Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:5517

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
01/880088-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achterdeurproblematiek.

Bewezenverklaring van:

Feit 1: medeplegen van: in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 3: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Feit 4: het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd (artikel 9a Sr).

Verbeurdverklaring van twee telefoontoestellen.

Onttrekking aan het verkeer van een bestelauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880088-17

Datum uitspraak: 20 oktober 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2021, 29 september 2021 en 6 oktober 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 te 's-Hertogenbosch en/of Sprang Capelle en/of Zaltbommel en/of Waalwijk en/of Oss en/of Eindhoven en/of Liempke en/of Wijk en Aalburg, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens)

opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,

een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (telkens) meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari 2018 te 's-Hertogenbosch, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland

een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock 17) en/of daarbij horende munitie van categorie III, te weten meerdere, in elk geval een patro(o)nen (in de patroonhouder) (kaliber 6.35 mm) voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 te 's-Hertogenbosch en/of Zaltbommel en/of Waalwijk en/of Sprang Capelle en/of Eindhoven en/of Oss en/of Loon op Zand en/of Liempde en/of Wijk en Aalburg, althans in de provincie Noord-Brabant, in elk geval in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe behoorden:

- [verdachte] en/of

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

een of meer andere(n) perso(o)n(en)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep, althans (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

4.

hij op of omstreeks 13 juni 2018 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk een radiozendapparaat, te weten een jammer (bestemd voor het uitzenden van radiocommunicatiesignalen met grote bandbreedte) aanwezig heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben gebruikt terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari 2018 een Glock 17 en daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad. Het openbaar ministerie heeft deze verdenking gebaseerd op enkele gesprekken, waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] in een Volkswagen Transporter, over wapens praten. In deze Volkswagen werd door de politie vertrouwelijke communicatie opgenomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat - ondanks dat er geen wapen of munitie is aangetroffen - de informatie over het wapen en de munitie uit de OVC-gesprekken dusdanig specifiek en concreet te achten is dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat verdachte gedurende de onderzoeksperiode een Glock 17 met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

De raadsman heeft namens verdachte vrijspraak bepleit, omdat steunbewijs in het procesdossier ontbreekt en terughoudend omgegaan moet worden met de interpretatie van OVC-gesprekken. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte daadwerkelijk de beschikkingsmacht over een wapen of munitie heeft gehad, nu de voornoemde goederen niet onder verdachte zijn aangetroffen.

Algemene overweging gebruik OVC-gesprekken.

Uit de jurisprudentie volgt dat wanneer de verdachte ontkent, dan wel de gesprekken niet voor één uitleg vatbaar zijn, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan. Om de betekenis en strekking van die gesprekken niettemin te duiden als - kort gezegd - betrekking hebbend op wapens en munitie, is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. Immers, wanneer het ten aanzien van de betekenis van deze gesprekken in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig.

Deze behoedzaamheid brengt mee dat aan afgeluisterde en opgenomen gesprekken de door het openbaar ministerie voorgestelde betekenis slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud, het onderling verband daarvan en het verband met eventuele andere bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Meer in het bijzonder zal moeten worden nagegaan of de voor het bewijs te gebruiken verslagen van die gesprekken, gelet op hun inhoud, de chronologie en de deelnemers van die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid bij wapens. Voorts kunnen onder omstandigheden en in het licht van overig bewijs ten nadele van de verdachte conclusies worden getrokken uit het zwijgen of niet-verifieerbaar verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde gesprekken.

Toepassing OVC-jurisprudentie.

In het dossier bevinden zich meerdere OVC-gesprekken waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] over wapens praten. Zo zegt verdachte tegen [medeverdachte 3] dat hij een Glock 17 heeft, waar hij weer patronen in heeft moeten doen (pagina 1698 van het procesdossier). Ook zegt verdachte tegen [medeverdachte 3] dat er 9x19 op staat en dat hij daarom twijfelt of het een Glock 19 is. Verdachte zegt dat er namelijk 9x19 en Glock 17 op staat (pagina 1700 van het procesdossier). Ook concludeert verbalisant [verbalisant] in het proces-verbaal onderzoek wapen dat op basis van de details die in de gesprekken te horen zijn geconcludeerd kan worden dat het om in de Wet Wapens en munitie strafbaar gestelde wapens gaat. Verdachte heeft ter terechtzitting van 22 september 2021 een ontkennende verklaring afgelegd en stelt nooit een wapen in zijn bezit te hebben gehad. De gesprekken zouden grootspraak zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat er sterke aanwijzingen zijn dat verdachte de beschikking heeft gehad over een vuurwapen en/of munitie, nu verdachte in de opgenomen gesprekken meerdere malen zeer concreet over vuurwapens en munitie spreekt. Verdachte noemt het vuurwapen zelfs bij naam en type. De gesprekken in het dossier gaan dan ook naar het oordeel van de rechtbank evident over wapens en zijn in die zin belastend voor verdachte. Daartegenover stelt de rechtbank vast dat er geen wapens bij verdachte zijn aangetroffen en dat het procesdossier, naast de OVC-gesprekken, geen (steun)bewijs bevat waaruit afgeleid kan worden dat verdachte ook daadwerkelijk een vuurwapen en/of munitie in zijn bezit heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat de OVC-gesprekken het enige bewijsmiddel betreffen, waardoor niet aan het bewijsminimum is voldaan. De omstandigheid dat de gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 3] reden tot zorgen bieden over waar verdachte zich mee bezighoudt, maakt niet dat de rechtbank kan vaststellen dat en op welk moment in de ten laste gelegde periode het vuurwapen en/of de munitie in de beschikkingsmacht van verdachte is/zijn geweest. De rechtbank zal verdachte vanwege een gebrek aan voldoende wettig bewijs vrijspreken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich inzake feit 1 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een mogelijke bewezenverklaring. Voor wat betreft feit 3 heeft de raadsman namens verdachte vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht, op basis van de bewijsmiddelen, het onder feit 1, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder in de bewezenverklaring is weergegeven.

Nadere bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van feit 1

Hoewel de verdediging zich ten aanzien van de handel in hennep heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de rechtbank gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen zonder meer tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde kan komen, is tussen de officier van justitie en de verdediging ten aanzien van dit feit in geschil of er náást de handel ten behoeve van [coffeeshop] , waartoe verdachte in een dienstverband staat, een separate handel voor eigen gewin bestond. De rechtbank zal hierover in deze nadere bewijsoverweging een oordeel vellen, om zo de reikwijdte van de bewezenverklaring te verduidelijken. Daarnaast en vooral is dit oordeel van belang voor de strafmotivering, waarover later meer.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk hennep heeft bereid en/of bewerkt, verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (kort gezegd: professionele hennephandel). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de OVC-gesprekken volgt dat verdachte zich naast de bevoorrading van de [coffeeshop] ook bezighield met een separate handel in hennep. Deze nevenhandel zou aldus niet in het kader van de achterdeur van de coffeeshop plaats hebben gevonden. De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft namens verdachte echter wel bepleit dat verdachte zich niet bezighield met een separate handel in hennep. De verdediging stelt dat terughoudend omgegaan moet worden met het gebruik en de interpretatie van OVC-gesprekken, nu verdachte zich op het standpunt stelt dat hij zich enkel ten behoeve van de [coffeeshop] bezighoudt met hennephandel en er geen ander (steun)bewijs is voor een separate hennephandel naast de handel ten behoeve van de coffeeshop.

De door de officier van justitie bepleitte bewezenverklaring van nevenhandel stoelt vrijwel uitsluitend op de inhoud van vertrouwelijk opgenomen communicatie in een Volkswagen Transporter die werd gebruikt om hennep te vervoeren. Verdachte en een aantal van zijn medeverdachten zijn als deelnemers aan die gesprekken door de politie herkend.

Vrijspraak nevenhandel.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 22 september 2021 verklaard dat hij zich in de ten laste gelegde periode fulltime bezig heeft gehouden met de inkoop van hennep ten behoeve van de zogenaamde achterdeur van [coffeeshop] . Verdachte ontkent dat hij naast zijn werkzaamheden voor de coffeeshop een nevenhandel in hennep heeft gehad. Het dossier bevat daarentegen aanwijzingen dat er naast de gedoogde hennephandel ten behoeve van de coffeeshop tevens sprake was van nevenhandel door verdachte en medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Zo zou deze nevenhandel afgeleid kunnen worden uit enkele OVC-gesprekken tussen verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] die zijn opgenomen in de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Transporter), de bus waarin de hennep door verdachte werd vervoerd. De rechtbank wijst onder meer op de volgende OVC-gesprekken:

“ [persoon 1] : Veur oe eigen is t goed. [persoon 2] : Ja veur mijn eigen is t goed mar voor uuhh. [persoon 1] : Voor de handel is t niks. (…) [persoon 1] : (…) Veur oe eigen maakt t geen kut uit voor in de winkel. Maar dan kunde er veur de handel kunde er niks op verdienen. Ge moet gewoon 2 puntjes hebben minimaal.” (pagina 1633 van het procesdossier).

“Daarna begint [persoon 2] weer over [persoon 3] . [persoon 1] zegt dat hij salaris krijgt uit de shop en dat [persoon 2] hem nog extra geeft en hij ook niet weet waar [persoon 3] met zijn hoofd zit.” (pagina 1732 van het procesdossier).

“ [persoon 2] zegt tegen [persoon 3] : "we houden gewoon wat we verkopen he maat. Das gewoon onze

winst.” (pagina 1873 van het procesdossier).

“ [persoon 2] : Ja weet je wat t is [persoon 3] . Ik denk dat er wel 5 rooie de man winst aan zit.” (pagina 1875 van het procesdossier).

“ [persoon 1] : weet je wat het is, druk ben ik ook. Wat ik voor de shop doe, maar wat ik extra doe

hé. Ik rij ook zat PP of stekken dit dat. Hij zal ook niet vrijdags zeggen enne keer hier hedde

een keer een meier snapte.” (pagina 1801 van het procesdossier).

“ [persoon 4] : Alleen houd je meer winst over, dan heb je met die Turk helemaal niks te maken. Helemaal niks. Dat is ook elke keer een poppenkast verhaal. Dan weer gruis, dan weer niet goed. Dan heb je het zelf in handen. Kun je zien wat je koopt, je droogt 'm. Vatte voor oe eigen voor de shop af en de rest verkoopte. [persoon 2] : Ja het is alleen kut dat Ken niet meer zoveel kwijt kan maat, ja [persoon 5] , [persoon 5] blijft ook nog gewoon bij ons kopen.” (pagina 3 van het proces-verbaal uitwerken OVC 15 januari 2018, LAAGE-220).

Weliswaar kan volgens de rechtbank op basis van onder andere de bovenstaande OVC-gesprekken worden geconcludeerd dat er inderdaad aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van een separate hennephandel, maar de rechtbank overweegt dat deze aanwijzingen niet nader geconcretiseerd of verankerd worden. De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat uit de jurisprudentie volgt dat terughoudend omgegaan moet worden met de interpretatie van OVC-gesprekken als die gesprekken niet op één manier te interpreteren zijn of als de verdachte ontkent. Naast de OVC-verslagen, waaruit afgeleid kan worden dat er sprake is van separate handelslijnen, bevat het procesdossier geen (steun)bewijs op basis waarvan de inhoud van deze gesprekken bevestigd wordt. Zo zijn er bijvoorbeeld geen overdrachten geobserveerd en is de Volkswagen Transporter niet afgevangen. De rechtbank stelt aldus vast dat de OVC-gesprekken het enige bewijsmiddel betreffen, waardoor niet aan het bewijsminimum is voldaan.

De rechtbank is hierom, anders dan de officier van justitie en met de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is geweest van een nevenhandel in hennep door verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naast de handel ten behoeve van de coffeeshop.

Hennephandel.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 22 september 2021 volgt naar het oordeel van de rechtbank dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte in de ten laste gelegde periode zorgde voor de bevoorrading van de zogenaamde achterdeur van [coffeeshop] , oftewel zorgdroeg voor de levering van hennep aan de coffeeshop. Verdachte heeft bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 22 september 2021 dienovereenkomstig verklaard. Daarmee heeft verdachte erkend dat hij hennep verstrekte. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij soms hennep naar de verpakkers toebracht. Daarmee heeft hij erkend dat hij hennep vervoerde en afleverde. Uit de verklaring van verdachte blijkt eveneens dat - in ieder geval - bij medeverdachte [medeverdachte 4] hennep (ten behoeve van de coffeeshop) werd ingepakt en tot zakjes met jointjes werd gemaakt. Verdachte leverde (of verstrekte) de hennep aan [medeverdachte 4] .

Medeplegen.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte vrijwel dagelijks intensief samenwerkte met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] om hennep te kopen, te (laten) verpakken en op te slaan om deze uiteindelijk naar de coffeeshop te brengen. Verdachten hebben een dagtaak aan de bevoorrading van de coffeeshop. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door deze gedragingen te verrichten bewust en nauw samengewerkt met de medeverdachten aan het verstrekken, vervoeren en afleveren, bewerken en verwerken van hennep. De rechtbank acht zijn bijdrage aan het delict van meer dan voldoende gewicht en kwalificeert het handelen van verdachte dan ook als medeplegen.

Beroep of bedrijf.

De rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 22 september 2021 volgt dat de hennepgerelateerde gedragingen kunnen worden aangemerkt als te zijn begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op de dagelijkse handelingen ten behoeve van de bevoorrading van een professionele coffeeshop met hennep, de vaste manier van werken en de mate waarin de verdachten op elkaar zijn ingespeeld en hebben samengewerkt. Een en ander is duidelijk niet het werk geweest van personen die ‘het erbij deden’, maar van professionals. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat in ieder geval verdachte en [medeverdachte 1] de werkzaamheden in het kader van hun beroep verrichtten.

Ten aanzien van feit 3

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het plegen van Opiumwetfeiten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich in een tijdspanne van meer dan een jaar nagenoeg dagelijks bezighielden met onder meer de verwerking, het vervoer en de verkoop van grote hoeveelheden hennep. Aan alle criteria van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is voldaan. Verdachte vormde samen met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] een organisatie waarbinnen een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestond. Alle verdachten hebben een eigen (significante) rol binnen dit samenwerkingsverband gehad. Er was een duidelijke structuur, waarbinnen afstemming over werkzaamheden bestond. De raadsman heeft namens verdachte vrijspraak bepleit, omdat er niet gesproken kan worden van een crimineel oogmerk bij hennephandel binnen het kader van het gedoogbeleid van een coffeeshop.

Juridisch kader.

Deelname aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Een organisatie in de zin van voormeld artikel is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Dat betekent dat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Om van deelneming in de zin van artikel 140 Sr te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in - of ondersteuning geeft aan - gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogt (zie onder meer Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378).

Beoordeling.

Organisatie

Aan de hand van het procesdossier stelt de rechtbank vast dat in de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 tussen verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] veelvuldig contact is geweest in de Volkswagen Transporter, alwaar de OVC-gesprekken uit het procesdossier zijn opgenomen.

Uit de inhoud van die gesprekken - in combinatie met de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring [medeverdachte 1] en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte - blijkt dat verdachte vrijwel dagelijks bezig was met - kort gezegd - de handel in hennep en dat verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] elkaar zeer geregeld spraken over deze handel in hennep. Ook blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dagelijkse routine (LAAGE-222) van 24 april 2020, dat verbalisanten op basis de OVC-gesprekken en peilbakengegevens van de Volkswagen Transporter beschrijven dat verdachte zijn dag begon om 08:00 uur, om 08:10 uur langs de coffeeshop [coffeeshop] reed en om ongeveer 09:00 uur naar Sportschool [medeverdachte 3] reed. Na een kort bezoek aan de sportschool vertrok verdachte veelvuldig in het bijzijn van [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] en bezocht hij met de Volkswagen Transporter herhaaldelijk locaties die aan de handel in hennep gerelateerd zijn. Verdachte bezocht onder meer de garageboxen aan de [adres 2] en [adres 3] . In deze boxen zijn later grote hoeveelheden hennep aangetroffen, te weten respectievelijk 17,5 kilogram verpakte gedroogde henneptoppen en 3,4 kilogram gedroogde henneptoppen. Ter terechtzitting van 22 september 2021 heeft verdachte verklaard dat de hennep in [adres 3] stash voor de coffeeshop betrof. De rechtbank leidt uit de OVC-gesprekken in combinatie met de verklaringen die verdachte en [medeverdachte 1] ter terechtzitting, respectievelijk bij de rechter-commissaris hebben afgelegd af dat verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] dagelijks bezig waren met het ophalen, vervoeren, afleveren en (doen) verwerken van hennep. Ook maakten zij afspraken met hennepkwekers en - in het geval van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] - verwerkten zij de hennep zelf. Verdachte verklaarde ter terechtzitting van 22 september 2021 eveneens dat hij dagelijks bezig was met de handel in hennep, dit alles ten behoeve van de coffeeshop [coffeeshop] waarvoor hij de “achterdeur” verzorgde. Daarnaast leidt de rechtbank uit de OVC-gesprekken af dat verdachte een coördinerende rol binnen de werkwijze had. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] hebben hun woningen ter beschikking gesteld voor de verwerking van hennep. Op 13 juni 2018 wordt op de zolder van [medeverdachte 2] dan ook een volledig ingerichte verpakkingsruimte voor verdovende middelen aangetroffen.

Naast voornoemde taakverdeling blijkt uit de OVC-gesprekken - die ondersteund worden door de verklaring van verdachte - dat verdachten een gezamenlijk belang hadden, want op het moment dat er tussen verdachte en [medeverdachte 4] een conflict ontstaat en de woning van [medeverdachte 4] niet meer als verwerkingslocatie gebruikt kan worden, gaan verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op zoek naar een andere verpakkingsruimte. Deze ruimte vinden ze uiteindelijk in de zolder van [medeverdachte 2] . Dat de verdachten gezamenlijk tot een oplossing komen zodra er een probleem ontstaat, is voor de rechtbank nog een aanwijzing dat sprake is van een samenwerkingsverband.

De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat tussen de verdachten sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband waarbij de verdachten ieder een eigen rol binnen het samenwerkingsverband vervulden.

Dat het samenwerkingsverband niet alleen een zekere structuur kende, maar ook duurzaam was, volgt onder meer uit de periode waarin het verband actief was. De rechtbank is van oordeel dat een periode van een jaar en drie maanden dusdanig lang is dat van een duurzaam verband kan worden gesproken. Daarnaast blijkt dat verdachten in de duurzaamheid van het verband hebben geïnvesteerd door de hennepvoorraden - ter risicospreiding - op verschillende plekken onder te brengen; bij een inbeslagname van één voorraad kon nog hennep geleverd worden uit een andere voorraad. Zodoende bleef de continuïteit van de hennephandel door het verband gewaarborgd.

Gelet op voorgaande handelingen en contacten, bezien in samenhang met de onder feit 1 bewezenverklaarde hennephandel, is de rechtbank van oordeel dat tussen de verdachten sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband en dat zij een criminele organisatie vormden.

Het oogmerk van de organisatie

Uit de hiervoor opgenomen contacten tussen de verdachten, blijkt dat het oogmerk van de organisatie is gericht op het plegen van beroeps- of bedrijfsmatige hennephandel. Daarnaast blijkt ook uit de onder feit 1 bewezenverklaarde bedrijfs- of beroepsmatige hennephandel dat er niet alleen sprake was van het oogmerk, maar dat dit oogmerk ook daadwerkelijk is verwezenlijkt.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat - het feit dat de handelingen van verdachte ten behoeve van de coffeeshop zijn verricht - de handel in hennep niet legaliseert. Het gedoogbeleid houdt in dat, indien aan de AHOJGI-criteria wordt voldaan, in beginsel op overtredingen van de Opiumwet die in dat kader zijn gepleegd niet wordt gehandhaafd. Een gedoogsituatie betekent echter niet dat de handel in hennep geen overtreding van de Opiumwet inhoudt en dat de organisatie daarmee een legaal oogmerk heeft.

Deelname aan de organisatie

Uit het voorgaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verdachte samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] deelnam aan de organisatie, nu zij allen (ondersteunende) gedragingen hebben verricht die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Dat verdachte - meer dan in algemene zin - wist van het oogmerk van de organisatie volgt uit voorgaande overwegingen, zijn bekentenis dat hij dagelijks bezig was met de handel in hennep ten behoeve van coffeeshop [coffeeshop] en uit de gesprekken die hij met de medeverdachten heeft gevoerd.

Ten aanzien van feit 4

Tijdens de doorzoeking op 13 juni 2018 wordt in de (toenmalige) woning van verdachte aan de [adres 4] in de lade van het kastje in de hal een groene jammer aangetroffen.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet weet wat het voor apparaat is en dat hij het apparaat nooit gebruikt heeft. Ook verklaart verdachte bij de rechter-commissaris dat het apparaat in zijn woning lag, dus sowieso van hem moest zijn. Ter terechtzitting van 22 september 2021 heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat het apparaat in zijn huis lag en dat het apparaat van een vriend moest zijn. De rechtbank acht deze verklaringen van verdachte ongeloofwaardig, mede bezien in het licht van de werkzaamheden van verdachte voor de coffeeshop, de bus met verborgen ruimte waarin verdachte reed en de andere bij verdachte aangetroffen voorwerpen, zoals de BQ-telefoons, de henneptoppen en hennepgerelateerde goederen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wel degelijk de wetenschap gehad van de aanwezigheid van de jammer en heeft hij de beschikkingsmacht over de jammer gehad, nu het apparaat in zijn huis is aangetroffen op een betrekkelijk eenvoudig bereikbare plek, te weten in het halkastje.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

in de periode van 14 maart 2017 tot en met 13 juni 2018 in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waartoe behoorden:

- [verdachte] en

- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 2] en

- [medeverdachte 3] en

- [medeverdachte 4]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

op 13 juni 2018 te ’s-Hertogenbosch,

opzettelijk een radiozendapparaat, te weten een jammer (bestemd voor het uitzenden van radiocommunicatiesignalen met grote bandbreedte) aanwezig heeft gehad terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een geldboete van € 20.000,- gevorderd, te vervangen door 135 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft namens verdachte bepleit dat de toepassing van het rechterlijk pardon ex artikel 9a Sr een passende afdoening betreft, nu de ten laste gelegde feiten verband houden met de problematiek van de zogenaamde achterdeur. Verdachte voldoet volgens de verdediging aan de in de jurisprudentie gehanteerde criteria voor een rechterlijk pardon in het kader van deze achterdeurproblematiek. Ook is de redelijke termijn met ruim een jaar en vier maanden overschreden en heeft verdachte geen relevante justitiële documentatie.

Het oordeel van de rechtbank.

Juridisch kader artikel 9a Sr.

De rechtbank stelt voorop dat de rechter op grond van de wettelijke regeling bevoegd is tot toepassing van artikel 9a Sr op grond van drie onderscheiden criteria: de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden van het geval. Aldus is het aan de strafrechter overgelaten om in het voorkomende geval van strafoplegging af te zien. Dit betreft een brede discretionaire bevoegdheid die, zolang de rechter komt tot een geïndividualiseerd oordeel over de noodzaak van oplegging van enige sanctie in een concreet geval, bij uitstek strookt met het strafrechtelijk stelsel en de daarin aan de strafrechter toegekende bevoegdheden.

Achterdeurproblematiek.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - de handel in hennep, de deelneming aan een criminele (hennep)organisatie en het aanwezig hebben van een jammer. Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat op grond van de bewijsmiddelen het bestaan van een nevenhandel in hennep naast de handel ten behoeve van de coffeeshop niet bewezen kan worden verklaard, is de rechtbank van oordeel dat de twee hennepgerelateerde feiten een rechtstreeks uitvloeisel en tevens onlosmakelijk gevolg zijn van de exploitatie van de coffeeshop [coffeeshop] . De rechtbank zal hierom aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria1 beoordelen in hoeverre in deze zaak waarin de zogeheten achterdeurproblematiek van coffeeshops een rol speelt, de bestraffing van het bewezenverklaarde nog een toegevoegde waarde heeft.

Allereerst is volgens de rechtbank van belang dat de coffeeshop [coffeeshop] door de overheid wordt gedoogd en dat het er, bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, voor moet worden gehouden dat zij zich heeft gehouden aan de in het kader van het AHOJGI-beleid ontwikkelde gedoogvoorwaarden (kort gezegd inhoudende dat het (exploitanten van) coffeeshops verboden is te Afficheren, Harddrugs te verhandelen, Overlast te veroorzaken, Jeugdigen toe te laten, Grote hoeveelheden te verhandelen of op voorraad te hebben en toegang te verlenen aan en te verkopen aan anderen dan Ingezetenen van Nederland). De rechtbank leidt uit de door de verdediging overgelegde gedoogverklaring en het ontbreken van een andersluidend standpunt van de officier van justitie af dat de, tot op heden geëxploiteerde, coffeeshop gedoogd wordt en er geen aanwijzingen zijn dat de AHOJGI-voorwaarden - anders dan voorwaarde inzake de toegestane voorraad - overtreden worden. De rechtbank merkt wel op dat het meerdere boven de 500 gram buiten de coffeeshop ‘gestasht’ werd. Er zijn geen aanwijzingen dat de voorraad in de shop de 500 gram te boven is gegaan. De rechtbank verwijst voor wat betreft deze ‘500 gram-voorwaarde’ naar het hieronder behandelde derde aspect.

Een tweede aspect dat dient te worden meegenomen is de vraag of de bedrijfsvoering van de coffeeshop op orde is. Verdachte heeft ter zitting (relatieve) openheid betracht omtrent de administratieve organisatie van de coffeeshop. Ook blijkt uit het overgelegde arbeidscontract en de gegevens van de inkomstenbelasting dat er een formele (werk)relatie tussen verdachte en de coffeeshop bestaat. De rechtbank constateert dat in de boekhouding van de coffeeshop een voorraadverschil blijkt, maar dit betreft geen verschil van dergelijke omvang dat een rechterlijk pardon geen passende afdoening zou zijn, mede gelet op het feit dat de eigenaresse van de coffeeshop daarvoor niet vervolgd is door het openbaar ministerie. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere situatie dan door de verdachte zelf is geschetst.

Het derde aspect betreft de omvang en noodzaak van de voorraad. Gelet op de dagelijkse omzet (zoals die blijkt uit de zich in het dossier bevindende administratie) is het voorstelbaar dat de voorraad in de coffeeshop van maximaal 500 gram niet toereikend is voor de dagelijkse exploitatie van de coffeeshop. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de in de externe opslagplaatsen aangetroffen voorraad in ieder geval bestond uit 20,9 kilogram hennep, te weten de twee stashes van 3,4 kilogram en 17,5 kilogram. Gelet op de omzet van de coffeeshop, de verklaring van verdachte dat hij fulltime bezig is met het bevoorraden van de coffeeshop in combinatie met de vele, te weten 22 tot 27, verschillende soorten hennep die de coffeeshop verkoopt en dus op voorraad dient te hebben, is het voorstelbaar dat er externe opslaglocaties met een grotere hoeveelheid worden gebruikt voor de bevoorrading van de coffeeshop. De aangetroffen hoeveelheid softdrugs komt de rechtbank in dat licht niet als onredelijk of extreem voor.

Het vierde aspect houdt in dat de voorraad uitsluitend werd aangehouden ten behoeve van de gedoogde coffeeshop. Niet aannemelijk is geworden dat de aangetroffen voorraden en de handelingen van verdachte mede bestemd waren voor andere (illegale of niet-gedoogde) doeleinden of dat er sprake was van straat- of groothandel, nu de rechtbank verdachte hiervan heeft vrijgesproken.

De rechtbank komt aan de hand van deze vier aspecten tot de slotsom dat er in het geval van verdachte sprake is van strafbare feiten die direct voortkomen uit de gedoogde bedrijfsvoering van de coffeeshop [coffeeshop] . Hier doet zich de schijnbaar onverenigbare situatie voor waarin enerzijds de exploitatie van een coffeeshop die zich aan de gedoogvoorwaarden houdt, gedoogd wordt waar het de zogenoemde ‘voordeur’ (verkoop) betreft, maar dat anderzijds de bevoorrading, het aanhouden van een voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke voorraad en de aankoop van verdovende middelen (‘de achterdeur’) onverminderd verboden zijn en strafbare feiten opleveren.

Verdachte heeft de openheid van zaken betracht omtrent de wijze waarop hij zijn werkzaamheden in het kader van ‘de achterdeur’ uitvoerde die van hem in deze situatie verwacht kan worden. Dat verdachte in een vroeg stadium van het vervolgingsonderzoek nog geen volstrekte openheid heeft betracht, kan aan hem niet worden tegengeworpen. De omstandigheid dat zijn functie als leidinggevende van de coffeeshop ‘noodzakelijkerwijs’ betekende dat verdachte strafbare feiten pleegde, disculpeert hem niet, maar kleurt de feiten en de door verdachte aanvankelijk gekozen procespositie wel in hoge mate.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank tot slot rekening met de omstandigheid dat verdachte geen relevante veroordelingen op zijn justitiële documentatie heeft staan.

Conclusie.

Voornoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien maken dat de rechtbank van oordeel is dat met het oog op normhandhaving door berechting kan worden volstaan met de constatering dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd en daarvoor strafbaar is. De rechtbank is van oordeel dat met strafoplegging ter zake van de door verdachte begane strafbare feiten - waarvan de feiten 1 en 3 in de praktijk aan de exploitatie van een coffeeshop zijn verbonden - geen redelijk doel is gediend. Ook voor feit 4 is, ondanks dat de rechtbank het bezit van een jammer sterk afkeurt, mede gelet op het flinke tijdsverloop tussen het aantreffen van de jammer en de berechting, bij strafoplegging niet langer een redelijk doel gediend. Aldus gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen in het kader van straftoemeting door de officier van justitie naar voren is gebracht en zal de rechtbank, toepassing gevend aan artikel 9a Sr, aan verdachte geen straf of maatregel opleggen, anders dan de maatregelen die samenhangen met het beslag, zoals hierna overwogen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden. Verdachte heeft namelijk verklaard de inbeslaggenomen telefoons te hebben gebruikt voor het contact met anderen ter zake van de hennephandel.

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 140 Wetboek van Strafrecht

3, 11 Opiumwet

10.15

Telecommunicatiewet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van: in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Ten aanzien van feit 4:

het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4:

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verbeurdverklaring inbeslaggenomen goederen

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK telefoontoestel zwart, BQ G1364475 en

  • -

    1 STK telefoontoestel zwart, BQ G1364476;

Onttrekking aan het verkeer inbeslaggenomen goederen

beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK bestelauto G953181, merk: Volkswagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. L.P. Bosma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. te Bogt, griffier,

en is uitgesproken op 20 oktober 2021.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4514.