Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:2242

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-05-2022
Datum publicatie
31-05-2022
Zaaknummer
01/993352-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor voorbereidingshandelingen voor, dan wel medeplichtigheid aan, de handel in harddrugs, softdrugs en wapens tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het op het verkeerde been zetten van de rechtbank en de verdediging ten aanzien van de (rechtmatigheid van de ) Encrochat-hack.

Omdat de rechtbank niet is gebleken van enig vormverzuim of onrechtmatig handelen verwerpt de rechtbank ook het verzoek van de verdediging tot bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/993352-20

Datum uitspraak: 31 mei 2022

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 04 mei 2021, 01 juni 2021, 06 juli 2021, 15 september 2021, 07 december 2021,

11 januari 2022, 29 maart 2022 en 17 mei 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 april 2021.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 januari 2022 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020

tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van cocaïne en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA, zijnde (telkens) een middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen,

een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat

feit tracht te verschaffen,

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden

dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

via een crypto-telefoon(s) met één of meer personen die zich bedien(d)en van

nicknames zoals '' [naam 1] '' en/of '' [naam 2] '' en/of '' [naam 3] '' en

'' [naam 4] '' en/of '' [naam 5] '' en/of '' [naam 6] '' en/of '' [naam 7] '' en/of

'' [naam 8] '' en/of '' [naam 9] '' en/of '' [naam 10] '' gecommuniceerd

over:

- de interesse en/of beschikbaarheid en/of de prijs en/of de kwaliteit en/of

de kwantiteit en/of de aankoop en/of verkoop en/of de invoer en/of de wijze

van uithalen en/of de wijze van het binnenvoeren in Europa en/of wijze van

transport van één of meer hoeveelheden cocaïne (blokken) en/of metamfetamine

(ICE) en/of amfetamine en/of amfetamineolie en/of MDMA,

- de beschikbaarheid van een (distillatie)ketel;

ten aanzien van feit 2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020

tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop

aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of

voorhanden gehad,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of

gegevens voorhanden heeft gehad,

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te

vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11,

derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten,

hebbende hij en/of zijn medeverdachte(n) met dat opzet,

- monsters van hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of wiet geregeld en/of getoond

en/of afgegeven;

- monsters van hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of wiet ontvangen;

- foto's van hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of wiet verspreid/getoond;

- onderhandeld over de levering en de prijzen van hennep(toppen) en/of

hasjiesj en/of wiet;

- één of meer persplaten voorhanden gehad;

ten aanzien van feit 3.

primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020

tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf,

- een machinepistool (''mach pist'') zijnde een vuurwapen geschikt om

automatisch mee te vuren genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van

de WWM;

- een vuurwapen (''sniper'') zijnde een vuurwapen genoemd onder categorie II

of III van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- een geluiddemper genoemd onder categorie I van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- 2 voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel

van een ontploffing te weten 2 handgranaten ( ''2 appels'') zijnde

voorwerpen genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- munitie genoemd onder categorie II en/of III van artikel 2 lid 2 van de WWM,

ter beschikking heeft gesteld en/of heeft verhandeld,

en/of over de transactie voor de aankoop, verkoop, levering van deze wapens en/of

onderdeel en/of hulpstuk en munitie heeft onderhandeld of deze heeft geregeld,

en/of de overbrenging van deze wapens, onderdeel en/of hulpstuk en munitie binnen,

naar of vanuit een lidstaat van de Europese Unie heeft georganiseerd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020

tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk,

- een machinepistool (''mach pist'') zijnde een vuurwapen geschikt om

automatisch mee te vuren genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de

WWM;

- een vuurwapen (''sniper'') zijnde een vuurwapen genoemd onder categorie II

of III van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- een geluiddemper genoemd onder categorie I van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- 2 voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel

van een ontploffing te weten 2 handgranaten ( ''2 appels'') zijnde

voorwerpen genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- munitie genoemd onder categorie II en/of III van artikel 2 lid 2 van de WWM,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

een persoon met de nickname [naam 11] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in Nederland en/of elders in Europa, opzettelijk,

- een machinepistool (“mach pist”) zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch mee te vuren genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- een vuurwapen (“sniper”) zijnde een vuurwapen genoemd onder categorie II of III van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- een geluiddemper genoemd onder categorie I van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- 2 voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing te weten 2 handgranaten (“2 appels”) zijnde voorwerpen genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- munitie genoemd onder categorie II en/of III van artikel 2 lid 2 van de WWM,

voorhanden heeft gehad en/of overgedragen,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 maart tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door middel via de Encro-chat waar hij de nickname [naam 12] gebruikte te bemiddelen tussen een persoon [naam 11] die beschikte/kon beschikken over wapens en munitie en een persoon die zich op de Enco-chat bedient van de nickname “ [naam 13] ” over het soort en/of het aantal wapens en munitie en de daarbij behorende prijs;

ten aanzien van feit 4.

hij op of omstreeks 26 januari 2021 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

775 joints, zijnde met hasjiesj en/of hennep samengestelde sigaretten,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd en/of in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Door de verdediging is een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en het Openbaar Ministerie derhalve ontvankelijk is in de vervolging.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het op het verkeerde been zetten van de rechtbank en de verdediging ten aanzien van de (rechtmatigheid van de) Encrochat-hack.

De raadsman heeft zijn verweer, kort en zakelijk gezegd, gericht op een drietal gronden:

  1. De Encrochat-hack zou gericht zijn op de gebruikers van Encrochat en niet op de organisatie daarvan.

  2. De grootte van de rol die Nederland zou hebben gehad voorafgaand aan de inzet van de ‘interceptietool’ in Frankrijk. Er is in dat kader aangevoerd dat Nederland een grotere rol heeft gehad bij de Encrochat-hack in Frankrijk dan door het Openbaar Ministerie is gepresenteerd, reden waarom door het Nederlandse Openbaar Ministerie geen beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel.

  3. Het gebruik van de data die voortkomen uit de Encrochat-hack is strijdig met het Unierecht. Voor het gebruiken en bewaren van de Encrochat-data bestaat geen wettelijke grondslag of wettelijke controle en gebruiken is daarom onrechtmatig.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden dienen te worden gekwalificeerd als onherstelbare vormverzuimen en dat het Openbaar Ministerie als gevolg daarvan niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De beoordeling van het rechtmatigheidsverweer door de rechtbank.

Op grond van een Frans strafrechtelijk onderzoek zijn het bedrijf Encrochat en de natuurlijke personen die daaraan zijn gelieerd onderzocht. Er is door middel van een ‘interceptietool’ inzicht verkregen in dit bedrijf en de versleutelde communicatie die door gebruikers op door het bedrijf geleverde telefoontoestellen is gedeeld. Omdat in Nederland een soortgelijk onderzoek is gestart, is een Joint Investigation Team opgericht. In de overeenkomst die hieraan ten grondslag lag is overeengekomen dat alle informatie en bewijsmiddelen zouden worden gevoegd in een gezamenlijk onderzoeksdossier.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek onder Franse regelgeving heeft plaatsgevonden, zodat het internationale vertrouwensbeginsel in deze zaak aan de orde is. Onder een machtiging, die door een Franse rechter is afgegeven, heeft in een Frans onderzoek op Frans grondgebied een hack plaatsgevonden. Zelfs al zou de rol van de Nederlandse autoriteiten meeromvattender zijn geweest dan door het Openbaar Ministerie is gesteld, dan gaat het volgens de rechtbank nog steeds om een onderzoek dat onder de Franse regelgeving heeft plaatsgevonden. Op grond van het vertrouwensbeginsel ligt dit onderzoek niet ter toetsing aan de Nederlandse rechter voor. De rechtmatigheid van het onderzoek waarmee door de Franse autoriteiten de Encrochat-gegevens zijn achterhaald, staat dus niet ter beoordeling en mag worden verondersteld aanwezig te zijn.

Binnen het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek 26Lemont is door het Openbaar Ministerie voorzien dat de interceptie ook informatie zou opleveren over Nederlandse Enchrochat-gebruikers. Het Openbaar Ministerie heeft, zo is betoogd, als extra waarborg voor hun belangen een vordering ingediend bij een Nederlandse rechter-commissaris. Het ging hier om een vordering om een machtiging te verlenen ingevolge artikel 126uba Wetboek van Strafvordering. Dit betreft een wettelijke bepaling die voorschrijft onder welke voorwaarden kan worden binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of gegevensdrager die in gebruik is bij de georganiseerde criminaliteit. Zoals reeds is betoogd, was deze machtiging op dat moment in Frankrijk al verleend en had het om die reden, vanuit juridisch oogpunt en op basis van het vertrouwensbeginsel, niet nogmaals door een Nederlandse rechter hoeven worden beoordeeld.

De gegevens uit het onderzoek 26Lemont zijn door het Openbaar Ministerie toegevoegd aan onderhavig onderzoek op basis van artikel 126dd Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling biedt een wettelijke basis op grond waarvan informatie uit strafrechtelijke onderzoeken onderling gedeeld kan worden. Het is om die reden niet aan de rechtbank om te oordelen over eventuele vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek van 26Lemont, nu deze niet doorwerken in onderhavig onderzoek. De verdachte in onderhavig onderzoek kan ten gevolge van de zogeheten Schutznorm op eventuele vormverzuimen in dat onderzoek ook geen beroep doen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten zich hebben begeven op het terrein van de elektronische communicatiediensten, nu het bewaren en gebruiken van de datasets die de Nederlandse autoriteiten van de Franse autoriteiten hebben gekregen, moet worden aangemerkt als verwerking van persoonsgegevens. Daarom zou het Unierecht van toepassing zijn. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 1 lid 3 van de EU-richtlijn 2002/58 luidt, voor zover van belang, dat de richtlijn in geen geval van toepassing is op de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied. De rechtbank is daarom van oordeel dat de EU-richtlijn niet van toepassing is op de inbeslagneming van data bij de organisatie Encrochat.

Het subsidiaire verweer van de verdediging ziet erop dat het gebruik van de Encrochat-gegevens onder de werkingssfeer valt van de EU-richtlijn 2016/680. Deze richtlijn is door Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Een rechtstreeks beroep op die richtlijn is daarmee niet meer mogelijk. Niet is gebleken dat de Nederlandse wetgeving of haar toepassing strijdig is met de richtlijnconforme interpretatie. Om die reden komt de rechtbank ook niet toe aan het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van enig vormverzuim of ander onrechtmatig handelen. Er is dan ook geen reden om het Openbaar Ministerie

niet-ontvankelijk te verklaren.

De bewijsbeslissing.

Inleiding.

Bij de dienst landelijke recherche werd onder leiding van het Landelijk Parket een opsporingsonderzoek gestart, genaamd 26Lemont, naar gebruikers van Encrochat-telefoons. De data uit dit vooronderzoek zijn overgedragen naar het onderzoek 26Houille. Uit deze gegevens is de verdenking gerezen dat verdachte achter het Encrochat-account met de nickname ‘ [naam 12] ’ zit en vanuit die hoedanigheid voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de handel in verdovende middelen en wapens.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, voor het onder 3 ten laste gelegde in de primaire variant.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat als gevolg van de vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek over moet worden gegaan tot bewijsuitsluiting. Zoals hiervoor is overwogen onder het kopje ‘de formele voorvragen’ gaat de rechtbank niet mee in de stelling van de verdediging dat is gebleken van enig vormverzuim of onrechtmatig handelen. De rechtbank zal daarom ook het verzoek tot bewijsuitsluiting verwerpen.

Er zijn ook zaakinhoudelijke verweren gevoerd. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hetgeen aan verdachte onder feit 1, 2 en 3 is ten laste gelegd niet bewezen kan worden, omdat het niet verdachte, maar een ander was die gebruik maakte van de Encrochat-telefoon waarop belastende berichten zijn gevonden. Ten aanzien van het derde feit heeft de raadsman aangevoerd dat slechts het meer subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen.

De bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte actief is geweest op Encrochat via het account met de nickname ‘ [naam 12] ’. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Via het account van ‘ [naam 12] ’ wordt afgesproken om ‘bij mij’ af te spreken, waarna het adres van verdachte wordt genoemd. In een chatgesprek met een andere Encrochat-gebruiker wordt een foto gestuurd, waarop de rechtbank verdachte herkent. Een tweetal andere Encrochat-gebruikers hebben het account van ‘ [naam 12] ’ de toevoeging of alias ‘ [naam 14] ’ respectievelijk ‘ [naam 15] ’ gegeven. [woonplaats] is de woonplaats van verdachte. Vanuit de woning van verdachte is de

[locatie] te zien. In een editie van [publicatie] staat een artikel, waarin wordt geschreven over een royale gift die verdachte zou hebben gedaan aan [locatie] voor de restauratie van glas-in-loodramen. Een andere Encrochat-gebruiker heeft het account van ‘ [naam 12] ’ de toevoeging of alias ‘ [naam 16] ’ gegeven. Weer een andere Encrochat-gebruiker heeft ‘ [naam 12] ’ de toevoeging of alias ‘ [naam 17] ’ gegeven. De voornaam van verdachte is [verdachte] .

Voor de rechtbank niet aannemelijk dat niet verdachte, maar een ander, degene zou zijn geweest die berichten heeft verstuurd via Encrochat. De rechtbank komt tot dat oordeel gelet op bovengenoemde identificatie en het gegeven dat de berichtgeving van ‘ [naam 12] ’ in het Nederlands is. De Colombiaan die een tijd bij verdachte in huis heeft gewoond en die verdachte aanwijst als zijnde geweest ‘ [naam 12] ’ sprak enkel Spaans. Daar komt bij dat het berichtenverkeer start op 27 maart 2020, terwijl uit het dossier volgt dat de Colombiaan de dag voor Pasen (te weten 11 april 2020) pas bij verdachte in huis is gekomen.

De rechtbank komt tot de vaststelling dat het verdachte was die het account ‘ [naam 12] ’ gebruikt heeft en via Encrochat voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de handel in wapens en verdovende middelen. Daarbij acht de rechtbank bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde hoeveelheid hennep voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft het bezit daarvan bekend. De rechtbank baseert de bewezenverklaring op de redengevende bewijsmiddelen.

ten aanzien van feit 3, primair en subsidiair

Met de verdediging, en anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3, primair en subsidiair ten laste gelegde. Voor een bewezenverklaring van het onder 3, primair ten laste gelegde is vereist dat sprake is van de uitoefening van een bedrijf. Dat daarvan sprake is, kan de rechtbank niet uit de bewijsmiddelen afleiden. Voor een bewezenverklaring van het onder 3, subsidiair ten laste gelegde is vereist dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, vuurwapens, onderdelen daarvan of munitie daadwerkelijk voorhanden heeft gehad of overgedragen. Dat daarvan sprake is, kan de rechtbank evenmin uit de bewijsmiddelen afleiden. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 3, primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij komt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel tot een bewezenverklaring van het onder 3, meer subsidiair, ten laste gelegde.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

ten aanzien van feit 1.

in de periode van 27 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en binnen het grondgebied van

Nederland brengen van cocaïne en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA,

zijnde (telkens) middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededaders met dat opzet,

via crypto-telefoons met één of meer personen die zich bedien(d)en van

nicknames zoals '' [naam 1] '' en/of '' [naam 2] '' en/of '' [naam 3] '' en/of

'' [naam 4] '' en/of '' [naam 5] '' en/of '' [naam 6] '' en/of '' [naam 7] '' en/of

'' [naam 8] '' en/of '' [naam 9] '' en/of '' [naam 10] '' gecommuniceerd

over:

- de interesse en/of beschikbaarheid en/of de prijs en/of de kwaliteit en/of

de kwantiteit en/of de aankoop en/of verkoop en/of de invoer en/of de wijze

van uithalen en/of de wijze van het binnenvoeren in Europa en/of wijze van

transport van één of meer hoeveelheden cocaïne (blokken) en/of metamfetamine

(ICE) en/of amfetamine en/of amfetamineolie en/of MDMA;

- de beschikbaarheid van een (distillatie)ketel;

ten aanzien van feit 2.

in de periode van 27 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met anderen stoffen en voorwerpen heeft verwerkt, te koopaangeboden en voorhanden heeft gehad,

waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten,

hebbende hij en/of zijn medeverdachten met dat opzet,

- monsters van hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of wiet geregeld en/of getoond

en/of afgegeven;

- monsters van hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of wiet ontvangen;

- foto's van hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of wiet verspreid/getoond;

- onderhandeld over de levering en de prijzen van hennep(toppen) en/of

hasjiesj en/of wiet;

- één of meer persplaten voorhanden gehad;

ten aanzien van feit 3, meer subsidiair.

een persoon met de nickname [naam 11] in de periode van 27 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, en/of elders in Nederland en/of elders in Europa, opzettelijk,

- een machinepistool (“mach pist”) zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch mee te vuren genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- een vuurwapen (“sniper”) zijnde een vuurwapen genoemd onder categorie II of III van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- een geluiddemper genoemd onder categorie I van artikel 2 lid 1 van de WWM;

- 2 voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing te weten 2 handgranaten (“2 appels”) zijnde voorwerpen genoemd onder categorie II van artikel 2 lid 1 van de WWM en

- munitie genoemd onder categorie II en/of III van artikel 2 lid 2 van de WWM,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 27 maart tot en met 10 juni 2020 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft door via de Encro-chat waar hij de nickname [naam 12] gebruikte te bemiddelen tussen een persoon [naam 11] die beschikte/kon beschikken over wapens en munitie en een persoon die zich op de Enco-chat bedient van de nickname “ [naam 13] ” over het soort en/of het aantal wapens en munitie en de daarbij behorende prijs.

ten aanzien van feit 4.

op 26 januari 2021 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen

opzettelijk aanwezig heeft gehad

775 joints, zijnde met hasjiesj en/of hennep samengestelde sigaretten,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd:

- een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd reeds doorgebracht in voorlopige hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht een straf op te leggen gelijk aan de tijd die door verdachte reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor dan wel medeplichtigheid aan de handel in harddrugs, softdrugs en wapens. Deze ondermijnende vormen van criminaliteit ontwrichten de maatschappij. Het is algemeen bekend dat harddrugs ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Daarnaast heeft de verdachte met zijn handelen zeer ernstige vormen van criminaliteit, die gepaard gaan met zwaar en regelmatig dodelijk geweld door het illegaal gebruik van wapens en die samenhangen met de productie van en de handel in drugs, in stand gehouden. De verdachte heeft enkel gehandeld uit winstbejag en heeft zich geen enkel moment bekommerd over de schadelijke gevolgen die zijn handelen met zich bracht.

Daarbij rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij niet lijkt te leren van eerdere straffen. Verdachte is immers vaker veroordeeld voor soortgelijke feiten en liep gedurende de bewezenverklaarde periode nota bene in een schorsing van de voorlopige hechtenis na een veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf in een andere zaak. Verdachte is kennelijk niet of onvoldoende bereid geweest zijn crimineel gedrag te veranderen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de justitiële documentatie van de verdachte d.d. 13 oktober 2021.

De rechtbank heeft acht geslagen op het door de reclassering over de persoon van verdachte uitgebrachte rapport d.d. 02 september 2021 waarin staat dat verdachte een einde wil maken aan zijn criminele carrière. Verdachte heeft aangegeven weg te willen uit zijn geboortedorp om verleidingen om het criminele circuit weer in te gaan in de toekomst te weerstaan.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de officier van justitie in haar bewezenverklaring uitgaat van het onder feit 3 primair ten laste gelegde feit en de rechtbank enkel komt tot bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Beslag.

De rechtbank zal de aangetroffen en inbeslaggenomen joints en het vuurwapen onttrekken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit van deze goederen is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de wet en het algemeen belang. Het wapen is gecategoriseerd en derhalve vatbaar voor de onttrekking.


De rechtbank zal de aangetroffen en inbeslaggenomen notities en notitieboekjes verbeurdverklaren nu deze aantekeningen bevatten die betrekking hebben op de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen GSM aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze GSM.

De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 47, 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 10, 10a, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 31, 55 en 57 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen, door

- te trachten anderen te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen.

t.a.v. feit 2:

medeplegen van het verwerken, te koop aanbieden of voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn voor het plegen van een van de in het derde of vijfde lid van artikel 11 van de Opiumwet strafbaar gesteld feiten.

t.a.v. feit 3, meer subsidiair:

medeplichtigheid aan handelen in strijd met de artikelen 13, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie I, wapens van categorie II en een wapen van categorie II of III en medeplichtigheid aan handelen in strijd met de artikelen 26, eerste lid, en 31, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2.

t.a.v. feit 4:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid

aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

BESLISSING:

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3 meer subsidiair, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Beslag

- Onttrekking aan het verkeer van:

- 775 STKS Joints [goednummer 680853]

- 1 STK jachtgeweer [goednummer [640851]

- Verbeurdverklaring van:

- 1 STK papier notities [goednummer 640848]

- Teruggave van:

- 1 STK GSM [goednummer 640813]

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. L.P. Stapel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Geboers, griffier,

en is uitgesproken op 31 mei 2022.

mr. L.P. Stapel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.