Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:5608

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
01/860011-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis voor verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/860011-21

Datum uitspraak: 25 oktober 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 oktober 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 september 2010 tot en met 1 juli 2016 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of te Kiev (Oekraïne) en/of te Sofia (Bulgarije) en/of te Kopenhagen (Denemarken) en/of op Mallorca (Spanje) en/of te Genève en/of te Bern (Zwitserland),

(telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van 29.079 euro (of daaromtrent), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als [functie] (gedetacheerd) bij de [slachtoffer] , in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

immers heeft hij, verdachte,

met de (voor zakelijke doeleinden afgegeven) bankpas(sen) ten name van en/of met de creditcard(s) gekoppeld aan (een) bankrekening(en) van de [slachtoffer] (telkens) een of meer (privé)betalingen en/of (privé)geldopname(s) gedaan, althans (telkens) (een) betaling(en) gedaan met geld van de [slachtoffer] , te weten;

- op of omstreeks 21 december 2011 en/of 22 december 2011 en/of 23 december 2011 en/of 24 december 2011 te Genève en/of te Bern (Zwitserland) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 2.384,67 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) ( [bestandsnaam 1] , [bestandsnaam 2] , [bestandsnaam 3] , [bestandsnaam 4] ); en/of

- op of omstreeks 11 december 2012 te Amsterdam een geldbedrag van in totaal 800 euro ( [bestandsnaam 5] , [bestandsnaam 6] , [bestandsnaam 7] ); en/of

- op of omstreeks 19 augustus 2013 en/of 21 augustus 2013 te Den Haag een geldbedrag van 1.214,50 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) ( [bestandsnaam 8] , [bestandsnaam 9] , [bestandsnaam 10] ); en/of

- op of omstreeks 13 maart 2015 en/of 14 maart 2015 en/of 15 maart 2015 te Kiev (Oekraïne) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 1.858,25 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) ( [bestandsnaam 11] , [bestandsnaam 12] , [bestandsnaam 13] ); en/of

- op of omstreeks 1 mei 2015 en/of 24 mei 2015 te Amsterdam en/of te Den Haag, in elk geval in Nederland, en/of op Mallorca (Spanje) een geldbedrag van in totaal 717,21 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) ( [bestandsnaam 14] , [bestandsnaam 15] , [bestandsnaam 16] ); en/of

- op of omstreeks 24 juni 2015 en/of 25 juni 2015 te Sofia (Bulgarije) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 4.376,59 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) ( [bestandsnaam 17] , [bestandsnaam 16] ); en/of

- op of omstreeks 15 juli 2015 en/of 19 januari 2016 en/of 20 januari 2016 te Kopenhagen (Denemarken) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 2.309,81 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) ( [bestandsnaam 18] , [bestandsnaam 19] , [bestandsnaam 20] , [bestandsnaam 21] ),

terwijl deze/die (privé)betaling(en) en/of (privé)geldopname(s), althans deze/die betaling(en), (telkens) niet (volledig) was/waren gerelateerd aan de doeleinden van de [slachtoffer] maar (telkens) ten gunste van verdachte kwam/kwamen.

T.a.v. feit 2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2011 tot en met 31 maart 2016 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, negen, althans een of meer geschrift(en), te weten;

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 27 december 2011 ( [bestandsnaam 2] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 27 december 2011 ( [bestandsnaam 3] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 27 februari 2012 ( [bestandsnaam 22] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 28 februari 2015 ( [bestandsnaam 23] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 28 maart 2015 ( [bestandsnaam 24] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 27 april 2015 ( [bestandsnaam 25] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van Amrican Express Gold Card van 27 juni 2015 ( [bestandsnaam 26] ); en/of

- (een kopie van) de maandafrekening van American Express Gold Card van 27 juli 2015 ( [bestandsnaam 27] ),

- (telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op voormelde kopie(ën) van de maandafrekening(en) van American Express Gold Card vermeld en/of opgenomen dat;

- gemaakte kosten moeten worden aangemerkt als reiskosten (aangeduid met 'reisk. S-G') in het kader van zijn werkzaamheden als [functie] bij de [slachtoffer] (terwijl in werkelijkheid sprake was van gemaakte privékosten); en/of

- de transactie van 1.276,35 euro op 23 december 2011 moet worden aangemerkt als 'Privé sieraad echtgenote' (terwijl in werkelijkheid sprake was van een transactie met omschrijving ' [naam bar 1] , Genève'),

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Eventuele in de tekst van de tenlastelegging voorkomende taal- of spelfouten en/of verschrijvingen zijn door de rechtbank bij de bewezenverklaring gecorrigeerd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het ten laste gelegde.

Vrijspraak t.a.v. feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het dossier bevindt zich geen bewijs dat verdachte valselijk en in strijd met de waarheid aan gemaakte kosten een aanduiding heeft willen geven die niet overeenkwam met de werkelijkheid.

Het standpunt van de officier van justitie t.a.v. feit 1.

De officier van justitie acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging t.a.v. feit 1.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, ingaan op de nadere standpunten van de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, in zijn hoedanigheid als [functie] bij de [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), door met de voor zakelijke doeleinden afgegeven bankpassen en creditcard privébetalingen en/of

-opnamen te doen.

Privé gebruik door verdachte van betaalmiddelen van [slachtoffer]

Voor wat betreft de volgende ten laste gelegde onderdelen stelt de rechtbank op grond van het procesdossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een bankpas en/of creditcard van [slachtoffer] heeft gebruikt voor de volgende privédoeleinden:

  • -

    1.276,35 euro op 23 december 2011 te Zwitserland inzake een bedrag in [naam bar 1] ;

  • -

    800 euro op 11 december 2012 te Amsterdam inzake een bedrag voor de huwelijkslunch van de dochter van verdachte;

  • -

    1.124,50 euro op 19 en 21 augustus 2013 te Den Haag voor kleding van verdachte;

  • -

    717,21 euro op 1 en 24 mei 2015 inzake een reis naar Mallorca;

  • -

    1.704,29 euro op 15 juli 2015 in Kopenhagen, betreffende geldopnames die niet gebruikt zijn voor zakelijke doeleinden.

Voor hetgeen ten laste is gelegd onder het 4e en 6e gedachtestreepje, respectievelijk betalingen in Kiev en Sofia, heeft de verdediging een alternatief scenario bepleit.

4e gedachtestreepje: betalingen in Kiev in de periode 13 – 15 maart 2015

In een aanvullende verklaring, als bijlage bij een schrijven van 4 juni 2021 van de raadsvrouw gevoegd, heeft verdachte uiteengezet hoe de uitgaven in Kiev tot stand zijn gekomen. Hij zou deze opnamen en betalingen niet zelf hebben verricht maar deze door de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden toch als privé hebben aangemerkt.

De omstandigheden waren volgens de verdediging in het kort beschreven als volgt. Verdachte ging na een formele bijeenkomst in verband met de tiende verjaardag van de [vereniging] met een aantal mensen ergens eten. Na dit etentje is verdachte met drie andere personen naar een gelegenheid gegaan om nog wat te drinken. Verdachte heeft - nadat commotie was ontstaan over het betalen - aangeboden de rekening te voldoen. Nadat de eerste ( [slachtoffer] )bankpas werd geweigerd, heeft hij een andere ( [slachtoffer] )pas aangeboden. Ook dat had geen gewenst resultaat, en uiteindelijk heeft naar herinnering van verdachte iemand anders de betreffende rekening voldaan.

In de navolgende dagen zijn in Kiev meerdere bedragen afgeschreven van de verschillende bankrekeningen van [slachtoffer] , hetgeen verdachte pas na terugkomst in Nederland na ontvangst van bankafschriften, heeft geconstateerd. Deze afschrijvingen hebben met name in de nachtelijke uren plaatsgevonden bij een stripclub in Kiev. Daarna hadden geen afschrijvingen meer plaatsgevonden. Verdachte gaat ervan uit dat zijn passen zijn geskimd in de gelegenheid waar hij na het etentje is gaan drinken en de gegevens van de bankpassen daarna zijn gebruikt.

Gelet op het tijdsverloop en gevoeligheden in de relatie van de [slachtoffer] met het Openbaar Ministerie in Kiev heeft verdachte hier verder niets mee gedaan, maar deze bedragen als privé aangemerkt. Verdachte heeft dit met niemand besproken. Verdachte heeft toegelicht dat in de jaren voor 2015 sprake was van een dreigende situatie rondom [slachtoffer] en de procureur-generaal van Oekraïne. Een collega van de procureur-generaal sprak dreigende taal en tijdens een uitje naar een schietbaan werd met scherp werd geschoten. Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij geen actie heeft ondernomen na het vermeende skimmen van de bankpassen van [slachtoffer] , omdat hij dacht dat sprake zou zijn van gevaar voor levens, omdat er destijds sprake was van een onveilige situatie mede gelet op de politieke verwikkelingen.

De rechtbank acht dit alternatieve scenario ongeloofwaardig. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat dan kennelijk sprake is geweest van het skimmen van twee bankpassen, waarvan de gegevens vervolgens alleen zouden zijn gebruikt in de periode dat verdachte zelf in Kiev verbleef, dat verdachte na ontdekking hiervan geen aangifte zou hebben gedaan, de betreffende bankpassen niet zou hebben geblokkeerd én zelfs geen collega’s zou hebben geïnformeerd. Dit is wat de rechtbank betreft onvoorstelbaar. De rechtbank overweegt hierbij dat juist verdachte, met zijn staat van dienst bij het Openbaar Ministerie in diverse functies, onder meer als fraude officier van justitie, de weg kent om op de juiste wijze om te gaan met een gebeurtenis zoals door verdachte beschreven. Als geen ander kent verdachte het risico chantabel te zijn op het moment dat hij zulke informatie voor zichzelf zou houden. Hij zou hiermee het Openbaar Ministerie en de [slachtoffer] kunnen corrumperen.

Daarnaast stelt de rechtbank vast, dat verdachte pas op 4 juni 2021, jaren nadat hij voor het eerst over deze betalingen is bevraagd, deze verklaring heeft afgelegd. Ook dat draagt bij aan de conclusie van de rechtbank dat deze verklaring ongeloofwaardig is. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, bevat het dossier geen steun voor het scenario van verdachte. Dat [collega] heeft verklaard dat er in 2012 een bezoek aan Oekraïne is geweest waarbij een onprettige, of onveilige, sfeer bestond, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant in het kader van de betalingen in 2015 in Kiev.

De rechtbank verwerpt het op het alternatieve scenario gestoelde verweer.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13, 14 en 15 maart 2015 te Kiev voor een bedrag van in totaal 1.858,25 euro een bankpas en/of creditcard van [slachtoffer] heeft gebruikt voor privédoeleinden.

6e gedachtestreepje: betalingen in Sofia op 24 en 25 juni 2015

Voor de betalingen in Sofia heeft verdachte samengevat het volgende verklaard en beschreven. Op 23 juni 2015 tijdens een conferentie waar hij was met [collega] dronk verdachte wat in een bar tegenover het hotel. Aldaar kwam verdachte in gesprek met een aantal heren die ook voor justitie zouden werken. Na sluitingstijd ging verdachte met deze heren mee naar een andere bar. Niet lang na binnenkomst werd verdachte duizelig en voelde hij zich niet lekker. Verdachte denkt dat er iets in zijn drankje is gedaan. Op een gegeven moment realiseerde verdachte zich dat hij zich in een taxi bevond en dat hij zijn telefoon kwijt was. Verdachte kreeg van de taxichauffeur een briefje van de naam van de bar en vervolgens is verdachte in zijn hotel ziek naar bed gegaan. De volgende dag merkte verdachte dat ook een bankkaart van de [slachtoffer] miste. Verdachte ging terug naar de bar maar trof alleen schoonmakers, aan wie hij zijn hoteladres heeft afgegeven. De bankkaart is de volgende ochtend in een enveloppe onder zijn hoteldeur geschoven. Daarna is verdachte terug naar Nederland gereisd.

Pas later heeft verdachte geconstateerd dat er bedragen van de [slachtoffer] -bankrekening waren afgeschreven. Deze afschrijvingen hebben allemaal in de nachtelijke uren plaatsgevonden, en zijn grotendeels verricht bij een betaalautomaat in “ [naam bar 2] ”. Verdachte heeft de bankpas niet geblokkeerd.

Verdachte heeft zijn telefoon niet teruggevonden en heeft in Nederland zijn telefoonnummer laten blokkeren, welke aanschaf op de [slachtoffer] rekening is gedaan. Verdachte stelt slachtoffer te zijn geworden van ‘gewiekste criminaliteit’ en verklaart dat hij om dezelfde reden als in Kiev de uitgaven voor eigen rekening heeft genomen.

De rechtbank acht ook dit alternatieve scenario ongeloofwaardig. Reeds de omstandigheid dat de verloren bankpas door een onbekende in een envelop onder zijn hoteldeur zou zijn geschoven, lijkt de rechtbank – bij gewiekste criminelen – een bijzondere. Daarnaast heeft verdachte ook in dit geval geen aangifte gedaan en de bankpas niet direct geblokkeerd, terwijl verdachte naar eigen zeggen slachtoffer is geworden van criminaliteit. De rechtbank acht dit onbegrijpelijk, nu verdachte op zijn minst de verantwoordelijkheid had om mogelijk financieel nadeel voor [slachtoffer] te voorkomen. Ook heeft verdachte aan niemand, ook niet aan collega en reisgezel [collega] maar iets verteld van hetgeen zou zijn voorgevallen. Ook in dit geval, net als ten aanzien van het gebeuren in Kiev, acht de rechtbank dat onvoorstelbaar.

Ook dit door verdachte geschetste scenario wordt op geen enkele wijze ondersteund door de bewijsmiddelen in het dossier en ook in dit geval komt verdachte pas jaren later met deze lezing van de gebeurtenissen.

De rechtbank concludeert dat zij het door de verdediging geschetste alternatieve scenario volstrekt niet aannemelijk acht. Het daarop gestoelde verweer wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 en 25 juni 2015 te Sofia voor een bedrag van in totaal 4.376,59 euro een bankpas en/of creditcard van [slachtoffer] heeft gebruikt voor privédoeleinden.

- Gedeeltelijke vrijspraak t.a.v. feit 1

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting van 11 oktober 2021 en het procesdossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van voor privédoeleinden aanwenden van geldbedragen, voor wat betreft de volgende ten laste gelegde onderdelen:

  • -

    (de tegenwaarde van) 1.108,32 euro in totaal op 21, 22 en 24 december 2011 te Zwitserland;

  • -

    (de tegenwaarde van) 605,52 euro in totaal op 19 en 20 januari 2016 in Kopenhagen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde betalingen en opnames.

Geld onder zich uit hoofde van zijn dienstbetrekking?

Vastgesteld is dat verdachte op verschillende momenten een betaalmiddel van [slachtoffer] heeft gebruikt voor privédoeleinden. De rechtbank stelt voorts vast dat ten tijde van de betalingen/opnamen zoals hiervoor beschreven, verdachte volledig gedetacheerd was vanuit het openbaar ministerie bij de [slachtoffer] . Verdachte was werkzaam als [functie] (hierna ook: [functie] ) bij de [slachtoffer] en in die hoedanigheid belast met het dagelijkse management en de financiën van de [slachtoffer] . In die hoedanigheid had hij beschikking over de bankrekeningen van de [slachtoffer] .

Wederrechtelijke toe-eigening?

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of in dit geval sprake is van wederrechtelijke toe-eigening door met de passen van de [slachtoffer] betalingen en opnamen te doen die voor privédoeleinden zijn bestemd.

Van toe-eigening is sprake zodra de dader zijn besluit om zich de zaak naar eigen goeddunken te nutte te maken in daden heeft omgezet door er als heer en meester over te gaan beschikken. Ook het tijdelijk onder zich houden van goederen of een tijdelijke verschaffing van de heerschappij daarover kan verduistering opleveren. Wederrechtelijkheid ten aanzien van dit misdrijf houdt in dat een dader zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester is gaan beschikken.

- Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat hiervan geen sprake is. Verdachte kan zich niet alle voorvallen herinneren, maar in de meeste gevallen gebruikte hij de [slachtoffer] -pas als hij zijn privé-passen niet bij zich had of als een privétransactie volgens zijn zeggen een American Express vereiste, waarover hij in privé niet beschikte. In sommige gevallen heeft hij volgens zijn verklaring de uitgaven achteraf alsnog als privé bestempeld, bijvoorbeeld bij uitgaven in een bar rondom een conferentie.

De verdediging heeft samengevat bepleit dat het gebruik van de bankpas of creditcard van [slachtoffer] puur praktisch van aard was en dat verdachte nimmer de intentie heeft gehad voor [slachtoffer] te verhullen dat hij dat deed. Hij hield privé uitgaven bij in het kasboek en het was [slachtoffer] bekend dat er privé stromen waren. De verdediging heeft verder bepleit dat uit het verslag van de [vergadering] van 12 september 2015 af valt te leiden dat privé gebruik van de creditcard niet onrechtmatig is, omdat de [functie] er toen op gewezen zou zijn dit te “vermijden”. Bij geen van de betalingen en/of opnamen was sprake van opzet op wederrechtelijke toe-eigening. Verdachte had geen benadeling van de [slachtoffer] op het oog en de accountant wist ook dat hij privé betalingen/opnamen met een pas van de [slachtoffer] had gedaan. Daarnaast werden de betreffende bedragen terugbetaald, door het geld dat hij verschuldigd was cash in de kluis in zijn huis op de plank van de [slachtoffer] te plaatsen. Uiteindelijk zijn alle gelden ook digitaal terugbetaald, zo heeft de verdediging aangevoerd.

- Wederrechtelijkheid

De rechtbank stelt vast dat nergens uit het procesdossier blijkt dat [slachtoffer] aan verdachte toestemming heeft gegeven de passen van [slachtoffer] voor privédoeleinden te gebruiken. Daarmee is de wederrechtelijkheid van dit gebruik naar het oordeel van de rechtbank al snel een gegeven: het betreffen immers passen van bankrekeningen die bedoeld zijn voor de organisatie [slachtoffer] , niet voor verdachte zelf.

Het standpunt van de verdediging, kort samengevat dat er wel een soort impliciete toestemming voor dit gebruik bestond door de wetenschap bij de accountant en kennis bij [slachtoffer] over “privé stromen”, volgt de rechtbank evenmin.

De accountant is geen onderdeel van [slachtoffer] en diens wetenschap kan derhalve geen rol spelen. Uit het dossier volgt niet dat functionarissen bij [slachtoffer] op enig moment op de hoogte zijn geweest van het privégebruik van de creditcard door verdachte.

Dat er in een overleg in 2015 als actiepunt is opgenomen dat “the [functie] in the future limits the cash balance and avoids using the company credit card for disbursements” (p. 258 van het aanvullend proces-verbaal) betekent níet dat hem is gevraagd privé-gebruik van de creditcard te vermijden, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maar dat hij geldopnames met de creditcard in het algemeen diende te vermijden. Dat actiepunt is overigens een reactie op de vele onduidelijkheden in de financiële administratie van verdachte, zo leest de rechtbank, en kan derhalve niet worden gezien als een goedkeuren achteraf van het handelen van verdachte.

Daarnaast volgt de rechtbank de officier van justitie in diens stelling dat zelfs als bij [slachtoffer] in enige mate bekend dan wel geaccepteerd zou zijn geweest dat er privé stromen bestonden, dat nog niet betekent dat [slachtoffer] akkoord was met de specifieke uitgaven zoals door verdachte gedaan, zoals betaling van de huwelijkslunch van zijn dochter of uitgaven in een seksclub tijdens een zakenreis. Dat zijn evident geen uitgaven waarvoor een organisatie gericht op de internationale samenwerking van officieren van justitie toestemming zou hebben verleend. Als er bij verdachte op enig moment onduidelijkheid zou hebben bestaan over de bevoegdheden die hem toekwamen ten aanzien van het gebruik van de creditcard, dan had van hem – als oud-officier van justitie, oud-advocaat-generaal, en [functie] van een organisatie van aanklagers – mogen worden verwacht dat hij daar navraag naar had gedaan. Voor het inlezen van een ruime toestemming, zoals verdachte in feite stelt dat hij heeft gedaan, bestond geen aanleiding.

Verdachte had geen toestemming de creditcard te gebruiken zoals hij heeft gedaan, zoals ook blijkt uit de aangifte van [slachtoffer] .

De rechtbank concludeert derhalve dat er sprake was van wederrechtelijk gebruik.

- toe-eigening

De rechtbank stelt vast dat eveneens sprake is geweest van toe-eigening van de gelden. Verdachte heeft op diverse momenten, over een periode van meerdere jaren, gebruik gemaakt van de creditcard en/of bankpassen van [slachtoffer] voor privégebruik en is pas achteraf, bij de ontvangst van de maandstaten en/of afrekeningen gaan categoriseren of sprake was van een zakelijke of privé uitgave. Verdachte is daarmee gaan beschikken over de geldbedragen op de bankrekening van [slachtoffer] als ware het zijn eigen rekening-courant.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van toe-eigening van geldbedragen van [slachtoffer] . Verdachte heeft tijdens de terechtzitting zelf ook verklaard dat hij ‘te makkelijk is geweest’ in het gebruik van de [slachtoffer] -passen. De verklaringen van verdachte acht de rechtbank tekenend voor het naar eigen goeddunken ten nutte maken van de bedragen. Als voorbeeld neemt de rechtbank het gebruik van de creditcard van [slachtoffer] omdat verdachte in zijn pauze mooie kleding zag hangen in de uitverkoop. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dit dan achteraf te verrekenen. De rechtbank stelt vast dat een alternatief, zoals kleding apart laten hangen en op een later moment terugkomen, kennelijk niet aan de orde was. Verdachte heeft ook verklaard soms achteraf te bepalen of het privé of zakelijk was, zonder dat destijds nader te onderbouwen.

In de bewezenverklaarde betalingen/opnamen voor privédoeleinden is verdachte naar het oordeel van de rechtbank als heer en meester gaan beschikken over de geldbedragen van [slachtoffer] .

- Geen opzet op wederrechtelijke toe-eigening vanwege terugbetalingen?

Verdachte heeft verklaard dat hij geen opzet heeft gehad op wederrechtelijke toe-eigening, omdat hij geen enkele benadeling van [slachtoffer] op het oog had. De geldbedragen die hij voor privédoeleinden had opgenomen of gebruikt, heeft hij in zijn kluis bij hem thuis geretourneerd aan [slachtoffer] . Hij zou in deze kluis een onderverdeling hebben gecreëerd tussen privégelden en [slachtoffer] -gelden; de [slachtoffer] -gelden lagen op een ‘ander plankje’. Iedere keer als hij [slachtoffer] -gelden als privé had aangewend, verplaatste hij het desbetreffende bedrag ‘naar het plankje van [slachtoffer] ’. Op deze wijze zou verdachte de vordering van [slachtoffer] op verdachte hebben terugbetaald, waardoor de hoeveelheid cash van [slachtoffer] toenam. Uit het procesdossier blijkt dat verdachte op verschillende momenten (grote) geldbedragen heeft betaald aan [slachtoffer] . De verdediging heeft geschetst dat hiermee de vorderingen van [slachtoffer] op verdachte werden vereffend.

De rechtbank is van oordeel dat de terugbetalingen door verdachte aan [slachtoffer] de wederrechtelijkheid van de gedraging niet kunnen opheffen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In zijn algemeenheid geldt naar het oordeel van de rechtbank dat – zoals de officier van justitie ook heeft aangegeven – teruggave van een gestolen of verduisterd goed niet betekent dat de verduistering, of diefstal, niet meer bewezen kan worden. Er zijn wel situaties voorstelbaar en terug te vinden in de jurisprudentie, waarin is geoordeeld dat (opzet op) wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt, bijvoorbeeld omdat een verdachte na betaling van een privé-uitgave vanaf de bankrekening van een ander, dat geldbedrag direct overboekt vanaf zijn eigen bankrekening, met in de toelichting een uitleg waar die overboeking betrekking op heeft.

Die situatie doet zich in het onderhavige geval evenwel niet voor.

Verdachte heeft op diverse momenten over verschillende jaren gelden van [slachtoffer] gebruikt voor privédoeleinden. Hij hield een cash-administratie bij met getypte en geschreven maandstaten, waarop hij noteerde als hij privé uitgaven deed. Die privé-uitgaven noteerde hij als contante inkomsten voor de [slachtoffer] .

Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele vermelding op de kasstaten dat er gelden cash aanwezig waren, niet voldoende om deze als terugbetalingen aan te merken. Dat verdachte privé bestede gelden op het plankje van de [slachtoffer] in zijn kluis legde, zoals verdachte heeft aangevoerd, heeft niemand fysiek kunnen controleren. Aan de accountant en [onderzoeksbureau] wilde verdachte geen toegang verschaffen. Dat betekent dat de rechtbank deze noteringen op de kasstaten niet als terugbetalingen aanmerkt.

Het moment waarop de geldbedragen daadwerkelijk weer terug in het zicht of de beschikkingsmacht van [slachtoffer] kwam, betrof het moment waarop hij deze op de bankrekeningen van de [slachtoffer] stortte of overmaakte. De betalingen vonden, op een enkele uitzondering na, plaats in zodanig grote bedragen – tienduizenden euro’s tegelijk – dat in het geheel niet inzichtelijk is waar die bedragen nu precies betrekking op hadden. De gelden van de privébetalingen waren op dat moment derhalve vermengd geraakt met gelden van andere privébetalingen, maar ook van de betalingen van contributie door leden van [slachtoffer] , die volgens verdachte veelal in cash plaatsvonden. Van op enige wijze oormerken van het geld was geen sprake.

Door deze wijze van handelen is in het geheel niet inzichtelijk geworden welke privé-uitgaven op welk moment al dan niet aan [slachtoffer] werden terugbetaald. Dit gebrek aan inzicht is verergerd door het pas achteraf verantwoorden van uitgaven, en door het feit dat verdachte geen collega’s betrok bij de financiële administratie.

Verdachte heeft ook zelf geen volledig inzicht gehad in de hoogte van de verschuldigde bedragen, zo blijkt uit het dossier. Pas na onderzoek door [onderzoeksbureau] werd inzichtelijk dat verdachte in 2016 nog ongeveer 29.000 euro aan [slachtoffer] verschuldigd was.

De rechtbank concludeert dat verdachte wel terugbetalingen heeft verricht, maar vaak pas jaren na dato, in grote bulkbedragen tegelijk, en zodanig geadministreerd dat niemand, ook hijzelf niet, het overzicht heeft gehad óf hij daadwerkelijk alle onttrokken gelden heeft terugbetaald.

In die omstandigheden is naar het oordeel geen sprake van de situatie dat gelden zodanig snel weer werden terugbetaald, dat er geen sprake is geweest van (opzet op) wederrechtelijke toe-eigening.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van de in de bewezenverklaring te noemen geldbedragen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

meermalen, in de periode van 23 december 2011 tot en met 15 juli 2015 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of te Kiev (Oekraïne) en/of te Sofia (Bulgarije) en/of te Kopenhagen (Denemarken) en/of op Mallorca (Spanje) en/of te Genève en/of te Bern (Zwitserland),

telkens opzettelijk geldbedragen, die telkens geheel toebehoorden aan [slachtoffer] , en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als [functie]

gedetacheerd bij de [slachtoffer] , onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

immers heeft hij, verdachte,

met de voor zakelijke doeleinden afgegeven bankpassen ten name van en/of met de creditcards gekoppeld aan bankrekeningen van de [slachtoffer] telkens een of meer privébetalingen en/of privégeldopnames gedaan, met geld van de [slachtoffer] , te weten;

- op 23 december 2011 te Genève (Zwitserland) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 1.276,35 euro; en/of

- op 11 december 2012 te Amsterdam een geldbedrag van in totaal 800 euro; en/of

- op 19 augustus 2013 en/of 21 augustus 2013 te Den Haag een geldbedrag van 1.214,50 euro; en/of

- op 13 maart 2015 en/of 14 maart 2015 en/of 15 maart 2015 te Kiev (Oekraïne) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 1.858,25 euro; en/of

- op 1 mei 2015 en/of 24 mei 2015 te Amsterdam en/of te Den Haag, en/of op Mallorca (Spanje) een geldbedrag van in totaal 717,21 euro; en/of

- op 24 juni 2015 en/of 25 juni 2015 te Sofia (Bulgarije) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 4.376,59 euro; en/of

- op 15 juli 2015 te Kopenhagen (Denemarken) (de tegenwaarde van) een geldbedrag van in totaal 1.704,29 euro;

terwijl deze/die privébetalingen en/of privégeldopnames, telkens niet waren gerelateerd aan de doeleinden van de [slachtoffer] maar telkens ten gunste van verdachte kwamen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte strafbaar is en dat hem een straf moet worden opgelegd, bepleit de raadsvrouw rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is niet of nauwelijks ingewerkt en zijn talenten lagen niet op financieel vlak. Verder heeft hij zich juist enorm ingezet voor de [slachtoffer] en heeft hij altijd bereidheid getoond alles terug te betalen. Voor verdachte is het onverdraaglijk dat hij als verdachte is aangemerkt en de persberichten hebben veel schade veroorzaakt. Zijn functie bij de [slachtoffer] , zijn rechter-plaatsvervanger-schap en zijn functie binnen de KNVB heeft hij moeten neerleggen. Tot slot vraagt de verdediging er rekening mee te houden dat het oude feiten zijn en dat de zaak al een lang tijdsverloop kent.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking in zijn hoedanigheid als [functie] van de [slachtoffer] , gedetacheerd vanuit het Openbaar Ministerie. In die hoedanigheid heeft verdachte op verschillende momenten de betaalpassen van de [slachtoffer] gebruikt voor privédoeleinden. Het lijkt erop dat verdachte over deze passen is gaan beschikken, als ware het zijn eigen betaalmiddelen. De privédoeleinden varieerden van de huur van een auto tijdens zijn vakantie en betaling voor de huwelijkslunch van zijn dochter tot betalingen in een seksclub en een fetishbar. De rechtbank vindt het zeer kwalijk dat verdachte, in zijn hoedanigheid als ex-officier van justitie, ex-advocaat-generaal en [functie] voor een internationale organisatie van officieren van justitie, deze feiten heeft gepleegd. Dit betreffen functies die een hoge mate van integriteit vragen. Die integriteit heeft verdachte niet tentoongespreid met zijn gedrag. Zoals juist verdachte zou moeten weten, kunnen deze gedragingen zeer schadelijk zijn voor het Openbaar Ministerie en de [slachtoffer] . Door niets te melden bij zijn werkgever over de dubieuze betalingen die hij met de bankpassen van de [slachtoffer] verrichtte, heeft verdachte er bovendien voor gezorgd dat hij chantabel was.

Het handelen van verdachte getuigt van een lichtzinnige houding ten opzichte van de financiële verantwoording en het toe-eigenen van gelden van de werkgever. Het naar eigen zeggen van verdachte ‘te makkelijk handelen’ rekent de rechtbank hem, zeker gelet op zijn ervaring en achtergrond, aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat het hier oude feiten betreffen. De bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden in de periode december 2011 tot en met juli 2015. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte inmiddels met pensioen is en is getroffen door de gevolgen van zijn handelen. Hij heeft diverse functies moeten opgeven en is door de media-aandacht beperkt in zijn sociale contacten. Daarnaast weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat het benadelingsbedrag voor de [slachtoffer] beperkt is.

Het recht van verdachte op een behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de redelijke termijn is aangevangen op 9 oktober 2018, de dag dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten als verdachte is gehoord. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop niet geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de officier van justitie of dat dient te worden afgeweken van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van deze uitspraak door de rechtbank op 25 oktober 2021 de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte compenseren in de duur van de op te leggen taakstraf, die zij daardoor met 20 uur vermindert.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder bewezen verklaard acht dan ten laste gelegd en de omstandigheid dat verdachte niet meer werkzaam is, in zwaardere mate meeweegt. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

ten aanzien van feit 1:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf

ten aanzien van feit 1:

een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. A.C. Palmboom en mr. G.M. Blanken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.H.C. Merkx, griffier,

en is uitgesproken op 25 oktober 2021.