Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:973

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
8217273 CV 19-11699
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak; vertraging veroorzakende nieuwe tijdslots leveren zonder voldoende nadere toelichting geen buitengewone omstandigheid op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 8217273

Rolnummer : 19-11699

Uitspraak : 11 maart 2021

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421

in de zaak van:

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [plaats 1] ,

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

beiden wonende te [plaats 2] ,

eisers,

gemachtigde: Webcasso B.V.,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht Ryanair,

gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.C.J. Houwers.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  1. het vorderingsformulier A van de verordening (EG) nr. 861/2007 met producties;

  2. het verweerschrift met producties;

  3. de conclusie van repliek met producties;

  4. e conclusie van dupliek met producties;

  5. en akte uitlating producties van de zijde van eisers.

1.2.

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

  1. Eisers hadden een vlucht geboekt voor 29 juni 2018 om 20:00 uur (lokale tijd) met vluchtnummer FR4061 van Catania (Italië) naar Eindhoven Airport.

  2. Vlucht FR4061 is omgeleid naar de luchthaven van Keulen (Duitsland) en met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen.

3. Het geschil

3.1.

Eisers stellen het volgende. Aangezien vlucht FR4061 met vertraging werd uitgevoerd, hebben zij op grond van Verordening 261/2004 (hierna de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) inzake onder meer Sturgeon en Nelson recht op financiële compensatie van € 1.600,00. Van een buitengewone omstandigheid was geen sprake. Ook de als gevolg van de vertraging gemaakte additionele kosten van € 1.003,02 dient verweerster te voldoen.

3.2.

Op grond van het voorgaande vorderen eisers betaling van een hoofdsom van € 2.603,02, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten en de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Verweerster voert, samengevat, het volgende verweer.

Primair geldt, dat de (veronderstelde) gemachtigde van eisers niet over een volmacht beschikt. Eisers hebben een volmacht gegeven aan Yource B.V. dan wel haar rechtsvoorganger Green Claim B.V.. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat Webcasso B.V. beschikt over een machtiging om namens eisers in rechte op te treden.

Subsidiair geldt, dat sprake is geweest van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Op 29 juni 2018 stonden zes vluchten van het vliegtuig met registratienummer EI-GJF gepland. Op de derde vlucht (FR9924 van Eindhoven naar Pisa) is een ATC-slot afgegeven als gevolg van luchthavencapaciteit. Hierdoor zijn de andere vluchten voor dezelfde dag ook vertraagd. Al deze ATC-vertragingen hadden een domino-effect op de volgende vluchten. Vlucht FR4061 zou om 18:00 uur vertrekken, maar is uiteindelijk om 20:22 uur vertrokken. De vlucht zou volgens het vluchtschema om 20:55 uur aankomen in Eindhoven . Dit was vanwege de slotvertragingen gedurende de dag echter niet haalbaar. Aan de betreffende vlucht werd geen zogenaamd nachtslot toegekend. Hierdoor heeft de gezagvoerder moeten besluiten de vlucht te laten uitwijken naar Keulen. Verweerster heeft bussen ingezet om de passagiers zo snel mogelijk vanuit Keulen naar Eindhoven te vervoeren. Vertraging kon ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet worden voorkomen.

De gevorderde additionele kosten moeten worden afgewezen omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd.

Voor zover het eerdere verweer niet wordt gevolgd wijst verweeerster er op dat zij op grond van artikel 15.2 van haar algemene voorwaarden niet is gehouden om de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van eisers te voldoen. Op grond van dit artikel geldt dat vorderingen die voortvloeien uit de vervoersovereenkomst direct bij haar ingediend moeten worden zonder tussenkomst van een derde partij met inachtneming van een termijn van 28 dagen waarbinnen zij op de vordering kan reageren. Na deze 28 dagen kunnen eisers vervolgens een derde inschakelen om de vordering te innen. Omdat eisers van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, moeten de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten worden afgewezen. Daarnaast heeft verweerster slechts een enkele, automatisch gegenereerde sommatiebrief van de gemachtigde van eisers ontvangen en is een onjuiste staffel voor de buitengerechtelijke incassokosten gehanteerd.

3.4.

Primair verzoekt verweerster eisers daarom niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering af te wijzen met veroordeling van eisers in de proceskosten en nakosten. Subsidiair dienen bij een toewijzing van de hoofdsom de gevorderde wettelijke rente en de vordering voor (overige) kosten te worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt.

4.2.

Voorts wordt vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Meer specifiek is, gelet op het Rehder-arrest (ECLI:EU:C:2009:439, Hof van Justitie EG/EU, 09-07-2009, C-204/08), de kantonrechter te Eindhoven bevoegd, omdat de overeengekomen plaats van aankomst Eindhoven is.

4.3.

Eisers hebben bij repliek een volmacht overgelegd waaruit blijkt dat de gemachtigde van eisers gevolmachtigd is namens hen in onderhavige procedure op te treden.

4.4.

Beoordeeld dient te worden of verweerster terecht een beroep doet op artikel 5 lid 3 van de Verordening. Vooropgesteld wordt dat eisers in het onderhavige geval, op grond van artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening, in beginsel recht hebben op de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 400,00 per passagier.

4.5.

De luchtvervoerder is niet verplicht de compensatie te betalen indien er sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.6.

Het beroep van verweerster op voormeld artikel 5 lid 3 wordt verworpen. Weliswaar heeft verweerster aangevoerd dat het toestel bij het uitvoeren van voorafgaande vluchten op 29 juni 2018 als gevolg van opeenvolgende -door de luchtverkeersleiding opgelegde- slots een langdurige vertraging heeft opgelopen, maar eisers hebben daar terecht tegenover gesteld, dat volledig onduidelijk is gebleven waarom nieuwe slots moesten worden aangevraagd. De omstandigheid dat voor een start of landing het oorspronkelijke tijdslot niet meer kan worden gebruikt en er dus een nieuw tijdslot moet worden aangevraagd, kan verschillende oorzaken hebben. Verweerster heeft wel toegelicht dát er opeenvolgende (en vertraging veroorzakende) slots zijn opgelegd, maar heeft in het geheel niet toegelicht waarom zij nieuwe slots opgelegd heeft gekregen. Zoals eisers terecht opmerken, is een dergelijke toelichting cruciaal omdat heel wel mogelijk is dat een vertraging (als gevolg waarvan een nieuw vertrekslot moet worden aangevraagd) aan de luchtvaartmaatschappij te wijten kan zijn. Verweerster kan dus niet volstaan met te stellen dát zij nieuwe slots opgelegd heeft gekregen; zij zal ook moeten toelichten wat de reden is geweest dat die nieuwe slots (moesten worden aangevraagd en/of) zijn opgelegd. Minstgenomen zal zij aannemelijk moeten maken dat het niet aan háár te wijten is, dat nieuwe slots moesten worden aangevraagd. Nu de door verweerster gegeven toelichting op dit punt onvoldoende is, wordt het beroep op de aanwezigheid van een buitengewone omstandigheid verworpen.

De vordering van eisers tot betaling van een compensatie van € 1.600,00 (€ 400,00 per passagier) zal worden toegewezen.

4.7.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 1.003,02 ter zake additionele kosten wordt geoordeeld als volgt. Bij het vorderingsformulier hebben eisers een aantal facturen (productie 6) zonder enige nadere motivering overgelegd. Eisers hebben deze stukken niet nader toegelicht of nader onderbouwd. Het had op de weg van eisers gelegen om – mede gelet op het gevoerde verweer – een nadere toelichting te verstrekken, teneinde de kantonrechter in staat te stellen te beoordelen of de gevorderde kosten betrekking hebben op de verplichting tot verzorging, en zo ja, of deze kosten noodzakelijk, passend en redelijk zijn geweest. Nu eisers dit niet hebben gedaan, komt dit voor hun risico. Geoordeeld wordt daarom dat het onduidelijk is gebleven waarop de gevorderde additionele vergoeding precies ziet en hoe de hoogte van deze vordering tot stand is gekomen. Het bedrag van € 1.003,02 wordt daarom afgewezen.

4.8.

Tegen de gevorderde wettelijke rente is door verweerster geen afzonderlijk inhoudelijk verweer gevoerd, zodat deze wordt toegewezen.

4.9.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.10.

Verweerster voert aan dat zij op grond van artikel 15.2 van haar algemene voorwaarden niet gehouden is om de door eisers gevorderde proceskosten te voldoen. Bij beschikking van 11 juli 2019 in een soortgelijke zaak (ECLI:NL:RBOBR:2019:4890) is echter al geoordeeld dat genoemd artikel als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt. Het artikel wordt daarom vernietigd en moet buiten toepassing blijven. De proceskosten komen voor rekening van verweerster omdat zij ongelijk krijgt. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de 15e dag nadat verweerster schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand.

4.11.

De nakosten zijn toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt verweerster om aan eisers te betalen de som van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 juni 2018 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot vandaag vastgesteld op € 231,00 aan griffierecht en € 374,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag nadat verweerster schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;

veroordeelt verweerster in de kosten die na deze beschikking ontstaan, begroot op € 93,50 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de 15e dag nadat verweerster schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter te Eindhoven , en in het openbaar uitgesproken op donderdag 11 maart 2021.