Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:7159

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
14-02-2022
Zaaknummer
8201751 CV EXPL 19-11396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Verklaring voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen jegens afnemer heeft voldaan. Onvoldoende onderbouwd door afnemer dat tussenpersoon beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht. Tussenpersoon is evenmin opgetreden als orderremisier. Het enkel doorsturen van een aanvraagformulier kan niet als zodanig worden aangemerkt.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaakgegevens: 8201751 CV EXPL 19-11396

Grosse aan: mr. Van Dijk

Afschrift aan: mr. Van Staveren

Verzonden d.d.

vonnis van de kantonrechter d.d. 11 maart 2021

inzake

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.R. van Staveren,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna Dexia en Afnemer genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 november 2019,

- de conclusies van antwoord, repliek en dupliek

- de akte uitlating producties van Dexia.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en Afnemer is op 3 mei 2000 een effectenlease-overeenkomst met contractnummer [nummer] tot stand gekomen, genaamd ‘Capital Effect Vooruitbetaling’ (hierna: de overeenkomst).

2.2.

De overeenkomst is geëindigd op 26 april 2005. Daarbij is een restschuld ontstaan van € 7.369,16, die door Afnemer is voldaan.

2.2.

Afnemer heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.3.

In de rechtspraak, uiteindelijk leidend tot de uitspraak van de Hoge Raad van 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003, is het zogenoemde “hofmodel” ontwikkeld voor de beoordeling van effectenleasezaken als de onderhavige.

2.4.

Op 18 januari 2012 is Dexia overgegaan tot betaling van schadevergoeding aan Afnemer, berekend aan de hand van het hiervoor bedoelde hofmodel. Bij de berekening van de omvang daarvan is Dexia uitgegaan dat het aangaan van de overeenkomst voor Afnemer destijds geen onaanvaardbaar zware financiële last vormde, zodat uitsluitend tweederde deel van de restschuld, zijnde een bedrag van € 6.602,20, aan Afnemer is vergoed.

2.5.

Bij brief van 24 januari 2012 heeft Afnemer via zijn gemachtigde aan Dexia laten weten dat hij zich zijn rechten voorbehoudt met betrekking tot zijn resterende vorderingen.

2.6.

Dexia heeft Afnemer bij brief van 7 maart 2019 uitgenodigd om hetzij te bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel sprake is van een vordering. Afnemer heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd.

3
3. De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan Afnemer verschuldigd is, met veroordeling van Afnemer in de proceskosten.

3.2.

Dexia stelt daartoe onder meer dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat Afnemer een vordering op haar pretendeert, maar dat Afnemer niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat Afnemer geen vordering heeft in verband met de tussen hen gesloten overeenkomst.

3.3.

Afnemer voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, althans haar die te ontzeggen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder Afnemer.

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

4.4.

Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan Afnemer verschuldigd. Afnemer meent hij nog enkele vorderingen op Dexia te hebben.

4.5.

Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan Afnemer verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen.

4.6.

Afnemer stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op Dexia resteert, omdat de jurisprudentie op die onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen af te wachten. In elk geval meent hij nog een vordering te hebben vanwege:
- de advisering door een tussenpersoon,
- buitengerechtelijke incassokosten,

- beleggingstechnische gebreken.

4.7.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan Afnemer verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen.

afwachten ontwikkelingen in de jurisprudentie

4.8.

Afnemer voert aan dat hij de komende ontwikkelingen in de jurisprudentie wil afwachten, zodat de vordering van Dexia niet toegewezen kan worden zolang nog geen beslissingen in hoogste instantie zijn gegeven. Dit verweer wordt niet gevolgd.
Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor Afnemer gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van Afnemer.
Afnemer heeft overigens niet gesteld of onderbouwd dat en waarom een oordeel over de effectenbemiddeling door Vero van invloed zou kunnen zijn op de beoordeling in deze procedure, terwijl gesteld noch gebleken is dat bemiddeling door Vero in het geval van Afnemer heeft plaatsgevonden.

4.9.

Met de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade, waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is, vormt geen belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.

beleggingstechnische gebreken
4.10. Afnemer verweert zich tegen de vordering door te stellen dat hij nog een vordering kan hebben in verband met de beleggingstechnische gebreken van de overeenkomst. Hij wijst daarbij op de ingebouwde boete, die oneerlijk bevonden is.
Dit verweer kan niet worden gevolgd. Met de huidige stand van de jurisprudentie staat vast dat deze grond geen vordering op Dexia doet ontstaan. De boete, die Afnemer kennelijk bedoelt, betreft een bepaling uit de (algemene) voorwaarden van de overeenkomst ten aanzien van resterende termijnen bij de beëindiging van de overeenkomst. Blijkens de overgelegde eindnota zijn aan Afnemer geen resterende termijnen en/of boete in rekening gebracht, zodat zonder nadere toelichting - die niet gegeven is - onduidelijk is dat en waarom Afnemer op deze grond een vordering op Dexia zou toekomen.

buitengerechtelijke incassokosten

4.11.

Afnemer voert nog aan dat Dexia een vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan haar dient te betalen. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hetgeen door Afnemer is aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

tussenpersoon
4.12. Het verweer van Afnemer spitst zich voor het overige toe op de rol van de tussenpersoon, Spaar Advies. In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad geoordeeld, kort weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens Afnemer als financieel adviseur is opgetreden, handelt deze in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

advisering

4.13.

Afnemer heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of de tussenpersoon beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Bij de beoordeling of sprake is van een door de tussenpersoon gegeven vergunningplichtig advies, evenals bij de beoordeling van de wederzijdse stelplicht en bewijslast en van de gevolgen van de activiteiten van de tussenpersoon voor de verdeling van de schade, wordt het volgende tot uitgangspunt genomen.

  • -

    Een advies is een geïndividualiseerde aanbeveling. Dit veronderstelt dat niet slechts informatie wordt verschaft over de mogelijke beleggingen, maar dat tevens een waardeoordeel wordt gegeven over de door de individuele afnemer te nemen beslissing. Uit de stellingen van afnemer moet blijken dat de tussenpersoon een op zijn of haar specifieke situatie toegesneden advies heeft verstrekt (vgl. conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:465, rov. 3.13.3:en 3.13.4, bij HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1714, gevolgd, 81 RO).

  • -

    het feit dat de tussenpersoon een beloning ontvangt kan wel een bewijsvermoeden ten aanzien van het geven van vergunningplichtig advies opleveren in de verhouding tussen toezichthouder en tussenpersoon, maar niet in de rechtsverhouding tussen Dexia en afnemer (vgl. conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:465, rov. 3.14.1 en 2, bij HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1714, gevolgd, 81 RO).

  • -

    Voor de schadeverdeling is dus als zodanig niet bepalend of het contact tussen de afnemer en Dexia is gelegd door de afnemer, door Dexia of door een tussenpersoon (Conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:464, rov. 3.2, bij HR 30 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1713, gevolgd, 81 RO).

  • -

    De particuliere belegger mag in beginsel ervan uitgaan dat de onafhankelijke beleggingsadviseur diens zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de particuliere belegger bij een door de dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op, en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct (Conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:464, rov. 3.9 nr. 2.5, bij HR 30 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1713, gevolgd, 81 RO), in zoverre afwijkend van Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8990), rov. 4.13.

  • -

    De afnemer die uit eigen beweging Dexia heeft benaderd had meer bedacht moeten zijn op risico’s dan de afnemer die door een tussenpersoon is geadviseerd als bedoeld in HR 2 september 2016 (B./Dexia) (Conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:464, rov. 3.9 nr. 3.1 en 4, bij HR 30 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1713, gevolgd, 81 RO).

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Afnemer in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het hof Arnhem-Leeuwarden te volgen voor zover hij in zijn arrest van 3 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8990, rov. 4.13) tot uitgangspunt heeft genomen dat een afnemer diende te onderzoeken of hij mocht vertrouwen op de onafhankelijkheid en deskundigheid van de betreffende financieel adviseur.

4.14.

Afnemer stelt hierover het volgende:

Afnemer wilde een eigen appartement kopen en hij moest daarvoor een hypotheek afsluiten. Afnemer wist dat zijn oom, de heer [A] , hypotheek adviseur was bij Spaar Advies en Afnemer vroeg hem om advies. De heer [A] (hierna: de adviseur) is bij Afnemer thuis langs geweest om de financiële situatie van Afnemer door te nemen. Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wens van Afnemer om een hypotheek af te sluiten voor de aankoop van een appartement tegen lage lasten en weinig risico. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde Afnemer om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. Afnemer diende hiervoor een hogere hypotheek af te sluiten dan de waarde van het gekochte appartement. Op deze manier kon Afnemer een vooruitbetaling doen in het Capital Effect product zodat hij na een aantal jaar de hypotheek een stuk kon aflossen met de opbrengst uit het Capital Effect product. De adviseur hield Afnemer voor dat dit Capital Effect product geschikt en financieel gunstig was voor Afnemer vanwege het te ontvangen dividend en de fiscale voordelen, hierdoor zouden de lasten laag blijven. Op advies van de adviseur heeft Afnemer besloten om een hogere hypotheek af te sluiten dan de waarde van het door hem gekochte appartement. De hypotheek is via een lening bij Royal Residentie Hypotheken BV afgesloten voor een bedrag van NLG 361.250,00. Een bedrag van NLG 48.090,68 kon vervolgens worden aangewend voor vooruitbetaling van het Capital Effect product. De adviseur heeft Afnemer niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Afnemer had geen beleggingservaring of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. De adviseur is na het eerste gesprek nog meerdere malen langs geweest en heeft de aanvraag voor het Capital Effect product en de hypotheek in werking gesteld.

4.15.

Afnemer heeft zijn stellingen onderbouwd met de volgende stukken:

- de overeenkomst, waarop als adviseur is vermeld “ [kenmerk] -SpaarAdvies”.

- de hypotheekofferte van Royal Nederland d.d. 9 maart 2000, ten name van Afnemer, voor een hoofdsom van NLG 36.250,-

- verschillende uitdraaien van het internetarchief ‘Wayback Machine’, een archief dat het mogelijk maakt om oude versies van websites op te zoeken. De uitdraaien geven de website van SpaarAdvies uit 1999 weer. Het volgende is daarop te lezen:

- “SpaarAdvies biedt u de helpende hand op financieel gebied in de breedste zin van het woord. (…)

U kunt de site binnengaan door één van de virtuele adviseurs te kiezen. Door op elke willekeurige plek binnen de site op uw adviseur te klikken kunt u hulp krijgen bij de meest gestelde vragen. U kunt ons natuurlijk ook bellen.”

-“ Het Adviesgesprek

Eerste doel: DUIDELIJKHEID

(…) Want wat hij namelijk beoogt – daarvoor is hij getraind en worden hem wekelijks de nieuwe ontwikkelingen over financiële aangelegenheden bijgebracht – is op een verhelderende manier uw positie op financiële schaal in te tekenen.(…)

Tweede doel: KENNIS

(…)De sleutelwoorden zijn flexibiliteit en vindingrijkheid. Daardoor kan enerzijds optimaal gebruik worden gemaakt van de openingen die de overheid biedt en anderzijds in de SpaarAdvies-producten een strikt individuele oplossing worden gevonden die recht doet aan uw persoonlijke situatie.

Derde doel: KANSEN BENUTTEN

(…) Neem nu contact op met SpaarAdvies. Een afspraak voor een verhelderend gesprek is dan snel gemaakt.”

4.16.

Uit de door Afnemer overgelegde stukken blijkt niet op welke wijze er contact is geweest tussen Afnemer en de tussenpersoon of welke inhoud dit contact heeft gehad. Ook blijkt niet dat enig contact met de tussenpersoon heeft geleid tot het aangaan van de overeenkomsten door Afnemer. Het enige dat hierop ziet is immers het feit dat de tussenpersoon als adviseur op de overeenkomst is vermeld, echter wort door Dexia terecht opgemerkt dat uit die enkele vermelding niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de tussenpersoon specifiek op de persoon gericht financieel advies verrichtte, laat staan in dit concrete geval. Anders dan Afnemer meent kan advisering evenmin worden afgeleid uit de door Afnemer aangehaalde hypotheekofferte. De passages van de website zijn door Dexia inhoudelijk gemotiveerd betwist. Nu iedere verdere onderbouwing van de stellingen (bijvoorbeeld een verklaring van de genoemde oom) ontbreekt is – zeker in het licht van de betwistingen door Dexia – deze grond voor de vordering onvoldoende onderbouwd.

orderremisier
4.17. Afnemer voert ook aan dat sprake is van onrechtmatig handelen door Dexia omdat de tussenpersoon is opgetreden als orderremisier en daardoor gehandeld heeft in strijd met artikel 41 NR 1999. Hij voert daarbij aan, dat uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:216, volgt dat het namens en voor rekening van een cliënt door de tussenpersoon insturen van een aanvraagformulier aan Dexia is aan te merken als het doorgeven van een order. Deze uitspraak van het Gerechtshof wordt niet gevolgd, zoals ook door deze rechtbank is geoordeeld in de uitspraak van 22 mei 2019 die gepubliceerd is onder nummer ECLI:NL:RBGEL:2019:2253. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in het arrest van 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8462 eveneens geoordeeld dat het enkel doorsturen van een aanvraagformulier niet kan worden aangemerkt als het doorgeven van een order, zodat op dat punt geen sprake is van schending van artikel 41 NR 1999.

schending waarschuwingsplicht

4.18.

Tussen partijen staat wel vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht niet is nagekomen. Daarmee heeft Dexia onrechtmatig gehandeld jegens Afnemer. Dexia dient in verband daarmee tweederde van de restschuld op zich te nemen, zoals Dexia in 2012 ook gedaan heeft.

4.19.

De conclusie moet dan zijn dat de vorderingen van Dexia toegewezen kunnen worden, zoals hierna aangegeven. Afnemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en Afnemer gesloten overeenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan Afnemer verschuldigd is,

5.2.

veroordeelt Afnemer in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot op heden worden vastgesteld op € 101,06 dagvaardingskosten, € 121,00 vast recht en € 500,00 salaris van de gemachtigde,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op
11 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

SL