Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:879

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
WR 21/001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Rechterlijke (tussen)beslissing. Verwijzing naar HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

zaaknummer: WR 21/001

Beslissing van 19 januari 2021

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. J.H. Wiggers,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Verzoeker is gedaagde in een bij de rechtbank sinds 26 november 2020 aanhangige civiele procedure (kanton) met zaaknummer 8873884 CV EXPL 20-6023. Eiseres is Stichting [naam] ( [naam] ). Bij brief van 27 november 2020 heeft de griffie (van de afdeling civiel) verzoeker laten weten dat hij uiterlijk op de rolzitting van 21 januari 2021 om 09:00 uur een conclusie van antwoord moet nemen, in reactie op de tegen hem door [naam] ingestelde vorderingen.

Naar aanleiding van een door verzoeker ingediend verzoek om uitstel heeft de griffie (van de afdeling civiel) namens de rechter bij e-mail van 13 januari 2021 uur aan verzoeker medegedeeld:

β€œIn antwoord op het onderstaande, moet ik u namens de kantonrechter meedelen dat deze voornemens is GEEN nader uitstel te verlenen. U heeft vanaf 26 november 2020 het maximale uitstel gekregen en heeft u nog een week de tijd om uw aanvullend antwoord in te dienen.”.

Zoals hij op 14 januari 2021 telefonisch had aangekondigd tegen een medewerker van de griffie, heeft verzoeker de rechter bij e-mail van 15 januari 2021 om 09:59 uur gewraakt. De rechter heeft hierop bij e-mail van 15 januari 2021 om 11:03 uur gereageerd.

2 De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1

De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het verzoek kennelijk ongegrond is (artikel 4, tweede lid, aanhef en a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.

2.2.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

2.3

Verzoeker vindt dat de rechter vooringenomen is omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechter heeft het door verzoeker gevraagde nader uitstel voor het indienen van de conclusie van antwoord afgewezen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als deze nooit grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer mag niet oordelen over de juistheid van een rechterlijke (tussen)beslissing. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er ook tegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook het indien het gaat om een motivering die volgens de wrakingsmaker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier is of wanneer een motivering ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie opnieuw HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

2.4

De wrakingskamer oordeelt dat van de e-mail, die op 13 januari 2021 namens de rechter door de griffie is verzonden, niet kan worden gezegd dat de daarin vermelde beslissing en motivering niet anders verstaan kan worden dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven op 19 januari 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open (artikel 39 lid 5 Rv).