Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:3260

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
04-08-2022
Zaaknummer
21/2349
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een stichting die een veerdienst exploiteert vraagt om inkomensondersteuning voor ondernemers i.v.m. de coronacrisis (NOW-3). De minister van SZW wijst de aanvraag af, omdat die te laat is gedaan. De stichting erkent de te late indiening van de aanvraag, maar wil toch dat die in behandeling wordt genomen. Zij wijst allereerst op de grote financiële gevolgen door het mislopen van de inkomensondersteuning en doet daarmee een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt de stichting hierin niet. In de toelichting op de NOW staat expliciet dat te laat ingediende aanvragen moeten worden afgewezen. Verder is de NOW een noodregeling die grofmazig is opgezet om de minister in staat te stellen in korte tijd geautomatiseerd grote hoeveelheden aanvragen om inkomensondersteuning te kunnen verwerken waardoor het leveren van maatwerk slechts in zeer beperkte mate mogelijk is. Ook wijst de stichting op de overmachtsituatie waarin zij medio december 2020 kwam te verkeren door het arbeidsongeschikt worden van haar (financieel) administratrice en het plotselinge overlijden van de toenmalig directeur-bestuurder, die met zijn tweeën verantwoordelijk waren voor de financiën van de stichting, en de (al eerder geplande) wisseling van de accountant per 1 januari 2021. Hierdoor was er binnen de stichting plotsklaps niemand meer met kennis over de financiën van de stichting. De in medio januari 2021 aangestelde interim-administrateur moest vervolgens de ontstane grote achterstanden wegwerken. De stichting doet hiermee een beroep op het zogenaamde buitenwettelijk begunstigend beleid dat de minister voert op grond waarvan in overmachtsituaties een te laat ingediende aanvraag toch in behandeling wordt genomen. De rechtbank volgt de stichting wel in haar betoog dat wat zij aanvoert een overmachtsituatie oplevert, maar zij oordeelt ook dat niet kan worden gezegd dat die overmachtsituatie heeft geduurd tot het einde van de aanvraagperiode die sloot op 14 maart 2021. Verder is de rechtbank het met de minister eens dat in de periode waarin dit alles speelde de NOW ook bij een interim-administrateur bekend mag worden verondersteld en dat hij zo nodig met de minister contact had kunnen opnemen om te vragen wat hij moest doen om (wederom) voor inkomensondersteuning in aanmerking te komen. Al met al is dus niet gebleken dat er op 14 maart 2021 nog sprake was van een overmachtsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 4-8-2022
FutD 2022-2236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/2349


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

3 augustus 2022 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: E.A.M. Vervoort-ter Haar).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister van 14 september 2021 op 3 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de directeur-bestuurder van eiseres [naam] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank na onderbreking voor raadkameroverleg ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Inleiding

1. Het gaat in deze beroepsprocedure om het volgende. Eiseres wil een subsidie krijgen op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3), vierde tranche. De NOW is de inkomensondersteuningsregeling die de regering sinds het uitbreken van de coronacrisis heeft getroffen om de financiële gevolgen daarvan voor ondernemers zoveel mogelijk te beperken. De periode waarin een aanvraag kon worden gedaan voor de vierde tranche van de NOW-3 stond open van 15 februari 2021 tot en met 14 maart 2021.

2. Eiseres heeft haar aanvraag gedaan op 19 mei 2021. De minister heeft die aanvraag van eiseres afgewezen met het besluit van 21 mei 2021, omdat die te laat is ingediend. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, wat door de minister met het besluit van 14 september 2021 ongegrond is verklaard. Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

3. Partijen zijn het erover eens dat eiseres met haar aanvraag te laat was. Ook zijn partijen het erover eens dat deze termijn dwingend in artikel 7 van de NOW-3 is voorgeschreven, wat betekent dat de minister in principe niet bevoegd is om de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling te nemen.

4. Eiseres heeft twee gronden aangevoerd op grond waarvan volgens haar toch de aanvraag in behandeling genomen had moeten worden. Eiseres doet allereerst een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De financiële belangen van eiseres zijn groot. Als gevolg van de coronacrisis is zij in financieel zwaar weer terechtgekomen en de NOW is er nu juist voor bedoeld om werkgevers zoals eiseres daarin tegemoet te komen. Dat laatste blijkt ook wel uit het feit dat alle andere aanvragen van eiseres, die overigens wel tijdig waren ingediend, tot een toekenning van NOW-subsidie hebben geleid.

4.1.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Daarvoor is van belang dat de Centrale Raad van Beroep (de Raad) – de hoogste rechter in Nederland die over dit soort zaken oordeelt – heeft bepaald dat een beroep op het evenredigheidsbeginsel in gevallen als deze moeten worden beoordeeld in het kader van de exceptieve toetsing.1 Deze toetsing leidt niet tot het door eiseres gewenste resultaat.

4.2.

De minister heeft er terecht op gewezen dat in de toelichting op de NOW-3 expliciet staat dat te laat ingediende aanvragen worden afgewezen.2 Verder wijst de minister op het noodkarakter van de NOW die grofmazig van opzet is en weinig tot geen maatwerk toelaat, juist om het UWV – die de regeling voor de minister uitvoert – in staat te stellen in korte tijd geautomatiseerd grote hoeveelheden aanvragen te verwerken. In de eerdergenoemde uitspraken van de Raad is overigens ook al geaccepteerd dat vanwege het noodkarakter van de NOW maatwerk slechts in zeer beperkte mate mogelijk is. De door eiseres aangehaalde Kamerstukken bevestigen wat de rechtbank betreft overigens deze lijn.3 De door eiseres genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State4 en van de rechtbank Noord-Holland5 kunnen niet tot een andere uitkomst leiden, omdat die over de uitoefening van discretionaire bevoegdheden gaan. Daarvan is hier geen sprake, omdat het hier – zoals in overweging 3 al is gezegd – gaat over een dwingend geformuleerd voorschrift.

5. De tweede grond die eiseres aanvoert is een beroep op het door de minister gevoerde buitenwettelijk begunstigend beleid op grond waarvan onder bijzondere omstandigheden een te late aanvraag toch in behandeling kan worden genomen. Dit beleid houdt in dat verschoonbaarheid van een te late aanvraag alleen kan worden aangenomen in een situatie dat een betrokkene wegens een calamiteit dan wel wegens overmacht buiten staat was de aanvraag tijdig in te dienen.6

5.1.

Op de zitting heeft de minister als voorbeeld van een calamiteit genoemd een bedrijfsbrand waardoor de administratie in rook opgaat. Gegeven die uitleg is de rechtbank van oordeel dat hier geen sprake is van een calamiteit.

5.2.

Is er dan sprake van een overmachtsituatie? De rechtbank komt al met al tot de conclusie dat de lat daarvoor niet wordt gehaald. Dat betekent niet dat er niets aan de hand was. Eiseres heeft in het beroepschrift en op de zitting toegelicht dat bij haar dertig mensen in dienst zijn, waarvan 26 veermannen en -vrouwen en verder vier mensen die op kantoor werken. Tot en met 2020 waren twee van hen belast met de financiën van eiseres: de toenmalige directeur-bestuurder en de administratrice. De administratrice is na een periode met medische klachten op 10 december 2020 ziek uitgevallen en vervolgens blind geworden. De directeur-bestuurder is vier dagen nadien bij een noodlottig ongeval om het leven gekomen. Dit waren voor eiseres en haar werknemers heftige en ingrijpende gebeurtenissen. Daar kwam nog bij dat uitgerekend per 1 januari 2021 een ruim voor deze gebeurtenissen geplande accountantswissel plaatsvond. Voor de rechtbank is het zonneklaar dat hierdoor alle continuïteit en zelfs het zicht op de financiën van de stichting volledig weg was, waardoor op dat moment zondermeer sprake was van een overmachtsituatie.

5.3.

De overgebleven bestuursleden hebben snel gehandeld door een interim-administrateur aan te stellen die medio januari 2021 is begonnen. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat deze vanwege de voornoemde omstandigheden niet kon worden ingewerkt en ook niet kon terugvallen op de accountant voor advies over de organisatie, juist omdat ook die net was gewisseld. De interim-administrateur werd geconfronteerd met in ieder geval een achterstand op financieel gebied van vier weken. Facturen waren in die tijd onbetaald gebleven wat ook gold voor het loon van medewerkers. De rechtbank is ervan overtuigd dat met het aanstellen van de interim-administrateur het bestuur zeer voortvarend heeft gehandeld en ook dat enkel met zijn aanstelling de achterstanden nog niet waren weggewerkt. De overmachtsituatie heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook zeker tot medio januari 2021 geduurd.

5.4.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de overmachtsituatie nog verder heeft doorgewerkt tot uiteindelijk 14 maart 2021, de datum waarop de termijn sloot voor het doen van aanvragen op grond van de NOW-3, vierde tranche. De rechtbank is van oordeel dat dit niet kan worden gezegd. De rechtbank wil zondermeer aannemen dat de overmachtsituatie ook nog enige tijd na medio januari 2021 heeft voortgeduurd, omdat aannemelijk is dat alle hiervoor genoemde ontstane achterstanden op financieel gebied niet binnen enkele dagen of wellicht zelfs weken weggewerkt waren. Wat alleen onvoldoende duidelijk is geworden is of die situatie nog zo’n twee maanden (tot 14 maart 2021) heeft aangehouden. De directeur-bestuurder van eiseres heeft op de zitting gezegd ook niet precies te weten hoe het in die periode is gegaan. Het siert hem zeer dat hij daar zo eerlijk over is, maar bij gebreke aan voldoende informatie over wat er in die twee maanden is gebeurd kan de rechtbank niet vaststellen dat de overmachtsituatie zich over die gehele periode heeft uitgestrekt.

5.5.

Verder heeft de minister er ook terecht op gewezen dat in de tijd waarin deze kwestie speelde er volop aandacht was voor corona en ook de NOW. Bij de huidige situatie omtrent corona is dat wellicht moeilijk terug in het geheugen te roepen, maar in de betreffende periode gold er in verband met corona een lockdown en zelfs een avondklok. Ook van een niet-ingewerkte administrateur mocht in die omstandigheden worden geacht dat hij met het bestaan van de NOW bekend was die (in verschillende varianten) sinds 31 maart 2020 bestond. De minister heeft er ook op gewezen dat de administrateur contact had kunnen opnemen met de minister om duidelijk te krijgen wat er van eiseres werd verwacht om (wederom) voor een NOW-subsidie in aanmerking te komen. De rechtbank is het daarmee eens, maar wil daarbij meteen opmerken dat dit niet is bedoeld als een persoonlijk verwijt van de rechtbank aan iemand die aanvankelijk in ongetwijfeld moeilijke omstandigheden haar werk heeft moeten doen. Maar bij de totale beoordeling legt dat – zonder aanziens des persoons – wel gewicht in de schaal.

5.6.

Tot slot wil de rechtbank nog opmerken dat de datum waarop de aanvraag uiteindelijk is gedaan – 19 mei 2021 – in dit geval voor eiseres niet in negatieve zin heeft bijgedragen aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht het met de directeur-bestuurder van eiseres voorstelbaar dat toen de aanvraagperiode eenmaal verstreken was, de prioriteit aan andere dringende werkzaamheden werd gegeven omdat eiseres toch al te laat was met haar aanvraag.

6. Omdat het beroep ongegrond is, wordt het verzoek van eiseres om een proceskostenveroordeling afgewezen.

De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.

De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2022 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

1 CRvB 28 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:87, en CRvB 22 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2392.

2 Nota van Toelichting bij de NOW-3, Stcrt. 2020, 52209, p. 31.

3 Kamerstukken II 2019-20, 29362, nr. 282, p. 2-3, en Kamerstukken II 2020-21, 35420, nr. 199, p. 2.

4 ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.

5 Rechtbank Noord-Holland 5 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3079.

6 Rechtbank Oost-Brabant 21 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2973.