Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:6516

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2021
Datum publicatie
21-12-2021
Zaaknummer
20/1357
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Belastingdienst/Toeslagen heeft de werking en betekenis van een wet uitgelegd op een website in begrijpelijk Nederlands. Eiseres mocht in dit geval afgaan op de uitleg over de wettelijke bepaling op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Daar staat dat een ouder ook een recht op een kindgebonden budget heeft als een kind in belangrijke make wordt onderhouden. De Belastingdienst/Toeslagen had in de bezwaarfase moeten onderzoeken of dat hier het geval was en heeft dat ten onrechte niet gedaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2022/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: [naam] ),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over klare taal in wetten. Wetten zijn opgesteld voor ons allemaal. Maar niet iedereen begrijpt wat er in een wet staat. Soms is een wet zelfs voor de rechtbank ingewikkeld. De overheid heeft de werking en betekenis van een wet uitgelegd op een website in begrijpelijk Nederlands. Eiseres mocht in dit geval afgaan op de uitleg over de wettelijke bepaling op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Daar staat dat een ouder ook een recht op een kindgebonden budget heeft als een kind in belangrijke make wordt onderhouden. De Belastingdienst/Toeslagen had in de bezwaarfase moeten onderzoeken of dat hier het geval was en heeft dat ten onrechte niet gedaan.

Procesverloop

Eiseres had een voorschot kindgebonden budget 2019 gekregen. Op 28 december 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit voorschot naar beneden aangepast. Eiseres kreeg niet langer een kindgebonden budget voor de periode van 1 oktober 2019 t/m 31 december 2019 voor haar oudste dochter.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het besluit van 28 april 2020 (het bestreden besluit) dit bezwaar ongegrond verklaard zonder hoorzitting.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 8 oktober 2021. Eiseres en haar gemachtigde hebben (op hun verzoek) online deelgenomen. De gemachtigden van de Belastingdienst/Toeslagen waren in de zittingszaal aanwezig. Na de zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen zijn standpunt verder toegelicht. Eiseres heeft hier niet meer op gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1. De rechtbank zet eerst alle relevante feiten op een rij. Daarna vat de rechtbank de standpunten van eiseres en de Belastingdienst/Toeslagen samen. Dan geeft de rechtbank haar oordeel en legt de rechtbank uit wat de gevolgen zijn. In de bijlage bij deze uitspraak staat de letterlijke tekst van de genoemde wetsartikelen op het moment dat het besluit werd genomen.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de hieronder genoemde feiten.

  • -

    Eiseres heeft twee kinderen. Zij kreeg in 2018 voor beide kinderen kinderbijslag.

  • -

    Op 27 december 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan eiseres een voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2019 verleend van € 2.925,00.

  • -

    De oudste dochter is in september 2019 HBO-onderwijs gaan volgen.

  • -

    Op 28 november 2019 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan de Belastingdienst/ Toeslagen gemeld dat eiseres vanaf 1 oktober 2019 geen recht op kinderbijslag meer heeft voor haar oudste dochter.

  • -

    Daarna heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van eiseres voor het vierde kwartaal van 2019 aangepast en geen budget meer toegekend voor de oudste dochter.

  • -

    De oudste dochter is in februari 2020 18 jaar oud geworden. Eiseres heeft voor haar oudste dochter over het eerste kwartaal van 2020 weer wel kinderbijslag gekregen.

Standpunten

3.1

Eiseres is het niet eens met het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om geen kindgebonden budget toe te kennen voor het vierde kwartaal van 2019. Ze beseft dat ze geen kinderbijslag meer kreeg voor haar oudste dochter. Zij is van mening dat zij ook aanspraak kan maken op een kindgebonden budget als zij haar oudste dochter in die periode in belangrijke mate heeft onderhouden (met andere woorden, dat eiseres voor het grootste deel de kosten van levensonderhoud en studie van haar oudste dochter voor haar rekening heeft genomen). Dat staat op de website van de Belastingdienst/Toeslagen en van de SVB. Haar dochter woonde in die periode thuis bij eiseres en heeft geen studiebeurs of studielening gehad en had ook geen eigen inkomen. Eiseres vindt dat zij haar dochter in die periode in belangrijke mate heeft onderhouden.

3.2

De Belastingdienst/Toeslagen heeft van de SVB vernomen dat eiseres geen kinderbijslag heeft gekregen voor haar oudste dochter in het vierde kwartaal van 2019. De SVB heeft niet aan de Belastingdienst/Toeslagen verteld dat eiseres haar oudste dochter in belangrijke mate onderhoudt. De Belastingdienst/Toeslagen vindt dat hij dit niet zelf hoeft te beoordelen maar dat dit de taak is van de SVB. Daarom krijgt eiseres voor dit kind geen kindgebonden budget meer. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen niets van de SVB heeft gehoord, heeft hij ook geen hoorzitting gehouden of eiseres de kans gegeven om haar bezwaarschrift verder toe te lichten.

Het oordeel van de rechtbank

4. In deze zaak spelen twee vragen:

  • -

    Wanneer heb je een recht op een kindgebonden budget?

  • -

    Wie moet dit onderzoeken, de Belastingdienst/Toeslagen of de SVB?

5.1

Heeft eiseres een recht op een kindgebonden budget voor haar oudste dochter omdat zij haar in belangrijke mate heeft onderhouden in het vierde kwartaal? Het antwoord op deze vraag zou in de wet op het kindgebonden budget (Wkgb) moeten staan. Deze wet is vanaf 1 januari 2019 meerdere keren gewijzigd. Artikel 2, eerste lid, van de Wkgb geeft twee mogelijkheden. Je hebt aanspraak op een kindgebonden budget als kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald als artikel 7 tweede lid van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) niet van toepassing zou zijn. De Akw is ook veel gewijzigd in de afgelopen jaren. Tussen 1 juli 2019 en 31 december 2019 was in artikel 7, eerste lid van de Akw bepaald dat je recht kinderbijslag hebt als een kind tot je huishouden behoort of door jou wordt onderhouden. In artikel 7 tweede lid van de Akw is bepaald wanneer recht op kinderbijslag bestaat voor een kind van 16 of 17 jaar oud.

5.2

De rechtbank heeft ook zelf enige moeite om te begrijpen wat er nu in de wet (de Wkgb) staat. Wat wordt er nu bedoeld met de passage dat je aanspraak hebt op een kindgebonden budget als kinderbijslag zou worden betaald als artikel 7 tweede lid van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) niet van toepassing zou zijn? De rechtbank heeft hetzelfde gedaan als eiseres: gekeken naar de uitleg op de website van de Belastingdienst/Toeslagen (www.belastingdienst.nl). Hierin worden de voorwaarden genoemd voor een recht op het kindgebonden budget. Letterlijk staat er het volgende:

Om kindgebonden budget te krijgen, moeten u en uw eventuele toeslagpartner aan de volgende voorwaarden voldoen:

U hebt 1 of meer kinderen die jonger zijn dan 18 jaar.

U krijgt kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Of u onderhoudt uw kind in belangrijke mate.

Uw (gezamenlijke) inkomen is niet te hoog. Hoe hoog uw inkomen mag zijn, hangt af van de samenstelling van uw gezin. Maak een proefberekening om te zien of u kindgebonden budget kunt krijgen.

U hebt de Nederlandse nationaliteit of bent legaal in Nederland.

Uw (gezamenlijke) vermogen is niet te hoog.

Met even doorklikken kom je bij de uitleg over het begrip “in belangrijke mate onderhouden”. Op de website staat: “Uw kind in belangrijke mate onderhouden betekent dat u meebetaalt aan het levensonderhoud van uw kind zoals voor zijn eten en kleding. De Sociale verzekeringsbank controleert of u uw kind in belangrijke mate onderhoudt en geeft dit aan ons door.” Daarna wordt aangegeven wat het normbedrag is: “U onderhoudt uw kind in belangrijke mate als u per kwartaal minimaal € 433,00 (norm in 2021) bijdraagt aan het levensonderhoud.” In 2019 was dit bedrag € 425,00.

5.3

Dit zo lezend, begrijpt de rechtbank goed waarom eiseres er van uitgaat dat ze ook recht heeft op een kindgebonden budget in 2019 als ze toen meer dan € 425,00 heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter. Dat staat immers op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Staat het ook in de wet zelf? Artikel 7, tweede lid van de Akw stelt voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor kinderen van 16 en 17 jaar. Als niet wordt voldaan aan die voorwaarden, krijg je geen kinderbijslag. Maar volgens de rechtbank wordt in artikel 2, eerste lid van de Wkgb een uitzondering gemaakt en wordt het recht op kindgebonden budget aangenomen als je geen recht hebt op kinderbijslag maar dit recht wel zou hebben als de voorwaarden in artikel 7 tweede lid, niet van toepassing zouden zijn. Dat kan dan alleen als je jouw kind in belangrijke mate onderhoudt. Deze uitleg wordt bevestigd door de tekst op de website van de Belastingdienst/Toeslagen. Als dit niet de bedoeling was van de wetgever, dan had de wetgever het maar duidelijker moeten opschrijven in de wet. Deze wetgeving heeft gevolgen voor de financiële positie van veel Nederlanders. De wetgever zou zich moeten inspannen om wetten te maken die iedereen begrijpt. Daarnaast mag eiseres erop vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen op zijn eigen website de juiste informatie verschaft. Een gemiddelde burger zal niet een half uur gaan speuren in de parlementaire stukken bij een wetswijziging om te begrijpen wat er in de wet staat en wat er wordt bedoeld. Die kijkt op de website van de overheid waar het wettelijke systeem wordt uitgelegd. De rechtbank concludeert dus als volgt: “Als je geen recht hebt op kinderbijslag maar wel in belangrijke mate bijdraagt aan het levensonderhoud van je kind, heb je aanspraak op een kindgebonden budget.”

6.1

Wie moet nu vaststellen of sprake is van ‘in belangrijke mate onderhouden’, de Belastingdienst/Toeslagen of de SVB? De rechtbank is van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen in beginsel uit mag gaan van de informatie van de SVB voor wat betreft het recht op kinderbijslag. Eiseres heeft bevestigd op de zitting dat ze per 1 oktober 2019 geen kinderbijslag kreeg voor haar oudste dochter en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de kinderbijslag. Maar dit is hier niet het probleem. Hier moet worden bepaald of eiseres na 1 oktober 2019 in belangrijke mate heeft bijdragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter.

6.2

De Belastingdienst/Toeslagen gaat er van uit dat hij pas hoeft aan te nemen dat een kind in belangrijke mate wordt onderhouden als de SVB dit aangeeft. In dit geval heeft de SVB niets aangegeven. De Belastingdienst/Toeslagen is van mening dat hij daarmee ook klaar was in deze zaak. Hij verwijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis.1

6.3

Daar denkt de rechtbank anders over. Allereerst ziet de rechtbank niet in waarom de SVB hierover iets uit eigen beweging zou gaan melden bij de Belastingdienst/Toeslagen. De taak van de SVB was na 1 oktober 2019 klaar (althans tot de wijziging van de Akw per 1 januari 2020 waarna weer een recht op kinderbijslag voor de oudste dochter ontstond). De SVB hoefde namelijk geen kinderbijslag meer te verstrekken. Waarom zou de SVB dan nog iets doorgeven? Daarnaast moet de Belastingdienst/Toeslagen een beslissing op bezwaar goed voorbereiden en onderzoeken of de stellingen van eiseres in het bezwaarschrift juist waren. De gemachtigde van eiseres heeft in het bezwaarschrift gesteld dat de oudste dochter in belangrijke mate werd onderhouden door eiseres. Volgens de rechtbank kon de Belastingdienst/Toeslagen in de bezwaarfase niet volstaan met de constatering dat er niets was vernomen van de SVB. Hij had zelf (of zo nodig met hulp van de SVB) moeten onderzoeken of eiseres inderdaad in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van de oudste dochter. De Belastingdienst/Toeslagen had hiervoor een hoorzitting moeten houden en eiseres moeten vragen wat haar bijdrage in het levensonderhoud van haar oudste dochter is geweest. Zo nodig had hij om bewijs kunnen vragen. Hij had ook kunnen uitrekenen of het verschil zou maken als de oudste dochter een studiefinanciering of studielening zou hebben ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen kon de zaak niet zonder hoorzitting afdoen. Hij was dus niet klaar met de zaak en heeft het bestreden besluit niet goed voorbereid.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De Belastingdienst/Toeslagen zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hij zal moeten onderzoeken of eiseres in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van haar oudste dochter. Hierbij mag de Belastingdienst/Toeslagen nagaan of de oudste dochter in aanmerking kon komen voor studiefinanciering of een studielening en of zij daarna nog afhankelijk zou zijn geweest van haar moeder. Als hij tot de conclusie komt dat eiseres wel in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van de oudste dochter in het vierde kwartaal van 2019, dan zal de Belastingdienst/Toeslagen niets anders kunnen doen dan het besluit van 28 december 2019 intrekken en het recht van eiseres op kindgebonden budget over het vierde kwartaal van 2019 opnieuw moeten vaststellen (en vervolgens dat budget ook uitkeren). Heel moeilijk kan dit niet zijn, dus de rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.496,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het
online verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, moet de Belastingdienst/Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de Belastingdienst/Toeslagen op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de Belastingdienst/Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 48,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 17 december 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Wet op het kindgebonden budget (tussen 1 september 2019 en 31 december 2019)

Artikel 2, eerste lid

Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid van die wet niet van toepassing zou zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Algemene Kinderbijslagwet (tussen 1 september 2019 en 31 december 2019)

Artikel 7

1. De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:

a. tot zijn huishouden behoort, of

b. door hem wordt onderhouden.

2. De verzekerde heeft voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag indien:

a. de verzekerde heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel daarvan op grond van die wet is vrijgesteld;

b. het kind als leerling, vavo-student of student als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een met een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt, dan wel met overeenkomstige toepassing van de vrijstellingsgronden van die wet van die verplichting is vrijgesteld;

c. het kind een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 heeft behaald; of

d. het kind een school of instelling als bedoeld in onderdeel b heeft afgerond op vergelijkbare wijze als bedoeld in onderdeel c.

Artikel 14

1. De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat. De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat.

2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verder bij de aanvraag te verstrekken gegevens.

3. t/m 6 (..).

1 Verweerder verwijst naar de Memorie van Toelichting op de Wet op de kindertoeslag (TK, vergaderjaar 2006-2007, 30 912, nr. 3) waarin op pag. 4 is aangegeven dat de Belastingdienst/Toeslagen in alle gevallen met toepassing van de Awir een beschikking neemt over de aanspraak op kindertoeslag waarbij in de uitvoering wordt aangesloten bij de gegevens van de SVB over het recht op en uitbetaling van de AKW.