Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:5912

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
WR 20/013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Eerdere kort gedingen beslist in nadeel van verzoekster. Processuele beslissingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Wrakingskamer

Zaaknummer: WR 20/013

Beslissing

in de zaak van

Stichting [naam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: verzoekster,

bijgestaan door mr. J.H. Mastenbroek, advocaat te Groningen

tegen

mr. E. Loesberg

in diens hoedanigheid van voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met kenmerk [nummer] ,

hierna: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    de processen-verbaal opgemaakt van de behandeling van de hoofdzaak op de zittingen van 9 april 2020 en 1 mei 2020;

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 4 mei 2020 met bijlage;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 26 mei 2020;

  • -

    de e-mail van mr. Mastenbroek en de daarbij gevoegde bijlagen van 28 mei 2020, aan de rechtbank toegezonden voorafgaande aan de behandeling van het wrakingsverzoek;

  • -

    het dossier in de hiervoor genoemde hoofdzaak met kenmerk [nummer] .

1.2

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. Partijen zijn gehoord door middel van videoconferentie. Namens verzoekster zijn verschenen mevrouw [naam] , directeur [naam] en mr. J.H. Mastenbroek. De rechter is eveneens verschenen.

1.3

Mr. Mastenbroek heeft het woord gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota. Nadat mr. Mastenbroek de pleitnota heeft voorgelezen, heeft hij die via e-mail aan de rechtbank ter beschikking gesteld.

2 Het verzoek en het verweer

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met kenmerk [nummer] . Dit kort geding betreft een procedure tussen mevrouw [naam] als eiseres en verzoekster als gedaagde.

2.2

Namens verzoekster is betoogd dat de rechter niet onbevooroordeeld dat geschil kan beoordelen. Dat betoog heeft verzoekster – kort en zakelijk weergegeven – op de volgende gronden gebaseerd:

- de rechter heeft in twee eerdere kort gedingen (in 2015 en 2018) tussen [naam] en verzoekster in het nadeel van verzoekster beslist;

- de uitlatingen die de rechter bij de behandeling van het eerste kort geding in 2015 heeft gedaan en die nader in het wrakingsverzoek zijn omschreven;

- de beslissingen van de rechter over de aard, de wijze en de tijdstippen waarop de onderhavige hoofdzaak op zitting zou worden behandeld.

2.3

In zijn schriftelijke reactie van 26 mei 2020 heeft de rechter aangegeven niet in de wraking te berusten. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van 28 mei 2020 heeft hij bij zijn schriftelijke reactie gepersisteerd.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.

3.2

In het eerste kort geding heeft de rechter op 14 april 2015 vonnis gewezen, waarbij verzoekster in het ongelijk is gesteld. Verzoekster stelt dat de rechter tijdens de behandeling ter zitting in die procedure uitlatingen heeft gedaan die bij verzoekster “een gevoel” hebben opgeroepen. De rechtbank begrijpt dat verzoekster hiermee een vrees voor vooringenomenheid bedoelt. Dit gevoel heeft destijds niet tot wraking van de rechter geleid.

In het tweede kort geding heeft de rechter op 9 maart 2018 vonnis gewezen. Ook toen werd verzoekster in het ongelijk gesteld en ook toen is de rechter niet gewraakt. Tegen dit vonnis heeft verzoekster hoger beroep aangetekend. Bij de behandeling in hoger beroep hebben partijen een regeling in der minne getroffen.

Het thans lopende, derde kort geding heeft tot doel de nakoming van de getroffen regeling af te dwingen.

3.3

De rechter heeft verklaard geen herinnering te hebben aan het verloop van de behandeling ter zitting van het eerste kort geding in 2015. De rechtbank overweegt dat, als de rechter tijdens de behandeling van het kort geding in 2015 de door verzoekster gewraakte uitlatingen heeft gedaan, deze kennelijk destijds voor verzoekster geen aanleiding hebben gegeven om de rechter te wraken en ook niet toen verzoekster bij het tweede kort geding met dezelfde rechter werd geconfronteerd. Waarom deze uitlatingen nu wel reden geven om te vrezen voor vooringenomenheid van de rechter is de rechtbank niet duidelijk. Daar komt bij dat uitlatingen die de rechter bij de behandeling van het eerste kort geding in 2015 mogelijk heeft gedaan objectief gezien nu niet meer de schijn van partijdigheid bij verzoekster kunnen oproepen, vanwege de betrekkelijk lange tijd die is verstreken.

Kortom, de al dan niet gedane uitlatingen van de rechter tijdens de behandeling van het kort geding in 2015 leiden niet tot een gegrond verzoek.

3.4

Ook de omstandigheid dat de rechter eerder in kort-geding in het nadeel van verzoekster heeft beslist, kan in beginsel geen grond zijn tot wraking van de rechter. Dat is slechts anders als die beslissing zo onbegrijpelijk is dat voor die beslissing redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, of als de beslissing objectief gezien bij de verzoekster de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken dat de beslissing is ingegeven door vooringenomen jegens verzoekster. In de door verzoekster vermelde feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat van daarvan sprake is geweest.

3.5.

Dat gaat naar het oordeel van de rechtbank ook op voor de beslissingen die de rechter op de zittingen van 9 april 2020 en 1 mei 2020 en in de aanloop naar die zittingen heeft genomen zoals daarvan uit de van het verhandelde op die zittingen opgemaakte processen-verbaal is gebleken. Deze beslissingen passen binnen het kader van een kort geding. Deze beslissingen en de totstandkoming daarvan zijn dan ook niet zodanig onjuist of onbegrijpelijk dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kunnen worden verklaard of dat die beslissingen objectief gezien bij de verzoekster de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken dat die beslissingen zijn ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekster.

3.6

De rechtbank wijst het wrakingsverzoek af.

4 De beslissing

De rechtbank,

 wijst het verzoek tot wraking van mr. E. Loesberg af.


Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en mr. J.O.Y. Elagab, leden, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.