Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:5691

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
04-11-2021
Zaaknummer
7274748 CV EXPL 18-8740
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Effectenlease. Eindvonnis. Kantonrechter komt terug op voorlopig oordeel. Het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de overeenkomst kan niet worden aangemerkt als doorgeven order.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 7274748

Rolnummer : 18-8740

Vonnis van 21 oktober 2021

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen:

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.R. van Staveren (USG Legal).

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “Dexia” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis 12 november 2020;

  2. de akte na tussenvonnis van Dexia van 7 januari 2021, met producties 23 en 24;

  3. de antwoordakte van [eiser] van 18 februari 2021, met bijlage 1 en productie B1 en producties ANT 1 t/m ANT 4;

  4. e akte uitlaten producties van Dexia van 15 april 2021.

1.2.

Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar hetgeen in het tussenvonnis van 12 november 2020 is overwogen en beslist.

voorlopig oordeel

2.2.

In voornoemd tussenvonnis is de kantonrechter tot de voorlopige slotsom gekomen dat het retourneren van de - door [eiser] - ondertekende effectenleasecontracten, op grond van de daarin opgenomen specifieke informatie en op grond van de omstandigheid dat de effecten vanaf dat moment op naam van [eiser] werden bijgeschreven, als het doorgeven van orders kunnen worden geduid.

2.3.

In haar akte na tussenvonnis heeft Dexia toegelicht waarom zij meent dat de kantonrechter op zijn voorlopig oordeel zou moeten terugkomen.

2.4.

In haar antwoordakte concludeert [eiser] , samengevat dat is voldaan aan de eis van het Europese Hof van Justitie dat de doorgegeven orders uitvoerbaar moeten zijn.

eindoordeel

2.5.

De kantonrechter ziet in het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8981) aanleiding om af te wijken van zijn voorlopig oordeel. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6.

De overeenkomsten tussen Dexia en [eiser] van 8 april 1999 en 12 februari 2001 maken niet dat Spaar Select als orderremisier is opgetreden. Wanneer Spaar Select, zoals [eiser] aanvoert (maar Dexia betwist), (a) de overeenkomsten van Dexia ontving, (b) deze doorgeleidde aan [eiser] , (c) zorgde voor ondertekening hiervan door [eiser] en (d) retourzending aan Dexia, waarbij zij (e) intussen aanspreekpunt was voor eventuele vragen van [eiser] , laat dit onverlet dat het Dexia is geweest die na ontvangst van een aanvraagformulier de leiding had bij het tot stand komen van de overeenkomsten en de inhoud daarvan bepaalde door het soort certificaten en de aankoopbedragen (in dit geval een hoofdsom van respectievelijk € 10.638,11 en € 6.383,15) in te vullen alsook de voorwaarden voor de te verstrekken leningen, waaronder de te vergoeden rente te vermelden. Immers, uit het feit dat de tussenpersoon de overeenkomsten van Dexia ontving, blijkt al dat de tussenpersoon dus niet bepaalde welke producten en welke effecten moesten worden gekocht en/of werden afgenomen. Met andere woorden: de inhoud van de overeenkomsten werd niet zelf(standig) bepaald door Spaar Select. Spaar Select vervulde in dat verband dus slechts een ondersteunende rol met het zorgdragen voor ondertekening en retourzending aan Dexia, waarbij zij intussen aanspreekpunt was voor eventuele vragen van [eiser] .

2.7.

Omdat het initiatief voor de totstandkoming van de overeenkomsten uiteindelijk bij Dexia lag en zij de aankoop concreet en bepaalbaar had gemaakt (door het soort certificaten en de aankoopbedragen zelf in te vullen), had de (veronderstelde) ondersteunende functie van de tussenpersoon niet tot gevolg dat zij orderremisier werd, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken dat zij de aanvraagformulieren (en vervolgens de overeenkomsten) bij Dexia had ingediend. De aanvraagformulieren betroffen slechts een uiting van de wens van [eiser] om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan, zonder dat daarbij aan Dexia een geconcretiseerde en uitvoerbare opdracht met betrekking tot de aan- of verkoop van een of meerdere specifieke financiële instrumenten werd gegeven (verwezen wordt naar het arrest van 14 juni 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:451). Dat Spaar Select voor haar werkzaamheden provisie van Dexia ontving maakt dit oordeel niet anders.

2.8.

Dit leidt ertoe dat in dit geval het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de (ondertekende) overeenkomsten niet kan worden aangemerkt als het doorgeven van orders.

zorgplichten

2.9.

Op Dexia rustten zorgplichten, te weten een onderzoeksplicht en een waarschuwingsplicht. Indien daartoe aanleiding bestond diende zij de effectenleaseovereenkomst te ontraden (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012).

schending onderzoeksplicht

2.10.

[eiser] heeft haar stelling dat Dexia geen, althans onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar haar financiële positie niet onderbouwd en toegelicht, vooral heeft zij niet gesteld dat de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last voor haar vormden. Dat Dexia haar onderzoeksplicht naar haar inkomens- en vermogenspositie heeft geschonden kan daarom niet worden aanvaard. Het voorbehoud dat [eiser] op dit punt heeft gemaakt, kan haar niet baten. Indien zij van mening is dat de onderzoeksplicht wel is geschonden en de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last vormden, dan had zij dat niet alleen moeten stellen maar vervolgens ook moeten toelichten en onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, zal aan haar stelling op dit punt voorbij worden gegaan.

2.11.

Dat Dexia haar onderzoeksplicht als onderdeel van haar zorgplicht heeft geschonden, wordt dan ook niet aangenomen. Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten geen onaanvaardbaar zware last voor [eiser] vormde.

schending waarschuwingsplicht

2.12.

Tussen partijen staat vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht niet is nagekomen. Daarmee heeft Dexia onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . Er is in dit geval wat betreft beide overeenkomsten een restschuld ontstaan. Dexia dient daarom tweederde van die ontstane restschuld op zich te nemen. Niet in geschil is echter dat Dexia al is overgegaan tot vergoeding van deze schade. Dexia is in dit verband dus niets meer aan [eiser] verschuldigd.

2.13.

Voor terugbetaling van andere door [eiser] aan Dexia betaalde bedragen bestaat geen grond, zodat de vordering onder II. van de dagvaarding, zal worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

buitengerechtelijke kosten

2.14.

Omdat de vordering van [eiser] grotendeels wordt afgewezen, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

uitvoerbaarheid bij voorraad

2.15.

Dexia heeft verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. De te geven verklaring voor recht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en de overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Dit verweer behoeft daarom geen bespreking.

proceskosten

2.16.

[eiser] wordt als de meest in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart voor recht dat Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomsten met nummers 39400551 en 22180539 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door de op haar rustende waarschuwingsplicht niet na te komen;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia tot heden vastgesteld op € 300,00 (4 punt x 75,00);

3.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2021.