Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:6468

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2021
Datum publicatie
14-12-2021
Zaaknummer
01-997035-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor:

feit 1:

overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet,

opzettelijk begaan door een rechtspersoon

feit 2 :

aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

Toedracht: het slachtoffer was bezig met snijbrandwerkzaamheden aan een liftkooi die ter hoogte van de zesde verdieping hing van een gebouw op de bouw-/slooplocatie te Maastricht. In de liftschacht-Oost, waarin de liftkooi hing, ontbraken vrijwel alle onderdelen die normaal gesproken in een liftschacht aanwezig zijn, zoals de geleiderails, het contragewicht en de kabels. De liftkooi was geborgd met een vanginstallatie, een soort noodrem die de liftkooi beschermt tegen vallen. Om de liftkooi te slopen, heeft het slachtoffer, terwijl hij in de liftkooi stond, eerst de linkervang met een snijbrander weggesneden en vervolgens de rechtervang. Nadat de rechtervang was weggesneden, is de liftkooi vanaf de zesde verdieping circa 35 meter naar beneden gevallen. Het slachtoffer bevond zich op dat moment nog in de liftkooi. Hij is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

Opgelegde straf: een geldboete van € 75.000,- waarvan € 25.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Aan de nabestaande dient schadevergoeding te worden betaald (uitvaartkosten), EUR € 8.462,35.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2021/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997035-18

Datum uitspraak: 14 december 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 november 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2021. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 13 juni 2018 te Maastricht, althans te Nederland, als werkgever, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop berustende bepalingen, door een werknemer genaamd [slachtoffer] werkzaamheden te laten verrichten bestaande uit het verrichten van snijbrandwerkzaamheden teneinde een liftkooi te slopen hangende ter hoogte van de 6de verdieping, immers heeft zij, verdachte, in strijd met

  • -

    artikel 3.28, eerste lid Arbeidsomstandighedenbesluit er geen zorg voor gedragen dat de liftkooi, zijnde een werkplek op een bouwplaats die niet op de begane grond is gesitueerd, stabiel en stevig is en waarvoor zo nodig ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen zijn aangebracht, immers was deze liftkooi ondeugdelijk of niet gezekerd en/of;

  • -

    artikel 3.28, tweede lid Arbeidsomstandighedenbesluit er geen zorg voor gedragen dat de stabiliteit en de stevigheid van de werkplek op een bouwplaats, te weten de liftkooi regelmatig en doeltreffend is gecontroleerd en/of;

  • -

    artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd welke risico's het slopen van een liftkooi hangende ter hoogte van de 6de verdieping behelst en/of;

  • -

    artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor gezorgd dat de werknemer doeltreffend werd(en) ingelicht over de risico’s die verbonden zijn aan die te verrichten werkzaamheden alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken en/of;

  • -

    artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet niet (afdoende) toezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het artikel 8, eerste lid genoemde risico’s immers heeft zij, verdachte, onvoldoende of geen toezicht gehouden op het veilig werken op hoogte en/of nagegaan of de liftkooi was gezekerd

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van [slachtoffer] en/of van een of meer andere werknemer(s) ontstond of te verwachten was;

2.

zij op of omstreeks 13 juni 2018 te Maastricht als werkgever zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam onzorgvuldig en/of nalatig een werknemer genaamd [slachtoffer] arbeid heeft laten verrichten aan een liftkooi hangende op de hoogte van de 6de verdieping

  • -

    terwijl die werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's en de mogelijk te nemen maatregelen onvoldoende geïnventariseerd waren en/of;

  • -

    terwijl de liftkooi niet was gezekerd of op een andere manier doeltreffend was bevestigd zodat deze stabiel en stevig was en/of;

  • -

    terwijl deze liftkooi niet regelmatig en doeltreffend is gecontroleerd op stabiliteit en stevigheid en/of;;

  • -

    terwijl die werkzaamheden werden verricht terwijl [slachtoffer] niet doeltreffend is voorgelicht, immers de instructie was niet eenduidig, is niet op papier gezet en er is geen toolbox gegeven over het slopen van de lift en/of;

  • -

    zonder voldoende toezicht te houden op de naleving van de instructies (zoals het veilig werken op hoogte en/of nagegaan of de liftkooi was gezekerd) en/of;

  • -

    zonder het uitvoeren van een controle (zoals een TRA of een LMRA) vlak voorafgaand aan de sloop van de lift;

waardoor [slachtoffer] , de vanginstallaties waar de rem aan hing heeft door gesnijbrand terwijl de lift niet gezekerd was met als gevolg dat de liftkooi met daarin [slachtoffer] circa 35 meter naar beneden is gevallen en het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] als gevolg van de bij de val opgelopen verwondingen op 13 juni 2018 is komen te overlijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, waarbij zij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen acht dat dit opzettelijk is gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, maar betwist dat sprake is geweest van opzet, zodat zij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit (slechts) de overtredingsvariant bewezen acht.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De toedracht van het ongeval.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en uit het verhandelde ter terechtzitting van 30 november 2021 stelt de rechtbank ten aanzien van de toedracht van het ongeval het volgende vast. Op 13 juni 2018, omstreeks 16:30 uur, was het slachtoffer, [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer), bezig met snijbrandwerkzaamheden aan een liftkooi die ter hoogte van de zesde verdieping hing van gebouw [huisnummer] op de bouw-/slooplocatie [naam 1] te Maastricht (hierna: de liftkooi). In de liftschacht-Oost, waarin de liftkooi hing, ontbraken vrijwel alle onderdelen die normaal gesproken in een liftschacht aanwezig zijn, zoals de geleiderails, het contragewicht en de kabels. De liftkooi was geborgd met een vanginstallatie, een soort noodrem die de liftkooi beschermt tegen vallen. Om de liftkooi te slopen, heeft het slachtoffer, terwijl hij in de liftkooi stond, eerst de linkervang met een snijbrander weggesneden en vervolgens de rechtervang. Nadat de rechtervang was weggesneden, is de liftkooi vanaf de zesde verdieping circa 35 meter naar beneden gevallen. Het slachtoffer bevond zich op dat moment nog in de liftkooi. Hij is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De arbeidsverhouding tussen verdachte en het slachtoffer.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en uit het verhandelde ter terechtzitting van 30 november 2021 stelt de rechtbank ten aanzien van de arbeidsverhouding tussen verdachte en het slachtoffer het volgende vast. Verdachte is een aannemingsbedrijf dat zich met name richt op het verrichten van sloopwerkzaamheden. Als zodanig heeft zij de sloopwerkzaamheden van de gebouwen op het terrein van [naam 1] in Maastricht aangenomen. De uitvoering van die sloopwerkzaamheden heeft zij gedaan met werknemers die bij haar in loondienst zijn en met ingehuurd personeel. Zo heeft verdachte [slachtoffer] ingeleend van diens werkgever, [naam 2] om snijbrandwerkzaamheden te verrichten. Aan het slachtoffer is de opdracht gegeven om onder meer de liftkooi te slopen. [persoon 1] , de directeur en tevens vertegenwoordiger van verdachte, was degene die aan [slachtoffer] aanwijzingen gaf over de wijze waarop de liftkooi gesloopt moest worden, namelijk door het “stukkeren” op hoogte, dat wil zeggen door het in stukken snijden van de liftkooi terwijl die hing ter hoogte van de zesde verdieping, door middel van snijbranden. [persoon 2] , de uitvoerder van verdachte, stuurde de sloopwerkzaamheden op locatie aan. Hij was ook degene die het slachtoffer op 13 juni 2018 de opdracht had gegeven om verder te gaan met de sloop van de liftkooi.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer voor het verrichten van de (snijbrand)werkzaamheden ter beschikking was gesteld aan verdachte. Dat brengt met zich mee dat verdachte ten aanzien van bedoelde werkzaamheden moet worden aangemerkt als werkgever van het slachtoffer in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, onder 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De ten laste gelegde normschendingen.

Als werkgever is verdachte onderworpen aan de veiligheidsregels zoals die onder meer voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). Ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde normschendingen overweegt de rechtbank het volgende.

- Artikel 3.28, eerste lid, van het Arbobesluit (eerste gedachtestreepje).

Artikel 3.28, eerste lid, van het Arbobesluit schrijft voor dat werkplekken op een bouwplaats die niet op de begane grond zijn gesitueerd, stabiel en stevig zijn, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal werknemers dat zich daar bevindt, de maximale belasting en de verdeling daarvan alsmede met externe invloeden. Zo nodig zijn ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen aangebracht.

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting van 30 november 2021 stelt de rechtbank vast dat de liftkooi, zijnde een werkplek die niet op de begane grond – want hangende ter hoogte van de zesde verdieping – is gesitueerd, op het moment van de sloopwerkzaamheden niet stabiel en stevig was. In de liftschacht waarin de liftkooi hing, ontbraken vrijwel alle onderdelen die normaliter in een liftschacht wel aanwezig zijn, zoals de geleiderails, het contragewicht en de kabels. De liftkooi hing alleen nog vast in de vanginstallatie, een soort noodrem.

Binnen de onderneming van verdachte was men al voor de sloop van de liftkooi op de hoogte van deze gebreken. Nadat ter plaatse brand was ontstaan, heeft de brandweer op 23 mei 2018 ten minste twee werknemers van verdachte gewaarschuwd voor de gevaarlijke situatie. Desalniettemin is nagelaten afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen.

Hoewel de directeur van verdachte verklaart dat hij het slachtoffer heeft opgedragen de liftkooi aan een ketting of takel op te hangen alvorens met de snijbrandwerkzaamheden te starten, is niet gebleken dat hij of de uitvoerder behulpzaam is geweest bij het faciliteren van het ophangen van de liftkooi en ook niet dat zij zeker hebben gesteld dat de liftkooi voldoende veilig was voor het verrichten van de opgedragen werkzaamheden.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat het slachtoffer enkele weken voorafgaand aan het ongeval een schalmketting aan de liftkooi heeft vastgemaakt. Verschillende getuigen hebben evenwel verklaard dat deze ketting niet geschikt was om een liftkooi mee te zekeren. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de liftkooi, waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden, ten tijde van de door het slachtoffer uit te voeren snijbrandwerkzaamheden niet of in elk geval ondeugdelijk gezekerd was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft nagelaten maatregelen te nemen om de liftkooi, waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden, ten tijde van de sloopwerkzaamheden stabiel en stevig vast te zetten.

- Artikel 3.28, tweede lid, van het Arbobesluit (tweede gedachtestreepje).

Artikel 3.28, tweede lid, van het Arbobesluit schrijft voor dat de stabiliteit en de stevigheid regelmatig en in ieder geval na iedere relevante verandering van de hoogte of de diepte van de in het eerste lid bedoelde werkplekken, doeltreffend worden gecontroleerd.

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat niemand binnen de onderneming van verdachte op enig moment, ook niet nadat de brandweer op de instabiliteit van de liftkooi had gewezen, heeft gecontroleerd of de liftkooi was opgehangen aan een ketting of takel of op enig andere manier was gezekerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er binnen de onderneming van verdachte geen zorg voor is gedragen dat de stevigheid en stabiliteit van de liftkooi regelmatig en doeltreffend is gecontroleerd.

- Artikel 5, eerste lid en artikel 8, eerste lid, van de Arbowet (derde en vierde gedachtestreepje).

Artikel 5, eerste lid, van de Arbowet schrijft voor dat de werkgever bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastlegt welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers.

Artikel 8, eerste lid, van de Arbowet schrijft voor dat de werkgever ervoor zorgt dat werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van 30 november 2021 is gebleken dat verdachte in de Risico inventarisatie & evaluatie (hierna: RI&E), die gold ten tijde van het ongeval, wel in zijn algemeenheid de risico’s van werken op hoogte en de daarbij behorende risico-beperkende maatregelen schriftelijk had vastgelegd, maar niet specifiek ten aanzien van het slopen en/of demonteren van een lift(kooi) op hoogte. In het Veiligheids- en Gezondheidsplan (hierna: V&G-plan) dat betrekking had op de sloopwerkzaamheden op de bouw-/slooplocatie [naam 1] en in de Taak Risico Analyse (hierna: TRA) was aan het slopen en/of demonteren van een (lift)kooi op hoogte evenmin aandacht besteed. De vertegenwoordiger van verdachte heeft aangegeven dat hij de risico’s van het slopen van de liftkooi en de risico-beperkende maatregelen mondeling met het slachtoffer heeft besproken, maar deze zijn niet schriftelijk vastgelegd. Daar komt bij dat specifiek ten aanzien van het slopen/demonteren van de desbetreffende liftkooi geen toolbox is gegeven alsook dat voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden op 13 juni 2018 geen TRA en/of Last Minute Risico Analyse (hierna: LMRA) is uitgevoerd en op schrift gesteld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet heeft gezorgd voor een volledige en adequate risico- inventarisatie en -evaluatie en er bovendien niet voor heeft gezorgd dat het slachtoffer doeltreffend werd ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken.

- Artikel 8, vierde lid, van de Arbowet (vijfde gedachtestreepje).

Artikel 8, vierde lid, van de Arbowet schrijft voor dat de werkgever toeziet op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat geen van de betrokkenen heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s van het slopen/demonteren van de liftkooi alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. De vertegenwoordiger van verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft opgedragen de liftkooi, voorafgaand aan de sloop, op te hangen aan een ketting en om ten tijde van de sloopwerkzaamheden een veiligheidsharnas te dragen en, teneinde valgevaar te voorkomen, zichzelf aan een betonnen pilaar vast te maken. Ook heeft hij verklaard dat hij het slachtoffer verboden heeft in de liftkooi te gaan staan. Voor zover een en ander juist is, heeft de vertegenwoordiger van verdachte in elk geval nagelaten nadien te (laten) controleren of zijn instructies werden nageleefd. Datzelfde geldt voor de uitvoerder van verdachte, wiens taak het is om op de bouw-/slooplocatie toe te zien op de werkzaamheden en de veiligheid van de werknemers. Hij is op 13 juni 2018, voordat het slachtoffer begon met de sloopwerkzaamheden, niet (meer) op de zesde verdieping van gebouw [huisnummer] bij de liftkooi geweest. Sterker, op het moment dat het slachtoffer begon met de sloopwerkzaamheden bevond de uitvoerder van verdachte zich niet in de buurt van de liftkooi en was derhalve niet in staat op die werkzaamheden toezicht te houden.

Opzet.

Voor opzettelijke overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbowet, is (slechts) kleurloos opzet vereist. Dat wil zeggen dat het opzet alleen gericht hoeft te zijn geweest op de gedragingen zelf. Opzet op de wederrechtelijkheid van die gedragingen is niet vereist en er hoeft dus geen sprake te zijn van opzettelijke niet-naleving van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.

Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, is gebleken dat verdachte – kort en zakelijk weergegeven – er geen zorg voor heeft gedragen dat de liftkooi waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden stabiel en stevig was, heeft nagelaten de risico’s van het slopen/demonteren van de liftkooi en risico-beperkende maatregelen schriftelijk vast te leggen en het slachtoffer daarover doeltreffend in te lichten, én heeft nagelaten op de sloopwerkzaamheden en het naleven van de (mondeling gegeven) instructies toe te zien. In het nalaten van verdachte om de benodigde maatregelen te treffen en zodoende de op haar rustende zorgplicht na te leven, ligt het opzet op de onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen besloten.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat (de vertegenwoordiger van) verdachte wist dat het slopen/demonteren van de liftkooi levensgevaar of gevaar voor de gezondheid van het slachtoffer met zich bracht, omdat deze op de zesde verdieping hing, er diverse essentiële onderdelen al afgesloopt waren en de brandweer had gewaarschuwd voor de gevaarlijke situatie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het haar onder 1 ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Doodsoorzaak.

Direct na het ongeval is het lichaam van het slachtoffer door een lijkschouwer geschouwd. De lijkschouwer heeft geconcludeerd dat het slachtoffer ernstige letsels had opgelopen die niet anders verklaard kunnen worden dan door een val van hoogte en als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer door de val in de liftkooi ernstig letsel heeft opgelopen als gevolg waarvan hij op 13 juni 2018 is komen te overlijden.

Schuld.

Voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht moet sprake zijn van een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid in die zin, dat anders gehandeld had moeten worden (verwijtbaarheid) en ook anders gehandeld had kunnen worden (vermijdbaarheid). Tussen de gemaakte fouten en het letsel moet voldoende oorzakelijk verband bestaan en er moet sprake zijn van voorzienbaarheid. Bij de beoordeling komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt dat het ongeval het directe gevolg is van de hiervoor vastgestelde normschendingen door verdachte. Als de liftkooi voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden aan een geschikte ketting was opgehangen en zodoende stabiel en stevig was geweest, zou het ongeval voorkomen hebben kunnen worden. De vertegenwoordiger van verdachte heeft het slachtoffer weliswaar opgedragen de liftkooi aan een ketting op te hangen, maar heeft vervolgens geen voor dat doel geschikte ketting ter beschikking gesteld en heeft bovendien nagelaten toezicht te houden op de naleving van deze instructie. Ook door de uitvoerder op locatie is nagelaten toezicht te houden op de sloopwerkzaamheden aan de liftkooi en te controleren of deze werkzaamheden veilig werden uitgevoerd. Zo heeft hij voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden aan de liftkooi op 13 juni 2018 geen TRA of LMRA uitgevoerd.

Binnen de onderneming van verdachte was men op de hoogte van de slechte toestand van de liftkooi waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden en van de risico’s die het slopen/demonteren daarvan met zich bracht. Drie weken voorafgaand aan het ongeval, op 23 mei 2018, heeft de brandweer een aantal werknemers van verdachte daar zelfs expliciet op gewezen. De brandweer heeft toen aangegeven dat de sloopwerkzaamheden aan de desbetreffende liftkooi gevaarlijk waren en dat daarmee pas verder mocht worden gegaan als in een plan van aanpak de risico’s van deze werkzaamheden waren opgenomen alsmede de wijze waarop deze werkzaamheden op een veilige manier konden worden uitgevoerd. Verdachte heeft dit nagelaten. Op 13 juni 2018 heeft het slachtoffer de opdracht gekregen verder te gaan met de sloopwerkzaamheden aan de liftkooi, terwijl de risico’s van deze werkzaamheden niet (alsnog) waren opgenomen in een plan van aanpak en daarenboven geen (extra) maatregelen waren getroffen om de veiligheid van het slachtoffer te garanderen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld en dat het aan haar schuld te wijten is dat het slachtoffer, terwijl hij in de liftkooi stond, zo’n 35 meter naar beneden is gevallen en als gevolg daarvan is komen te overlijden.

Toerekening.

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Verdachte betreft een onderneming in het (doen) uitvoeren van sloopwerken op het gebied van de burgerlijke en utiliteitsbouw. De sloopwerkzaamheden op de bouw-/slooplocatie [naam 1] waren door haar aangenomen. Voor het verrichten van snijbrandwerkzaamheden, waaronder het slopen/demonteren van de liftkooi waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden, maakte verdachte gebruik van een ingeleende werknemer, namelijk het slachtoffer. Deze werkzaamheden vallen binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte.

Het treffen van maatregelen met het oog op de gezondheid en veiligheid van het slachtoffer was de verantwoordelijkheid van verdachte als werkgever van het slachtoffer. Op grond van de Arbowet en het Arbobesluit was verdachte onder meer verplicht om de risico’s van het slopen/demonteren van de desbetreffende liftkooi schriftelijk te inventariseren, haar werknemers daaromtrent te instrueren en toe te zien op de naleving van de gegeven instructies. Al hetgeen op deze aspecten door [persoon 1] , directeur van verdachte, en/of uitvoerder [persoon 2] is nagelaten, vond plaats in de sfeer van de rechtspersoon en binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte. Verdachte is op al deze punten tekortgeschoten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de geconstateerde normschendingen zonder meer aan verdachte als rechtspersoon kunnen worden toegerekend.

Conclusie.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden beschreven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 13 juni 2018 te Maastricht als werkgever opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen, door een werknemer, genaamd [slachtoffer] , werkzaamheden te laten verrichten, bestaande uit het verrichten van snijbrandwerkzaamheden teneinde een liftkooi te slopen hangende ter hoogte van de 6de verdieping, immers heeft zij, verdachte, in strijd met

  • -

    artikel 3.28, eerste lid Arbeidsomstandighedenbesluit er geen zorg voor gedragen dat de liftkooi, zijnde een werkplek op een bouwplaats die niet op de begane grond is gesitueerd, stabiel en stevig is en waarvoor zo nodig ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen zijn aangebracht, immers was deze liftkooi ondeugdelijk of niet gezekerd en;

  • -

    artikel 3.28, tweede lid Arbeidsomstandighedenbesluit er geen zorg voor gedragen dat de stabiliteit en de stevigheid van de werkplek op een bouwplaats, te weten de liftkooi regelmatig en doeltreffend is gecontroleerd en;

  • -

    artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd welke risico's het slopen van een liftkooi hangende ter hoogte van de 6de verdieping behelst en;

  • -

    artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor gezorgd dat de werknemer doeltreffend werd ingelicht over de risico’s die verbonden zijn aan die te verrichten werkzaamheden alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken en;

  • -

    artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet niet (afdoende) toezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het artikel 8, eerste lid genoemde risico's, immers heeft zij, verdachte, onvoldoende of geen toezicht gehouden op het veilig werken op hoogte en is zij, verdachte, niet nagegaan of de liftkooi was gezekerd

terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van [slachtoffer] ontstond of te verwachten was;

2.

op 13 juni 2018 te Maastricht als werkgever aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig een werknemer, genaamd [slachtoffer] , arbeid heeft laten verrichten aan een liftkooi hangende op de hoogte van de 6de verdieping

  • -

    terwijl die werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's en de mogelijk te nemen maatregelen onvoldoende geïnventariseerd waren en;

  • -

    terwijl de liftkooi niet was gezekerd of op een andere manier doeltreffend was bevestigd zodat deze stabiel en stevig was en;

  • -

    terwijl deze liftkooi niet regelmatig en doeltreffend is gecontroleerd op stabiliteit en stevigheid en;

  • -

    terwijl die werkzaamheden werden verricht terwijl [slachtoffer] niet doeltreffend is voorgelicht, immers de instructie was niet eenduidig, is niet op papier gezet en er is geen toolbox gegeven over het slopen van de lift en;

  • -

    zonder voldoende toezicht te houden op de naleving van de instructies (zoals het veilig werken op hoogte en nagaan of de liftkooi was gezekerd) en;

  • -

    zonder het uitvoeren van een controle (zoals een TRA of een LMRA) vlak voorafgaand aan de sloop van de lift;

waardoor [slachtoffer] , de vanginstallaties waar de rem aan hing heeft door gesnijbrand terwijl de lift niet gezekerd was, met als gevolg dat de liftkooi met daarin [slachtoffer] circa 35 meter naar beneden is gevallen en het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] als gevolg van de bij de val opgelopen verwondingen op 13 juni 2018 is komen te overlijden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt op dat in het onder 2 bewezen verklaarde feit staat vermeld dat de liftkooi niet gezekerd was, terwijl in het onder 1 bewezen verklaarde feit staat vermeld dat de liftkooi ondeugdelijk of niet gezekerd was. De rechtbank leest in het onder 2 bewezen verklaarde feit het ondeugdelijk zekeren, naast het niet zekeren, van de liftkooi in. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 100.000,- waarvan € 25.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de veranderingen ten aanzien van veiligheid en preventie die verdachte na het ongeval van 13 juni 2018 in zijn bedrijf heeft doorgevoerd. De verdediging heeft de rechtbank daarnaast verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging acht een geldboete van € 100.000,- waarvan € 50.000,- voorwaardelijk een passende straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Verdachte is als werkgever verantwoordelijk voor de veiligheid van haar werknemers. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte heeft nagelaten ervoor te zorgen dat de arbeidsomstandigheden aan de veiligheidsnormen voldeden en er daarmee onvoldoende voor heeft gezorgd dat haar werknemers in een veilige omgeving en op een veilige manier hun werk konden verrichten. Binnen het bedrijf van verdachte was de slechte toestand van de te slopen liftkooi bekend en de brandweer heeft daar ook nog nadrukkelijk voor gewaarschuwd. Desondanks heeft verdachte nagelaten ervoor te zorgen dat de liftkooi stevig en stabiel was. Ook met betrekking tot het inventariseren van risico’s en risicobeperkende maatregelen, het instrueren van werknemers daarop en het houden van toezicht op de naleving van de gegeven instructies is verdachte nalatig geweest. Daarmee is verdachte ernstig tekort geschoten in haar zorgplicht tegenover haar werknemers in het algemeen en tegenover het slachtoffer in het bijzonder. Het is deze nalatigheid waardoor het bewezenverklaarde arbeidsongeval, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden, heeft kunnen plaatsvinden.

Het dodelijke ongeval heeft grote impact gehad op de nabestaanden van het slachtoffer. Zij hebben het verdriet en de impact van het verlies van het slachtoffer op hun dagelijks leven op aangrijpende wijze verwoord ter terechtzitting van 30 november 2021. De rechtbank realiseert zich dat door het handelen van verdachte onherstelbaar leed aan de nabestaanden is toegebracht en dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, dit leed niet ongedaan zal kunnen maken.

Ter terechtzitting van 30 november 2021 is dit leed door de vertegenwoordiger van verdachte en diens raadsman erkend en heeft de vertegenwoordiger van verdachte zijn oprechte spijt betuigd over wat er op 13 juni 2018 binnen zijn bedrijf is voorgevallen. Hij heeft toegezegd de door de moeder van het slachtoffer gevorderde uitvaartkosten te vergoeden. Ook heeft de vertegenwoordiger van verdachte toegezegd zich (nogmaals) in te zullen zetten voor het organiseren van een gesprek tussen de ouders van het slachtoffer en de werknemer van [verdachte] die ten tijde van het ongeval eveneens in gebouw [huisnummer] aan het werk was. Daarnaast heeft verdachte na het ongeval geïnvesteerd in de veiligheid en preventie binnen haar onderneming. Zo heeft zij een nieuwe RI&E laten opstellen en wordt ten aanzien van specifieke werkzaamheden altijd gebruik gemaakt van een TRA of LMRA. De rechtbank neemt in dat opzicht mee dat door de officier van justitie ter terechtzitting is opgemerkt dat de Arbeidsinspectie bij een recente controle positief was over de naleving door verdachte van de op haar uit hoofde van de Arbowet en het Arbobesluit rustende verplichtingen. Met het voorgaande heeft verdachte laten zien dat zij verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen en heeft geleerd van haar fouten.

De rechtbank heeft tot slot rekening gehouden met het (lange) tijdsverloop tussen de gepleegde strafbare feiten en de behandeling daarvan ter terechtzitting.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 75.000,- waarvan

€ 25.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarmee zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij [naam 3] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering benadeelde partij toe te wijzen. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de vordering volledig toewijsbaar en zal verdachte daarom veroordelen tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3] , van een bedrag van € 8.462,35, bestaande uit materiële schadevergoeding (uitvaartkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken, tot op heden begroot op nihil. Verder zal de rechtbank verdachte veroordelen in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 51, 57, 307

Wet op de economische delicten art. 1, 2, 6

Arbeidsomstandighedenwet art. 5, 8, 32

Arbeidsomstandighedenbesluit art. 3.28.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet,

opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van de onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feiten:

- Een geldboete van € 75.000,- waarvan € 25.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 3] (ten aanzien van de onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feiten):

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3] , van een bedrag van € 8.462,35, bestaande uit materiële schadevergoeding (uitvaartkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. W.A.H.A Schnitzler-Strijbos en mr. G.M. Blanken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,

en is uitgesproken op 14 december 2021.