Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:608

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2021
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
01/879982-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch is verdachter onder meer veroordeeld het schenden van ambtsgeheim, computervredebreuk, omkoping als ambtenaar, gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een vals reisdocument. De hoogte van de op die feiten gebaseerde ontnemingsvordering stelt de rechtbank vast aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Bij het opleggen van de betalingsverplichting, heeft de rechtbank een korting van 5% toegepast omdat de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM met drie jaren is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/879982-15 Datum uitspraak: 19 februari 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1986,

thans gedetineerd te: P.I. Achterhoek.

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van in eerste instantie € 75.582,85 en later bijgesteld naar een bedrag van € 77.283,84 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de berekening hiervan is de officier van justitie, onder verwijzing naar de financiële gegevens uit de ontnemingsrapportage, uitgegaan van een kasopstelling.

Ter terechtzitting van 24 januari 2020 heeft de rechtbank een schriftelijke ronde bevolen.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2020 en 5 februari 2021. Ter terechtzitting van 5 februari 2021 heeft de officier van justitie de vordering aangepast, in die zin dat thans een bedrag van

€ 67.766,67 wordt gevorderd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De beoordeling.

De vordering is tijdig ingediend.

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2020 is [verdachte] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht voor de volgende feiten:

  • -

    Medeplegen van enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd en enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd;

  • -

    Computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt en worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt voor zichzelf en een ander overneemt, meermalen gepleegd;

  • -

    Als ambtenaar een belofte aannemen wetende dat deze hem werd gedaan, teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen;

  • -

    Van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

- Een reisdocument voorhanden hebben waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd.

Op grond van deze veroordeling kan aan [verdachte] de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld of uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel conform het resultaat van de eenvoudige kasopstelling, minus een aantal bijstellingen verwoord bij conclusie van repliek, moet worden geschat op een bedrag van

€ 67.766,67 en dat tot datzelfde bedrag aan veroordeelde de betalingsverplichting dient te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat [verdachte] naar behoren heeft aangetoond dat hij geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om nader onderzoek te laten doen. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen tot een bedrag van € 63.709,35 en de betalingsverplichting vast te stellen op € 53.709,35 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De kasopstelling, zoals opgesteld door de officier van justitie.

De officier van justitie is voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een eenvoudige kasopstelling. Bij een eenvoudige kasopstelling worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden over een bepaalde periode. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, is er sprake van uit onbekende bron afkomstige contante ontvangsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij er sprake is van andere, onbekende bronnen. Dit negatieve resultaat dient te worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De kasopstelling is gemaakt op basis van de financiële gegevens uit de ontnemingsrapportage over de periode 29 augustus 2011 tot 29 september 2015.

Beginsaldo contant geld.

De officier van justitie is ervan uitgegaan dat [verdachte] op 29 augustus 2011 € 50,00 aan contant geld ter beschikking had.

Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen.

De legale contante inkomsten van [verdachte] bestaan uit de contante opnames van zijn bankrekeningen van een totaalbedrag van € 63.504,25.

Eindsaldo contant geld.

Op 29 september 2015 zijn bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres] te [plaats] geldbedragen inbeslaggenomen van in totaal € 3.937,99.

Beschikbaar voor het doen van uitgaven.

Tijdens de onderzoeksperiode had [verdachte] dus € 59.616,26 (€ 50,00 + € 63.504,25 –

€ 3.937,99) beschikbaar voor het doen van uitgaven.

Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen.

Een bedrag van € 136.386,93 is als werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen opgenomen in de kasopstelling.

Verschil.

Gelet op bovengenoemde bedragen was er in de gehele periode € 59.616,26 beschikbaar voor het doen van uitgaven en blijkt uit de stukken dat er in die periode € 136.386,93 is uitgegeven. Het verschil komt uit op een bedrag van € -76.770,67.

Vervolgprofijt.

Een bedrag van € 513,17 is tot slot nog opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als vervolgprofijt. Geconcludeerd wordt door de officier van justitie dat het waargenomen levenspatroon (contante uitgavenpatroon) van [verdachte] niet overeenkomt met de contante legale ontvangsten en dat het verschil van € 77.283,84

(€ 76.770,67 + € 513,17) het wederrechtelijk verkregen voordeel is.

Samengevat ziet de berekening er als volgt uit:

Beginsaldo contant geld € 50,00

Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 63.504,25 +

Eindsaldo contant geld € 3.937,99 -

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 59.616,26

Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 136.386,93 -

Vervolgprofijt € 513,17 -

Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € - 77.283,84

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank. 1

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of [verdachte] op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van voormelde strafbare feiten waarvoor hij werd veroordeeld en/of andere feiten als bedoeld in artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht.

Voorop staat dat een redelijke en billijke bewijslastverdeling in ontnemingszaken met zich brengt dat het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een financieel onderzoek gemotiveerd en beredeneerd aangeeft dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van een bepaalde omvang en dat, indien de veroordeelde zich daarmee niet kan verenigen, hij gemotiveerd en onderbouwd verweer dient te voeren, zo mogelijk aan de hand van geschriften.

[verdachte] is uiteindelijk door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch veroordeeld voor een vijftal strafbare feiten, zoals hierboven genoemd, en er is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld waarbij uit een kasopstelling blijkt dat er meer contant geld is uitgegeven dan voor [verdachte] beschikbaar was. Bij deze stand van zaken volgt hieruit dat het aannemelijk is dat deze uitgaven mogelijk zijn geweest door contante inkomsten uit enig misdrijf. Het is derhalve aannemelijk dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

De rechtbank acht de uitgangspunten van de ontnemingsrapportage, de gemaakte kasopstelling en de gehanteerde onderzoeksperiode voldoende onderbouwd. Het rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekeningen berusten. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 20132, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport.

Door de verdediging is verweer gevoerd tegen een aantal individuele posten die in de kasopstelling zijn opgevoerd. De kasopstelling is, behoudens ten aanzien van de navolgende onderdelen, dus niet betwist.

Verweren en de bespreking.

Nader onderzoek.

De raadsman heeft aangevoerd dat [verdachte] een contant geldbedrag van € 60.000,00 heeft geleend van zijn ex-partner [persoon 1] en dat hij een contante investering van

€ 60.000,00 van [persoon 2] heeft ontvangen. De verdediging heeft eerder gevraagd nader onderzoek te doen naar deze stellingen van [verdachte] en blijft dit verzoek handhaven. Alleen dit nader onderzoek kan het verhaal van [verdachte] immers nader verankeren.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat zowel de rechtbank in eerste aanleg als het gerechtshof in de hoofdzaak hebben geconcludeerd dat sprake is geweest van een fictieve geldleningsovereenkomst tussen [verdachte] en [persoon 1] en een fictieve investeringsovereenkomst tussen [verdachte] en [persoon 2] en de rechtbank is thans gebonden aan dit oordeel en zal hier ook vanuit gaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de stellingen van [verdachte] en zal het verzoek tot het doen van nader onderzoek daarom wederom afwijzen.

Verkoop Peugeot.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de Peugeot 107 niet is verwerkt in de kasopstelling terwijl [verdachte] genoegzaam heeft aangetoond dat hij deze auto in de onderzoeksperiode aan zijn ouders heeft verkocht voor € 8.000,00.

De officier van justitie heeft in zijn conclusie van repliek te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen het verzoek van de verdediging de verkoop van de Peugeot 107 te verdisconteren in de kasopstelling gezien de overwegingen van het gerechtshof betreffende de verkoop van de Peugeot 107 aan de ouders van [verdachte] . De rechtbank gaat hier in mee en er zal in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom rekening worden gehouden met een extra legaal contant geldbedrag van € 8.000,00.

Vervolgprofijt.

De raadsman van [verdachte] heeft aangevoerd dat het bedrag van € 513,17 aan contant ontvangen huuropbrengsten niet kan worden aangemerkt als vervolgprofijt en heeft verzocht om dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft zich niet verzet dit bedrag aan verhuuropbrengsten in mindering te brengen op het te ontnemen bedrag. Ook de rechtbank volgt het standpunt van de verdediging en zal derhalve een bedrag van € 513,17 in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Kwitanties en facturen.

Verder heeft de raadsman van [verdachte] verzocht om twee kwitanties van [bedrijf 1] van € 143,00 per stuk niet aan [verdachte] toe te schrijven, omdat deze zijn voldaan met gelden van zijn ouders. Hetzelfde geldt voor de factuur van de [bedrijf 2] met betrekking tot de Asus laptop van € 619,00. Ook ten aanzien van de gehele factuur van € 222,95 voor de aanschaf van een telefoon en antwoordapparaat kan niet aan [verdachte] worden toegeschreven, maar aan zijn ouders.

De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen het in mindering brengen van de twee kwitanties van [bedrijf 1] en tegen de factuur van de Asus laptop. Ten aanzien van de factuur van € 222,95 heeft de officier van justitie zich er niet tegen verzet dat er een bedrag van € 99,00 in mindering wordt gebracht op het te ontnemen bedrag, nu [persoon 3] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij de Gigaset Quattro van € 99,00 herkent. De overige aangeschafte producten op de kwitantie herkent zij niet en kunnen derhalve niet worden verdisconteerd in het te ontnemen bedrag.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat, nu [persoon 3] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij de Gigaset Guattro op de factuur herkent en heeft betaald, het aannemelijk is dat het bedrag van in totaal € 222,95 eveneens is betaald met het geld van de ouders van [verdachte] , aangezien de gehele factuur met dezelfde gelden is betaald. De rechtbank zal daarom de gehele factuur in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook voornoemde niet door de officier van justitie betwiste facturen zal de rechtbank verdisconteren in het te ontnemen bedrag.


Kosten levensonderhoud.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verhoren van de vader en de moeder van [verdachte] bij de rechter-commissaris volgt dat hij thuis niets bijdroeg, hij geen huur betaalde en zijn ouders alles voor hem betaalden voor het huishouden. Zij sponsorden hem zelfs. Als je onder dergelijke omstandigheden thuis woont, ben je geen € 6,00 per dag kwijt. De raadsman heeft daarom verzocht het bedrag per dag te halveren en het totaalbedrag dat is opgenomen in de kasopstelling te verlagen naar € 3.933,37 aan kosten voor levensonderhoud.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de Nibud normen uitgaan van gemiddelde uitgaven die gemaakt worden. Uit het dossier, en dan met name uit de verklaringen van de vriendengroep van [verdachte] , is gebleken dat hij ruimschoots boven zijn stand leefde. Tegen deze achtergrond is € 6,00 per dag een minimaal bedrag en is het aannemelijk dat hij dit bedrag in ieder geval per dag kwijt was aan levensonderhoud.

De rechtbank volgt het betoog van de officier van justitie en ziet daarom geen reden het bedrag aan kosten van levensonderhoud te matigen. Zo heeft de [getuige 1] verklaard3 dat [verdachte] boven zijn inkomen leefde, heeft de [getuige 2] verklaard4 dat hij altijd op grote voet heeft geleefd en materialistisch was en heeft de [getuige 3] verklaard5 dat [verdachte] een bepaald uitgavenpatroon aan het ontwikkelen was, dat hij steeds meer geld tot zijn beschikking had. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Samengevat komt het bedrag dat in mindering moet worden gebracht op het te ontnemen voordeel er als volgt uit te zien:

  1. Verkoop van de Peugeot 107 € 8.000,00;

  2. Vervolgprofijt Nissan Atleon € 513,17;

  3. Kwitanties [bedrijf 1] 2x € 143,00 € 286,00;

  4. Aanschaf laptop [bedrijf 2] € 619,00;

  5. Aanschaf telefoon/antwoordapparaat € 222,95;

Totaal in mindering te brengen: € 9.641,12.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door [verdachte] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op (€ 77.283,84 - € 9.641,12 =) € 67.642,72.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is op welk bedrag de betalingsverplichting voor [verdachte] zal worden vastgesteld. Bij de beantwoording van die vraag is relevant de stelling van [verdachte] dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, welke dient te leiden tot vermindering van het door [verdachte] te betalen bedrag. Over die stelling overweegt de rechtbank als volgt.

Schending redelijke termijn.

Op het aan [verdachte] toegekende recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat door de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. De redelijkheid van de duur van een ontnemingszaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

  1. de ingewikkeldheid van de zaak;

  2. de invloed van de betrokkene en zijn advocaat op het procesverloop, en

  3. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als uitgangspunt kan worden genomen een redelijke termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de redelijke termijn tot de datum van de uitspraak in eerste aanleg. Op 21 december 2015 zijn de vordering en de machtiging tot het instellen van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek aan [verdachte] betekend en op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is eerst aanhangig gemaakt ter terechtzitting van 24 januari 2020. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen en is een schriftelijke procedure afgesproken. Ter terechtzitting van 5 februari 2021 is het onderzoek in de ontnemingszaak gesloten en de rechtbank doet op 19 februari 2021 uitspraak. De behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg heeft daarmee gelopen van 21 december 2015 tot 19 februari 2021, derhalve vijf jaar en ongeveer twee maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden met drie jaar en twee maanden.

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een omvangrijk onderzoek waardoor de termijnoverschrijding voor een deel wordt gerechtvaardigd. Het voorgaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het passend op het geschatte bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 5 % in mindering te brengen, hetgeen uitkomt op een bedrag van

€ 3.382,14. De rechtbank zal derhalve een bedrag van € 3.382,14 in mindering brengen en het bedrag dat [verdachte] aan de Staat dient te betalen zal daarmee worden vastgesteld op

€ 67.642,72 - € 3.382,14 = € 64.260,58.

De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 64.260,58 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Voor het overige is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door [verdachte] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 67.642,72 (zevenenzestigduizend zeshonderd tweeënveertig euro en tweeënzeventig cent).

Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 64.260,58 (vierenzestigduizend tweehonderdzestig euro en achtenvijftig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld en/of andere strafbare feiten, heeft verkregen.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. M. Venderbosch, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,

en is uitgesproken op 19 februari 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het rapport strafrechtelijk financieel onderzoek van de Rijksrecherche Regio Zuid, onderzoek Zijdehaai 20150054, SFO-dossier, aantal pagina’s: 1-1189.

2 ECLI:NL:PHR:2013:BV9087.

3 Pagina 42-43.

4 Pagina 44.

5 Pagina 44-45.