Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:231

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
26-01-2022
Zaaknummer
01/137891-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Opgelegd wordt:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

Vorderingen van benadeelde partijen (vader en moeder van het overleden slachtoffer) toegewezen; affectieschade.

Afwijzing vordering affectieschade van broer van het overleden slachtoffer.

Géén medeschuld van het overleden slachtoffer.

Beslag afgehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.137891.21

Datum uitspraak: 26 januari 2022

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 december 2021 en 12 januari 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 november 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 oktober 2020 in de gemeente Nuenen Ca,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto),

daarmede rijdende over de weg, de N270 en/of de A270,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur

tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat, te weten een mobiele telefoon,

vast te houden en/of zijn aandacht bij die mobiele telefoon te houden en/of tijdens

het rijden met die mobiele telefoon een of meer WhatsApp berichten te versturen

en/of een of meer applicaties te openen en/of niet steeds en/of niet voldoende op

de weg voor hem en/of het overige verkeer te letten en/of

niet op te merken dat op de rijstrook voor hem een auto tot stilstand was gekomen

en/of met onverminderde snelheid tegen die stilstaande auto en/of de achter die

auto staande [slachtoffer 1] aan te rijden en/of te botsen,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of

waardoor een ander, (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten: een

gebroken sleutelbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 24 oktober 2020 heeft er op de N270 ter hoogte van Nuenen een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de 28-jarige politieambtenaar [slachtoffer 1] om het leven is gekomen en zijn 35-jarige collega [slachtoffer 2] gewond is geraakt. De bestuurder van het politievoertuig, [slachtoffer 1] , had het politievoertuig waarin beide agenten reden tot stilstand gebracht op de rechterrijstrook van de N270 om een aangereden das van de weg te halen toen er een ander voertuig achterop de politiewagen is gebotst. Beide politieambtenaren bevonden zich op dat moment buiten hun politievoertuig, [slachtoffer 1] aan de achterzijde en slachtoffer [slachtoffer 2] aan de voorzijde van het politievoertuig. De bestuurder van het achteropkomende voertuig, [verdachte] , wordt thans verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op de gronden zoals verwoord in zijn schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. De gedragingen van verdachte vallen volgens de officier van justitie onder artikel 5a van de WVW en gelet op de aard en ernst van die gedragingen en de overige omstandigheden van het geval kan worden vastgesteld dat verdachte zich roekeloos heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is. Ook kan worden vastgesteld dat ten gevolge van dit verkeersongeval [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] gewond is geraakt. Het letsel van [slachtoffer 2] is dermate ernstig dat het naar algemeen spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is primair aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu de gedraging van verdachte niet als schuld in de zin van (op zijn minst) aanmerkelijke onvoorzichtigheid kan worden aangemerkt. Hiertoe is door de raadsman aangevoerd dat er sprake was van een inschattingsfout bij verdachte en er sprake was van een gevaarlijke situatie. Verdachte meende dat het voertuig met de oranje verlichting (het politievoertuig) reed in plaats van stilstond en is daarom niet tijdig van baan gewisseld. Of deze inschattingsfout door het gebruik van de mobiele telefoon door verdachte werd veroorzaakt, kan niet worden vastgesteld, aldus de raadsman. Verdachte betwist niet zijn telefoon gebruikt te hebben doch dit gebruik bestond vlak voor het ongeluk enkel uit het openen van een applicatie.

Subsidiair is door de raadsman bepleit de mate van schuld aan te passen aan de omstandigheden van het geval. Aanmerkelijk onvoorzichtig acht de raadsman passend.

Het oordeel van de rechtbank.

De vaststelling van de feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen die zijn vervat in de aan het vonnis gehechte bewijsbijlage stelt de rechtbank de navolgende feiten vast:

Op 24 oktober 2020 heeft er een verkeersongeval tussen een politievoertuig (Mercedes-Benz) en een personenauto (Seat) plaatsgevonden op de N270 in de richting van Well. Dit gebeurde nadat de bestuurder van een politievoertuig op de rechterrijstrook van de N270 was gestopt, om een kort daarvoor aangereden das van de rechter rijstrook te halen. De bestuurder van de Seat botste nagenoeg exact 2 minuten later tegen de achter het politievoertuig staande bestuurder van het politievoertuig en diens voertuig. De bestuurder van het politievoertuig, [slachtoffer 1] , overleed als gevolg van deze aanrijding. De bijrijder, [slachtoffer 2] , van het politievoertuig stond voor het politievoertuig op de rechter rijstrook. Zij werd door het voorwaarts gedrukte politievoertuig aangereden en raakte hierbij gewond.

Uit het onderzoek naar de toedracht van het ongeval blijkt verder dat:

• De bestuurders van de ongevalsvoertuigen reden over de N270, komende uit de richting van Eindhoven en rijdende in de richting van Well.
• De bestuurder van de Seat op de locatie waar hij werkzaam was aan de [locatie 1]
enkele WhatsApp berichten stuurde direct gevolgd door het starten van de
applicatie Safari.
• De bestuurder van de Seat ter hoogte van de [adres 2] op zijn IPhone, op de website Kijk.nl, UFC seizoen 2020 aflevering 33 opstartte (rechtbank: een Ultimate Fighting Championship wedstrijd).
• De bestuurder van de Seat om 22:49:50 uur bij de verkeerslichten aan de [locatie 2]
, zonder te stoppen, linksaf de N270 op reed bij groen licht, in de richting van Nuenen.
• De bestuurder van de Seat om 22:50:45 uur over de N270, met de linker wielen over de
asbelijning tussen de rijstroken voor rechtdoor, reed voor het kruispunt met de [straatnaam] .
• De bestuurder van de Seat op dat moment bezig was met het verzenden van WhatsApp
berichten (3 berichten: “Gewonnen”, “The eagle en “Has Landed”) die aansloten bij de uitslag van de UFC wedstrijd.
• Dat vanaf het kruispunt N270 met de [straatnaam] zichtbaar was dat er amberkleurige
zwaailichten ontstoken waren op ongeveer 1000 meter afstand verderop.
• De bestuurder van de Seat bezig was met het gebruik van Instagram van 22:51:02 tot
22:51:23 uur
• De IPhone twee gebruiksmomenten van WhatsApp registreerde met starttijden 22:51:25u en 22:51:29 uur
• De Mercedes-Benz om 22:49:30 uur stopte voor deze das op de rechterrijstrook.
• Vrijwel gelijktijdig de amberkleurige zwaailichten van de Mercedes-Benz ontstoken werden.
• De bestuurder van de Mercedes-Benz achter het voertuig stond met een geopende achterklep kennelijk doende om een groene kunststof schep met aluminium steel uit het voertuig te halen.
• Elf personenauto’s de politieauto links passeerden
• Om 22:51:30 uur:
1) de Seat zonder zichtbaar sturen of afremmen tegen de achterzijde van het politievoertuig botste.
2) De bestuurder van de Mercedes-Benz door de Seat tegen zijn auto gedrukt werd.
3) De Mercedes-Benz ongeveer 12 meter voorwaarts verplaatst werd waarbij de bijrijder van de politieauto door deze geraakt werd en daarbij letsel opliep.
4) De bestuurder van de Mercedes-Benz na de botsing naar rechts door de voorzijde van de Seat werd meegenomen en als gevolg van het letsel overleed.
5) Door de klap van de botsing de amberkleurige zwaailichten defect raakten.
6) De knipperende waarschuwingslichten van de politieauto automatisch ontstoken werden.
• Na het ongeval tweeëntwintig personenauto’s links aan de Mercedes-Benz zonder in werking zijnde zwaailichten voorbij reden voordat politievoertuigen met zwaailichten de plaats van het ongeval beveiligden.

Zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is van oordeel dat bij het slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel teweeg is gebracht. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] een gecompliceerde botbreuk heeft opgelopen waaraan zij tweemaal is geopereerd, dat zij tot op de dag van vandaag haar normale (werk)bezigheden nog niet heeft kunnen hervatten en dat zij ook nog overig letsel heeft opgelopen. Het letsel van slachtoffer [slachtoffer 2] kan dan ook naar algemeen spraakgebruik worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Schuld.

Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 WVW, is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. Verdachte is zonder zichtbaar te remmen of te sturen achterop het op de rechterrijstrook van de N270 stilstaande politievoertuig gebotst terwijl dit politievoertuig amberkleurige waarschuwingslichten voerde. Deze lichten waren vanaf ongeveer een kilometer voor de ongevalslocatie waarneembaar. Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte een inschattingsfout heeft gemaakt en dat het politievoertuig zelf een verkeersgevaarlijke situatie zou hebben veroorzaakt door op de rijbaan stil te staan. Naar het oordeel van de rechtbank neemt dit -wat hiervan verder ook zij- de schuld bij verdachte niet weg. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij enige tijd voor het ongeval de amberkleurige verlichting heeft waargenomen. Verdachte had dan ook voldoende tijd om te anticiperen. Hij is echter zonder te reageren achterop het politievoertuig gebotst en daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank de schuld van verdachte vast. Dat andere weggebruikers de verkeersituatie als gevaarlijk bestempeld hebben, zoals is aangevoerd door de raadsman, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Te meer niet nu uit het onderzoek is gebleken dat de overige weggebruikers het politievoertuig wel links hebben gepasseerd.

In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft (ook) die zwaarste schuldvorm ten laste gelegd en de rechtbank zal dus moeten beoordelen of daarvan sprake is.

Roekeloosheid

Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt deze bepaling zo, dat zij dient te beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid. Ambtshalve overweegt de rechtbank dat dit niet betekent dat de bestanddelen van artikel 5a WVW in het primair ten laste gelegde feit moeten worden verwerkt, bijvoorbeeld in een cumulatieve/alternatieve tenlastelegging. Hoewel daarvoor in de geschiedenis van de totstandkoming van de wet aanknopingspunten zijn te vinden, dwingt de tekst van artikel 175, tweede lid, WVW daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet.

Artikel 5a WVW

De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval

( a) de verkeersregels heeft geschonden,

( b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan,

( c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en

( d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. a) De verkeersregels

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zijn mobiele telefoon heeft gebruikt terwijl hij bestuurder was van de Seat. Dit blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het gebruik van de mobiele telefoon wordt door verdachte ook niet betwist. Gelet op de aard van het gebruik (het starten van de applicatie Safari, het opstarten van een UFC aflevering op Kijk.nl, het verzenden van WhatsApp berichten, het gebruik van Instagram en het weer openen van WhatsApp) kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte tijdens de rit zijn mobiele telefoon heeft vastgehouden. Dit wordt door verdachte ook niet ontkend en past bovendien bij de vindplaats van de mobiele telefoon na het ongeval (ingeklemd tussen voorruit en dashboard, links van het midden). Tijdens het rijden vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat is in artikel 5a, eerste lid, WVW uitdrukkelijk benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. De verdachte heeft dus een van de verkeersregels geschonden, als bedoeld in dat artikel.

b) In ernstige mate

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 5a WVW vooral ziet op een samenstel van gedragingen maar dat ook één (ernstige) verkeersovertreding voldoende kan zijn om overtreding van artikel 5a WVW aan te nemen:

“Bij de strafbaarstelling van artikel 5a WVW gaat het om gedragingen die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden. Volgens de letter van de wet zou het hierbij (…) kunnen gaan om één gedraging die de overtreding van een verkeersregel inhoudt, maar om te kunnen vaststellen dat sprake is niet alleen van opzettelijk, maar ook van het in ernstige mate schenden van verkeersregels, is meer nodig dan de vaststelling van een enkele verkeersovertreding. Artikel 5a WVW beoogt zeer onverantwoordelijk rijgedrag strafbaar te stellen waarvan ernstige gevaren voor medeweggebruikers te duchten zijn. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en dat daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.” 1

Vast staat dat in deze zaak sprake is van één type gedraging, het tijdens het rijden vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat, waardoor verdachte een voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregel heeft geschonden. Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte kort voor het ongeval enkel een applicatie heeft geopend, hetgeen, hoewel weliswaar in strijd met de verkeersregels, geen ernstige mate van schending van de verkeersregels oplevert. De rechtbank deelt de visie van de raadsman niet. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de beoordeling van de mate waarin verdachte de verkeersregels heeft geschonden niet enkel het allerlaatste moment voor het ongeval te worden betrokken maar het volledige rijgedrag van verdachte gedurende de gehele rit, en met name gedurende de laatste 45 seconden vanaf het punt waar de amberkleurige verlichting van het politievoertuig zichtbaar was. Verdachte is met zijn auto vanaf zijn werk vertrokken terwijl hij een UFC wedstrijd afspeelde op zijn mobiele telefoon. Tijdens de rit overschreed hij om 22:50:45 uur de asbelijning tussen de rijstroken voor rechtdoor terwijl hij drie WhatsAppberichten verstuurde (berichten: “Gewonnen”, “The eagle en “Has Landed”) die aansloten bij de uitslag van de zojuist geëindigde UFC wedstrijd. Dit was bij de kruising met de [straatnaam] , het punt vanaf waar de amberkleurige verlichting van het politievoertuig waarneembaar was. Hoewel niet vastgesteld kan worden op welk moment verdachte deze amberkleurige verlichting exact heeft waargenomen gaat de rechtbank er van uit dat dit rondom dit punt moet zijn geweest. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de verlichting in de verte heeft waargenomen en uit het onderzoek is gebleken dat de verlichting waarneembaar was vanaf het kruispunt met de [straatnaam] . Van 22:51:02 uur tot 22:51:23 uur is verdachte vervolgens bezig geweest met de applicatie Instagram waarna hij om 22:51:26 uur de applicatie WhatsApp weer opende, een chat geopend werd en WhatsApp om 22:51:30 uur een zogenaamd “shake to undo” of plotselinge beweging van de telefoon heeft gedetecteerd op het moment van de impact. Voornoemde gebruikershandelingen werden door verdachte verricht terwijl hij met een snelheid van ongeveer 80 km/h uur reed, op een onverlichte weg. Verdachte heeft dus niet enkel zijn mobiele telefoon vastgehouden en/of enkel kort voor het ongeval één applicatie geopend. Hij is gedurende de rit bij voortduring met zijn telefoon bezig geweest. Hij heeft op zijn telefoon meerdere malen handelingen verricht en is aldus met zijn aandacht niet of in elk geval onvoldoende bij de autorit geweest. Hiermee heeft verdachte, zeker wanneer men de gereden snelheid en de afgelegde afstand in ogenschouw neemt, zeer onverantwoordelijk rijgedrag vertoont. Dat verdachte onvoldoende aandacht bij de weg en het overige verkeer heeft gehad volgt ook uit de verklaring van verdachte. Immers heeft hij de oranje verlichting wel gezien maar (onjuist) geïnterpreteerd als verlichting op een rijdend voertuig en heeft hij deze waarneming niet gecorrigeerd toen hij het politievoertuig naderde. Dit alles in onderling verband en samenhang bezien maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

c) Opzettelijk

Het opzet van de verdachte moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat het bedienen van de mobiele telefoon op de wijze die hiervoor is vastgesteld (meerdere gebruikershandelingen op diverse applicaties op de mobiele telefoon, waaronder het versturen van berichten via WhatsApp en het openen van een videostream) niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hierboven vermelde gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van mobiele apparaten in het verkeer de verkeersveiligheid in het geding brengen.

d) Gevaar te duchten

In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het vertonen van het hiervoor beschreven verkeersgedrag. Dat die situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt wel uit het feit dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dat betekent dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid. Dat de rechtbank in onderhavige casus, indien deze vóór voornoemde wetswijziging zou hebben gespeeld, tot een ander oordeel zou zijn gekomen ten aanzien van de roekeloosheid maakt dit niet anders. Het is immers de uitdrukkelijke wens van de wetgever geweest de invulling van het begrip roekeloosheid te verruimen2.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor aan nog een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 24 oktober 2020 in de gemeente Nuenen Ca,

als bestuurder van een personenauto,

daarmede rijdende over de weg, de N270,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos,

met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur

tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden en zijn aandacht bij die mobiele telefoon te houden en tijdens

het rijden met die mobiele telefoon een of meer WhatsApp berichten te versturen

en meerdere applicaties te openen en niet steeds en/of niet voldoende op

de weg voor hem en/of het overige verkeer te letten en

niet op te merken dat op de rijstrook voor hem een auto tot stilstand was gekomen

en met onverminderde snelheid tegen die stilstaande auto en de achter die

auto staande [slachtoffer 1] aan te botsen,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en

waardoor een ander, (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten: een

gebroken sleutelbeen werd toegebracht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en een rijontzegging voor de duur van 5 jaren gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is aangevoerd dat de strafeis van de officier van justitie dient te worden gematigd gelet op de door hem subsidiair bepleitte lichtere kwalificatie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aan het feit gerelateerde factoren.

Verdachte heeft op 24 oktober 2020 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door, terwijl hij al rijdende gedurende langere tijd zijn mobiele telefoon vasthield en hierop handelingen verrichtte, niet op te merken dat er een stilstaand voertuig op de rechterrijstrook stond, waarna hij zonder vaart te minderen achterop dat voertuig en de zich daarbij bevindende politieambtenaar te botsen. De politieambtenaar, het [slachtoffer 1] , is hierbij om het leven gekomen en zijn collega [slachtoffer 2] heeft bij dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Met het overlijden van [slachtoffer 1] is de nabestaanden en zijn partner onherstelbaar leed berokkend. Dit is ook naar voren gekomen in de spreekrechtverklaringen van de nabestaanden en partner. Ook slachtoffer [slachtoffer 2] ondervindt nog dagelijks de fysieke en mentale gevolgen van de gebeurtenis op 24 oktober 2020, zo heeft de rechtbank uit haar slachtofferverklaring opgemaakt. De rechtbank rekent verdachte zeer aan dat hij dit alles met zijn zeer onverantwoorde rijgedrag heeft veroorzaakt. Dat verdachte de gevolgen van dit ongeval zelf ook nimmer heeft gewild maakt dit niet anders, te meer niet nu verdachte zelf de keuze heeft gemaakt tijdens het rijden zoveel gebruik te maken van zijn mobiele telefoon.

Aan verdachte gerelateerde factoren.

De rechtbank neemt bij de straftoemeting het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 november 2021 in aanmerking. Dit uittreksel vermeldt geen eerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank neemt voorts mee dat verdachte heeft aangevoerd dat hijzelf ook gebukt gaat onder het gebeurde. Hoewel hij zelf niet gewond is geraakt heeft hij na het ongeval langere tijd niet kunnen werken en heeft hij een EMDR therapie gevolgd.

Strafmodaliteit.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn ten aanzien van overtreding van artikel 6 WVW vervat in een tabel met verschillende gradaties van schuld in samenhang bezien met de gevolgen voor het slachtoffer. Hoewel voor roekeloosheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet geen afzonderlijke oriëntatiepunten zijn vastgesteld, heeft de rechtbank in de aard en de ernst van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en de omstandigheden van het geval aanleiding gezien ten aanzien van de strafmaat aan te sluiten bij hetgeen geldt voor de in de oriëntatiepunten genoemde zeer hoge mate van schuld. Hierbij heeft de rechtbank tevens acht geslagen op het feit dat de oriëntatiepunten voor 6 WVW niet zijn aangepast na de hiervoor besproken wetswijziging. Het oriëntatiepunt bij een zeer hoge mate van schuld en een dodelijk slachtoffer betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een rijontzegging voor de duur van 3 jaren. Bij zwaar lichamelijk letsel als gevolg is dit een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaren.

Daarnaast merkt de rechtbank nog het volgende op. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele op te leggen straf het leed van de nabestaanden en partner van [slachtoffer 1] en de gevolgen voor [slachtoffer 2] zal kunnen verzachten of wegnemen. Gelet op de aard van het verwijt en de ernst van de gevolgen is een zware straf passend. Verder dient ook uit het oogpunt van de generale preventie naar het oordeel van de rechtbank een behoorlijke straf te volgen. Het moet ook andere verkeersdeelnemers duidelijk zijn dat het vasthouden (en gebruiken) van een mobiele telefoon tijdens het rijden -een gedraging die in artikel 5a WVW in hetzelfde rijtje wordt opgesomd als rijden onder invloed- uit het oogpunt van de verkeersveiligheid zeer strafwaardig rijgedrag betreft. Anderzijds heeft de rechtbank ook rekening te houden met de gevolgen die deze strafzaak voor verdachte heeft en die de op te leggen straf nog zal hebben. Hierbij denkt de rechtbank aan de mogelijkheid dat verdachte zijn baan zal verliezen en de hoge vorderingen benadeelde partij die zijn ingediend.

Conclusie.

De rechtbank is dit alles overziende van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de maximale taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het gevaarzettende verkeersgedrag van verdachte, aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van lange duur - te weten 3 jaren - dient te worden opgelegd. Dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor verdachte ongemak met zich brengt in verband met vervoer van en naar zijn werk, is in dit verband onvoldoende zwaarwegend.

De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf in vergelijking tot de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd te hoog is en de rechtbank bovendien van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De vorderingen van de benadeelde partijen, algemeen.

Door de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] is een vordering benadeelde partij ingediend. Ter zitting heeft de raadsman van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] de vordering naar beneden bijgesteld in die zin dat als affectieschade thans wordt gevorderd een bedrag van

€ 17.500,00. Dit omdat het slachtoffer niet meer thuiswonend was. Alle drie de benadeelde partijen vorderen thans een affectieschade van € 17.500,00. Daarnaast vorderen de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] vergoeding van de reis- en parkeerkosten verband houdende met de zitting.

De rechtbank stelt voorop dat buiten alle twijfel staat dat de benadeelde partijen diep zijn getroffen door het overlijden van [slachtoffer 1] . De rechtbank heeft begrip voor het enorme verdriet en het leed dat de naasten hebben. De rechtbank merkt daarbij echter op dat hun vorderingen in de juiste wettelijke context dienen te worden beoordeeld. De rechtbank zal eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen afzonderlijk zullen worden beoordeeld.

Affectieschade.

Affectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. Nabestaanden kunnen zich op grond van artikel 51f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van affectieschade als bedoeld in artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden. Hieronder vallen onder andere ouders, kinderen, partners en zorgrelaties. Het bedrag dat voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt is bij algemene maatregel van bestuur, in dit geval het Besluit Vergoeding Affectieschade, vastgesteld. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’.

De ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vordering

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting vormt van de onderhavige strafzaak. De benadeelde partijen zouden daarom niet-ontvankelijk moeten verklaard worden in hun vordering en verdere beoordeling zou dan moeten plaatsvinden door de civiele rechter.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier acht de vordering van de benadeelde partijen in dit strafproces toewijsbaar, en daarmee de benadeelde partijen in hun vordering ontvankelijk..

Het oordeel van de rechtbank.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafproces. Voor wat betreft het bepalen van de hoogte van de schade kan immers worden aangesloten bij het Besluit Vergoeding Affectieschade. Ook in het betoog dat de casus te ingewikkeld is om te behandelen in het strafproces volgt de rechtbank de raadsman niet. De rechtbank acht het onderzoek naar de toedracht van het ongeval voldoende duidelijk om zich een oordeel te kunnen vormen over de door de raadsman in dit verband opgeworpen vraag of er (mogelijk) sprake was van medeschuld van het slachtoffer.

Conclusie: de benadeelde partijen zijn ontvankelijk in hun vordering

Medeschuld aan de zijde van het slachtoffer (benadeelde)?

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, voor het geval dat de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen wel zou gaan behandelen, gevraagd het bedrag te matigen, dit vanwege de gevaarlijke situatie op de weg doordat het politievoertuig op de noodlottige plek geparkeerd werd. De rechtbank begrijpt dit, zoals hiervoor al aangegeven, als een beroep op medeschuld van het slachtoffer, zijnde de bestuurder van de politieauto.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vorderingen geheel toewijsbaar, in navolging van de raadsman van de benadeelde partijen.

Het oordeel van de rechtbank

Het juridisch kader van medeschuld

Ingevolge het bepaalde in artikel 6: 101 BW wordt de schadevergoedingsplicht, indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen, in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Uit de wet volgt voorts dat de vergoedingsplichtige ook tegenover de nabestaanden van de benadeelde een beroep kan doen op dergelijke medeschuld van de benadeelde. Bij een procentuele verdeling wegens een geslaagd beroep op medeschuld van de overleden benadeelde, zal ook op de vordering van de nabestaande in de vorm van affectieschade, diezelfde procentuele verdeling van toepassing zijn en dus aan volledige toewijzing van het forfaitaire bedrag in de weg kunnen staan.

Voor wat betreft het beroep op medeschuld heeft de raadsman gewezen op de gevaarlijke verkeerssituatie, zijnde een donkere weg, waar een 80 kilometersnelheid gold, en waar een politievoertuig op de rechterrijbaan stil stond. Daarbij komt dat het politievoertuig geen zwaailichten maar amberkleurige flitslichten voerde en er geen gevarendriehoek was geplaatst. Ook droegen de agenten geen zichtbaarheidsvesten. De raadsman heeft overigens geen percentage genoemd in welke verhouding dit zou resulteren in een verdeling van de schade, en daarmee een gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. De rechtbank zal zich hierover zelfstandig een oordeel vormen.

Causaal verband en medeschuld

De schade is ontstaan doordat het slachtoffer zich op de voor het verkeer openstaande weg bevond, staande vlak achter de op de rechterrijbaan stilstaande politiewagen, en op die plek dodelijk werd geraakt door het door verdachte bestuurde voertuig.

De eerste vraag is dan of het slachtoffer een fout heeft gemaakt door zich toen daar te bevinden. Daarbij zijn de overige omstandigheden van groot belang, waarbij de rechtbank uitgaat van de volgende uit het strafdossier blijkende en overigens niet, althans onvoldoende betwiste feiten. Allereerst bevond het slachtoffer zich daar in de uitoefening van zijn politietaak. Het slachtoffer had de politieauto stilgezet om samen met zijn collega een dode das van die rijbaan te verwijderen. Dit ter bescherming van het achteropkomend verkeer, automobilisten en motorrijders. Het slachtoffer bevond zich achter de politieauto om een schep uit de achterbak te halen, om daarmee het dode dier van de rijbaan te verwijderen. Ter waarschuwing voor die ontstane situatie, zijnde de stilstaande politieauto, heeft het slachtoffer de oranje zwaailichten bovenop het politievoertuig geactiveerd. Dat die waarschuwing voor het achteropkomend verkeer effectief was, blijkt de rechtbank genoegzaam uit het feit dat voor het ongeval er 11 personenauto’s de stilstaande politieauto waren gepasseerd, door uit te wijken naar de linker rijbaan. Tevens is uit onderzoek gebleken dat onder gelijke licht- en weersomstandigheden, de oranje zwaailichten op 1000 meter afstand voor het achteropkomend verkeer waarneembaar waren. De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer geen fout maakte door op dat moment, onder die omstandigheden, zich achter de stilstaande politiewagen te bevinden. De raadsman heeft als verdere omstandigheden aangevoerd dat er geen gevarendriehoek was geplaatst en dat de agenten geen zichtbaarheidsvesten droegen. Bij gebreke van verdere onderbouwing hoe deze omstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, dan wel het voorkomen van de schade hadden bewerkstelligd, wordt het beroep op deze omstandigheden verworpen.

Conclusie is dat het beroep op medeschuld wordt verworpen.

De aansprakelijkheidsverzekering van verdachte

De raadsman van verdachte acht toewijzing van de vordering niet opportuun, omdat de onzeker is of verzekeraar van verdachte aan de nabestaanden zal uitkeren, en dubbel uitkeren niet wenselijk is. De rechtbank overweegt dat dit geen reden kan zijn voor afwijzing van de vorderingen. Het staat de benadeelde partijen vrij om verdachte rechtstreeks in rechte aan te spreken.

De te hanteren tabel

Anders dan de raadsman verzoekt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere tabel te hanteren dan die krachtens het Besluit Vergoeding Affectieschade behoort bij overlijden door misdrijf.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijk rente.

Het standpunt van de verdediging.

De door de raadsman gevoerde verweren zijn door de rechtbank al besproken en verworpen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, het gedeelte van de vordering bestaande uit immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Benadeelde partij [slachtoffer 4] is de vader van het slachtoffer en heeft om deze reden recht op vergoeding van affectieschade. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de bij het Besluit vergoeding affectieschade vastgestelde bedragen. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk, ter vermijding van discussies over de hoogte van de affectieschade, gekozen voor forfaitair vastgestelde bedragen.

Het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank dat uit artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. In de onderhavige procedure heeft de benadeelde partij geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank zal verdachte voor het overige veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijk rente.

Het standpunt van de verdediging.

De door de raadsman gevoerde verweren zijn door de rechtbank al besproken en verworpen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, het gedeelte van de vordering bestaande uit immateriële schadevergoeding (bestaande uit vergoeding van affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Benadeelde partij [slachtoffer 3] is de moeder van het slachtoffer en heeft om deze reden recht op vergoeding van affectieschade. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de bij het Besluit vergoeding affectieschade vastgestelde bedragen. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk, ter vermijding van discussies over de hoogte van de affectieschade, gekozen voor forfaitair vastgestelde bedragen.

Het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte voor het overige veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijk rente. Hierbij is door de officier van justitie aangevoerd dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij, de broer van het slachtoffer, een bijzondere affectieve relatie met het slachtoffer onderhield zodat ook hij in aanmerking dient te komen voor de toekenning van affectieschade.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is afwijzing van de vordering bepleit nu de benadeelde partij niet tot de kring van gerechtigden behoort. De overige verweren zijn reeds door de rechtbank al besproken en verworpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Affectieschade is op grond van de wet slechts toewijsbaar aan partners, ouders en kinderen. Op grond van artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het Burgerlijk Wetboek kan hierop een uitzondering worden gemaakt en kan in uitzonderlijke gevallen affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in de wet genoemde kring van gerechtigden behoort. De wetgever heeft in deze gevallen vergoeding enkel mogelijk gemaakt indien sprake is van een bijzondere affectieve relatie of zorgrelatie. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een relatie die juridisch gezien als zodanig kan worden aangemerkt. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de gevorderde schade blijkt weliswaar dat er sprake was van een zeer hechte familieband en dat de benadeelde partij als broer van het slachtoffer zeer veel verdriet en pijn heeft ondervonden en nog steeds ondervindt door de plotselinge dood van het slachtoffer, maar uit deze toelichting is deze door de wetgever beoogde bijzondere affectieve relatie onvoldoende gebleken. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank dat uit artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. In de onderhavige procedure heeft de benadeelde partij geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Dit deel van de vordering zal daarom ook worden afgewezen.

De rechtbank zal de kosten van partijen voor het overige compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 60a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregelen.

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 17.500,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 122 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 17.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering, voor zover deze ziet op vergoeding van de reis- en parkeerkosten als zijnde proceskosten, af.

Veroordeelt verdachte voor het overige in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 17.500,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 122 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 17.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voor het overige in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :

Wijst de vordering af.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Teruggave inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:

1 stk Onderdeel van airbagmodule uit middenconsole,

aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,

en is uitgesproken op 26 januari 2022.

1 Kamerstukken II 2018-2019, 35086, nr. 6, p. 12

2 Kamerstukken II 2018/2019, 35086, nr. 3, p. 7-8