Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:2704

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
12-07-2022
Zaaknummer
21/2246
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opschorting en intrekking ogv artikel 54 lid 1 en 4.

Betrokkene woont niet meer op uitkeringsadres en stelt dat brieven en besluit niet zijn ontvangen.

Geen verzendadministratie. Niet gemotiveerd betwisten dat brief is verzonden.

Bekendmaking besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/2246


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (verweerder)

(gemachtigden: mr. A.J. Rijkers en I. Gambrah ).

Procesverloop

In een besluit van 6 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) per 27 maart 2021 ingetrokken.

In een besluit van 5 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die werd bijgestaan door mr. Van de Bent die als gemachtigde van eiseres optrad in de na deze zaak op zitting behandelde zaak van eiseres met nummer 21/2603. Mr. Van de Brent verklaarde door de bewindvoerder van eiseres te zijn gemachtigd om namens de bewindvoerder op te treden in alle zaken van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De feiten en omstandigheden

1.1

Sinds 11 november 2019 ontvangt eiseres een bijstandsuitkering.

1.2

Eiseres woonde aan de [adres] in [woonplaats] (het uitkeringsadres). Op 30 november 2020 heeft zij haar huurovereenkomst opgezegd omdat zij de woning vanaf 1 december 2020 niet meer kon gebruiken omdat die werd verbouwd.

1.3

Eiseres stond ook na 1 december 2020 in de Brp ingeschreven op het adres [adres] .

1.4

Eiseres heeft aan verweerder niet gemeld dat zij vanaf 1 december niet meer woonde op het uitkeringsadres.

1.5

Voor een heronderzoek naar het recht op bijstand is door verweerder in een brief van 19 maart 2021 bij eiseres informatie opgevraagd. Deze brief is geadresseerd aan de [adres] in [woonplaats] . De gevraagde informatie moest vóór 27 maart 2021 worden toegestuurd.

1.6

Verweerder heeft de gevraagde informatie niet ontvangen.

1.7

In een besluit van 30 maart 2021 (het eerste opschortingsbesluit) heeft verweerder daarom de uitkering opgeschort per 27 maart 2021 op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw. Ook is eiseres daarin een hersteltermijn gegeven voor het alsnog inleveren van de gevraagde informatie. Die termijn liep tot 13 april 2021. Dit eerste opschortingsbesluit is aangetekend verzonden naar het uitkeringsadres.

1.8

Verweerder heeft de gevraagde informatie niet ontvangen.

1.9

Op 14 april 2021 heeft eiseres gebeld met verweerder en gevraagd waarom ze minder uitkering had ontvangen. Tegen eiseres is gezegd dat een opschortingsbesluit is verzonden. Eiseres heeft gezegd dat zij dat besluit niet heeft ontvangen en dat zij sinds 1 april 2021 een woning huurt aan de [adres] in [woonplaats] .

1.10

Na dit telefonisch contact met eiseres op 14 april 2021 heeft verweerder op dezelfde dag opnieuw een opschortingsbesluit aan eiseres gestuurd: het tweede opschortingsbesluit. Dit besluit is gestuurd naar de [adres] in [woonplaats] . Daarin wordt de uitkering weer opgeschort per 27 maart 2021 maar wordt wel een nieuwe hersteltermijn gegeven tot 29 april 2021.

1.11

Verweerder heeft op 28 april 2021 informatie van eisers ontvangen. Maar dit was niet alle gevraagde informatie.

1.12

In het primaire besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres per 27 maart 2021 ingetrokken op grond van artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw.

Het bestreden besluit

2. Verweerder zegt dat eiseres niet op tijd heeft gemeld dat zij niet meer woont op het uitkeringsadres. Dat is een schending van de inlichtingenplicht. De gevolgen van het niet melden dat ze niet meer op het uitkeringsadres woonde, komen voor risico van eiseres.

Dat geldt ook voor het gestelde niet ontvangen van het eerste opschortingsbesluit van 30 maart 2021. Dat eerste opschortingsbesluit is aangetekend verstuurd naar [adres] waarbij er volgens de richtlijnen van PostNL voor de optie ‘handtekening bij afleveren alleen huisadres’ is gekozen. Dit om te voorkomen dat het opschortingsbesluit bij de buren zou worden afgeleverd en om na te gaan of het poststuk door de juiste persoon in ontvangst is genomen. Bij onjuiste aflevering zou de brief worden geretourneerd. Maar de aangetekende brief is niet retour gekomen.

Verder heeft eiseres geen stukken ingeleverd waaruit blijkt dat ze na het verlaten van de woning aan de [adres] toch nog geregeld naar die woning is gegaan om te kijken of er post voor haar was. Volgens verweerder heeft eiseres het verzuim om de gevraagde informatie te verstrekken niet hersteld binnen de gegeven termijn. Daarom is de uitkering terecht ingetrokken per 27 maart 2021.

Het standpunt van eiseres

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij zegt dat ze de brief van 19 maart 2021 en het eerste opschortingsbesluit van 30 maart 2021 niet heeft ontvangen. Eiseres ziet niet in waarom door haar zou moeten worden bewezen dat zij regelmatig heeft gecontroleerd of er aan haar geadresseerde post is ontvangen. De enkele stelling dat ze dat heeft gedaan moet voldoende zijn en doet niets af aan het feit dat het aangetekende opschortingsbesluit op het verkeerde adres is aangeboden en in ontvangst is genomen en daardoor geen effect heeft gehad, wat tot gevolg heeft dat er geen bevoegdheid was voor de intrekking van de bijstandsuitkering met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw.

De beoordeling door de rechtbank

Het juridisch kader

4.1

In artikel 54, eerste lid, van de Pw staat dat als de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en haar dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten.

4.2

Artikel 54, tweede lid, van de Pw zegt dat het college aan de belanghebbende mededeling van de opschorting moet doen en haar moet uitnodigen om binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

4.3

In artikel 54, vierde lid, van de Pw staat dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.4

Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treedt een besluit niet in werking voor het bekendgemaakt is.

4.5

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden is gericht, door toezending of uitreiking.

De beoordeling

5. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd is tot intrekking van de aan eiseres verleende bijstand, moet worden beoordeeld of eiseres verzuimd heeft om binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken of op een andere manier onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat zo is, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1821).

De brief van 19 maart 2021

6. Niet in geschil is dat de in de brief 19 maart 2021 gevraagde informatie relevant is voor het beoordelen van het recht op bijstand van eiseres. Vast staat dat eiseres niet alle in die brief genoemde informatie heeft verstrekt.

7. Eiseres zegt dat zij de brief van 19 maart 2021 niet heeft ontvangen.

8. De rechtbank stelt vast dat de brief van 19 maart 2021 als adres heeft het uitkeringsadres. Op dat adres stond eiseres op 19 maart 2021 ook nog ingeschreven in de Brp.

9. Verweerder mag voor eiseres bestemde brieven over de bijstandsuitkering sturen naar het bij verweerder bekende uitkeringsadres, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat eiseres op een ander adres verblijft. Die aanwijzingen waren er niet. Als eiseres dan geen kennis neemt van die brieven komt dat voor haar risico (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3907).

10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat als moet worden aangenomen dat verweerder de brief van 19 maart 2021 heeft verzonden naar het uitkeringsadres, de omstandigheid dat eiseres die brief niet heeft ontvangen voor haar rekening en risico komt. Zij had zelf passende maatregelen moeten nemen om te zorgen dat ze post van verweerder kon ontvangen. Dit bijvoorbeeld door de wijziging van haar woonadres tijdig aan verweerder door te geven (zie CRVB 10 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1140).

11. Eiseres betwist echter dat verweerder de brief van 19 maart 2021 heeft verzonden omdat zij regelmatig op het uitkeringsadres heeft gecontroleerd of er post voor haar was.

12. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

13. Vast staat dat de brief van 19 maart 2021 het juiste adres en een datum vermeld. Verder is van belang dat verweerder op zitting heeft gezegd dat geen verzendadministratie wordt bijgehouden.

14. Vast staat ook dat eiseres op 19 maart 2021 al meer dan drie maanden niet meer woonde op het uitkeringsadres en juist voornamelijk verbleef bij familie in Asten. Dat betekent dat in beginsel moet worden aangenomen dat eiseres er geen zicht op had of er post voor haar werd bezorgd op het uitkeringsadres.

15. Eiseres zegt daarover dat zij regelmatig controleerde of er post voor haar was. Die stelling heeft zij echter niet met een toelichting onderbouwd en zij heeft ook geen ondersteunende stukken overgelegd. Eiseres had bijvoorbeeld nader kunnen toelichten wanneer zij op het uitkeringsadres was geweest. Ook had zij daarover mogelijk verklaringen van derden kunnen overleggen die hadden kunnen verklaren wanneer eiseres op het uitkeringsadres kwam en of er daar post voor haar was ontvangen.

16. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat eiseres de stelling van verweerder dat de brief naar het uitkeringsadres is verzonden met de enkele stelling dat de brief van 19 maart 2021 niet door verweerder is verzonden omdat zij regelmatig op het uitkeringsadres controleerde of er post voor haar was, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

17. De rechtbank neemt daarom aan dat de brief van 19 maart 2021 wel door verweerder is verzonden. Dat eiseres de brief niet heeft ontvangen moet dan voor haar rekening en risico komen omdat die brief wel naar het uitkeringsadres is gestuurd.

18. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres nog gesteld dat het aangetekend verzonden eerste opschortingsbesluit van 30 maart 2021 verkeerd is bezorgd zodat aannemelijk is dat de brief van 19 maart 2021 ook verkeerd is bezorgd. Deze stelling volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat er sprake was van problemen in de postbezorging rond de periode dat de brief van 19 maart 2021 werd verzonden.

Het eerste opschortingsbesluit van 30 maart 2021

19. Nu vast staat dat eiseres de in de brief van 19 maart 2021 gevraagde informatie niet vóór 27 maart 2021 heeft verstrekt, was verweerder bevoegd om de bijstandsuitkering per 27 maart 2021 op te schorten met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Pw.

20. Eiseres zegt dat het aangetekend verzonden eerste opschortingsbesluit van 30 maart 2021 niet is bezorgd op het uitkeringsadres.

21. In de gedingstukken zit een 'Track&Trace' van het eerste opschortingsbesluit van
30 maart 2021. Daaruit blijkt dat dit besluit op 31 maart 2021 is bezorgd op het adres [adres] en niet op [adres] . De rechtbank is daarom van oordeel dat het eerste opschortingsbesluit van 30 maart 2021 niet op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en daardoor volgens artikel 3:40 van de Awb niet in werking is getreden. Dat het besluit niet retour is gekomen doet daar niet aan af. Ook het feit dat eiseres niet meer op het adres aan de [adres] woonde maakt dit niet anders.

22. Dit betekent dat verweerder de intrekking van de uitkering op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw, niet kan baseren op het eerste opschortingsbesluit.

Het tweede opschortingsbesluit van 14 april 2021

23. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de CRvB van 21 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0473) heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het adres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van een adreswijziging op de hoogte te stellen.

24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan deze verplichting voldaan door het verzenden van een nieuw opschortingsbesluit (het tweede opschortingsbesluit) op 14 april 2021, naar het door eiseres opgegeven adres aan de [adres] . In het tweede opschortingsbesluit is het recht op bijstand weer met ingang van 27 maart 2021 opgeschort, maar de hersteltermijn is verlengd tot 29 april 2021.

25. Eiseres betwist niet dat zij het opschortingsbesluit van 14 april 2021 heeft ontvangen.

26. Vast staat dat eiseres ook binnen de in het tweede opschortingsbesluit van 14 april 2021 gestelde termijn niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt. Daarvan kan eiseres een verwijt worden gemaakt. Verweerder was daarom bevoegd om de bijstandsuitkering op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw in te trekken per datum opschorting, 27 maart 2021.

Conclusie

27. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.C.M. van Dommele, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar

op 1 juli 2022.

griffier

rechter

de rechter is verhinderd om deze

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.