Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:5642

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
21/2432
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorschot schadevergoeding kinderopvangtoeslag

Uit de Compensatieregeling blijkt dat schade wordt vastgesteld met toepassing civiele schadevergoedingsrecht. Gelet hierop verwacht verweerder dat ook vervolgschade voor compensatie in aanmerking komt. Voldoende spoedeisend belang nu ontruiming van verzoeksters woning dreigt. Verzoekster kan het nader advies van de Commissie Werkelijke Schade niet afwachten. Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat er een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld in verband met vergoeding werkelijk geleden schade. Verweerder is op grond van artikel 4:95 Awb dus bevoegd een voorschot te verlenen en dient van deze bevoegdheid gebruik te maken. De voorzieningenrechter draagt verweerder op voor drie maanden de vaste lasten aan verzoekster te vergoeden en gaat er van uit dat in die tijd duidelijkheid over hoogte van de werkelijke schade zal ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-10-2021
FutD 2021-3368
V-N Vandaag 2021/2631
V-N 2022/2.22.51
AB 2022/171 met annotatie van R.G. Becker, J.E. Esser
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/2432


uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. P. Salim),

en

Belastingdienst/ Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: mr. H. Yilmaz).

Procesverloop

In het besluit van 15 september 2021 heeft verweerder verzoekster een voorschot van

€ 5.000,00 toegekend op een aanvullende schadevergoeding, vanwege haar situatie rondom de kinderopvangtoeslag.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat haar, in afwachting van een beslissing op het bezwaar, een voorschotbedrag wordt toegekend van € 25.000,00.

Verzoekster heeft vlak voor de zitting aanvullende stukken in het geding gebracht.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 oktober 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek geschorst ten einde partijen in de gelegenheid te stellen om, naar aanleiding van de overgelegde stukken, met elkaar in overleg te treden.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 26 oktober 2021 gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verweerder heeft ten onrechte van verzoekster over de jaren 2016, 2017 en 2018 ontvangen kinderopvangtoeslag teruggevorderd. Daarom heeft verzoekster schade geleden. In verband hiermee heeft verweerder een voorschot van € 30.000,00 aan verzoekster uitbetaald ter compensatie van de gelden schade. Op 5 maart 2020 heeft verzoekster een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Bij brief gedateerd 6 mei 2021 heeft verweerder in een vooraankondiging erkend fouten te hebben gemaakt en is toegezegd

Verzoekster op grond van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (Compensatieregeling) te compenseren met een bedrag van € 47.129,00. Omdat verzoekster al € 30.000,00 had ontvangen resteerde een bedrag van € 17.129,00. Dit bedrag is in april 2021 aan verzoekster betaald.

2. Bij besluit van 10 mei 2021 is dit bedrag definitief vastgesteld op € 47.346,00, zodat een uit te keren bedrag resteerde van € 217,00. Verzoekster heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Bij brieven van 28 mei 2021 en 4 juni 2021 heeft verweerder verzoekster geïnformeerd over het pauzeren van schulden en over kwijtschelding.

3. Verzoekster heeft zich op 16 augustus 2021 tot de Commissie Werkelijke Schade (CWS) gewend en verzocht om vaststelling van de werkelijke schade. Bij brief van 24 augustus 2021 heeft verzoekster, ter toelichting van haar aanvraag, aangevoerd dat zij gespecialiseerd is in medische gezichtsbehandelingen. In 2018 is zij begonnen met een eigen bedrijf. Toen zij bezig was met reclame en acquisitie in de omgeving Geldrop voor dit bedrijf, heeft verweerder ten onrechte kinderopvangtoeslag teruggevorderd en is zij in financiële problemen geraakt. Zij heeft haar huis - dat ze vanaf 20 februari 2015 huurde voor € 650,00 - moeten ontruimen en heeft een ongeveer tweemaal duurdere woning in Veghel betrokken. De belastingdienst heeft de BTW-teruggave waarop zij recht had verrekend met haar schuld in verband met de terugvordering kinderopvangtoeslag. Zonder kinderopvang en met de verhuizing naar een andere regio kon verzoekster niet langer in haar levensonderhoud voorzien. Zij heeft geld moeten lenen van een oom. Hij wil het geld nu terug. Het bedrag van € 16.500,00 aan immateriële schadevergoeding dat verzoekster is toegekend, doet volgens haar geen recht aan de werkelijk geleden immateriële schade. Verzoekster vordert daarvoor een bedrag van € 50,00 per dag dat zij last heeft gehad van de kinderopvangtoeslagaffaire. Verder vordert zij vervolgschade, onder andere bestaande uit gederfde winst, waarbij verzoekster uitgaat van een gemiddeld behaalde brutowinst van € 35.000,00 per jaar. Ook heeft verzoekster extra huur moeten betalen, doordat zij gedwongen werd een duurdere woning te huren. Zij betaalde voor de vorige woning op het laatst € 750,00 aan huur per maand en de maandelijkse huurprijs van de nieuwe woning bedraagt € 1.550,00. Dit komt op een schade over 5 jaar van € 48.000,00. Tot slot heeft verzoekster € 50.000,00 van haar oom moeten lenen. Verzoekster vordert bij de belastingdienst meer dan € 200.000,00 schade en heeft verzocht een voorschot van € 30.000,00 te verstrekken.

4. Bij het bestreden besluit is verzoekster - nadat zij om een voorlopige voorziening had gevraagd (civiel kort geding) - een voorschot van € 5.000,00 toegekend. Verweerder heeft bij het bestreden besluit erkend dat verzoekster in een urgente situatie zit en dat de CWS meer tijd nodig heeft voor het bepalen van de schadevergoeding aan verzoekster. De CWS maakt onderscheid tussen gevorderde materiële en immateriële schade en private schulden. Volgens de CWS in het advies aan verweerder van 3 september 2021 zijn de materiële schadeposten nog onvoldoende onderbouwd, waardoor het onmogelijk is daarover te adviseren in het kader van een voorschot. Vanwege private schulden hoeft volgens de CWS geen voorschot te worden verleend, omdat deze onder de zogenoemde pauzeknop vallen. Dat er aanvullende immateriële schadevergoeding wordt geadviseerd, ligt volgens de CWS in de lijn der verwachtingen, maar zonder onderliggende stukken adviseert de CWS om

€ 5.000,00 aan voorschot te verlenen. De CWS benadrukt dat het een globaal advies is, omdat zij nog niet eens beschikken over de achterliggende stukken waarop de forfaitaire vergoeding is gebaseerd.

5. Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is voor het treffen van een voorlopige voorziening slechts plaats indien sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor verzoeker onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing in de hoofdzaak – in dit geval de beslissing op bezwaar – te moeten afwachten. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Daar komt bij dat verzoekster bij wijze van voorlopige voorziening om een groter bedrag aan voorschot op een schadevergoeding heeft verzocht dan zij bij bestreden besluit heeft gekregen. Verweerder kan op grond van artikel 4:95, eerste lid, van de Awb een voorschot verlenen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Voor het toewijzen van een voorlopige voorziening in de vorm het vaststellen van een voorschotbedrag in het kader van een verzoek om schadevergoeding in een zaak als deze is beginsel slechts aanleiding, indien redelijkerwijs te verwachten valt dat verzoekster ook in aanmerking komt voor een groter bedrag aan schadevergoeding dan bij wijze van voorschot aan haar is toegekend en een onomkeerbare situatie dreigt indien zij de definitieve vaststelling van de schade moet afwachten.

6. Verzoekster voert aan dat de vastgestelde immateriële schadevergoeding te weinig is. Zij ervaart nog veel stressklachten. Daarnaast is het verschil in huurprijs tussen haar oude en huidige woning voldoende duidelijk om te komen tot een hoger voorschotbedrag. Volgens verzoekster is de CWS verder ten onrechte voorbij gegaan aan de schuld van € 50.000,00 aan haar oom, terwijl dit een private schuld is die volgens de staatsecretaris zou worden overgenomen. Verzoekster kan niet in haar levensonderhoud voorzien. In het kader van de spoedeisendheid wijst verzoekster op het vonnis van de kantonrechter als voorzieningenrechter, waaruit blijkt dat verzoekster ontruimd wordt uit haar huidige woning als zij niet op tijd de huur van € 1.550,00 betaalt. Verzoekster dient ook haar leaseauto op tijd te betalen omdat de auto anders wordt weggehaald en zij de omgangsregeling voor haar kinderen niet langer kan nakomen. Verzoekster vreest om die reden voor uithuisplaatsing van haar kinderen.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door verzoekster gestelde schade nog onvoldoende is onderbouwd en dat de CWS meer tijd nodig heeft voor het adviseren over een aanvullende schadevergoeding. Volgens verweerder ontbreekt het spoedeisend belang, omdat het door verzoekster ontvangen bedrag van € 5.000,00 met name verband houdt met haar immateriële schade, maar dit, vanwege de urgente noodsituatie en bijzondere omstandigheden, is uitgekeerd als voorschot, zodat het kan worden gebruikt voor de vaste lasten. Verder kan verzoekster hulp krijgen van het brede hulpteam van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) en komt er waarschijnlijk voor het eind van het jaar een nieuwe schuldenregeling voor betalingsachterstanden voor onder andere energie waarvan verzoekster gebruik kan maken. Bovendien heeft verzoekster een onderneming waaruit inkomsten voortvloeien. Volgens verweerder kan verzoekster niet uit haar woning worden gezet, omdat de kantonrechter bij vonnis van 7 april 2021 het vonnis van 25 februari 2021, waarbij onder meer verzoekster is veroordeeld tot ontruiming van de woning, heeft geschorst tot 12 februari 2022. Verder is volgens verweerder niet aangegeven waarom er sprake is van een spoedeisend belang ten aanzien van de leaseauto. Er is geen bedrag gegeven en ook is niet gesteld dat dit bedrag niet kan worden opgebracht. Voor de private schulden, zoals de schuld aan de oom, geldt de pauzeknop ook, vanaf het moment dat verzoekster het forfaitaire schadevergoedingsbedrag heeft ontvangen. Vanaf dat moment geldt het voor een jaar. Verweerder heeft op 8 september 2021 laten weten dat, als er voor de acute en urgente situatie van verzoekster iets anders of meer nodig is, het verzoek om bevoorschotting nader te onderbouwen, zowel de schadeposten als de urgentie. Bovendien zou het brede zorgteam/hulpteam van UHT desgewenst kunnen helpen.

8. Vast staat dat verzoekster behoort tot de doelgroep als bedoeld in de compensatieregeling. Zij kan dus op grond van artikel 4.1 van de Compensatieregeling in aanmerking komen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Om deze schade vast te stellen wordt verweerder geadviseerd door de CWS die voor het advies voor de vaststelling van de werkelijk door verzoekster geleden schade medio november 2021 een hoorzitting heeft gepland. Daarna volgt het advies over de werkelijk geleden schade. Dit is onder de gegeven omstandigheden voor verzoekster te laat.

De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de kantonrechter van de rechtbank bij zijn verstekvonnis van 25 februari 2021 de huurovereenkomst tussen verzoekster en haar verhuurder heeft ontbonden en verzoekster heeft veroordeeld tot ontruiming van de woning. Weliswaar heeft de kantonrechter de tenuitvoerlegging van dit vonnis, bij vonnis van 7 april 2021 geschorst tot 12 februari 2022, maar onder de ontbindende voorwaarde dat verzoekster het bedrag aan huur tijdig voor het begin van iedere maand heeft betaald. Dit betekent dat iedere achterstand in de betaling van huur tot ontruiming zou kunnen leiden.

9. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde laten weten dat hij de vlak voor de zitting overgelegde stukken, waarvan hij nog geen kennis had genomen, bij de zaak te willen betrekken. Deze stukken hebben betrekking op het ontstaan van een betalingsachterstand in de huur en over de lease van een auto. Over deze stukken wil verweerder het advies van de CWS vragen.

Verweerders gemachtigde heeft te kennen gegeven dat hij ook nadere stukken over onder andere het ontbreken van inkomsten bij de beoordeling zou willen betrekken, als deze snel worden ingediend. Verzoeksters gemachtigde heeft verklaard dat deze nog de volgende dag zouden kunnen worden aangeleverd.

Verweerders gemachtigde heeft toegezegd te willen bevorderen dat de CWS uiterlijk een week later een advies uitbrengt.

Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting geschorst.

Nadien is gebleken dat de CWS niet binnen een week kan adviseren.

10. De voorzieningenrechter heeft de door verzoekster na de zitting overgelegde stukken betrokken bij de beoordeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er voldoende spoedeisend belang aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening nu - mede op grond van de nader overgelegde gedingstukken - vooralsnog is gebleken dat verzoekster geen inkomsten heeft en daarom haar vaste lasten die bestaan uit de huur van haar woning, de energierekening en de leasekosten voor haar auto niet kan voldoen. Dit, gevoegd bij de dreigende ontruiming van verzoeksters woning, heeft verzoekster belang bij toekenning van een extra voorschot op de geleden werkelijke schade.

11. Uit de Compensatieregeling blijkt dat de het vast te stellen schadebedrag wordt vastgesteld met toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht. Verweerder verwacht dat, gelet hierop, en op de aanstaande schuldenregeling, ook vervolgschade voor compensatie in aanmerking komt. De zogenoemde pauzeknop, een moratorium voor publieke en private schulden die geldt voor een jaar, heeft betrekking op betalingsachterstanden die voor een bepaalde datum zijn ontstaan en biedt geen oplossing voor vervolgschade.

12. De gedingstukken hebben de voorzieningenrechter tot de overtuiging gebracht dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld voor verweerder in verband met de vergoeding van de door verzoekster werkelijk geleden schade. De voorzieningenrechter baseert dit op de omstandigheid dat schadevergoeding niet is uitgesloten voor vervolgschade en uit de advisering van de CWS kan worden afgeleid dat er op dit moment weliswaar nog een nadere onderbouwing van de werkelijke schade - materiële en immateriële - nodig is, maar hieruit niet kan worden afgeleid dat verzoekster geen aanspraak zou kunnen maken op een aanvullende vergoeding van de werkelijke schade. Dit betekent dat verweerder bevoegd is op grond van artikel 4:95, eerste lid, van de Awb een voorschot te verlenen. Vanwege de gebleken spoedeisendheid in deze zaak is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder van deze bevoegdheid gebruik dient te maken.

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom - gedeeltelijk - toe. Om te voorkomen dat verzoekster haar huidige woning dient te ontruimen zal de voorzieningenrechter verweerder opdragen om verzoekster een extra voorschot te verlenen ten bedrage van € 7.130,40 bestaande uit de huur van de woning (€ 1.550,00), de energielasten (€ 259,00) en de kosten voor de leaseauto (€ 567,80) over de maanden oktober, november en december 2021. Verweerder zal, om te voorkomen dat eiseres uit haar woning wordt gezet, onmiddellijk na ontvangst van de uitspraak tot betaling moeten overgaan. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat na de hoorzitting in november 2021 bij de CWS meer duidelijkheid zal ontstaan over de hoogte van de werkelijke schade.

14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder verzoekster het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.

15. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 748,00. Bij een wegingsfactor 1 levert dit een bedrag op van € 1.496,00.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    draagt verweerder op om verzoekster met onmiddellijke ingang een voorschot van € 7.130,40 te betalen;

  • -

    bepaalt dat verweerder verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 181,00 moet vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.496,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 27 oktober 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.