Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:948

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
20/786
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De huurder van een (sociale) huurwoning heeft bezwaar gemaakt tegen de op zijn naam gestelde WOZ-beschikking. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Gelet op de arresten van 20 oktober 2017 en 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2017:2656 en ECLI:NL:HR:2020:467) heeft een huurder als eiser belang bij die beschikking en bij de daarin vastgestelde waarde. Verweerder heeft ten onrechte het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal de zaak terugwijzen naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen. Op grond van het arrest van 20 maart 2020 van de HR (ECLI:NL:HR:2020:468) zal verweerder ook dienen te bezien of er aanleiding is de eigenaar/verhuurder in de gelegenheid te stellen in de bezwaarfase als partij aan de procedure deel te laten nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-03-2021
V-N Vandaag 2021/669
FutD 2021-0964
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen)

Procesverloop

Bij beschikking van 19 maart 2019, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2018, voor het kalenderjaar 2019, vastgesteld.

Bij uitspraak op bezwaar van 31 januari 2020 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 29 september 2020 een reactie ingediend. In die brief heeft verweerder aangegeven dat hij toestemming geeft om het onderzoek op de zitting achterwege te laten. Namens eiser is die toestemming gegeven bij brief van 30 oktober 2020.

Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten
Eiser is huurder van de woning. Het betreft een sociale huurwoning, waarvan de huidige huurprijs € 498,46 bedraagt en de maximale huurprijs € 619,65. Verhuurder van de woning is Stichting Zayaz te ‘s-Hertogenbosch.

Geschil en beoordeling

  1. In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar.

  2. Artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat belanghebbende bij een beschikking degene is wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:2 van de Awb volgt dat daarbij in eerste instantie moet worden gedacht aan de geadresseerde van het besluit. (Kamerstukken II, 1988/89, 21221, nr. 3, blz. 32)

3. Artikel 24, derde lid, van de Wet WOZ bepaalt dat een beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet WOZ wordt bekendgemaakt aan zowel degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (artikel 24, derde lid, letter a, van de Wet WOZ) als aan degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt (artikel 24, derde lid, letter b, van de Wet WOZ).

4. De Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:467) als volgt: “Opmerking verdient dat deze bepaling de heffingsambtenaar niet verplicht om een beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, Wet WOZ te nemen te aanzien van een gebruiker als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ indien die gebruiker geen belang heeft bij die beschikking. De heffingsambtenaar kan volstaan met het toezenden van een afschrift van de beschikking die is genomen ten aanzien van de gerechtigde als bedoeld in artikel 24, derde lid, letter a, Wet WOZ”.

5. Verweerder heeft echter in dit geval niet volstaan met het zenden van een afschrift van de waardebeschikking die aan de eigenaar bekend is gemaakt, maar heeft ook ten aanzien van eiser een beschikking genomen en deze aan eiser bekend gemaakt.

6. Verweerder heeft zich in eerste instantie in de bestreden uitspraak op het standpunt gesteld dat eiser een huurder is van een zogenaamde sociale huurwoning. Een eventuele verlaging van de WOZ-waarde, zo is verweerder bij navraag bij de verhuurder woningbouwvereniging Stichting Zayaz gebleken, heeft geen invloed op de huurprijs, omdat Stichting Zayaz niet de maximale huurprijs vraagt. Ook is het huurcontract dat is ingegaan per 13 februari 2013 gelegen voor de ingangsdatum van het nieuwe woningwaarderingsstelsel per 1 oktober 2015. Om die reden heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 12 december 2017 en 23 december 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2017:6416 en ECLI:NL:RBOBR:2019:7359), onder verwijzing naar vaste jurisprudentie in bestuursrechtelijke zaken, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State appelrechter waren, ook telkens ambtshalve het procesbelang onderzocht bij het procederen van een huurder over een ontvangen WOZ-beschikking.

7. De rechtbank stelt echter vast dat de HR in zijn arrest van 20 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2656) heeft overwogen dat aangenomen dient te worden dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft. In het hiervoor genoemde arrest van 20 maart 2020 heeft de Hoge Raad dit herhaald en daaraan toegevoegd: “De heffingsambtenaar had het bezwaar van belanghebbende tegen de te zijnen aanzien genomen beschikking dus niet niet-ontvankelijk mogen verklaren wegens het ontbreken van belang.” Verweerder heeft daarom bij brief van 29 september 2020 aangegeven niet langer te handhaven dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, verzocht om vernietiging van de bestreden uitspraak en de zaak terug te wijzen naar verweerder. De rechtbank zal daarom in deze zaak de HR volgen in de lijn die in de arresten van 20 oktober 2017 en 20 maart 2020 is uitgezet.

8. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van belang. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal de zaak terugwijzen naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen. Met inachtneming van het arrest van 20 maart 2020 van de HR (ECLI:NL:HR:2020:468) zal verweerder ook dienen te bezien of er aanleiding is de eigenaar/verhuurder in de gelegenheid te stellen in de bezwaarfase als partij aan de procedure deel te nemen.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht (€ 48) vergoedt.

10. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

11. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Uit de brief van verweerder van 29 september 2020 en de gedingstukken is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat verweerder de in beroep door eiser gemaakte proceskosten zal vergoeden. Ook hebben partijen overeenstemming over de in aanmerking te nemen proceshandelingen, in deze zaak en de zaken SHE 20/787, 20/788 en SHE 20/853. Partijen gaan ervan uit dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand de volgende punten moeten worden toegekend: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, vermenigvuldigd met 1,5 in verband met samenhangende zaken. De rechtbank hanteert daarbij als waarde per punt het bedrag zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2021, op grond van het Bpb en de daarbij behorende bijlage (€ 534). Dat betekent voor de vier samenhangende zaken in totaal € 801. De rechtbank zal de proceskosten voor elke zaak afzonderlijk daarmee vaststellen op € 200,25. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak;

- wijst de zaak terug naar verweerder om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 200,25:


Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.S. Requisizione, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 1 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.