Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:5684

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
04-11-2021
Zaaknummer
7452012 CV EXPL 19-164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Effectenlease. Eindvonnis. Kantonrechter komt terug op voorlopig oordeel. Het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de overeenkomst kan niet worden aangemerkt als doorgeven order.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 7452012

Rolnummer : 19-164

Vonnis van 21 oktober 2021

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen:

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.R. van Staveren (USG Legal).

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “Dexia” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 12 november 2020;

  2. de akte na tussenvonnis van Dexia van 7 januari 2021, met producties 23 en 24;

  3. de antwoordakte van [eiser] van 18 februari 2021, met bijlage 1 en productie B1 en producties ANT 1 t/m ANT 4;

  4. e akte uitlating producties van de zijde van Dexia van 15 april 2021.

1.2.

Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar hetgeen in het tussenvonnis van 12 november 2020 is overwogen en beslist.

voorlopig oordeel

2.2.

In voornoemd tussenvonnis is de kantonrechter tot de voorlopige slotsom gekomen dat het retourneren van de - door [eiser] - ondertekende effectenleasecontracten, op grond van de daarin opgenomen specifieke informatie en op grond van de omstandigheid dat de effecten vanaf dat moment op naam van [eiser] werden bijgeschreven, als het doorgeven van orders kan worden geduid.

2.3.

In haar akte na tussenvonnis heeft Dexia toegelicht waarom zij meent dat de kantonrechter op zijn voorlopig oordeel zou moeten terugkomen.

2.4.

In zijn antwoordakte concludeert [eiser] , samengevat dat is voldaan aan de eis van het Europese Hof van Justitie dat de doorgegeven orders uitvoerbaar moet zijn.

eindoordeel

2.5.

De kantonrechter ziet in het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8981) aanleiding om af te wijken van zijn voorlopig oordeel. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6.

De overeenkomsten tussen Dexia en [eiser] van 27 januari 2000 maken niet dat Spaar Select als orderremisier is opgetreden. Wanneer Spaar Select, zoals [eiser] aanvoert (maar Dexia betwist), (a) de overeenkomst van Dexia ontving, (b) deze doorgeleidde aan [eiser] , (c) zorgde voor ondertekening hiervan door [eiser] en (d) retourzending aan Dexia, waarbij zij (e) intussen aanspreekpunt was voor eventuele vragen van [eiser] , laat dit onverlet dat het Dexia is geweest die na ontvangst van een aanvraagformulier de leiding had bij het tot stand komen van de overeenkomsten en de inhoud daarvan bepaalde door het soort effecten (aandelen/certificaten) en de aankoopbedragen (in dit geval een hoofdsom van respectievelijk € 6.373,64 en € 4.255,24) in te vullen alsook de voorwaarden voor de te verstrekken leningen, waaronder de te vergoeden rente te vermelden. Immers, uit het feit dat de tussenpersoon de overeenkomsten van Dexia ontving, blijkt al dat de tussenpersoon dus niet bepaalde welk product en welke aandelen of certificaten moesten worden gekocht en/of werden afgenomen. Met andere woorden: de inhoud van de overeenkomsten werd niet zelf(standig) bepaald door Spaar Select. Spaar Select vervulde in dat verband dus slechts een ondersteunende rol met het zorgdragen voor ondertekening en retourzending aan Dexia, waarbij zij intussen aanspreekpunt was voor eventuele vragen van [eiser] . Omdat het initiatief voor de totstandkoming van de overeenkomsten uiteindelijk bij Dexia lag en zij de aankoop concreet en bepaalbaar had gemaakt (door het soort effecten en de aankoopbedragen zelf in te vullen), had de (veronderstelde) ondersteunende functie van de tussenpersoon niet tot gevolg dat zij orderremisier werd, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken dat zij de aanvraagformulieren (en vervolgens de overeenkomsten) bij Dexia had ingediend (welke aanvraagformulieren in deze procedure overigens niet door partijen in de procedure zijn gebracht). Dat Spaar Select voor haar werkzaamheden provisie van Dexia ontving maakt dit oordeel niet anders.

2.7.

Dit leidt ertoe dat in dit geval het door de tussenpersoon aan Dexia sturen van de (ondertekende) overeenkomsten niet kan worden aangemerkt als het doorgeven van orders.

zorgplichten

2.8.

Op Dexia rustten zorgplichten, te weten een onderzoeksplicht en een waarschuwingsplicht. Indien daartoe aanleiding bestond diende zij de effectenleaseovereenkomsten te ontraden (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012).

schending onderzoeksplicht

2.9.

[eiser] heeft zijn stelling dat Dexia geen, althans onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn financiële positie niet onderbouwd en toegelicht, vooral heeft hij niet gesteld dat de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last voor hem vormden. Dat Dexia haar onderzoeksplicht naar zijn inkomens- en vermogenspositie heeft geschonden kan daarom niet worden aanvaard. Het voorbehoud dat [eiser] op dit punt heeft gemaakt, kan hem niet baten. Indien hij van mening is dat de onderzoeksplicht wel is geschonden en de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last vormden, dan had hij dat niet alleen moeten stellen maar vervolgens ook moeten toelichten en onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten, zal aan zijn stelling op dit punt voorbij worden gegaan.

2.10.

Dat Dexia haar onderzoeksplicht als onderdeel van haar zorgplicht heeft geschonden, wordt dan ook niet aangenomen. Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten geen onaanvaardbaar zware last voor [eiser] vormde.

schending waarschuwingsplicht

2.11.

Tussen partijen staat vast dat Dexia haar waarschuwingsplicht niet is nagekomen. Daarmee heeft Dexia onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . Er is geen restschuld ontstaan, zodat Dexia in dat verband niets aan [eiser] verschuldigd is.

2.12.

Voor terugbetaling van andere door [eiser] aan Dexia betaalde bedragen bestaat geen grond, zodat de vordering onder II. van de dagvaarding, zal worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

buitengerechtelijke kosten

2.13.

Omdat de vordering van [eiser] grotendeels wordt afgewezen, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

uitvoerbaarheid bij voorraad

2.14.

Dexia heeft verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. De te geven verklaring voor recht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en de overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Dit verweer behoeft daarom geen bespreking.

proceskosten

2.15.

[eiser] wordt als de meest in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart voor recht dat Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomsten met nummers 21602594 en 39407325 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door de op haar rustende waarschuwingsplicht niet na te komen;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia tot heden vastgesteld op € 300,00 (4 punt x 75,00);

3.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2021.