht heeft gegeven, blijkt dat een verdeling van de gemeenschappelijke praktijkruimte in een bouwkundige en juridisch/kadastrale splitsing eenvoudig kan worden gerealiseerd zonder dat daarvoor een aanzienlijke investering noodzakelijk is. Een splitsing heeft als voordeel dat partijen geen overleg (meer) met elkaar hoeven te voeren over het gebruik en het beheer (onderhoud) van hun eigen afgesplitste deel van de praktijkruimte. Weliswaar vergt een splitsing een beperkte investering, maar het voordeel van een splitsing weegt naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots op tegen de kosten die deze splitsing met zich brengt.

Dat partijen geen overleg meer hoeven te voeren over de praktijkruimte zal ongetwijfeld rust brengen en een einde maken aan de incidenten en onmin over het gebruik en het onderhoud van de praktijkruimte. [eiser] en [gedaagde] kunnen na de splitsing, ieder naar eigen inzicht, hun zelfstandige deel van de praktijkruimte gebruiken en het achterstallig onderhoud daarvan aanpakken.

Zowel [eiser] (geboren op [geboortedatum] 1954) als [gedaagde] (geboren op [geboortedatum] 1956) hebben een leeftijd bereikt waarop het overdragen van hun praktijk in beeld komt. Het overdragen van de eigen huisartsenpraktijk en het verkopen van de eigen praktijkruimte zal na de splitsing voor beide partijen eenvoudiger zijn dan voor de splitsing, al was het maar omdat geen toestemming van een deelgenoot is vereist voor de verkoop van de praktijkruimte.

Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat de praktijkruimte als gevolg van de verdeling en splitsing in waarde zal verminderen, heeft hij dat niet onderbouwd, zodat aan dat verweer voorbij wordt gegaan.

De conclusie is dat de vordering tot verdeling en splitsing van de praktijkruimte wordt toegewezen waarbij zowel [eiser] als [gedaagde] ieder voor de helft moeten bijdragen in de bouwkundige kosten van de splitsing en verdeling.

4.4

Een verdeling en splitsing als beschreven op bladzijde 24 van het rapport van [ingenieur] (productie 20 bij dagvaarding) ten overstaan van een notaris zal worden bevolen waarbij aan [eiser] de linkerzijde en aan [gedaagde] de rechterzijde van de praktijkruimte wordt toegewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat de waarde van de linker- en rechterzijde ongeveer gelijk is en er daarom geen sprake is van overbedeling.

Voor de vordering om een onzijdig persoon te benoemen als bedoeld in artikel 3:181 BW bestaat geen grond omdat aan het bevel tot medewerking een dwangsom wordt verbonden

(zie onder 4.5).

Dwangsom

4.5

De vordering tot bevel aan [gedaagde] om de benodigde medewerking te verlenen overeenkomstig dit vonnis op straffe van een dwangsom wordt toegewezen. De dwangsom wordt wel aan een maximum gebonden.

Toebedeling aan [gedaagde]

4.6

De (voorwaardelijke) tegenvordering van [gedaagde] om de praktijkruimte op een andere wijze te verdelen, namelijk toebedeling van de (gehele) praktijkruimte aan hem, wordt afgewezen.

[eiser] is nog steeds als huisarts werkzaam en hij maakt daarvoor gebruik van een deel van de praktijkruimte. Indien de praktijkruimte volledig aan [gedaagde] zou worden toebedeeld, zal [eiser] gedwongen zijn zijn praktijk te verplaatsen. Daarmee is het belang van [eiser] , zijn medewerkers en zijn patiënten niet gediend.

Omdat deze tegenvordering wordt afgewezen behoeven de (voorwaardelijke) vorderingen zoals die onder c. en d. zijn geformuleerd (c. de taxatie van de praktijkruimte en d. het vonnis in plaats van wilsverklaring en medewerking van [eiser] ) geen bespreking meer.

Facturen onderhoud praktijkruimte

4.7.1

De vordering van [eiser] voor zover die ziet op de factuur van € 5.524,80 uit 2012 voor schilderwerk aan de buitenkant van de praktijkruimte wordt afgewezen. Deze vordering is verjaard. [gedaagde] heeft daar terecht een beroep op gedaan.

4.7.2

[gedaagde] is bereid de helft van de factuur van € 2.359,50 inclusief btw die betrekking heeft op een noodreparatie uit september 2021 te voldoen. Deze vordering die ziet op de betaling van de helft van deze factuur wordt daarom tot een bedrag van € 1.179,75 toegewezen.

Factuur [ingenieur] en architect

4.8

De vordering van [eiser] die ziet op de door hem betaalde kosten voor de deskundigen die door hem zijn ingeschakeld om de splitsingstekeningen en voorstellen te maken wordt afgewezen.

Een deelgenoot die uit eigen middelen uitgaven ten behoeve van de gemeenschap doet heeft in beginsel een regresvordering op de andere deelgenoten voor het aangaande deel, maar dat gaat hier niet op. [eiser] heeft [gedaagde] laten vragen om in gesprek te gaan over een bouwkundige en kadastrale splitsing van de praktijkruimte. [gedaagde] heeft daar negatief op gereageerd. Dat heeft [eiser] er vervolgens niet van weerhouden om, zonder [gedaagde] daarin te kennen, de deskundigen in te schakelen. [eiser] heeft [gedaagde] geen toestemming gevraagd om deze deskundigen een opdracht te geven en kosten te maken. Dat had [eiser] wel behoren te doen. In het geval [gedaagde] was blijven volharden in zijn weigering, had [eiser] een juridische procedure aanhangig kunnen maken om een deskundige te laten benoemen die advies had kunnen uitbrengen over de verdeling en splitsing van de praktijkruimte. [gedaagde] zou dan in de gelegenheid zijn gesteld vragen en opmerkingen te maken.

[gedaagde] is nu achteraf geconfronteerd met een opdracht en uitgaven waarover hij geen enkele zeggenschap heeft gehad. Het is onder deze omstandigheden niet redelijk om een deel van deze kosten voor rekening van [gedaagde] te laten komen.

Proceskosten

4.11

[gedaagde] wordt in conventie als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.12

[gedaagde] wordt in voorwaardelijke reconventie als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.13

De in conventie en voorwaardelijke reconventie gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

beveelt [gedaagde] om met [eiser] over te gaan tot verdeling van de eigendom en derhalve tot splitsing van de praktijkruimte, op de wijze als beschreven op bladzijde 24 van het rapport van [ingenieur] (productie 20 bij dagvaarding) en bepaalt dat het linkerdeel van de praktijkruimte aan [eiser] wordt toegewezen en het rechterdeel van de praktijkruimte aan [gedaagde] wordt toegewezen een en ander ten overstaan van een notaris;

beveelt [gedaagde] om aan de verdeling en splitsing van de praktijkruimte mee te werken op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of per dagdeel dat hij nalaat om aan het bevel te voldoen tot een maximum van € 200.000,00

veroordeelt [gedaagde] om voor de helft bij te dragen in de (bouwkundige)kosten van de splitsing en de verdeling van de praktijkruimte;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.179,75, te betalen binnen twee weken na het wijzen van dit vonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen en tot vandaag vastgesteld op € 125,03 aan explootkosten, € 1.301,00 aan griffierecht en € 1.434,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

veroordeelt [gedaagde] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 133,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis en met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de 15e dag nadat [gedaagde] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag van de voldoening;

in voorwaardelijke reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot vandaag vastgesteld op € 478,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

veroordeelt [gedaagde] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 133,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis en met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de 15e dag nadat [gedaagde] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag van de voldoening;

in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, rechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 3 augustus 2022.