Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:206

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
26-01-2022
Zaaknummer
C/01/354428 / HA ZA 20-39
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie over kostencomponent stadsverwarming. Ontbreken rechtsgrond voor het in rekening brengen van periodieke, geindexeerde en rentedragende aansluitbijdrage. Ontvankelijkheid claimstichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/354428 / HA ZA 20-39

Vonnis van 26 januari 2022

in de zaak van

de stichting

STICHTING STADSVERWARMING EINDHOVEN,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. N.C. Ogg te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENNATUURLIJK B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.A.J. Fick-Nolet te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna SSE en Ennatuurlijk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 juli 2020 en de daarin aangeduide processtukken,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 16 februari 2021 met aangehechte spreekaantekeningen van partijen en opmerkingen op het proces-verbaal van de zijde van SSE,

  • -

    de akte eiswijziging en het in het geding brengen producties (35 t/m 41) van SSE.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De achtergrond van het geschil

2.1.

Deze zaak gaat over stadsverwarming in de gemeente Eindhoven. Ennatuurlijk voorziet binnen de gemeente Eindhoven circa 5.600 woningen van stadsverwarming. Ennatuurlijk is rechtsopvolgster van Essent Local Energie Solutions B.V., welke vennootschap rechtsopvolgster is van Essent Warmte B.V. Laatstgenoemde vennootschap is op haar beurt weer rechtsopvolgster van de N.V. Provinciale Noord-Brabantse Energiemaatschappij (PNEM).

2.2.

Met ingang van 2012 is Ennatuurlijk naast de kosten voor de geleverde warmte en het vastrecht een derde component genaamd ‘bijdrage aansluitkosten’ separaat op de jaarrekening van haar afnemers gaan vermelden. Deze kostencomponent was in de periode voor 2012 voor de gebruikers van stadsverwarming niet zichtbaar, omdat deze als onderdeel van het niet gespecificeerde vastrecht bij hen in rekening werd gebracht.

2.3.

Deze zaak draait om de vraag of Ennatuurlijk en/of haar rechtsvoorgangers deze aansluitbijdrage terecht in rekening hebben gebracht en brengen bij de gebruikers van stadsverwarming in Eindhoven.

2.4.

SSE is opgericht in 2015 en stelt zich ten doel op te komen voor de belangen van gebruikers van stadsverwarming in de gemeente Eindhoven. Zij tracht dat doel blijkens haar statuten te verwezenlijken door het voeren van (collectieve) acties, het vorderen van schadevergoedingen en het ontwikkelen van een toekomstvisie voor stadsverwarming.

2.5.

Op 30 december 2019 heeft SSE deze zaak aanhangig gemaakt door het uitbrengen van een dagvaarding aan Ennatuurlijk. Het betreft een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3 De vaststaande feiten

3.1.

Ennatuurlijk drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de aanleg en exploitatie van warmtenetten en met de leverantie van warmte aan bedrijven en tienduizenden consumenten, waaronder gebruikers in Eindhoven.

3.2.

Waar hierna over Ennatuurlijk wordt gesproken, worden haar bij 2.1. genoemde rechtsvoorgangsters mede daaronder begrepen.

3.3.

In de gemeente Eindhoven worden circa 5.600 woningen voorzien van warmte door Ennatuurlijk. Van dat totale aantal bevinden zich circa 3.040 woningen in de wijken Grasrijk en Zandrijk in het stadsdeel Meerhoven, een westelijk gelegen deel van de gemeente Eindhoven, en circa 2.560 woningen buiten Meerhoven. In Meerhoven zijn deze woningen vanaf 1998 in verschillende fasen gebouwd, opgeleverd en in gebruik genomen en buiten Meerhoven vanaf 1999.

3.4.

Gelet op de hoge aanlegkosten van de netwerken, vindt aanleg van zowel een aardgasnet als een stadsverwarmingsnet in eenzelfde gebied niet of nauwelijks plaats. Gevolg daarvan is dat gebruikers die woonachtig zijn in een gebied waarin een warmtenet is aangelegd doorgaans geen aardgas kunnen afnemen om te voorzien in hun verwarmingsbehoefte en andersom geldt dat gebruikers in een aardgasgebied doorgaans geen stadswarmte kunnen afnemen. Wel zijn inmiddels individuele voorzieningen per woning aan te brengen als alternatief, zoals bijvoorbeeld vanaf circa 2015 een elektrische warmtepomp al dan niet in combinatie met zonnepanelen.

3.5.

De woningen die op het warmtenet van Ennatuurlijk zijn aangesloten, zijn woningen die ófwel in eigen beheer zijn gebouwd door zogenaamde zelfbouwers ófwel door projectontwikkelaars of aannemers al dan niet in opdracht van woningcorporaties. In het laatste geval zijn de woningen vervolgens door de projectontwikkelaars en aannemers verkocht aan particulieren ofwel aan partijen - bijvoorbeeld woningcorporaties - die de betreffende woningen vervolgens zijn gaan verhuren. De particuliere Eindhovense gebruikers van warmte van Ennatuurlijk zijn aldus te verdelen in drie groepen, hierna respectievelijk aangeduid met “zelfbouwers”, “woningeigenaren” (waarmee zij aangeduid worden die hun woning hebben gekocht van een oorspronkelijke zelfbouwer, een projectontwikkelaar of een aannemer) en “huurders”. Gezamenlijk zullen de Eindhovense gebruikers van stadverwarming hierna kortheidshalve ook aangeduid worden met “de bewoners”.

3.6.

Bij het betrekken van een woning in een gebied waar stadswarmte wordt geleverd sluiten alleen zelfbouwers twee overeenkomsten met Ennatuurlijk, te weten een “aansluitovereenkomst” en een “warmteleveringsovereenkomst”. Worden woningen gebouwd door aannemers of projectontwikkelaars, dan worden de aansluitovereenkomsten voor het tot stand brengen van de aansluiting van die betreffende woningen op het warmtenet gesloten tussen die aannemers of projectontwikkelaars enerzijds en Ennatuurlijk anderzijds. De opvolgende bewoners die hun woning kopen van een zelfbouwer en de huurders sluiten dus alleen een warmteleveringsovereenkomst met Ennatuurlijk. Op de aansluiting en warmtelevering in Eindhoven zijn steeds de algemene voorwaarden van Ennatuurlijk (of haar rechtsvoorgangsters) van toepassing verklaard.

3.7.

Artikel 14 van de toepasselijke algemene leveringsvoorwaarden 1994 van PNEM luidde:

“Tarieven (3)

14.1

Voor het tot stand brengen, uitbreiden of het wijzigen van een aansluiting en voor de levering zijn de aanvrager en de klant bedragen verschuldigd volgens de tarievenregeling van het bedrijf.

14.2

Het bedrijf bepaalt welk tarief van toepassing is. De aanvrager en de klant zijn gehouden desgevraagd de daartoe benodigde gegevens te verstrekken.

(…)

(3) DE TARIEVEN ZIJN OP AANVRAAG VERKRIJGBAAR BIJ ELK VAN DE IN ARTIKEL 1 VAN DE ALGEMENE VOORWAARDEN GENOEMDE BEDRIJVEN”.

3.8.

In de algemene voorwaarden van rechtsopvolgsters van PNEM, die deze voorwaarden van tijd tot tijd vervingen, waren soortgelijke bepalingen opgenomen. In de huidige voorwaarden van Ennatuurlijk is ook een artikel 14 opgenomen, dat in de leden 1 en 2 dezelfde bepalingen bevat als de bepaling die bij 3.7. is weergegeven.

3.9.

De hoogte van het tarief voor de aansluiting op het warmtenet en levering van warmte werd vanaf 1981 jaarlijks geadviseerd door de vereniging van stadsverwarmingbedrijven in Nederland (Vestin) in zogenaamde Tariefadviezen.

Na de horizontale integratie van de energiebedrijven (gas- en elektriciteitsbedrijven gingen samen) fuseerden diverse ‘energieverenigingen’ medio 1992 in de per 19 december 1991 daartoe opgerichte vereniging EnergieNed (vereniging van Energiedistributiebedrijven in Nederland). Vanaf 1993 werden de Tariefadviezen jaarlijks afgegeven door EnergieNed en getoetst door Senter Novem B.V. (destijds een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken). Dit gebeurde tot 1 januari 2014, de datum waarop de Warmtewet met de daarbij behorende regelgeving (Warmtebesluit en Warmteregeling) in werking trad.

3.10.

De Tariefadviezen1 houden onder meer en voor zover in deze procedure relevant in:

“(…)

De tariefadviezen gaan uit van het "niet-meer-dan-anders" beginsel (nmda-beginsel). Dit nmda-beginsel wordt toegepast voor de berekening van de aansluitbijdrage, het vastrecht en de warmteprijs en komt er op neer dat er een zodanig tarief voor de geleverde warmte wordt gevraagd dat het de warmteverbruiker gemiddeld niet meer kost dan bij gebruik van aardgas voor individuele centrale verwarming.

Vanaf 1993 zijn de EnergieNed adviezen jaarlijks geïndexeerd en/of aan de veranderende marktomstandigheden aangepast. Eveneens zijn de gevolgen van de EPN-wetgeving in de tariefelementen verwerkt.

(…)

2.2.

De aansluitbijdrage

De aansluitbijdrage is een éénmalige vergoeding die verschuldigd is op het moment dat de woning op het warmtenet wordt aangesloten. De aansluitbijdrage is gebaseerd op het principe van “vermeden kosten” binnen de woning en wordt berekend door uit te gaan van het verschil in kosten tussen de cv- en sv-installatie vermeerderd met de aansluitbijdrage voor aardgas.

(…)

2.3.

Het vastrecht

Het vastrecht is een jaarlijkse vergoeding welke verschuldigd is voor de aansluiting op het warmtenet. De hoogte van het vastrecht voor warmtelevering is opgebouwd uit de volgende elementen:

• het (uitgespaard) vastrecht voor aardgas

• de kosten voor uitgespaard onderhoud van een cv-ketel en vervanging van onderdelen

• de kosten voor verschillen in levensduur.

(…)”

3.11.

Begin december 2011 hebben de afnemers van warmte van Ennatuurlijk een brief2 ontvangen waarin werd aangekondigd dat er vanaf 2012 een derde post, namelijk de post ‘bijdrage aansluitkosten’ op de jaarafrekening zou worden vermeld. Deze brief houdt onder meer in:

“(…)

U bent klant van Essent en u heeft op bovenstaand verbruiksadres een individueel bemeterde huisaansluiting op de duurzame energievoorziening (…). Als klant ontvangt u maandelijks een voorschotfactuur voor de levering van warmte en warm tapwater. Jaarlijks wordt het werkelijke verbruik afgerekend via de jaarafrekening. De kosten die op de jaarafrekening voor de levering van warmte zijn vermeld, bestaan uit twee delen: één deel betreft de kosten voor de geleverde warmte (in GJ) en het andere deel betreft het vastrecht. Het vastrecht bevat een component ‘bijdrage aansluitkosten’. Vanwege tarieftransparantie gaan we deze, voor al onze klanten, voortaan op de jaarafrekening apart vermelden.

Bijdrage aansluitkosten

Binnen de component vastrecht betaalt u momenteel een bijdrage voor de aansluitkosten van de warmteaansluiting. Na aansluiting op het warmtenet is de looptijd van deze aansluitbijdrage 30 jaar. Voor 2011 gaat het om een bedrag van 144 euro, inclusief BTW. De aansluitbijdrage eindigt voor bovengenoemd verbruiksadres in 2038.

Wat betekent dit voor u?

Voor u als klant betekent dit dat u vanaf 1 januari 2038 jaarlijks minder gaat betalen voor de levering van warmte. Indien in uw situatie de looptijd nog niet is verstreken, wordt vanaf 2012 de bijdrage die u betaalt voor aansluitkosten afzonderlijk vermeld op uw jaarafrekening.

(…)”

3.12.

SSE is in 2015 opgericht door enkele gebruikers van stadsverwarming in Eindhoven. De oprichtingsakte3 houdt onder meer in:

“(…)

Doel

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel:

a. het opkomen voor de belangen van gebruikers van stadsverwarming in de gemeente Eindhoven. Onder gebruikers wordt onder meer verstaan alle eigenaren, (ver)huurders, bewoners, en gebruikers van woningen en gebouwen welke gebruik maken van stadsverwarming alsmede overige mensen en instanties welke gebruikmaken van stadverwarming.

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De stichting tracht haar doel te verwezenlijken door:

- het voeren van eventueel collectieve, acties en het vorderen van schadevergoedingen zowel in als buiten rechten voor personen en entiteiten zoals hiervoor onder 1.a. bedoeld,

- het ontwikkelen van een toekomstvisie met betrekking tot stadsverwarming; en voorts met gebruikmaking van alle wettelijke middelen.

(…)”

3.13.

Een drietal zelfbouwers heeft Ennatuurlijk in rechte betrokken omdat zij zich op het standpunt stelde dat het Ennatuurlijk niet was toegestaan jaarlijks een aansluitbijdrage in rekening te brengen naast de aansluitkosten die zij bij de bouw van hun woning al hadden betaald. De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft in de eindvonnissen - samengevat - geoordeeld dat de door Ennatuurlijk in rekening gebrachte bijdragen aansluitkosten - mede in aanmerking genomen het nmda-beginsel - redelijk zijn, dat Ennatuurlijk deze bijdrage in rekening heeft mogen brengen zoals zij heeft gedaan en dat Ennatuurlijk geen dubbele kosten in rekening heeft gebracht. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering van de zelfbouwers afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

3.14.

In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij eindarrest van 4 april 20174 (hierna: het Meerhoven-arrest) de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van de zelfbouwers alsnog toegewezen. Daartoe werd door het hof onder meer het volgende overwogen:

“(…)

Met de term “vastrechtkosten” wordt in de terminologie die in de branche gebruikelijk is het vastrecht verstaan, niet de onderhavige aansluitkosten. Het enkele feit dat achter de term “vastrecht” het woord “aansluiting” is opgenomen, maakt dit niet anders. Vastrecht impliceert periodiek terugkerende kosten; daaronder wordt niet verstaan eenmalig te maken kosten die vervolgens periodiek in rekening worden gebracht. De bewoners hadden daaruit dus, naar het oordeel van het hof, niet kunnen of moeten afleiden dat bepaalde kosten aan hen nog gedurende 30 jaren via het vastrecht in rekening zouden worden gebracht. Het hof overweegt voorts dat voor zover Ennatuurlijk dergelijke aanvullende kosten wél in rekening had willen brengen, van haar als professionele partij mocht worden verwacht dat zij haar offertes op zodanige wijze zou hebben ingericht dat deze niet voor misverstand vatbaar zouden zijn. De volgens Ennatuurlijk kennelijk bestaande onduidelijkheid dient op dit punt dan ook voor haar rekening te komen.

(…)

Het hof is van oordeel dat uit de gedragingen van de bewoners inhoudende betaling van het in rekening gebrachte vastrecht, niet kan worden afgeleid dat zij aldus hebben ingestemd met het periodiek in rekening brengen van een deel van de aansluitbijdrage. De reden hiervoor is enerzijds gelegen in het feit dat er een overeenkomst tussen partijen is gesloten op grond waarvan de kosten voor aansluiting reeds integraal door de bewoners waren voldaan (zie de conclusie onder 6.10), maar anderzijds ook in het feit dat onder de term "vastrecht” niet kan worden verstaan: een deel van de aansluitbijdrage. Indien Ennatuurlijk zou willen afwijken van de terminologie en de adviezen die in de branche gebruikelijk zijn, dan had het op haar weg gelegen om daarover duidelijkheid aan de bewoners te verschaffen. Nu zij dit niet heeft gedaan, is van instemming met het, gedurende een periode van dertig jaren, aanvullend in rekening brengen van aansluitkosten, geen sprake.

6.12.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat Ennatuurlijk met de bewoners een overeenkomst tot aansluiting van hun woning op het warmtenet heeft gesloten en daarvoor een prijs heeft geoffreerd die de bewoners hebben geaccepteerd. Ennatuurlijk heeft dan vervolgens niet meer het recht om aanvullende aansluitkosten in rekening te brengen, ook al hebben de bewoners gedurende een bepaalde periode een bedrag aan vastrecht betaald waarin een component aansluitbijdrage was opgenomen. Zij hebben dit onverschuldigd betaald, nu daarvoor een contractuele grondslag ontbreekt.

(…)”

3.15.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Ennatuurlijk tegen voornoemd arrest met verwijzing naar artikel 81 lid 1 RO verworpen.

3.16.

In september 2014 zijn bewoners van de Tilburgse wijk Reeshof door middel van een door hen opgerichte belangenstichting (Stichting Reeshof Warmte of “SRW”) een procedure gestart tegen Ennatuurlijk om een aantal verklaringen voor recht te verkrijgen met betrekking tot de periodieke aansluitbijdrage en de rentabiliteitsbijdrage. Deze Reeshof-procedure is aanleiding geweest tot het voeren van overleg tussen Ennatuurlijk en SRW en heeft geleid tot een compromis. Nadat 78,6% van de Tilburgse afnemers (neerkomend op circa 12.450 verbruikers) instemde met een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso 2016) is de Reeshof-procedure geroyeerd.

3.17.

Ennatuurlijk heeft de gebruikers van stadsverwarming in Eindhoven tot medio 2017 eveneens de vso 2016 aangeboden. De vso 2016 houdt kort gezegd in dat de jaarlijkse aansluitbijdrage in drie jaar wordt afgebouwd, dat de bewoners bij acceptatie een korting van € 53,-- krijgen op een aansluiting voor groene stroom bij Greenchoice en dat zij in ruil daarvoor afzien van hun aanspraken ten aanzien van de aansluitbijdrage en de rentabiliteitsbijdrage. In Eindhoven heeft een deel van de gebruikers dit aanbod tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst geaccepteerd.

3.18.

Het Meerhoven-arrest heeft Ennatuurlijk ertoe gebracht alle andere zelfbouwers, met wie zij nog geen vso 2016 had gesloten, een aanbod te doen tot het sluiten van een andere vso (hierna: vso 2019). De vso 2019 houdt onder meer in dat Ennatuurlijk de zelfbouwers terugbetaalt hetgeen zij als aansluitbijdrage (component B) via het vastrecht had geheven, een en ander voor zover de vordering niet was verjaard, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast zou Ennatuurlijk stoppen met het in rekening brengen van de aansluitbijdrage. Volgens Ennatuurlijk heeft een derde deel van de zelfbouwers dat aanbod geaccepteerd.

3.19.

Op 30 december 2019 heeft SSE Ennatuurlijk in rechte betrokken.

4 De vorderingen

4.1.

SSE vordert na wijziging eis dat de rechtbank, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

- voor recht verklaart dat Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) zonder rechtsgrond bij bewoners die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet gedurende maximaal 30 jaar een jaarlijkse aansluitbijdrage bij

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van projectwoningen en/of;

c) de huurders

in rekening brengt, zal brengen dan wel heeft gebracht;

- en/of voor recht verklaart dat Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) zonder rechtsgrond bij bewoners die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet de aansluitbijdrage jaarlijks indexeert en hierover een rente berekent bij

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van projectwoningen en/of;

c) de huurders;

subsidiair

- de overeenkomst tussen Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) en

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van projectwoningen en/of;

c) de huurders

partieel vernietigt dan wel partieel ontbindt ten aanzien van de gedurende (maximaal) 30

jaar in rekening gebrachte dan wel te brengen aansluitbijdrage,

- en/of de tussen de

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van projectwoningen en/of;

c) de huurders

en Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganper(s)) gesloten overeenkomst partieel vernietigt dan wel partieel ontbindt ten aanzien van de gedurende (maximaal) 30 jaar in rekening gebrachte dan wel te brengen indexering en rente, dan wel/in plaats van vernietiging, de gevolgen van de rechtshandeling met terugwerkende kracht wijzigt ter opheffing van het nadeel van SSE,

- indien en voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de lezing van Ennatuurlijk ten aanzien van artikel 14 van de algemene (leverings)voorwaarden ten aanzien van de tarieven zou kloppen, voor recht verklaart dat artikel 14 van de algemene voorwaarden van Ennatuurlijk onredelijk bezwarend is en artikel 14 van de algemene (leverings)voorwaarden op die grond vernietigt, voor zover de interpretatie van Ennatuurlijk van deze algemene (leverings)voorwaarden juist zou zijn,

meer subsidiair

- voor recht verklaart dat Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) onrechtmatig heeft gehandeld dan wel handelt ten aanzien van het gedurende (maximaal) 30 jaar in rekening brengen van een jaarlijkse aansluitbijdrage aan

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van projectwoningen en/of;

c) de huurders;

- en/of voor recht verklaart dat Ennatuurliik (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) onrechtmatig heeft gehandeld dan wel handelt ten aanzien van het gedurende (maximaal) aansluitbijdrage jaarlijks indexeert en hierover een rente berekent bij

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van proiectwoningen en/ot

c) de huurders

primair, subsidiair en meer subsidiair

- voor recht verklaart dat Ennatuurlijk gehouden is binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis bij

a. a) de zelfbouwers en/of;

b) de eigenaren van projectwoningen en/of;

c) de huurders

die voor 1 januari 2014 zijn aangesloten op het warmtenet haar tarifering in overeenstemming te brengen met de toepasselijke wet- en regelgeving en het nmda-beginsel en Ennatuurlijk daarbij te verplichten niet langer een periodieke aansluitbijdrage in rekening te brengen die geïndexeerd en rentedragend is en dat Ennatuurlijk een restitutieplicht heeft in de zin van een vergoeding voor het reeds (ten onrechte) betaalde

dan wel op een in goede justitie door de rechtbank te bepalen wijze, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat Ennatuurlijk hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000.000,--,

- Ennatuurlijk veroordeelt tot betaling aan SSE van de buitengerechtelijke kosten begroot op een bedrag van € 1.093,84 althans een in goede justitie te bepalen bedrag,

- Ennatuurlijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente daarover.

4.2.

SSE legt kort weergegeven het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

Ennatuurlijk heeft vanaf december 2011 in verband met de aanstaande verplichte tarieftransparantie op de jaarafrekening kosten gespecificeerd die voorheen verborgen waren omdat deze toen nog onder het vastrecht waren verstopt en het vastrecht niet nader was gespecificeerd. Pas vanaf december 2011 is de bewoners duidelijk geworden dat zij naast de kosten van geleverde warmte en het vastrecht ook jaarlijks een bijdrage aansluitkosten c.q. aansluitbijdrage betaalden. Vanaf dat moment is discussie ontstaan over de vraag of de bewoners niet twee maal aansluitkosten betaalden, omdat er ook al bij de bouw van de woning aansluitkosten waren betaald. Op grond van het onherroepelijk geworden Meerhoven-arrest staat vast dat Ennatuurlijk bij drie zelfbouwers ten onrechte een jaarlijkse aansluitbijdrage in rekening heeft gebracht omdat er bij de bouw van de woningen al voor de aansluiting op stadsverwarming was betaald.

De onderhavige procedure ziet op exact dezelfde problematiek. SSE wil met deze procedure bereiken dat vast komt te staan dat Ennatuurlijk vanaf 1999 tot op en met januari 2014 ten onrechte en zonder de bewoners te informeren de jaarlijkse aansluitbijdrage bij hen in rekening heeft gebracht, zodat er een basis ligt voor Ennatuurlijk om met SSE, dan wel met de individuele bewoners te praten over compensatie. Ennatuurlijk is daartoe zonder rechterlijk vonnis niet bereid.

Volgens SSE is het in rekening brengen van aansluitkosten bij het realiseren van de fysieke aansluiting op het warmtenet en daar bovenop het in rekening brengen een jaarlijks rentedragende en geïndexeerde aansluitbijdrage zonder juridische of contractuele grondslag niet toegestaan. De bewoners hebben de tot nu toe betaalde jaarlijkse aansluitbijdrage onverschuldigd betaald en Ennatuurlijk is als gevolg hiervan ongerechtvaardigd verrijkt. Daarnaast is het in rekening brengen van een periodieke aansluitbijdrage onrechtmatig. Het Tariefadvies geeft namelijk aan dat de aansluitbijdrage ziet op eenmalige kosten. Met het in rekening brengen van een jaarlijkse (geïndexeerde en rentedragende) aansluitbijdrage wordt het nmda-beginsel geschonden.

5 De ontvankelijkheid van SSE

5.1.

Ennatuurlijk bepleit in de eerste plaats dat SSE niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Zij voert daartoe kort weergegeven aan:

  • -

    dat SSE voor wat betreft de zelfbouwers geen belang heeft bij haar vorderingen,

  • -

    dat geen sprake is van gelijksoortige belangen bij de bewoners (artikel 3:305a lid 1 BW),

  • -

    dat de belangen van de achterban onvoldoende gewaarborgd zijn (artikel 3:305a lid 2 BW),

  • -

    er onvoldoende representativiteit is en

  • -

    aan meerdere vereisten van de Claimcode niet is voldaan.

5.2.

SSE heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht een nadere conclusie van repliek te mogen nemen om uitvoeriger te reageren op het niet-ontvankelijkheidsverweer. Dat verzoek wijst de rechtbank af omdat SSE gelet op de hierna weergegeven beslissing daarbij geen belang meer heeft. De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer nader in op de standpunten van partijen.

Onvoldoende belang voor wat betreft de zelfbouwers?

5.3.

Ennatuurlijk voert aan dat de zelfbouwers onvoldoende belang hebben bij de vorderingen van SSE omdat zij in 2016 en 2019 een vaststellingsovereenkomst aangeboden hebben gekregen die bij acceptatie tot hetzelfde resultaat zouden hebben geleid als waartoe de ingestelde vorderingen strekken.

5.4.

SSE betwist dat de zelfbouwers geen belang hebben bij de vorderingen. Volgens SSE vond bij acceptatie van de vso 2019 niet altijd (volledige) rentevergoeding plaats en moesten de zelfbouwers bij acceptatie van de vso 2016 bovendien hun vordering wegens teveel betaalde aansluitbijdrage prijsgeven.

5.5.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:302 BW bij de beantwoording van de vraag of een eisende partij voldoende belang heeft bij een rechtsvordering terughoudendheid dient te worden betracht. In het algemeen mag worden aangenomen dat voldoende belang voor de eisende partij bij een rechtsvordering bestaat.

De rechtbank ziet in dit geval zonder nadere toelichting door Ennatuurlijk niet in waarom toewijzing van de in deze procedure ingestelde vorderingen voor wat betreft de zelfbouwers noodzakelijkerwijs zou moeten leiden tot hetzelfde resultaat als waartoe de hen aangeboden vso 2016 en vso 2019 (producties 16 en 17 cva) strekken. De vorderingen in deze procedure stemmen niet overeen met de inhoud van deze vaststellingsovereenkomsten en ook is door Ennatuurlijk niet gesteld dat voor wat betreft de zelfbouwers door SSE hetzelfde resultaat wordt nagestreefd als het resultaat dat wordt bereikt door acceptatie van de vaststellingsovereenkomsten. Het standpunt dat SSE voor zover betrekking hebbend op de zelfbouwers geen belang heeft bij de vorderingen wordt daarom verworpen.

Primair: gelijksoortige belangen?

5.6.

Volgens Ennatuurlijk moet SSE eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen omdat haar groepsactie niet strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van personen, zoals artikel 3:305a lid 1 BW vereist. De belangen van de onbekende achterban zijn volgens Ennatuurlijk niet gelijksoortig omdat op bijna alle punten een beoordeling per afnemer nodig is, onder meer voor wat betreft het tijdstip van sluiting en de inhoud van de aansluitings- en/of leveringsovereenkomst (die per straat verschillend kan zijn), welke offertes en/of andere informatie de afnemer in dat kader voorafgaand heeft ontvangen (ook de tekst van de offertes kunnen per straat verschillen), of de betreffende afnemer in voorkomend geval al dan niet de toepasselijke algemene voorwaarden vóór 1 januari 2012 heeft vernietigd, Ennatuurlijk al dan niet in gebreke gesteld heeft etc. De drie categorieën bewoners verkeren in zodanig verschillende situaties dat hun belangen niet als gelijksoortig kunnen worden aangemerkt en zich ook om die reden niet voor bundeling lenen, aldus Ennatuurlijk.

5.7.

Volgens SSE zijn de door Ennatuurlijk opgesomde omstandigheden gelet op de wijze waarop de vorderingen zijn geformuleerd niet relevant en niet correct. Er is volgens SSE geen beoordeling per bewoner nodig om te kunnen bepalen of namens deze bewoner terecht een vordering is ingesteld. Er is in Eindhoven maar een beperkt aantal contractstukken en offertes in omloop en Ennatuurlijk levert daarin logischerwijs geen maatwerk. Alle verschillende offertes en contractstukken zijn in het geding gebracht. Per bewonersgroep is voldaan aan het vereiste van voldoende gelijksoortig belang en in de aan de orde gestelde rechtsvraag wordt voldoende geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden van het individu. Verschillen in contractstukken zouden alleen van belang kunnen zijn als Ennatuurlijk in sommige contractstukken wel melding zou hebben gemaakt van de extra aansluitbijdrage die verschuldigd zou zijn, maar dat is niet het geval. De vraag of de algemene voorwaarden al dan niet van toepassing zijn, is niet relevant, omdat het daarin opgenomen artikel 14 verkeerd wordt geïnterpreteerd door Ennatuurlijk, dan wel onduidelijk is geformuleerd en dus onredelijk bezwarend en vernietigbaar is.

5.8.

De rechtbank stelt voorop dat bij een collectieve actie in beginsel elk type vordering is toegestaan - met uitzondering van een vordering strekkende tot schadevergoeding in geld - mits deze strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen (artikel 3:305a BW). Aan de eis van gelijksoortigheid van belangen is volgens de Hoge Raad voldaan als de belangen zich lenen voor bundeling, zodat in één procedure geoordeeld kan worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken hoeven te worden.5 Bij collectieve acties gaat het in de regel om vorderingen die er toe strekken een oordeel te verkrijgen over de (on)toelaatbaarheid van een bepaalde handelwijze van een gedaagde. De vervolgvraag naar de gevolgen van een eventueel ontoelaatbaar handelen voor individuele gedupeerden moet in veel gevallen afzonderlijk worden beantwoord.

5.9.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak sprake is van voldoende gelijksoortige belangen als bedoeld in artikel 3:305a BW. Niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken door Ennatuurlijk is de stelling van SSE dat alle verschillende contractstukken met betrekking tot de Eindhovense gebruikers van stadsverwarming in deze procedure zijn ingebracht. Ennatuurlijk heeft namelijk niet aangevoerd dat er nog bepaalde varianten van de contractstukken ontbreken en zo ja, welke dat zijn. De Eindhovense gebruikers van stadsverwarming worden door beide partijen in drie groepen ingedeeld en hebben gemeen dat aan hen op basis van de overgelegde standaard contractstukken (de leveringscontracten) als onderdeel van het vastrecht een periodieke aansluitbijdrage in rekening is gebracht, waarvan zij menen dat daarvoor een contractuele grondslag ontbreekt. De belangen van de Eindhovense gebruikers lenen zich naar het oordeel van de rechtbank daarmee voldoende voor bundeling. De rechtbank kan het bij de primaire rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunt, namelijk of voor het in rekening brengen van een periodieke aansluitbijdrage een (contractuele) rechtsgrond aanwezig is, beoordelen zonder dat de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken hoeven te worden. Een collectieve actie heeft in zaken als de onderhavige bovendien veel voordelen. Het bewerkstelligt een concentratie van een deel van het debat, voorkomt tegenstrijdige uitspraken en kan positief bijdragen aan de mogelijkheden van een schikking. Omdat de rechtbank, zoals hierna zal blijken, aan de inhoudelijke beoordeling van de (meer) subsidiaire vorderingen van SSE niet toekomt, kan de beantwoording van de vraag of SSE ook in de subsidiaire vorderingen kan worden ontvangen vanwege voldoende gelijksoortige belangen achterwege blijven. Het betoog van Ennatuurlijk faalt dus.

Subsidiair: belangen achterban onvoldoende gewaarborgd?

5.10.

Ennatuurlijk voert subsidiair aan dat SSE de belangen van haar (beweerdelijke) achterban onvoldoende waarborgt. Ook dat staat volgens Ennatuurlijk aan ontvankelijkheid van SSE in de weg. Volgens Ennatuurlijk is volstrekt onduidelijk hoeveel afnemers SSE vertegenwoordigt. Zij betwist bij gebrek aan wetenschap en vanwege het gegeven dat Ennatuurlijk met 30% van de Meerhovense afnemers eind 2016 een vaststellingsovereenkomst sloot, uitdrukkelijk dat SSE verbruikers vertegenwoordigt en dat dit een relevant aantal betreft.

Ennatuurlijk verzoekt SSE gedocumenteerd aan te geven wie zij nu exact vertegenwoordigt om zo aan te tonen dat wordt voldaan aan de relevante representativiteitseis van artikel 3:305a BW. Daarnaast heeft SSE volgens Ennatuurlijk aan meerdere vereisten uit de Claimcode niet voldaan. SSE heeft blijkens haar statuten geen toezichthoudend orgaan en evenmin heeft zij doeltreffende interne besluitvormingsmechanismen die de achterban (voor zover daarvan al sprake is) een stem geven, althans uit niets blijkt dat zij dat heeft. Evenmin blijkt of zij voldoende middelen heeft om de proceskosten te dragen. De website van SSE biedt niet de door de wetgever gewenste corporate governance informatie. De website geeft geen enkel inzicht in de bestuursstructuur, bestuur- en toezichtverslagen, bezoldiging, nieuwsberichten over voortgang, inzicht in de berekening van eventueel gevraagde bijdragen van aangesloten, hoe men zich kan aansluiten en opstappen et cetera. Ook blijkt niet dat SSE voldoende ervaring en deskundigheid heeft voor collectieve vorderingen. Tot op heden heeft SSE nog geen bestuursverslag en/of jaarrekening gepubliceerd. Ennatuurlijk concludeert aldus dat SSE de Claimcode niet op een enkel marginaal punt schendt, maar substantieel en structureel.

5.11.

Volgens SSE vertegenwoordigt zij in principe alle bewoners ten aanzien van de misstanden met betrekking tot de stadsverwarming, maar heeft zij ten aanzien van de onderhavige procedure een deel van de bewoners, namelijk het deel dat een vaststellingsovereenkomst heeft getekend en het deel dat na 2014 is aangesloten, uitgesloten. Dat SSE maar een deel van de bewoners zou vertegenwoordigen is volgens SSE verder niet relevant. Het getalsargument geldt niet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het aantal aangesloten benadeelden geen doorslaggevend of formeel vereiste is voor ontvankelijkheid.

5.12.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 119a lid 1 Overgangswet BW in afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing blijven die golden voor die datum. In artikel 3:305a lid 2, laatste volzin (oud) BW is bepaald dat een partij die een collectieve actie begint eveneens niet-ontvankelijk is, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. De wetgever heeft deze bepaling per 1 juli 2013 aan lid 2 toegevoegd om te voorkomen dat zogenaamde claimstichtingen het collectief actierecht zouden gebruiken voor eigen commerciële doelstellingen. De wetgever wilde de rechter een handvat bieden om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien de stichting zich opwerpt als behartiger van de belangen van benadeelden maar eigen commerciële belangen de overhand lijken te hebben. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of aan dit waarborgvereiste is voldaan twee vragen centraal staan, namelijk in hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en in hoeverre mag er op worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. Factoren die kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de belangen van de betrokkenen voldoende zijn gewaarborgd zijn onder meer:

- welke overige werkzaamheden heeft de organisatie verricht om zich voor de belangen van betrokkenen in te zetten en heeft de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk doelstellingen kunnen realiseren,

- indien sprake is van een ad hoc organisatie, is deze opgericht door een reeds bestaande organisatie die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen heeft behartigd,

- hoeveel benadeelden zijn aangesloten bij de organisatie en in hoeverre ondersteunen zij de collectieve actie (representativiteit), en

- voldoet de organisatie aan de principes uit de Claimcode.

5.13.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvorderingen zijn ingesteld voldoende gewaarborgd. Er kan van worden uitgegaan dat sprake is van voldoende representativiteit. Ennatuurlijk heeft niet meer afdoende gereageerd op de stelling van SSE ter zitting dat van de 3500 aansluitingen/huishoudens er ruim 2000 huishoudens bij haar zijn geregistreerd die haar actie ondersteunen, waarvan 7% ziet op zelfbouwers, 83% op projectwoningen en 10% op huurwoningen. SSE hoeft naar het oordeel van de rechtbank daarom niet gedocumenteerd te onderbouwen wie zij precies vertegenwoordigt. Naar het oordeel van de rechtbank is verder duidelijk dat al de betrokken bewoners baat zullen hebben bij toewijzing van het gevorderde omdat dit hen duidelijkheid zal geven over hun juridische positie ten aanzien van de verplichting tot betaling van de aansluitbijdrage en hun positie bij eventuele onderhandelingen met Ennatuurlijk over compensatie. Ook is de rechtbank van oordeel dat gebleken is dat SSE over voldoende kennis en vaardigheden beschikt. SSE heeft de procedure van de zelfbouwers begeleid die heeft geleid tot het Meerhoven-arrest en zij heeft kennis van de in deze zaak aan de orde zijnde tariefstructuur en daarmee samenhangende problematiek. Zij beschikt via de aangesloten bewoners over alle relevante contractstukken. Uit de statuten van SSE volgt dat haar werkzaamheden zich niet beperken tot het voeren van de onderhavige procedure maar dat zij zich mede ten doel heeft gesteld om een toekomstvisie met betrekking tot stadsverwarming te ontwikkelen. SSE is opgericht door drie bewoners van de wijk Meerhoven. Dat sprake is van een belangenorganisatie met sterke commerciële motieven waarvan de bestuurders sterk profiteren van een uit te keren vergoeding is door Ennatuurlijk niet gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt. Dat de website van SSE volgens Ennatuurlijk niet de door de wetgever bedoelde corporate governance informatie bevat, oordeelt de rechtbank in dit geval van ondergeschikt belang. De Claimcode tracht te bevorderen dat claimorganisaties op onafhankelijke en deskundige wijze (zonder eigen winstoogmerk) de collectieve belangen van hun achterban behartigen. Voldoende is gebleken dat daarvan hier sprake is. Voor ontvankelijkheid is in dit geval niet vereist dat aan alle door de wetgever geformuleerde gezichtspunten is voldaan. Ook bij het (deels) afwijken van bepaalde gezichtspunten kan de belangenbehartiging door de belangenorganisatie voldoende gewaarborgd zijn.6 Ook dit niet-ontvankelijkheidsverweer van Ennatuurlijk faalt.

Conclusie ten aanzien van de ontvankelijkheid

5.14.

Nu alle niet-ontvankelijkheidsverweren worden verworpen, kan SSE in haar vorderingen worden ontvangen. De rechtbank komt toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

6 Het inhoudelijke verweer van Ennatuurlijk

6.1.

De aansluitbijdrage is volgens Ennatuurlijk een vergoeding die verschuldigd wordt op het moment dat de woning op het warmtenet wordt aangesloten en deze bestaat uit meerdere componenten. Twee daarvan hadden ten doel het kostenverschil tussen gas- en stadsverwarming vanwege het nmda-beginsel recht te trekken. Het gaat om de aansluitkosten die een stadsverwarmingsafnemer bespaart (te weten de aansluitbijdrage aardgas) omdat geen aansluiting op het gasnet nodig is (component A) en de investeringskosten die een stadsverwarmingsafnemer bespaart omdat aanschaf en montage van een centrale verwarmingsketel inclusief warm tapwater, rookgasafvoer, aansluitingen en ontluchting, niet nodig zijn (component B). Vóór de invoering van de Warmtewet in 2014 was het gedurende lange tijd een keuze van de warmteleverancier om component B van de aansluitbijdrage ineens vooraf dan wel periodiek als onderdeel van het vastrecht in rekening te brengen. Beide methoden waren volgens de destijds geldende Tariefadviezen geoorloofd.

Ook onder het regime van de Warmtewet mag in alle gevallen een (in principe: eenmalige) aansluitbijdrage ineens of in termijnen in rekening gebracht worden door de warmteleverancier. De door Ennatuurlijk gehanteerde systematiek op dit punt was en is zowel vóór als na 1 januari 2014 toelaatbaar en volledig geaccepteerd.

6.1.1.

Op verzoek van de gemeente Eindhoven hebben PNEM en NRE op 18 februari 1998 aan de gemeente een gezamenlijke aanbieding gedaan voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet ten behoeve van de op de locatie Meerhoven te bouwen woningen door een (nog op te richten) joint venture onder de naam Energiecombinatie Meerhoven (ECM). Dit voorstel is door de gemeente Eindhoven na serieuze onderhandelingen aanvaard en een en ander is vervolgens in een Overeenkomst Energievoorziening Meerhoven d.d. 18 juni 1998, gestalte gegeven. Expliciet onderdeel van de voorstellen aan de gemeente over de aanleg van het warmtenet in het nieuwbouwproject Meerhoven waren de tariefstructuur en aan de toekomstige bewoners in rekening te brengen tarieven. Voor de nog te bouwen woningen in Eindhoven buiten Meerhoven, die na 1998 tot 2012 op een warmtenet van PNEM aangesloten zijn, is de bestaande systematiek voortgezet. Ook daarvoor is besloten dat die woningen zouden worden aangesloten op het warmtenet van PNEM en daarbij zijn de afspraken gehanteerd die eerder voor Meerhoven gemaakt waren over de daarvoor later (bij de bewoners) in rekening te brengen tarieven/tariefstructuren.

6.1.2.

De redelijkheid van het tarief dat de bewoners op grond van voornoemde Overeenkomst Energievoorziening Meerhoven zijn verschuldigd, wordt volgens Ennatuurlijk gewaarborgd doordat de gemeente in het kader van haar publieke taakvervulling als belangenbehartiger van de toekomstige bewoners van Meerhoven betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst tot het aanleggen en de exploitatie van de stadsverwarming. Zij heeft op grond van haar publieke taak toegezien op de redelijkheid van de hoogte van de aansluitbijdrage en de wijze waarop de toekomstige bewoners die zouden moeten betalen.

6.1.3.

Van de overeenkomsten die met de bewoners zijn gesloten moeten de algemene aansluitvoorwaarden en de algemene leveringsvoorwaarden geacht worden onderdeel uit te maken. Anders dan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het Meerhoven-arrest heeft beslist, was op grond van artikel 14 van de toepasselijke algemene leveringsvoorwaarden sprake van een contractuele grondslag voor het als onderdeel van het vastrecht doorberekenen van component B van de aansluitbijdrage. Ten onrechte overwoog het hof in het Meerhoven-arrest: “vastrecht impliceert periodiek terugkerende kosten; daaronder wordt niet verstaan eenmalig te maken kosten die vervolgens periodiek in rekening worden gebracht.”

Onder vastrecht in de terminologie van de branche kon vóór invoering van de Warmtewet wel degelijk ook een periodiek geheven deel van de (conform het nmda-beginsel berekende) aansluitbijdrage worden verstaan. Ook in de visie van de wetgever betreft het vastrecht niet noodzakelijkerwijze voor de energieleverancier periodiek terugkerende kosten. Het gaat (slechts) om een kostenpost die los staat van het verbruik.

Indien de afnemers hadden willen weten uit welke componenten de aan hen in rekening te brengen tarieven bestonden en welke bedragen al die verschillende componenten beliepen, hadden zij daarnaar navraag kunnen (en moeten) doen, wat de afnemers die zich op de onbekendheid met de aansluitbijdrage beroepen kennelijk hebben nagelaten.

6.1.4.

Uitgangspunt is dat een afnemer bij het aangaan van een overeenkomst dient te weten wat de hoogte is van de financiële verplichtingen die hij aangaat. Ennatuurlijk betwist bij gebrek aan wetenschap dat de bewoners niet op de hoogte waren van het feit dat component B als geïndexeerd en rentedragend onderdeel van het vastrecht berekend zou worden. Dit was expliciet overeengekomen met de gemeente Eindhoven en voor eenieder duidelijk weergegeven in openbare stukken.

De met de afnemers bereikte overeenstemming over de door Ennatuurlijk te leveren prestaties en het tarief daarvoor impliceert dat de afnemers ook akkoord gingen met de verschillende componenten waaruit dat tarief bestond. Ennatuurlijk mocht daar in ieder geval gerechtvaardigd op vertrouwen.

6.1.5.

Artikel 14 van de toepasselijke algemene leveringsvoorwaarden betreft een kernbeding in de zin van artikel 6:231 sub a BW, waarop de wettelijke regeling inzake toetsing van algemene voorwaarden niet van toepassing is. Het beding is duidelijk en begrijpelijk geformuleerd.

Van een onduidelijk beding en de mogelijkheid tot toetsing aan artikel 6:238 lid 2 BW (en/of enig ander artikel uit Afdeling 3 van Titel 5 van Boek 6 BW) is geen sprake.

Als door de rechtbank geoordeeld zou worden dat toetsing wel kan plaatsvinden, dan is in dat kader mede van belang dat de voorwaarden, inclusief het beding van artikel 14, voor alle warmteleveranciers identiek zijn en tot stand gekomen zijn na goedkeuring van de Consumentenbond en onder auspiciën van de SER. Het beding is niet oneerlijk of onredelijk bezwarend. Ennatuurlijk heeft haar monopoliepositie nimmer misbruikt en altijd reële en redelijke tarieven gerekend. Haar positie werd en wordt zó gereguleerd dat een onredelijke tarifering niet aan de orde is. De verschillende componenten van het tarief voor de aansluiting en de geleverde warmte vormden geen “keuzemenu” omdat deze componenten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en allemaal dienen te worden betaald (of allemaal niet, in welk geval er geen aansluiting tot stand kan worden gebracht). De afnemers kunnen niet zelf bepalen of zij bepaalde componenten van het tarief wel of niet wensen te betalen in het kader van een door hen te sluiten/gesloten overeenkomst. Het is alles of niets. En over “alles” hebben Ennatuurlijk(s rechtsvoorganger) en de afnemers wilsovereenstemming bereikt.

6.1.6.

Voor het geval de rechtbank de voorgaande stellingen van Ennatuurlijk niet zou volgen, meent zij dat zij om verschillende redenen ex artikel 6:248 lid 1 BW gerechtigd was en is aan de afnemers in rekening te brengen hetgeen zij van meet af aan heeft gefactureerd en in de toekomst voornemens is conform diezelfde systematiek te factureren, omdat dit voortvloeit uit de artikelen 7:4 en/of 7:405 BW en/of de gewoonte en/of de eisen van redelijkheid en billijkheid. Ennatuurlijk meent tot slot vanwege diezelfde redenen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en in strijd met de rechtszekerheid zou zijn wanneer met een beroep op artikel 6:238 lid 2 BW (en/of enig ander artikel uit Afdeling 3 van Titel 5 van Boek 6 BW) de door Ennatuurlijk gehanteerde systematiek met terugwerkende kracht buiten toepassing gelaten zou worden.

6.2.

Op deze en overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

7 De beoordeling

De primair gevorderde verklaringen voor recht

7.1.

De rechtbank moet in deze zaak in de eerste plaats beoordelen of er een contractuele rechtsgrond bestaat voor het als onderdeel van het vastrecht voor een periode van maximaal 30 jaar in rekening brengen van een aansluitbijdrage bij de verschillende groepen bewoners die vóór 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet van Ennatuurlijk. Tevens moet de rechtbank beoordelen of er een contractuele rechtsgrond bestaat voor indexatie van en renteberekening over die aansluitbijdrage. Voor het geval een contractuele rechtsgrond naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt, moet de rechtbank beoordelen of er een andere rechtsgrond bestaat voor het in rekening brengen van een geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage.

7.2.

De bij SSE aangesloten bewoners hebben gemeen dat zij allen een warmteleveringsovereenkomst hebben gesloten met Ennatuurlijk en dat aan hen op basis van die overeenkomst als onderdeel van het vastrecht een periodieke aansluitbijdrage in rekening is gebracht. Voor de beantwoording van de hiervoor genoemde vragen is het daarom met name van belang om vast te stellen wat tussen de bewoners en Ennatuurlijk op grond van de warmteleveringsovereenkomsten is overeengekomen. Daarbij kan niet volstaan worden met een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de tussen partijen gemaakte afspraken, maar komt het doorgaans aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Omdat er vanuit kan worden gegaan dat de bewoners en Ennatuurlijk voorafgaand aan het sluiten van de warmteleveringsovereenkomst niet met elkaar hebben gesproken, komt in dit geval in het bijzonder gewicht toe aan hetgeen partijen schriftelijk aan elkaar hebben kenbaar gemaakt. Daarnaast komt bijzonder gewicht toe aan het feit dat Ennatuurlijk in de uitoefening van haar bedrijf handelde en dat de bewoners natuurlijke personen zijn die niet in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelden.

7.3.

Met inachtneming van de hiervoor weergegeven maatstaf is de rechtbank van oordeel dat tussen Ennatuurlijk en de bewoners niet is overeengekomen dat aan laatstgenoemden periodiek als onderdeel van het vastrecht een aansluitbijdrage in rekening zou worden gebracht. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van de volgende overwegingen.

7.3.1.

Op basis van de door Ennatuurlijk aan de bewoners verstrekte contracten en de inhoud van de destijds geldende Tariefadviezen konden de bewoners niet weten, en hoefden zij ook niet te begrijpen, dat aan hen periodiek als onderdeel van het vastrecht een aansluitbijdrage in rekening zou worden gebracht. Noch in deze contracten, noch in de Tariefadviezen wordt immers melding gemaakt van de mogelijkheid om de aansluitkosten deels ineens en deels periodiek in rekening te brengen en de door Ennatuurlijk in deze procedure gebruikte termen “component A” en “component B” komen daarin evenmin voor. In de overgelegde Tariefadviezen wordt de aansluitbijdrage juist omschreven als een éénmalige vergoeding die verschuldigd is op het moment dat de woning op het warmtenet wordt aangesloten. De door Ennatuurlijk en de bewoners bereikte wilsovereenstemming door acceptatie door laatstgenoemden van de aansluitovereenkomst en/of warmteleveringsovereenkomst moet daarom geacht worden geen betrekking te hebben gehad op deze periodieke aansluitbijdrage (component B) waarvan de bewoners geen kennis hadden en waarop zij ook niet bedacht hoefden te zijn.

7.3.2.

Wat er verder ook zij van het door het gerechtshof in het Meerhoven-arrest gegeven definitie van de term ‘vastrecht’, de bewoners konden op grond van de door Ennatuurlijk aan hen verstrekte schriftelijke informatie niet weten, en zij hoefden ook niet te begrijpen, dat aan hen als onderdeel van het vastrecht periodiek nog een geïndexeerde aansluitbijdrage in rekening zou worden gebracht, laat staan dat dit zou gebeuren in de vorm van een rentedragende lening die op basis van een dertigjarige annuïteit moest worden terugbetaald.

7.3.3.

De verwijzing door Ennatuurlijk naar de met de gemeente Eindhoven gemaakte afspraken neergelegd in de Overeenkomst Energievoorziening Meerhoven gaat niet op. Deze afspraken regarderen de bewoners niet; zij waren bij de totstandkoming ervan niet betrokken en zij zijn juridisch niet aan deze afspraken gebonden. Het staat ook geenszins vast dat de bewoners van de daarin opgenomen afspraken kennis hebben kunnen nemen voorafgaand aan het sluiten van een warmteleveringsovereenkomst en/of aansluitovereenkomst. Door Ennatuurlijk wordt in haar contractstukken niet naar deze overeenkomst verwezen. Voor zover bewoners kennis hebben genomen van de voorlichtingsbrochures met de titels “Energie in Meerhoven. Een combinatie van warmte en elektriciteit” en “Handleiding Cluster Warmte in Meerhoven” geldt naar het oordeel van de rechtbank dat daarin evenmin duidelijk is opgenomen dat aan hen een periodieke aansluitbijdrage in rekening zal worden gebracht op basis van een rentedragende annuïteitenlening.

7.3.4.

Artikel 14 van de algemene voorwaarden van Ennatuurlijk biedt geen contractuele grondslag voor het periodiek in rekening brengen van een geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage. Het in dat artikel opgenomen beding bepaalt kort gezegd dat Ennatuurlijk eenzijdig de (hoogte van) de tarieven kan bepalen. Dat Ennatuurlijk daartoe gerechtigd is staat tussen partijen niet ter discussie. De reikwijdte van het beding strekt zich echter niet zo ver uit, dat daarin ook een rechtsgrond is gelegen voor het in rekening brengen van een niet nader gespecificeerde kostencomponent waarmee de wederpartij redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden. Omdat artikel 14 van de algemene voorwaarden van Ennatuurlijk naar het oordeel van de rechtbank dus geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van een periodieke aansluitbijdrage, kan de vraag of het in dat artikel opgenomen beding moet worden aangemerkt als kernbeding en/of vernietigbaar is (waar partijen ook over twisten) bij gebrek aan relevantie in het midden worden gelaten. Bij het ontbreken van een contractuele grondslag kan ook in het midden worden gelaten de vraag of met betrekking tot de aansluitbijdrage sprake is van een kredietovereenkomst als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 aanhef en onder c BW of van een krediettransactie als bedoeld in de wet zoals deze voor 25 mei 2011 gold.

7.3.5.

De rechtbank benadrukt dat zij in deze procedure geen antwoord geeft op de vraag of het Ennatuurlijk zou zijn toegestaan om de aansluitbijdrage deels periodiek als onderdeel van het vastrecht in rekening te brengen, ofwel: of de door Ennatuurlijk gehanteerde systematiek toelaatbaar zou zijn op grond van de relevante regelgeving. Aan beantwoording van die vraag komt de rechtbank niet toe, omdat wordt geoordeeld dat het in rekening brengen van de periodieke aansluitbijdrage niet is overeengekomen tussen partijen. De standpunten die Ennatuurlijk op dit punt heeft ingenomen kunnen onbesproken worden gelaten.

7.3.6.

Omdat de rechtbank van oordeel is dat een contractuele rechtsgrond voor het in rekening brengen van een geïndexeerde en rentedragende periodieke aansluitbijdrage ontbreekt, is toetsing aan destijds nog niet geldende consumentenwetgeving niet van toepassing en van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake. Ook deze betogen van Ennatuurlijk falen.

7.4.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de beantwoording van de vraag of er een andere rechtsgrond is voor het periodiek in rekening brengen van een geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage aan de bewoners. Ennatuurlijk beroept zich in dat kader op artikel 6:248 lid 1 BW en/of de artikelen 7:4 en 7:405 BW.

7.5.

Het beroep op 6:248 lid 1 BW gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Uit dit wetsartikel volgt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat een verplichting tot het betalen van een periodieke aansluitbijdrage afwijkt van hetgeen in de Tariefadviezen over de aansluitbijdrage stond vermeld zodat niet gesteld kan worden dat de door Ennatuurlijk toegepaste wijze van tarifering voortvloeit uit de aard van de overeenkomst of de gewoonte. Omdat Ennatuurlijk ook niets over een periodieke aansluitbijdrage in de overgelegde contractstukken heeft vermeld, mochten de bewoners er mede op basis van de Tariefadviezen van uitgaan dat de (eenmalige) aansluitkosten bij de totstandkoming van een aansluiting integraal waren voldaan. De rechtbank ziet gelet daarop niet in waarom uit de eisen van redelijkheid en billijkheid zou voortvloeien dat de bewoners toch periodiek deze bijdrage dienen te voldoen. Dat het totale tarief volgens Ennatuurlijk redelijk is en Ennatuurlijk financieel nadeel lijdt indien zij de periodieke aansluitbijdrage niet meer in rekening kan brengen of zelfs terug moet betalen aan de bewoners, is onvoldoende voor een beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is net als het gerechtshof in het Meerhoven-arrest namelijk van oordeel dat van Ennatuurlijk als professionele partij had mogen worden verwacht dat zij haar offertes en contractstukken op zodanige wijze zou inrichten dat deze voor de wederpartij niet voor misverstand vatbaar zouden zijn. Onduidelijkheden en omissies in de contractstukken dienen redelijkerwijs voor rekening van Ennatuurlijk te komen.

7.6.

De artikelen 7:4 en 7:405 BW hebben kort gezegd betrekking op de situatie waarin een prijs of loon verschuldigd is maar de hoogte ervan niet door partijen is bepaald. Deze artikelen missen toepassing in het onderhavige geschil. De kern van hetgeen hiervoor is overwogen is immers dat de bewoners niet geïnformeerd zijn over en niet bedacht hoefden te zijn op een verplichting tot periodieke betaling van een rentedragende en geïndexeerde aansluitbijdrage zodat die verplichting geacht moet worden niet tussen partijen te zijn overeengekomen.

7.7.

De conclusie van het voorgaande is dat de primair door SSE gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar zijn. Aan de beoordeling van de (meer) subsidiaire vorderingen komt de rechtbank daarom niet meer toe.

De overige vorderingen

7.8.

SSE vordert verder een verklaring voor recht die - kort weergegeven - inhoudt dat Ennatuurlijk gehouden is haar tarifering in overeenstemming te brengen met de toepasselijke wet- en regelgeving en het ndma-beginsel en dat de rechtbank Ennatuurlijk daarbij verplicht niet langer een periodieke aansluitbijdrage in rekening te brengen die geïndexeerd en rentedragend is en verder om te bepalen dat Ennatuurlijk een restitutieplicht heeft in de zin van een vergoeding voor het reeds (ten onrechte) betaalde

op straffe van verbeurte van een dwangsom.

7.9.

Ennatuurlijk voert hiertegen aan dat het voor toewijzing van deze vordering noodzakelijk is duidelijkheid te hebben om wélke warmtegebruikers het nu gaat die SSE stelt te vertegenwoordigen en ten behoeve van wie zij het betreffende gebod vordert. Dat is volgens Ennatuurlijk nu niet het geval. Het onder het mom van algemene belangenbehartiging vorderen van dergelijke geboden, zonder dat SSE inzichtelijk kan maken op welke bewoners die betrekking zouden moeten hebben en ten aanzien van welke stadsverwarmingsgebruikers Ennatuurlijk haar wijze van factureren dan beweerdelijk zou moeten wijzigen, is te onbepaald om te kunnen worden toegewezen (Ennatuurlijk sloot met vele bewoners al vaststellingsovereenkomsten en heeft veel zelfbouwers naar eigen zeggen al gecompenseerd).

7.10.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit verweer van Ennatuurlijk. De gevorderde verklaring voor recht en het gebod zijn onvoldoende concreet geformuleerd en onderbouwd om toegewezen te kunnen worden. Uit de toewijzing door de rechtbank van de primaire vorderingen volgt reeds dat Ennatuurlijk zonder rechtsgrond een periodieke aansluitbijdrage bij de bewoners in rekening brengt/heeft gebracht. In aanvulling daarop heeft SSE onvoldoende toegelicht waarom het door Ennatuurlijk gehanteerde (totale) tarief volgens haar ook in strijd is met het nmda-beginsel. Dit beginsel houdt in dat een zodanig tarief voor de geleverde warmte mag worden gevraagd dat het de warmteverbruiker gemiddeld niet meer kost dan bij gebruik van aardgas voor individuele centrale verwarming. Ennatuurlijk heeft gemotiveerd betwist dat haar tarifering in strijd is met het nmda-beginsel, en een duidelijke onderbouwing/vergelijking door SSE op dit punt is vervolgens uitgebleven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast voor toewijzing van een gebod strekkende tot restitutie op straffe van verbeurte van een dwangsom een individuele beoordeling per bewoner nodig die in deze procedure niet kan worden gegeven. De vordering wordt daarom afgewezen.

7.11.

SSE vordert tot slot een vergoeding van € 1.093,84 aan buitengerechtelijke kosten. SSE legt daaraan ten grondslag dat zij werkzaamheden heeft verricht die vallen buiten de gebruikelijke werkzaamheden ter voorbereiding van deze procedure en instructie van de zaak. SSE stelt dat partijen meermaals hebben gesproken over hun standpunten, dat hierover is gecorrespondeerd, dat zij diverse overleggen met haar achterban heeft gehad, dat er is gepoogd een minnelijke regeling te bereiken en dat er ook tussen de advocaten nog is gecorrespondeerd.

7.12.

Volgens Ennatuurlijk heeft SSE niets gesteld omtrent de datum vanaf wanneer Ennatuurlijk in verzuim zou zijn, zodat de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten om die reden al afgewezen moet worden.

Subsidiair is ten aanzien van de vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten volgens Ennatuurlijk niet voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 leden 2 onder c en 3 BW. De vordering - een verklaring voor recht - verhoudt zich volgens Ennatuurlijk daarnaast niet met een vordering wegens incassokosten, die vooral ziet op de werkzaamheden buiten rechte die niet in de proceskostenveroordeling besloten liggen.

Meer subsidiair geldt volgens Ennatuurlijk dat de handelingen van SSE de inleiding voor deze procedure vormden, waarvoor in geval van een eventuele veroordeling de proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt.

7.13.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen uitgangpunt is dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak (artikel 241 Rv). Voor afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

7.14.

De door SSE gestelde en door Ennatuurlijk onvoldoende gemotiveerd betwiste buitengerechtelijke werkzaamheden voldoen naar het oordeel van de rechtbank aan dit vereiste. Anders dan Ennatuurlijk kennelijk betoogt kunnen ook voor andere verbintenissen dan geldvorderingen buiten rechte kosten worden gemaakt om te bewerkstelligen dat de schuldenaar, die is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis, alsnog zijn verbintenis nakomt zonder dat een gerechtelijke procedure gevoerd hoeft te worden.

SSE heeft in dit verband onder meer gesteld dat op 16 februari 2016 een kennismakingsgesprek tussen SSE en Ennatuurlijk heeft plaatsgevonden en dat er op 12 oktober 2016 nogmaals gesproken is tussen partijen. Ook is volgens SSE tussen partijen intensief gecorrespondeerd in de hoop dat er een oplossing voor de jaarlijkse aansluitbijdrage zou komen. Na het Meerhoven-arrest stelt SSE opnieuw een poging te hebben gedaan met Ennatuurlijk om in overleg te treden. Zij stelt de advocaat van Ennatuurlijk in dat verband op 5 januari 2018 te hebben aangeschreven. Nadat de Hoge Raad arrest had gewezen, heeft SSE Ennatuurlijk nogmaals verzocht te praten over een minnelijke regeling en in overleg te treden over een oplossing van dit geschil. Bij brief van 30 januari 2018 heeft de advocaat van Ennatuurlijk volgens SSE bericht dat er in de optiek van Ennatuurlijk over de genoemde discussiepunten al eerder was gesproken en dat een nieuwe bespreking een herhaling van zetten zou zijn. Deze laatste mededeling moet naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de aansluitbijdrage worden gekwalificeerd als een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW als gevolg waarvan het verzuim van rechtswege intreedt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is naar het oordeel van de rechtbank redelijk afgezet tegen de omvang van de werkzaamheden. De vordering wegens buitengerechtelijke kosten is op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW toewijsbaar.

7.15.

Ennatuurlijk zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SSE worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 2.042,00

- salaris advocaat 956,00 (2,0 punten × tarief € 478,00)

Totaal € 3.097,01

De nakosten zullen worden toegewezen op de hierna in het dictum weer te geven wijze.

8 De beslissing

De rechtbank

8.1.

verklaart voor recht dat Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) zonder rechtsgrond bij bewoners die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet gedurende maximaal 30 jaar een jaarlijkse aansluitbijdrage bij

a. a) de zelfbouwers en;

b) de eigenaren van projectwoningen en;

c) de huurders;

in rekening brengt, zal brengen dan wel heeft gebracht,

8.2.

verklaart voor recht dat Ennatuurlijk (dan wel haar rechtsvoorganger(s)) zonder rechtsgrond bij bewoners die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet de aansluitbijdrage jaarlijks indexeert en hierover een rente berekent bij

a. a) de zelfbouwers en;

b) de eigenaren van projectwoningen en;

c) de huurders,

8.3.

veroordeelt Ennatuurlijk tot betaling aan SSE van de buitengerechtelijke kosten begroot op een bedrag van € 1.093,84,

8.4.

veroordeelt Ennatuurlijk in de proceskosten, aan de zijde van SSE tot op heden begroot op € 3.097,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

8.5.

veroordeelt Ennatuurlijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Ennatuurlijk niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

8.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad,

8.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.

1 Producties 2 t/m 4 conclusie van antwoord

2 Productie 20 dagvaarding

3 Productie 1 dagvaarding

4 Productie 6 dagvaarding

5 Vgl. o.m. Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756.

6 Vgl. ook Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185.