Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2022:1531

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-04-2022
Datum publicatie
21-04-2022
Zaaknummer
01/994042-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Gitaar: rechtspersonen en stichtingen zamelden miljoenen euro's in van donateurs, welk geld zou worden ingezet om het welzijn van dieren te verbeteren.

Verweren niet-ontvankelijkheid officier van justitie: trial by media, gelijkheidsbeginsel, overschrijding redelijke termijn, verworpen.

Vrijspraak van feitelijk leidinggeven aan oplichting, van medeplegen van oplichting en van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift.

Veroordeling voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk oplichting, (gewoonte)witwassen en valsheid in geschrift, voor medeplegen van valsheid in geschrift door valse notulen op te maken en voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door valse facturen in de bedrijfsadministratie van het bedrijf te verwerken.

Overschrijding van de redelijke termijn.

Opgelegd wordt een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/994042-19

Datum uitspraak: 21 april 2022

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 23 juni 2020, 28 maart 2022, 29 maart 2022 en 7 april 2022 (sluiting).

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 april 2020. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009

tot en met 30 maart 2016 in Wierden en/of Deventer en/of Nijmegen en/of

Berghem en/of Woudenberg en/of op meerdere plaatsen in Nederland, althans in

Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten:

- haar, verdachte en/of

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

één of meer rechtsperso(o)n(en) te weten:

- [bedrijf 1] en/of

- [bedrijf 2] en/of

- [stichting 1] en/of

- [stichting 2] en/of

- [stichting 3] en/of

- [stichting 4] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht),

- verduistering (in dienstbetrekking) (artikel 321 en 322 Wetboek van

Strafrecht),

- (gewoonte)witwassen (artikel 420 bis/ter Wetboek van Strafrecht),

- valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 en/of 2 Wetboek van Strafrecht);

2.

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [stichting 1]

en/of [stichting 2]

en/of [stichting 4] ,

in of omstreeks de periode van 01 januari tot en met 30 maart 2016 in Wierden

en/of Deventer en/of Nijmegen en/of Berghem en/of Woudenberg en/of op meerdere

plaatsen in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

elkaar en/of met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een

valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen,

hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

een (groot) aantal donateurs waaronder / te weten:

* ten aanzien van [stichting 2] (FIN 18,

digitale bijlage 02 t/m bijlage 05; map 17, GET 000-1-1, p. 005776; GET

000-1-4, p. 006201):

- [slachtoffer 1] (GET019-01) en/of

- [slachtoffer 2] (GET042-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 1] (FIN 18,

digitale bijlage 06 t/m bijlage 08; map 18, GET 000-2-1, p. 006213; GET

000-2-4, p. 006511):

- [slachtoffer 3] (GET 047-01) en/of

- [slachtoffer 4] (GET 048-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 4] (FIN 18, digitale bijlage 09 t/m bijlage

11; map 19, GET 000-3-1, p. 006514; GET 000-3-4, p. 006825):

- [slachtoffer 5] (GET 068-01) en/of

- [slachtoffer 6] (AGV 01) en/of

* ten aanzien van [stichting 3] (FIN 18, digitale bijlage 12; map 20,

GET 000-4-1, p. 006836; GET 000-4-4, p. 007067):

- [slachtoffer 7] (GET 098-01) en/of

- [slachtoffer 8] (GET 100-1),

(telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van (telkens) één of meer

geldbedrag(en)/donatie(s) tot een totaal van 35.417.579 euro of daaromtrent

(FIN 18), in elk geval enig(e) geldbedrag(en)/donatie(s) en/of

tot het aangaan van (telkens) één of meer schuld(en) door het afgeven van één

of meer machtiging(en) tot het automatisch afschrijven van (telkens) een of

meer geldbedrag(en)/donatie(s),

hebbende [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of

[stichting 1] en/of [stichting 2]

en/of [stichting 4] en/of (een of meer

van) hun/haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- (bij de werving) doen/laten voorkomen dat (het merendeel van) die/dat

bedrag(en)/donatie(s) werd(en) gebruikt om één of meer externe goede doelen te

ondersteunen, terwijl in werkelijkheid slechts een klein percentage aan

externe goede doelen werd betaald/besteed;

en/of

- aan de donateurs verzuimd te vertellen en/of te doen/laten vertellen dat een

groot deel van de bedragen/ de donaties niet aan goede doelen werd besteed;

en/of

- te beknopte en/of onvolledige jaarverslagen gepubliceerd waardoor er geen

compleet beeld van de bestedingen naar voren is gekomen;

en/of

- doen/laten voorkomen dat [stichting 1]

en/of [stichting 2] en/of [stichting 4]

en/of [stichting 3] (een) bonafide en betrouwbare stichting(en)

is/zijn door (onder meer) te doen/laten voorkomen dat er sprake is van (een)

onafhankelijk(e) bestu(u)r(en) binnen deze stichting(en);

en/of

- met het gebruik van het [naam 1] voorgewend en/of

doen/laten voorwenden dat één of meer van voornoemde stichting(en) een

onafhankelijk en/of geaccrediteerd keurmerk had/hadden;

en/of

-jegens één of meer van voornoemde donateur(s) voorgewend en/of doen/laten

voorwenden dat de werver(s) vrijwilliger(s) was/waren;

en/of

-aan één of meer van voornoemde donateur(s) één of meer welkomstbrief/-brieven

en/of nieuwsbrief/-brieven en/of één of meer foto('s) en/of folder(s) en/of

flyer(s) en/of sticker(s) en/of informatiemap(pen) en/of promotiemap(pen) met

daarin foto's van zielige dieren en/of logo's van [naam 2] en/of [naam 1] en/of goede

doelen overzicht(en) getoond en/of doen/laten tonen;

en/of

-voorgewend en/of doen/laten voorwenden dat [stichting 1]

en/of [stichting 2] en/of

[stichting 4] en/of [stichting 3] rechtmatig een [naam 2] -status

verworven had(den) en/of die [naam 2] -status vervolgens benoemd en/of doen/laten

benoemen en/of doen/laten zien in de folder(s) en/of brochure(s) en/of

map(pen) bij het werven van voornoemde donateur(s),

waardoor bovengenoemde donateur(s) (telkens) werd(en) bewogen tot

bovengenoemde afgifte(s) en/of tot bovengenoemd aangaan van (een) schuld(en),

hebbende zij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat feit(en) en/of

feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

en/of

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2009

tot en met 30 maart 2016 in Wierden en/of Deventer en/of Nijmegen en/of

Berghem en/of Woudenberg, althans in Nederland tezamen en in vereniging met

elkaar en/of met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

één of meer geldbedrag(en), tot een totaal van 35.417.579 euro of daaromtrent

(FIN 18), in elk geval enig geldbedrag en/of enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [stichting 1] ,

[stichting 2] , [stichting 3] en/of

[stichting 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [bedrijf 1]

en/of [bedrijf 2] en/of haar/hun medeverdachte(n),

ontvangen van een (groot) aantal donateurs waaronder / te weten:

* ten aanzien van [stichting 2] (FIN 18,

digitale bijlage 02 t/m bijlage 05; map 17, GET 000-1-1, p. 005776; GET

000-1-4, p. 006201):

- [slachtoffer 1] (GET019-01) en/of

- [slachtoffer 2] (GET042-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 1] (FIN 18,

digitale bijlage 06 t/m bijlage 08; map 18, GET 000-2-1, p. 006213; GET

000-2-4, p. 006511):

- [slachtoffer 3] (GET 047-01) en/of

- [slachtoffer 4] (GET 048-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 4] (FIN 18, digitale bijlage 09 t/m bijlage

11; map 19, GET 000-3-1, p. 006514; GET 000-3-4, p. 006825):

- [slachtoffer 5] (GET 068-01) en/of

- [slachtoffer 6] (AGV 01) en/of

* ten aanzien van [stichting 3] (FIN 18, digitale bijlage 12; map 20,

GET 000-4-1, p. 006836; GET 000-4-4, p. 007067):

- [slachtoffer 7] (GET 098-01) en/of

- [slachtoffer 8] (GET 100-1),

welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) [bedrijf 1]

en/of [bedrijf 2] en/of haar medeverdachte(n) (telkens) als donatie(s) , in

elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den) (telkens)

wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

hebbende zij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat feit(en) en/of

feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 30 maart 2016

in Wierden en/of Deventer en/of Nijmegen en/of Berghem en/of Woudenberg en/of

op meerdere plaatsen in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een

valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen,

hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

een (groot) aantal donateurs waaronder / te weten:

* ten aanzien van [stichting 2] (FIN 18,

digitale bijlage 02 t/m bijlage 05; map 17, GET 000-1-1, p. 005776; GET

000-1-4, p. 006201):

- [slachtoffer 1] (GET019-01) en/of

- [slachtoffer 2] (GET042-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 1] (FIN 18,

digitale bijlage 06 t/m bijlage 08; map 18, GET 000-2-1, p. 006213; GET

000-2-4, p. 006511):

- [slachtoffer 3] (GET 047-01) en/of

- [slachtoffer 4] (GET 048-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 4] (FIN 18, digitale bijlage 09 t/m bijlage

11; map 19, GET 000-3-1, p. 006514; GET 000-3-4, p. 006825):

- [slachtoffer 5] (GET 068-01) en/of

- [slachtoffer 6] (AGV 01) en/of

* ten aanzien van [stichting 3] (FIN 18, digitale bijlage 12; map 20,

GET 000-4-1, p. 006836; GET 000-4-4, p. 007067):

- [slachtoffer 7] (GET 098-01) en/of

- [slachtoffer 8] (GET 100-1),

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van (telkens) één of meer

geldbedrag(en)/donatie(s) tot een totaal van 35.417.579 euro of daaromtrent

(FIN 18), in elk geval enig(e) geldbedrag(en)/donatie(s) en/of

tot het aangaan van (telkens) één of meer schuld(en) door het afgeven van één

of meer machtiging(en) tot het automatisch afschrijven van (telkens) een of

meer geldbedrag(en)/donatie(s),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar

(telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- (bij de werving) doen/laten voorkomen dat (het merendeel van) die/dat

bedrag(en)/donatie(s) werd(en) gebruikt om één of meer externe goede doelen

te ondersteunen, terwijl in werkelijkheid slechts een klein percentage aan

externe goede doelen werd betaald/besteed;

en/of

- aan de donateurs verzuimd te vertellen en/of te doen/laten vertellen dat een

groot deel van de bedragen / de donaties niet aan goede doelen werd besteed;

en/of

- te beknopte en/of onvolledige jaarverslagen gepubliceerd waardoor er geen

compleet beeld van de bestedingen naar voren is gekomen;

en/of

- doen/laten voorkomen dat [stichting 1]

en/of [stichting 2] en/of [stichting 4]

en/of [stichting 3] (een) bonafide en betrouwbare stichting(en)

is/zijn door (onder meer) te doen/laten voorkomen dat er sprake is van (een)

onafhankelijk(e) bestu(u)r(en) binnen deze stichting(en);

en/of

- met het gebruik van het [naam 1] voorgewend en/of

doen/laten voorwenden dat één of meer van voornoemde stichting(en) een

onafhankelijk en/of geaccrediteerd keurmerk had/hadden;

en/of

- jegens één of meer van voornoemde donateur(s) voorgewend en/of doen/laten

voorwenden dat de werver(s) vrijwilliger(s) was/waren;

en/of

- aan één of meer van voornoemde donateur(s) één of meer

welkomstbrief/-brieven en/of nieuwsbrief/-brieven en/of één of meer foto('s)

en/of folder(s) en/of flyer(s) en/of sticker(s) en/of informatiemap(pen) en/of

promotiemap(pen) met daarin foto's van zielige dieren en/of logo's van [naam 2]

en/of [naam 1] en/of goede doelen overzicht(en) getoond en/of doen/laten tonen;

en/of

- voorgewend en/of doen/laten voorwenden dat [stichting 1]

[stichting 1] en/of [stichting 2] en/of

[stichting 4] en/of [stichting 3] rechtmatig een [naam 2] -status

verworven had(den) en/of die [naam 2] -status vervolgens benoemd en/of doen/laten

benoemen en/of doen/laten zien in de folder(s) en/of brochure(s) en/of

map(pen) bij het werven van voornoemde donateur(s),

waardoor bovengenoemde donateur(s) (telkens) werd(en) bewogen tot

bovengenoemde afgifte(s) en/of tot bovengenoemd aangaan van (een) schuld(en);

en/of

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2009 tot en met 30 maart 2016 in Wierden en/of Deventer en/of Nijmegen en/of

Berghem en/of Woudenberg, althans in Nederland tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer

geldbedrag(en), tot een totaal van 35.417.579 euro of daaromtrent (FIN 18), in

elk geval enig geldbedrag en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[stichting 1] , [stichting 2]

, [stichting 3] en/of [stichting 4] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar medeverdachte(n),

ontvangen van een (groot) aantal donateurs waaronder / te weten

* ten aanzien van [stichting 2] (FIN 18,

digitale bijlage 02 t/m bijlage 05; map 17, GET 000-1-1, p. 005776; GET

000-1-4, p. 006201):

- [slachtoffer 1] (GET019-01) en/of

- [slachtoffer 2] (GET042-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 1] (FIN 18,

digitale bijlage 06 t/m bijlage 08; map 18, GET 000-2-1, p. 006213; GET

000-2-4, p. 006511):

- [slachtoffer 3] (GET 047-01) en/of

- [slachtoffer 4] (GET 048-01) en/of

* ten aanzien van [stichting 4] (FIN 18, digitale bijlage 09 t/m bijlage

11; map 19, GET 000-3-1, p. 006514; GET 000-3-4, p. 006825):

- [slachtoffer 5] (GET 068-01) en/of

- [slachtoffer 6] (AGV 01) en/of

* ten aanzien van [stichting 3] (FIN 18, digitale bijlage 12; map 20,

GET 000-4-1, p. 006836; GET 000-4-4, p. 007067):

- [slachtoffer 7] (GET 098-01) en/of

- [slachtoffer 8] (GET 100-1),

welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) verdachte en/of haar medeverdachte(n) uit

hoofde van de persoonlijke dienstbetrekking van haar, verdachte, en/of van

haar medeverdachte(n) als directeur en/of bestuurder en/of medewerker van (één

of meer van) voornoemde stichting(en), (telkens) als donatie(s), in elk geval

anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijke zich

heeft toegeëigend;

3.

zij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari

2010 tot en met 31 december 2015 te Wierden en/of Deventer en/of Amersfoort,

althans in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) een of meer geschrift(en), te weten:

(map 35, proces-verbaal RLS 03, p. 11273 tot en met 11302 )

- de notulen van de bestuursvergadering van [stichting 1]

[stichting 1] van 25 augustus 2011 (map 35, p. 11321 en 11322) en/of

-de notulen van de bestuursvergadering van [stichting 1]

van 18 juni 2015 (map 35, p. 11316) en/of

- de notulen van de bestuursvergadering van de [stichting 2]

van 24 maart 2010 (map 35, p. 11311 en 11312) en/of

- de notulen van de bestuursvergadering van de [stichting 2]

[stichting 2] van 27 februari 2014 (map 35, p. 11306 en 11307) ,

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft/hebben zij,

verdachte, en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), alstoen aldaar

(telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid in die voornoemde notulen

van [stichting 1] van 25 augustus 2011

en/of van [stichting 1] van 18 juni

2015 en/of van de [stichting 2] van 24 maart

2010 en/of van de [stichting 2] van 27

februari 2014 -zakelijk weergegeven- vermeld en/of opgenomen en/of doen/laten

vermelden en/of opnemen, dat:

* de bestuursvergadering op een bepaalde datum en/of plaats gehouden is en/of

* de in de notulen genoemde bestuursleden ter vergadering aanwezig waren,

terwijl (telkens) in werkelijkheid de vergadering , zoals in de notulen

weergegeven, niet is gehouden en/of niet op de vermelde datum en/of plaats is

gehouden en/of de bestuursleden, genoemd in de notulen, niet (allen) ter

vergadering aanwezig waren,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

4.

[bedrijf 1] in of omstreeks de periode vanaf 01 januari

2009 tot en met 30 maart 2016 te Wierden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) (een deel van) de (bedrijfs)administratie van de B.V. - zijnde

(dat deel van) die (bedrijfs)administratie (telkens) een samenstel van

geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,

immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of (een of meer van)

haar medeverdachte(n), alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of

in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die

(bedrijfs)administratie opgenomen en/of verwerkt en/of laten opnemen en/of

verwerken een of meer (valse/vervalste) geschrift(en), te weten:

(map 36, proces-verbaal RLS 05, p. 11562 tot en met 11664)

zes, althans een of meer, (valse en/of vervalste) factu(u)r(en), volgens de

factuuropdruk (telkens)

afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 4]

en/of aan [stichting 3] , met als omschrijving Voorlichting,

Informatiekosten (map 36, p. 11713; map 36 p. 11731; map 36 p. 11743; map 43,

D.13.02.002-001-004; map 43, D.13.02.001-001-004; map 43,

D.13.02.001-006-001B),

bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin, dat (telkens)

valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die

factu(u)r(en) voornoemd (telkens) een aantal stands en/of een aantal

standdagen was vermeld en/of vermeld dat sprake was van voorlichting en/of

informatiekosten, terwijl in werkelijkheid het aantal stands en/of

standdagen, zoals in die fact(u)r(en) aangeduid, en/of de voorlichting en/of

de informatieverstrekking, zoals in die fact(u)r(en) aangeduid, niet was

geleverd en/of ter beschikking gesteld en/of verzorgd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl zij, verdachte, (telkens) tot die/dat feit(en) opdracht heeft

gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 30 maart 2016

te Wierden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 1]

en/of een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) (een deel van) de (bedrijfs)administratie van de B.V. - zijnde

(dat deel van) die (bedrijfs)administratie (telkens) een samenstel van

geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of [bedrijf 1]

en/of (een of meer van) haar/hun medeverdachte(n), alstoen aldaar (telkens)

opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie opgenomen en/of verwerkt en/of

laten opnemen en/of verwerken een of meer (valse/vervalste) geschrift(en), te

weten:

(map 36, proces-verbaal RLS 05, p. 11562 tot en met 11664)

zes, althans een of meer, (valse en/of vervalste) factu(u)r(en), volgens de

factuuropdruk (telkens)

afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 4]

en/of aan [stichting 3] , met als omschrijving Voorlichting,

Informatiekosten (map 36, p. 11713; map 36 p. 11731; map 36 p. 11743; map 43,

D.13.02.002-001-004; map 43, D.13.02.001-001-004; map 43,

D.13.02.001-006-001B),

bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin, dat (telkens)

valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die

factu(u)r(en) voornoemd (telkens) een aantal stands en/of een aantal

standdagen was vermeld en/of vermeld dat sprake was van voorlichting en/of

informatiekosten, terwijl in werkelijkheid het aantal stands en/of

standdagen, zoals in die fact(u)r(en) aangeduid, en/of de voorlichting en/of

de informatieverstrekking, zoals in die fact(u)r(en) aangeduid, niet was

geleverd en/of ter beschikking gesteld en/of verzorgd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Bespreking verweren.

De rechtbank zal ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis vanaf nu verdachte aanduiden bij haar achternaam: [verdachte] . Hetzelfde geldt voor de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]

Door de verdediging, is als verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Nu dit verweer in alle zaken op hoofdlijnen om dezelfde redenen wordt gevoerd, zal dit hieronder gezamenlijk worden besproken.

Het standpunt van de verdediging.

1) Trial by media: Er is geen sprake meer van een eerlijk proces doordat iedereen, waaronder getuigen, zijn beïnvloed door de berichtgeving in de media. Niet alleen is een persbericht gedeeld, maar er is ook onderzoeksinformatie gedeeld met de media, waaronder informatie die niet bij de verdediging bekend was.

2) Het gelijkheidsbeginsel: Er is met twee maten gemeten als het gaat om de afdoening van de zaken van verschillende verdachten. De strafzaak tegen [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) is buitengerechtelijk afgedaan, terwijl hij de accountant was van [medeverdachte 1] en dus bij uitstek degene was die zicht had op de handel en wandel van [medeverdachte 1] . Daarnaast zijn meerdere personen en ondernemingen die een rol hadden in het geheel niet vervolgd, zoals de ex-vrouw van [medeverdachte 1] , [persoon 1] , [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), [persoon 3] , enkele andere personen en buitenlandse (in Duitsland gevestigde) ondernemingen. Het gelijkheidsbeginsel is hiermee geschonden.

3) Overschrijding van de redelijke termijn: Onderhavige procedure loopt al zes jaar. Deze ernstige overschrijding van de redelijke termijn is slechts te wijten aan het optreden van het OM en heeft tot gevolg dat het verdedigingsbelang is geschonden, waarbij ook de waarheidsvinding een belangrijke rol speelt. [medeverdachte 1] kan hierdoor niet meer gehoord worden in verband met zijn overlijden. Hij zou op zitting openheid van zaken geven en hij heeft [verdachte] beloofd om de volledige schuld op zich te nemen. Het is voorts de vraag of het na zes jaar nog zinvol is om getuigen of andere betrokkenen te horen.

Hoewel de Hoge Raad duidelijk heeft geoordeeld dat een enkele tijdsoverschrijding in het kader van de redelijke termijn niet zal kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, spelen hier meerdere factoren. De verdediging is daarom van oordeel dat in dit geval de overschrijding toch moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

4) De aard van de strafbare feiten: In een proces-verbaal van de FIOD/Belastingdienst (p. 9934 van het dossier) staat beschreven dat uit het geldstromenonderzoek blijkt dat sprake is geweest van duizenden financiële transacties in de onderzoeksperiode en dat door het fragmenteren van de totale organisatie door [medeverdachte 1] een goed inzicht voor medewerkers, maar ook voor de overheid, onmogelijk werd gemaakt. Onder die omstandigheden begrijpt de verdediging niet waarom er door het OM voor gekozen is om verdachte te vervolgen.

Het standpunt van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben betoogd dat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het OM dient te worden afgewezen. Een overschrijding van de redelijke termijn is geen dragend argument op grond waarvan de niet-ontvankelijkheid van het OM wordt uitgesproken. De verdediging heeft nog andere factoren benoemd die volgens de officieren van justitie niet aan de orde zijn, om de volgende redenen.

1) Trial by media: Er kan niet gesproken worden over een trial by media. Daartoe is relevant dat door het OM één enkel persbericht naar buiten is gebracht dat bewust vaag en beperkt qua inhoud is gehouden. De hoeveelheid media-aandacht die vervolgens is ontstaan, kan niet worden gekoppeld aan genoemd persbericht. Los daarvan is dit ook geen reden om niet tot strafvervolging over te gaan

2) Het gelijkheidsbeginsel: Het OM heeft de keuzevrijheid om te bepalen wie wordt vervolgd en wie niet. De verdachten die gezien kunnen worden als de “vertrouwelingen” van [medeverdachte 1] zijn/worden vervolgd, anderen niet. Voorts heeft het OM zich beperkt tot de Nederlandse BV’s en stichtingen. Ten aanzien van [medeverdachte 4] geldt dat zijn zaak buitengerechtelijk is afgedaan met een taakstraf voor de duur van 120 uren. Deze wijze van afdoening is gekozen vanwege de persoonlijke omstandigheden van [medeverdachte 4] , zoals die blijken uit zijn laatste verklaring bij de politie.

3) Overschrijding van de redelijke termijn: Het onderzoek is niet gehinderd door het tijdsverloop. Verdachten en getuigen zijn in een vroeg stadium uitvoerig gehoord en er liggen tal van verklaringen. Dat nu gezegd wordt dat [medeverdachte 1] de schuld op zich zou nemen doet er niet aan af dat ten aanzien van de onderhavige verdachte voldoende objectief bewijsmateriaal aanwezig is.

4) De aard van de strafbare feiten: Kijkend naar het dossier kan geconcludeerd worden dat deze verdachte voldoende inzicht had in het systeem van wegsluizen van geldbedragen. Gelet op de omvang van de zaak en de hoeveelheid geld die ermee gemoeid is, zijn de onderliggende feiten nog steeds strafwaardig en dient de meervoudige kamer over deze feiten te beslissen.

Het oordeel van de rechtbank.

1) Trial by media: Het is de rechtbank niet ontgaan dat dit strafrechtelijk onderzoek, onder de naam Gitaar, media-aandacht heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen inherent aan het (straf)recht dat zaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Het is daarom aanvaardbaar dat het OM ook het publiek informeert over strafrechtelijke onderzoeken. Te allen tijde geldt echter dat degene tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaken binnen het onderzoek Gitaar niet onrechtmatig is gehandeld door het OM, waar het gaat om uitlatingen in de pers of via sociale media. Het is de rechtbank niet gebleken dat het OM anders of meer dan in vergelijkbare onderzoeken de media heeft gezocht en van informatie heeft voorzien. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om aan te nemen dat de media-aandacht van wezenlijke, laat staan onaanvaardbare invloed is geweest op het verloop van het proces in deze strafzaak en de inhoud van verklaringen, zodanig dat daardoor het recht op een eerlijk proces in het geding is gekomen. Het recht op een eerlijk proces is dan ook niet geschonden.

2) Het gelijkheidsbeginsel: De rechtbank stelt voorop dat het OM een ruime bevoegdheid heeft als het gaat om de keuze om bepaalde personen wel of niet te vervolgen. Het OM heeft op de terechtzittingen van 28 en 29 maart 2022 toegelicht waarom bepaalde personen worden/zijn vervolgd en anderen niet, en heeft uitgelegd waarom de strafzaak tegen [medeverdachte 4] buitengerechtelijk is afgedaan. De rechtbank acht die toelichting op de beredeneerde keuzes van het OM niet onbegrijpelijk, zodat geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

3) Overschrijding van de redelijke termijn: De rechtbank ziet, net als de verdediging en het OM, dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is de enkele overschrijding van de redelijke termijn onvoldoende om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Andere omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd, brengen de rechtbank niet tot het oordeel dat het OM desalniettemin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ook de rechtbank ziet dat er thans één grote afwezig is, namelijk [medeverdachte 1] . Van meet af aan zijn pogingen gedaan om hem te horen, maar dat is gelet op zijn gezondheidstoestand steeds niet gelukt. Inmiddels is het, gelet op zijn overlijden, niet meer mogelijk [medeverdachte 1] te horen. De rechtbank onderkent dat dit een beperking inhoudt van de mogelijkheid van de verdediging om deze medeverdachte als getuige nader te bevragen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit echter niet tot de conclusie dat de verdediging hierdoor zodanig in haar belang is geschaad dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het OM zou moeten leiden. In het dossier bevinden zich in ruime mate uitgebreide verklaringen van verdachte en haar medeverdachten alsmede van getuigen, tezamen met een grote hoeveelheid feitelijke gegevens, die het de rechtbank mogelijk maken om een gedegen oordeel te kunnen vormen.

4) De aard van de strafbare feiten: De vraag of onderhavige verdachten voldoende inzicht konden hebben / hadden in het totale systeem van verhullen van geldbedragen is een bewijsvraag en past niet in de sleutel van de niet-ontvankelijkheid van het OM.

De door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden ter onderbouwing van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het OM, worden door de rechtbank in het kader van strafmaat wel meegewogen.

Resumerend.

Nu alle verweren zijn afgewezen kan het OM in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beoordeling.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 3 en 4. Voor het overige dient [verdachte] van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben aangevoerd dat alle feiten (primair) bewezen kunnen worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

A. De bewijsmiddelen

In bijlage I heeft de rechtbank de voor de bewezenverklaring gebruikte bewijsmiddelen opgenomen.

B. Bijzondere overwegingen over het bewijs

De rechtbank zal beginnen met de bespreking van feit 2 (oplichting/verduistering), vervolgens komen de feiten 3 en 4 (valsheid in geschrifte) aan de orde en tot slot wordt feit 1 (de criminele organisatie) besproken.

Ten aanzien van feit 2: oplichting/verduistering.

Was sprake van oplichting ?

Ten aanzien van feit 2 gaat het in deze zaak in de kern om het volgende. [medeverdachte 1] , die inmiddels is overleden, heeft diverse rechtspersonen en stichtingen opgericht waarmee hij miljoenen euro’s van donateurs heeft ingezameld, welk geld – kort samengevat – zou worden ingezet om het welzijn van dieren te verbeteren. Een groot deel van dit ingezamelde geld is uiteindelijk echter niet bij goede doelen terecht gekomen, maar bij [medeverdachte 1] en zijn naasten in de privésfeer. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of hiermee sprake is geweest van oplichting.

Van oplichting is sprake als door gebruik te maken van een oplichtingsmiddel een ander wordt bewogen tot een bepaalde gedraging, zoals afgifte van een goed. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en maakt daarbij gebruik van tenminste één van de oplichtingsmiddelen uit artikel 326 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dan wel een combinatie daarvan. De in dit artikel genoemde oplichtingsmiddelen zijn het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Doordat het moet gaan om deze in de wet specifiek genoemde oplichtingsvormen, kan niet iedere vorm van bedrog – zoals het enkel doen van een onware mededeling – of elke vorm van een toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin, als strafrechtelijke oplichting worden aangemerkt.

In dit geval werd door [medeverdachte 1] – naar een Duits voorbeeld – de volgende structuur gehanteerd. [medeverdachte 1] was eigenaar van twee dienstverlenende bedrijven, [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), die in opdracht van verschillende goede doelen-stichtingen donateurs wierven.

Daarnaast was [medeverdachte 1] als voorzitter, dan wel directeur, betrokken bij de volgende goede-doelenstichtingen: [stichting 4] (hierna: [stichting 4] ), [stichting 2] (hierna: [stichting 2] ) en [stichting 1] (hierna: [stichting 1] ).

[medeverdachte 1] had de feitelijke zeggenschap over deze stichtingen en vulde de besturen van deze stichtingen verder in met werknemers van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] of andere personen binnen zijn invloedsfeer.

Kortom, zowel de dienstverlenende bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als de goede-doelenstichtingen [stichting 4] , [stichting 2] en [stichting 1] , waren aan [medeverdachte 1] gelieerd. De goede-doelenstichtingen schakelden uitsluitend [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in voor donateurswerving. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben nagenoeg geen diensten verleend aan andere goede doelen dan aan de goede doelen die aan [medeverdachte 1] gelieerd waren. [stichting 2] en [stichting 1] werden feitelijk zelfs gerund vanuit hetzelfde kantoor in Wierden waar ook [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waren gevestigd.

Door middel van valse notulen van bestuursvergaderingen werd gefingeerd dat [stichting 2] , [stichting 1] en [stichting 4] een degelijke en transparante bestuursstructuur en bedrijfsvoering hadden. In werkelijkheid werden er echter geen bestuursvergaderingen gehouden.

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] werden ingehuurd door [stichting 4] , [stichting 2] en [stichting 1] om donateurs te werven. Met deze werkzaamheden hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 januari 2009 tot en met 30 maart 2016 een totaalbedrag van € 33.628.498,- aan donaties opgehaald. De donateurs waren in de veronderstelling dat zij geld doneerden aan het goede doel en dat het gedoneerde geld gebruikt zou worden voor de ondersteuning van diverse organisaties ten behoeve van dierenwelzijn.

In werkelijkheid kwam iets meer dan de helft van de donaties, namelijk in totaal
€ 16.987.052,-, via diverse constructies bij [bedrijf 1] (een bedrag van € 8.678.018,-) en [bedrijf 2] (een bedrag van € 8.309.034,-) terecht. Vanuit die bedrijven ging een groot deel van het geld vervolgens op verschillende manieren naar [medeverdachte 1] en zijn naasten in de privésfeer. Daarnaast ontving [medeverdachte 1] rechtstreeks van [stichting 2] en [stichting 1] een bedrag van in totaal
€ 692.862,- (een bedrag van € 504.352,- van [stichting 2] en een bedrag van € 188.510,- van [stichting 1] ). Slechts een klein deel van het opgehaalde bedrag, namelijk € 2.306.134,- (en daarmee nog geen 7%) werd door de stichtingen daadwerkelijk aan externe goede doelen voor (voornamelijk) dierenwelzijn besteed.

Door zich voor te doen als promotiebedrijven voor goede-doelenstichtingen, hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan oplichting. Beide bedrijven hebben de genoemde stichtingen doelbewust gebruikt om donateurs te bewegen geld te doneren voor het goede doel. Daarbij hebben ze gedaan alsof [stichting 2] , [stichting 1] en [stichting 4] bonafide en betrouwbare stichtingen waren, terwijl de kennelijke bedoeling in werkelijkheid niet was om het opgehaalde geld voor goede doelen te gebruiken. De goede doelen werden slechts gebruikt als middel en dekmantel om zoveel mogelijk geld te binnen te halen. Dit geld kwam voor een aanzienlijk deel vervolgens op verschillende andere plekken – niet zijnde goede doelen – terecht. Het kleine percentage van het opgehaalde geld dat daadwerkelijk aan externe goede doelen werd besteed, moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als onderdeel van de dekmantel om de betrouwbaarheid van de stichtingen vorm te geven. De rechtbank is van oordeel dat de oplichting redelijkerwijs aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kan worden toegerekend, omdat het werven van donateurs de kern van de werkzaamheden en daarmee het verdienmodel van beide bedrijven was. Zij kunnen daarom worden aangemerkt als daders van de oplichting.

Ten aanzien van [stichting 2] , [stichting 1] en [stichting 4] is de rechtbank van oordeel dat zij onderdeel waren van de dekmantel van de oplichting door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en in die hoedanigheid niet als daders van de oplichting kunnen worden aangemerkt.

Geen verduistering .

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] opgehaalde geldbedragen van een misdrijf (oplichting) afkomstig zijn, kan geen sprake zijn van verduistering van deze geldbedragen. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van het onder feit 2 primair en subsidiair, cumulatief, alternatief ten laste gelegde (verduistering).

Heeft [verdachte] feitelijk leidinggegeven aan oplichting ?

Nu sprake is van oplichting door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is de vervolgvraag die moet worden beantwoord of [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan deze oplichting.

Voor de vraag of iemand als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt is van belang dat de feitelijke leiding veelal zal bestaan uit actief en effectief gedrag dat duidelijk als feitelijk leidinggeven moet worden aangemerkt. Van feitelijk leidinggeven kan ook sprake zijn als de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door verdachte gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een passievere rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leiding geven gesproken moet worden. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij een verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedraging, maar zulke maatregelen achterwege laat. De enkele omstandigheid dat verdachte bijvoorbeeld bestuurder is van een rechtspersoon, is niet voldoende om hem/haar aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] voor het grootste gedeelte van de tenlastegelegde periode op papier weliswaar directrice was van zowel [bedrijf 1] (van 1 april 2011 tot 31 december 2015) als [bedrijf 2] (van 23 juli 2001 tot 31 december 2015), maar dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar voren komt dat [medeverdachte 1] degene was die feitelijk de zeggenschap had binnen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] was eveneens degene die de bedrijfsstructuur had bedacht en opgezet. Ook werden alle wezenlijke beslissingen door hem genomen. [verdachte] had de facto geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid. Onder die omstandigheden kan [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank niet als actief of passief feitelijk leidinggevende van de oplichting door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] worden aangemerkt. Het enkele feit dat zij als een soort van ‘assistente’ van [medeverdachte 1] verschillende administratieve werkzaamheden verrichtte en uit dien hoofde op de hoogte was van verschillende aspecten van de bedrijfsvoering is daarvoor onvoldoende.

De rechtbank constateert dat enkele getuigen een beeld schetsen dat [verdachte] “de rechterhand” van [medeverdachte 1] was. Zo zouden zij veel overleggen, wist [verdachte] overal vanaf en zat [medeverdachte 1] dus niet alleen achter het beleid. [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] de leiding had zodra [medeverdachte 1] er niet was, zo deed zij de personeelszaken, de boekhouding en ging zij mee naar stichtingen die door [stichting 1] en [stichting 4] werden ondersteund.

De rechtbank kan begrijpen dat andere werknemers het gevoel hadden dat [verdachte] de rechterhand van [medeverdachte 1] was en haar daarom een bepaalde mate van verantwoordelijkheid toekennen. Deze subjectieve gevoelens worden echter niet ondersteund door objectief bewijsmateriaal. De getuigen verklaren weliswaar dat [verdachte] altijd bij [medeverdachte 1] op kantoor zat en dus overal vanaf wist, maar zij zijn zelf niet bij deze gesprekken geweest en weten dus niet wat daar besproken is. Ook noemen ze geen concrete voorbeelden waaruit blijkt dat [verdachte] overal van op de hoogte was of concrete zeggenschap had. Zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit de bewijsmiddelen juist dat [verdachte] meer als ‘assistente’ van [medeverdachte 1] verschillende administratieve werkzaamheden verrichtte.

Niet is gebleken dat het binnen haar mogelijkheden lag om binnen de bedrijfsstructuur waarin zij werkzaam was een einde te maken aan de oplichtingspraktijken van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De rechtbank ziet alles overziend derhalve onvoldoende bewijs om haar als feitelijk leidinggever aan te merken.

Het voorgaande betekent dat [verdachte] van het onder feit 2 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Is sprake van medeplegen van oplichting door [verdachte] ?

Dan resteert de vraag of [verdachte] als medepleger van de oplichting door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kan worden aangemerkt.

Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen gericht op het voltooien van het delict. In het geval van een opzetdelict is voor medeplegen, naast opzet op de nauwe en bewuste samenwerking, ook opzet op de gedraging van het gronddelict vereist.

Voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van medeplegen van oplichting acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[verdachte] verrichtte sinds 2001 administratieve werkzaamheden voor [bedrijf 2] en [bedrijf 1] op het kantoor in Wierden. Zoals gezegd, was zij op papier bestuurder en directrice van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , maar had [medeverdachte 1] de feitelijke zeggenschap over beide bedrijven. Op verzoek van [medeverdachte 1] had [verdachte] één aandeel in zowel [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zodat in het uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) niet te zien was wie in werkelijkheid de eigenaar van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] was. Hiermee werd voorkomen dat direct zichtbaar was dat [medeverdachte 1] niet alleen betrokken was bij de stichtingen, maar ook eigenaar was van de wervingsbureaus die de werving voor deze stichtingen deden. [verdachte] had deze aandelen totdat [medeverdachte 1] [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) oprichtte en dit bedrijf de aandelen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kreeg.

[verdachte] verrichte haar werkzaamheden op het kantoor in Wierden, waar naast [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ook [stichting 2] en [stichting 1] gevestigd waren. Hoewel [verdachte] in dienst was bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] verrichte zij ook verschillende werkzaamheden voor deze stichtingen. De feitelijke werkzaamheden van [verdachte] bestonden onder andere uit:

- personeelszaken (o.a. salarisbetalingen, bijhouden van bonussen en vakantiedagen en contact met re-integratiebureaus);
- het verzamelen van alle stukken voor de financiële administratie (zoals facturen en bankafschriften), zodat deze bij de accountant konden worden aangeleverd;
- het samenstellen van de promotiemappen voor [stichting 1] en [stichting 2] ;
- het op instructie van [medeverdachte 1] opmaken van notulen voor [stichting 1] en [stichting 2] , en
- het verrichten van diverse betalingen voor [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [stichting 1] en [stichting 2] . Bij dat laatste moet worden aangetekend dat een (voor de onderhavige feiten) belangrijk deel van de betalingen door [medeverdachte 1] zelf werden uitgevoerd, zoals de betalingen door [stichting 2] en [stichting 1] aan [bedrijf 1] , de betalingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , de betalingen aan de accountant en de betalingen van salarissen aan [medeverdachte 1] en zijn familieleden.

Door deze werkzaamheden en haar positie binnen het bedrijf was [verdachte] op de hoogte van verschillende omstandigheden die verband hielden met de oplichting. Zo was zij ervan op de hoogte dat een groot deel van de uitgaven van [stichting 2] , [stichting 1] en [stichting 4] bestonden uit het betalen van facturen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en wist zij dat er aan deze stichtingen facturen voor voorlichtingswerkzaamheden werden gestuurd met daarop een aantal (informatie)stands, terwijl dit geen weergave was van het feitelijk aantal stands dat op straat had gestaan. Ook wist ze dat de door haar opgemaakte notulen geen weergave waren van daadwerkelijke gehouden bestuursvergaderingen. Daarnaast was het [verdachte] bekend dat de vrouw van [medeverdachte 1] in dienst was bij [bedrijf 2] , terwijl [verdachte] niet wist welke werkzaamheden zij verrichtte. Sterker nog, [verdachte] ging ervan uit dat er feitelijk geen werkzaamheden door de vrouw van [medeverdachte 1] werden verricht. Ook was [verdachte] ervan op de hoogte dat [medeverdachte 1] zowel zijn zoon als dochter enige tijd bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in dienst had genomen, terwijl ook door hen geen werkzaamheden werden verricht. Ze zag bovendien dat [medeverdachte 1] facturen voor een verbouwing in privé door [bedrijf 2] liet betalen. Verder wist zij dat [medeverdachte 1] regelmatig privé-leningen aan medewerkers verstrekte vanuit [bedrijf 1] , [bedrijf 2] of één van de goede-doelenstichtingen. Zelf heeft zij ook op enig moment samen met haar partner [medeverdachte 2] een persoonlijke lening afgesloten bij [stichting 2] , bedoeld voor de verbouwing van hun woning. Tot slot zag zij in de boekhouding dat er veel geld werd overgemaakt van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] naar [bedrijf 3] . Hoewel ze hier haar vraagtekens bij had, vroeg ze hier niet op door als [medeverdachte 1] zei dat dit was omdat er veel belasting betaald moest worden.

De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet anders kan dan dat [verdachte] zich heeft gerealiseerd dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] slechts bezig waren zo veel mogelijk geld binnen te halen dat gebruikt werd voor andere doeleinden dan het financieren van de goede-doelenstichtingen.

Desondanks kan [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank niet als medepleger van de oplichting worden aangemerkt. Haar werkzaamheden zijn vooral faciliterend geweest. Niet kan worden gezegd dat [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan oplichting heeft gedaan. Van een gezamenlijk plan was geen sprake. [medeverdachte 1] is degene geweest die de structuur heeft opgezet met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als kernbedrijven en hij heeft bewust niet alle informatie met [verdachte] gedeeld. De faciliterende werkzaamheden die [verdachte] heeft verricht, zoals het vals opmaken van notulen en het opnemen van valse facturen in de administratie, leveren naar het oordeel van de rechtbank geen ‘medeplegen’ van oplichting op. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit handelingen die in de sfeer zitten van medeplichtigheid, hetgeen niet aan [verdachte] is ten laste gelegd. Nu [verdachte] niet als medepleger van de oplichting door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kan worden aangemerkt, betekent dit dat ze ook voor het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4: valsheid in geschrifte.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 gaat het in de kern om het volgende. [verdachte] wordt verweten dat zij valse notulen heeft opgemaakt (feit 3) en dat zij feitelijk leiding heeft gegeven aan het verwerken van valse facturen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] , dan wel dat zij zelf deze valse facturen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] heeft verwerkt (feit 4), en daarmee dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Deze feiten zullen – behoudens enkele overwegingen ten aanzien van feit 4 – zonder nadere bewijsmotivering bewezen worden verklaard, gelet op de bekennende verklaringen van [verdachte] ter terechtzitting van 28 maart 2022 en in eerdere verhoren.

Overwegingen ten aanzien van feit 4.

Nu [verdachte] , zoals reeds onder feit 2 is overwogen, niet als feitelijk leidinggever van de verboden gedragingen kan worden aangemerkt, zal zij worden vrijgesproken van het onder feit 4 primair tenlastegelegde.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde geldt het volgende. [verdachte] wist dat er facturen aan de goede-doelenstichtingen voor voorlichtingswerkzaamheden werden gestuurd met daarop een aantal uitgevoerde stands, terwijl dit geen weergave was van het aantal stands dat daadwerkelijk op straat had gestaan. [verdachte] zag deze valse facturen voorbij komen, kende de valsheid van de facturen en verwerkte de facturen desondanks in de bedrijfsadministratie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] zich daarmee schuldig gemaakt aan het onder feit 4 subsidiair tenlastegelegde valsheid in geschrifte.

Ten aanzien van feit 1 (criminele organisatie).

Was sprake van een criminele organisatie waarvan [verdachte] deel uitmaakte ?

[verdachte] wordt ook verweten dat zij deel heeft genomen aan een criminele organisatie. Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie deel te nemen, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Een betrokkene moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is ook niet vereist.

Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Zoals reeds is overwogen is in het onderhavige geval sprake van een professionele structuur, waarbij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting (feit 2) door zich voor te doen als promotiebedrijven voor de goede-doelenstichtingen [stichting 4] , [stichting 2] en [stichting 1] . In werkelijkheid werden deze stichtingen gebruikt als dekmantel en ging een groot deel van het opgehaalde geld naar [medeverdachte 1] en zijn naasten in de privésfeer. Om de oplichting te verhullen werden valse notulen van bestuursvergaderingen opgemaakt (feit 3) en werden valse facturen valselijk in de bedrijfsadministratie verwerkt (feit 4). Het geld dat verdiend werd met de oplichting werd op verschillende manieren witgewassen. Zo werd het geld door [medeverdachte 1] besteed aan bijvoorbeeld de aankoop van diverse panden en de verbouwing van zijn woning en werden er leningen verstrekt aan medewerkers van de bedrijven van [medeverdachte 1] .

Binnen deze criminele organisatie hadden verschillende personen hun eigen rol. [medeverdachte 1] was overduidelijk de leider van deze organisatie. Hij is degene die de structuur bedacht heeft, de eigenaar was van de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en bij alle stichtingen de feitelijke zeggenschap had. Bovendien kwamen de opbrengsten van de oplichting grotendeels ten goede aan hem en zijn naasten.

De organisatie werd daarnaast op papier mogelijk gemaakt door [medeverdachte 4] , de accountant van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en de goede-doelenstichtingen. Hij deed de financiële administratie en boekte daarvoor de facturen in het grootboek. Ook maakte hij de jaarverslagen op. In zijn hoedanigheid als accountant had hij zicht op de geldstromen binnen de organisatie. Zo had hij zicht op de facturen die [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan de stichtingen stuurden en wist hij welk gedeelte van het gedoneerde geld aan deze facturen werd besteed. Daarnaast heeft hij geadviseerd om de facturen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te splitsen in een deel voor werving en een deel voor voorlichting. Tot slot was hij ook de accountant van [bedrijf 3] , het bedrijf dat door [medeverdachte 1] gebruikt werd om geld van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] naar zichzelf toe te sluizen.

De rol van [verdachte] bestond zoals gezegd uit een breed scala aan administratieve werkzaamheden op kantoor voor [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [stichting 1] en [stichting 2] . Zij verzamelde alle financiële stukken voor de accountant, stelde de promotiemappen voor [stichting 1] en [stichting 2] samen, stelde valse notulen op (feit 3) en stopte valse facturen in de administratie (feit 4). Gelet op de lange periode waarin zij deze werkzaamheden heeft verricht, heeft zij hiermee de criminele organisatie gefaciliteerd.

Zoals hiervoor onder de oplichting is overwogen, kan het bovendien niet anders dan dat zij zich op enig moment heeft gerealiseerd dat het doel van de organisatie was om zoveel mogelijk geld binnen te halen, zonder dat dit ten goede kwam aan de goede doelen-stichtingen. Hiermee moet zij geweten hebben dat de organisatie als oogmerk het plegen van oplichting had. Daarnaast heeft zij ook opzet gehad op het opstellen van de valse notulen en het gebruikmaken van de valse facturen. [verdachte] kan daarom in een ondersteunende rol als deelnemer van de criminele organisatie worden aangemerkt.

Dit betekent dat ook de onder feit 1 tenlastegelegde deelname van [verdachte] aan de criminele organisatie kan worden bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van hetgeen hiervoor is overwogen, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij in de periode van 01 januari 2009 tot en met 30 maart 2016 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

- haar, verdachte en

- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 4] en

rechtspersonen te weten:

- [bedrijf 1] en

- [bedrijf 2] en

- [stichting 1] en

- [stichting 2] en

- [stichting 4] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht),

- (gewoonte)witwassen (artikel 420 bis/ter Wetboek van Strafrecht),

- valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 en/of 2 Wetboek van Strafrecht);

3.

zij, in de periode vanaf 01 januari 2010 tot en met 31 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geschriften, te weten:

(map 35, proces-verbaal RLS 03, p. 11273 tot en met 11302 )

- de notulen van de bestuursvergadering van [stichting 1]

[stichting 1] van 25 augustus 2011 (map 35, p. 11321 en 11322) en

-de notulen van de bestuursvergadering van [stichting 1]

van 18 juni 2015 (map 35, p. 11316) en

- de notulen van de bestuursvergadering van de [stichting 2]

van 24 maart 2010 (map 35, p. 11311 en 11312) en

- de notulen van de bestuursvergadering van de [stichting 2]

van 27 februari 2014 (map 35, p. 11306 en 11307),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt, immers hebben zij, verdachte, en haar medeverdachten, alstoen aldaar valselijk en in strijd met de waarheid in die voornoemde notulen

van [stichting 1] van 25 augustus 2011

en van [stichting 1] van 18 juni

2015 en van de [stichting 2] van 24 maart

2010 en van de [stichting 2] van 27

februari 2014

-zakelijk weergegeven- vermeld dat:

* de bestuursvergadering op een bepaalde datum en/of plaats gehouden is en/of

* de in de notulen genoemde bestuursleden ter vergadering aanwezig waren,

terwijl in werkelijkheid de vergadering, zoals in de notulen weergegeven, niet is gehouden en/of niet op de vermelde datum en/of plaats is gehouden en/of de bestuursleden, genoemd in de notulen, niet (allen) ter vergadering aanwezig waren,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

4.

Subsidiair:

zij in de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 30 maart 2016 te Wierden, althans in Nederland,

(een deel van) de (bedrijfs)administratie van de B.V. - zijnde

(dat deel van) die (bedrijfs)administratie (telkens) een samenstel van

geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte, alstoen aldaar telkens

opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie opgenomen en/of verwerkt en/of

laten opnemen en/of verwerken (valse) geschriften, te

weten:

(map 36, proces-verbaal RLS 05, p. 11562 tot en met 11664)

zes, (valse) facturen, volgens de

factuuropdruk telkens

afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 4]

en/of aan [stichting 3] , met als omschrijving Voorlichting,

Informatiekosten (map 36, p. 11713; map 36 p. 11731; map 36 p. 11743; map 43,

D.13.02.002-001-004; map 43, D.13.02.001-001-004; map 43,

D.13.02.001-006-001B),

bestaande die valsheid (telkens) hierin, dat (telkens)

valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die

facturen voornoemd telkens een aantal stands en een aantal

standdagen was vermeld en vermeld dat sprake was van voorlichting en

informatiekosten, terwijl in werkelijkheid het aantal stands en

standdagen, zoals in die facturen aangeduid, en de voorlichting en

de informatieverstrekking, zoals in die facturen aangeduid, niet was

geleverd en/of ter beschikking gesteld en/of verzorgd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en

onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van het voorarrest, geëist.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring – gelet op onder andere de rol die verdachte heeft vervuld bij de bewezenverklaarde feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ernstige overschrijding van de redelijke termijn – nauwelijks nog ruimte is voor een eventuele strafoplegging, zodat verdachte schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim 7 jaar deelgenomen aan een criminele organisatie, waarin twee bedrijven zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting door zich voor te doen als promotiebedrijven voor meerdere goede-doelenstichtingen. In werkelijkheid werden deze stichtingen slechts als dekmantel gebruikt. Verdachte verrichtte verschillende administratieve werkzaamheden voor de bedrijven en (enkele van) de stichtingen. Gelet op de lange periode waarin zij deze werkzaamheden heeft verricht, heeft zij hiermee de criminele organisatie gefaciliteerd. Zij moet zich hebben gerealiseerd dat het doel van de organisatie was om zoveel mogelijk geld binnen te halen, zonder dat dit ten goede kwam aan de goede-doelenstichtingen. De rechtbank houdt er wel rekening mee dat verdachte slechts een ondersteunende rol vervulde in de organisatie en dat zij niet schuldig is bevonden aan de door de bedrijven gepleegde oplichting. Haar handelingen met betrekking tot die oplichting zitten meer in de sfeer van medeplichtigheid, wat niet ten laste is gelegd.

Verdachte heeft zich in het kader van de criminele organisatie specifiek schuldig gemaakt aan meerdere gevallen van valsheid in geschrifte. Zo heeft zij valse notulen van bestuursvergaderingen opgemaakt en valse facturen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] verwerkt. Via die facturen werd geld dat van donateurs werd ontvangen naar [bedrijf 1] toegesluisd, terwijl verwacht mocht worden dat dit geld zoveel mogelijk aan goede-doelenorganisaties ten goede zou komen. In plaats daarvan heeft de leider van de organisatie zichzelf en zijn naasten zoveel mogelijk verrijkt.. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij daar een bijdrage aan heeft geleverd en zich niet kritischer en daadkrachtiger heeft opgesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van de reclassering Nederland d.d. 9 juni 2021, over de persoon van verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de (persoonlijke) omstandigheden die door de verdediging ten gunste van verdachte zijn aangevoerd.

Het is rechtbank niet ontgaan dat onderhavige strafzaak gepaard is gegaan met media-aandacht. Ter terechtzitting van 28 maart 2022 is gebleken dat verdachte dit als een grote inbreuk op haar privéleven heeft ervaren. Ook heeft deze aandacht, net zoals het feit dat verdachte problemen ondervond bij het aanvragen van een VOG, ervoor gezorgd dat verdachte lange tijd geen nieuwe baan heeft kunnen vinden. Hierdoor hebben verdachte en haar gezin het lange tijd financieel niet gemakkelijk gehad.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte en haar partner deels gelijktijdig in voorarrest hebben gezeten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het voorarrest de nodige (psychische) impact op haar en haar gezinsleven – met twee jonge kinderen – heeft gehad.

De rechtbank houdt er ook rekening mee dat verdachte zich nog geconfronteerd ziet met (een restant van) de financiële afwikkeling van het onderzoek naar de malafide bedrijven. De curator houdt verdachte verantwoordelijk voor het faillissement van de bedrijven. De stichtingen zijn inmiddels geliquideerd en de rechtbank heeft gezien dat verdachte haar best heeft gedaan dit op een zorgvuldige manier te doen en ervoor heeft gezorgd dat het nog beschikbare geld, zo veel als mogelijk alsnog bij externe goede doelen terecht is gekomen.

Zoals reeds verwoord is [medeverdachte 1] , de leider van de organisatie, inmiddels overleden. Hoewel de verdediging naar het oordeel van de rechtbank door zijn overlijden niet in haar belang van het voeren van een adequate en effectieve verdediging is geschaad, is de rechtbank er niet blind voor dat dit vanzelfsprekend van invloed is geweest op de behandeling van de strafzaak. Het grote contrast tussen het strafbare handelen van verdachte enerzijds en het strafbare handelen van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] anderzijds, zou meer tot uiting zijn gekomen als niet uitsluitend [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich op een openbare terechtzitting hadden hoeven te verantwoorden.

Overschrijding redelijke termijn.

Met de officieren van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.

De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat de overheid tegen de betrokkene een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem/haar wegens een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

Hierbij spelen de aard en ernst van de delicten, de ingewikkeldheid van de zaak, de

processuele houding van de verdachte, de invloed van de verdachte/verdediging op

het procesverloop en de afhandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten een rol

van betekenis.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden.

Anders dan de officier van justitie bepaalt de rechtbank het startpunt van de redelijke termijn op 30 maart 2016, het tijdstip waarop in het kader van het onderzoek

Gitaar onder leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen hebben plaatsgevonden.

De rechtbank heeft gezien dat er gedurende de hele procedure op meerdere momenten sprake is geweest van langdurige periodes van kennelijke inactiviteit.

De rechtbank constateert ook dat in dit geval sprake was van een ingewikkeld onderzoek van grote omvang en met meerdere verdachten. De rechtbank ziet daarin aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van een redelijke termijn van twee jaar voor de berechting in eerste aanleg. De rechtbank acht een termijn van drie jaar in dit geval gerechtvaardigd. De redelijke termijn eindigde daarom op 30 maart 2019.

Dit betekent dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank op 21 april 2022 de redelijke termijn met ruim drie jaar is overschreden. Voor deze overschrijding zal de rechtbank verdachte compenseren.

Strafoplegging.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straf die in een buitengerechtelijk traject aan [medeverdachte 4] is opgelegd, te weten een taakstraf voor de duur van 120 uur. Daarbij heeft het OM laten weten dat bij de beslissing tot buitengerechtelijke afdoening rekening is gehouden met onder andere de prangende persoonlijke omstandigheden van [medeverdachte 4] .

[medeverdachte 4] was de accountant van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en de goede-doelenstichtingen. Het functioneren van de organisatie werd op papier door hem mogelijk gemaakt en hij had vanuit zijn functie zicht op de totale geldstromen binnen de organisatie. [medeverdachte 4] bekleedde een spilpositie in het financieel-administratief legitimeren van de gang van zaken binnen de organisatie. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een minder prominente rol had in de organisatie. Het kan in de ogen van de rechtbank dan ook niet zo zijn dat [verdachte] er slechter vanaf komt dan de betreffende medeverdachte.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in beginsel, zonder de termijnoverschrijding, een taakstraf voor de duur van 100 uur passend zou zijn. Zoals hiervoor is overwogen zal de rechtbank verdachte echter compenseren voor de ruime overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal verdachte uiteindelijk veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 90 uur, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank legt een aanzienlijk lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van een essentieel deel van de tenlastelegging en de rechtbank het passend acht om qua straf niet teveel af te wijken van de straf die het OM middels een buitengerechtelijke afdoening heeft opgelegd aan een medeverdachte, zeker gezien de druk die het zich moeten verantwoorden op een openbare terechtzitting en het zeer lange tijdsverloop op verdachte hebben gelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 22c, 22d, 47, 140, 225 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

t.a.v. feit 3:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 4 subsidiair:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

t.a.v. feit 1, feit 3, feit 4 subsidiair:

Taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. R. van den Munckhof en mr. G.M. Blanken, leden,

in tegenwoordigheid van mr G. van de Luijtgaarden, griffier,

en is uitgesproken op 21 april 2022.