Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:7203

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2021
Datum publicatie
30-05-2022
Zaaknummer
8829832 CV EXPL 20-7162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease

Dexia

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiele kantonzaken

locatie Eindhoven

zaak- en rolnummer: 8829832 CV EXPL 20-7162

vonnis van: 29 juli 2021

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: USG Legal Professionals b.v.

De procedure

1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 oktober 2020 van [eiser] , met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

  • -

    de conclusie van repliek van [eiser] , met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van Dexia.

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

2. De feiten
Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast.

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2

[eiser] heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contactnummer]

27-06-2001

Overwaarde Effect

180 mnd

ƒ 216.529,05

2.3.

Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I.

26-06-2006

- € 1.7.462,82

2.4.

Bij de totstandkoming van de overeenkomst is een tussenpersoon betrokken geweest,
te weten Spaar Select, hierna te noemen: “de tussenpersoon”.

2.5.

[eiser] heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

3 Vorderingen van [eiser]

3.1.

vordert dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser]
heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten;

  • -

    Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze lease-overeenkomst is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;

  • -

    Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de door [eiser] geleden hypotheekschade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.

4. Dexia voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van [eiser] .

5 Beoordeling van de vorderingen
5.1. Het gaat in deze zaak om een effectenlease-overeenkomst. Geschillen over degelijke overeenkomsten hebben in de afgelopen decennia geleid tot veel jurisprudentie waarin maatstaven en beoordelingskaders zijn ontwikkeld. Verwezen wordt naar de uitspraak van Rb. Gelderland, 20 januari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:412, rov. 4.1 tot en met 4.3. Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [eiser] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

Volmacht

5.2.

Voor zover Dexia heeft betwist dat Leaseproces gevolmachtigd is om namens [eiser] deze procedure op te starten slaagt dit verweer niet. Door Dexia is niet betwist dat Leaseproces op enig moment in het verleden door [eiser] gevolmachtigd is. Zij wil bewijs dat dit niet veranderd is. Hiervoor is geen grond. Dexia heeft haar stelling, dat het voorgekomen is dat Leaseproces namens een overleden cliënt procedeert, niet onderbouwd. Evenmin heeft Dexia onderbouwd dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat juist [eiser] de machtiging heeft ingetrokken.

Verjaring

5.3.

Dexia stelt dat dat de vordering van [eiser] is verjaard.

Dienaangaande overweegt de kantonrechter als volgt.

Artikel 3:316 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Invulling aan dit laatste wordt gegeven in artikel 3:317 BW waarin staat dat verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (vgl. ook HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418). Niet nodig is dat de schriftelijke mededeling de vordering nauwkeurig omschrijft met aanwijzing van de correcte juridische grondslag. Wél is voor een voldoende duidelijke waarschuwing noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is wélke vordering is bedoeld. Daartoe is in ieder geval vereist dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen deze schuldenaar zich eventueel heeft te verweren (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM9615). Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie van partijen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063).

5.4.

De kantonrechter stelt vast dat de ontvangst van de eerste brief van [eiser] aan Dexia - zo is ook door Dexia bevestigd - dateert uit 2012. De overeenkomst is geëindigd op 26 juni 2006. Tussen deze twee data is een periode gelegen van meer dan vijf jaren. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat de verjaring van zijn vordering is gestuit, maar heeft daarvan geen bewijs bijgebracht of feiten gesteld die dit ondersteunen. Gelet op het verweer van Dexia dat de vordering van [eiser] is verjaard, had dit wel op de weg van [eiser] gelegen. De door hem overgelegde stukken zien niet op - en kunnen ook als zodanig niet worden begrepen - als een stuitingshandeling zijdens [eiser] .

De kantonrechter ziet geen aanleiding [eiser] alsnog toe te laten tot bewijslevering op dit punt. Dat leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiser] is verjaard en deze zal om die reden worden afgewezen.

Proceskosten

5.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af,

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot op heden worden vastgesteld op € 74,00 aan salaris van de gemachtigde,

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van 29 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter