Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4899

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
21/1432
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gecombineerde behandeling

In een aantal uitspraken behandelt de rechtbank beroepen tegen handhavingsbesluiten en vergunningen in verband met werkzaamheden en bouwwerken op percelen met een natuurbestemming vlakbij een Natura 2000 gebied.

In de zaak 20/1621 laat de rechtbank een tussentijds verleende omgevingsvergunning voor de inrit in stand.

In de zaak 20/1857 verklaart de rechtbank het beroep van eiser tegen een aantal opgelegde lasten onder dwangsom ongegrond

In de zaak 19/3035 laat de rechtbank de intrekking van een omgevingsvergunning voor hekwerken in stand.

In de zaak 19/3457 vernietigt de rechtbank een deel van de opgelegde last aan eiser om een bestaande (maar verwijderde) inrit te handhaven en draagt de rechtbank verweerder op om nieuwe besluiten te nemen over de handhavingsverzoeken van de Werkgroep

In de zaak 21/1432 vernietigt de rechtbank de omgevingsvergunning voor de renovatie van een schuurtje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/1432

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2021 in de zaak tussen

de werkgroep Natuur en Landschap Oost-, West-, en Middelbeers e.o., eiseres, verder te noemen: de Werkgroep (gemachtigde mr. R. Hörchner),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, verweerder,

(gemachtigden: mr. L. Gerritsen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. T.F.M. Wijgergans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan derde-partij een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een bijgebouw op zijn percelen.

Hiertegen heeft derde-partij bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard en alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van het dak, een deel van de gevel en de kozijnen van het op het perceel aanwezige bijgebouw.

De Werkgroep heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar dient als beroep te worden aangemerkt, omdat het besluit van 3 maart 2021 is genomen naar aanleiding van het door derde-partij ingediende bezwaarschrift.

De zaak is, samen met een groot aantal andere zaken, behandeld op de zitting van
23 maart 2021. Namens de Werkgroep zijn [naam] , [naam] en [naam] verschenen en de gemachtigde. Namens verweerder zijn mr. C.W.M. van Alphen en

mr. M. Stoof verschenen. Derde-partij en zijn partner zijn verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M. Toonders.

Deze zaak is aangehouden met het oog op een mediation. Die is niet geslaagd. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De behandeling van de zaak is hervat op de zitting van

31 augustus 2021. Namens de Werkgroep zijn [naam] , [naam] en de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. M. Stoof en de gemachtigde verschenen. Derde-partij en zijn partner zijn verschenen, vergezeld van de gemachtigde.

Overwegingen
Feiten
1. Het bijgebouw waar het in deze zaak om gaat is al jaren aanwezig op het terrein van derde-partij. Op de gronden waarop het bijgebouw is gelegen rust op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied, correctieve herziening” onder meer de bestemming “Natuur”.

2. Vast staat dat derde-partij het bijgebouw in eerste instantie is gaan verbouwen zonder in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning voor die bouwwerkzaamheden. Derde-partij is van mening dat de bouwwerkzaamheden vergunningsvrij zijn. Verweerder heeft de bouwactiviteiten stilgelegd op 12 september 2019. Naar aanleiding hiervan heeft derde-partij op 8 april 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het renoveren van het dak, een deel van de gevel en de kozijnen van het bijgebouw.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het bijgebouw in strijd met de bestemming “Natuur” is, omdat artikel 14.2.1 van de planregels het bouwen van gebouwen niet toelaat. Er geldt wel een uitzondering, maar die doet zich hier volgens verweerder niet voor. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat derde-partij geen geslaagd beroep op het (bouw)overgangsrecht toekomt. Volgens verweerder is niet aangetoond dat het oorspronkelijke bouwwerk is opgericht met een daarvoor benodigde vergunning. Daarnaast is de aanwezigheid van het bijgebouw in strijd met het voorgaande bestemmingsplan “Buitengebied Oirschot 2010”. Het wordt daarom niet beschermd door het overgangsrecht, zoals volgt uit artikel 42.1, onder c, van de planregels.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van het dak, een deel van de gevel en de kozijnen van het bijgebouw. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld toch ervan uit te gaan dat er in het verleden een bouwvergunning is verleend voor het bijgebouw, omdat het bestaande bouwwerk al langer dan 40 jaar aanwezig is en sindsdien zichtbaar is geweest vanaf de openbare weg en op de (openbaar toegankelijke) kadastrale kaarten en luchtfoto’s, terwijl daartegen nooit handhavend is opgetreden. Ook stelt verweerder dat gebleken is dat in eerdere bestemmingsplannen het overgangsrecht anders luidde dan in het huidige bestemmingsplan. In het eerdere overgangsrecht was het niet van belang of het gebouw is opgericht met een bouw- of omgevingsvergunning, maar werd bepaald dat bestaande bouwwerken in stand mochten blijven en in zoverre werden gelegaliseerd. Daarmee is volgens verweerder voldoende gebleken dat het bestaande bouwwerk door toepassing van het bouwovergangsrecht in de oude bestemmingsplannen gelegaliseerd is, zodat het bestaande bouwwerk legaal in stand kan worden gehouden. In zoverre is het volgens verweerder ook niet van belang of in het verleden voor het bijgebouw een bouwvergunning is verleend. Volgens verweerder is sprake van het gedeeltelijk vernieuwen van het bijgebouw als bedoeld in artikel 42.1, onder a en 1, van de planregels. Tot slot vindt verweerder dat het bestaande bijgebouw in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening en de ruimtelijke impact zeer klein is. Het huidige bijgebouw heeft geen schade veroorzaakt aan de aanwezige natuur en het is niet aannemelijk dat het gebouw in gerenoveerde staat wel schade zou veroorzaken aan de aanwezige natuur. Het bijgebouw is inmiddels omringd met inheemse soorten, zodat het aan het zicht wordt onttrokken. Op basis hiervan vindt verweerder dat ook geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden binnen de bestemming “Natuur”.

Beoordeling beroep van de Werkgroep
5.1 De Werkgroep stelt dat derde-partij het oude bijgebouw helemaal heeft afgebroken op vier kale stukjes muur na. Van een gedeeltelijke vernieuwing is volgens haar geen sprake. Derde-partij kan daarom geen geslaagd beroep op het bouwovergangsrecht doen, aldus de Werkgroep. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de Werkgroep foto’s overgelegd. De Werkgroep stelt dat de door derde-partij ingediende aanvraag om omgevingsvergunning dan ook niet overeenkomt met de werkelijk uitgevoerde werkzaamheden. Gelet hierop had verweerder de weigering een omgevingsvergunning te verlenen in stand moeten laten, aldus de Werkgroep. De Werkgroep voert verder aan dat het op de weg van de eigenaar van een bouwwerk ligt om te bewijzen dat daarvoor in het verleden een bouw- of omgevingsvergunning is verleend. Volgens De Werkgroep is derde-partij daarin niet geslaagd. Verweerder evenmin. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat voor het bijgebouw nooit een bouw- of omgevingsvergunning is verleend in het verleden. In dit verband is volgens de Werkgroep verder van belang dat een beroep op het bouwovergangsrecht er niet toe kan leiden dat een illegale situatie wordt gelegaliseerd. Zij verwijst hiertoe naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1823) waarin is geoordeeld dat een succesvol beroep op het overgangsrecht voor bouwwerken geen omgevingsvergunning vervangende titel geeft en dat de bouwwerken daardoor ook niet op een andere manier worden gelegaliseerd. Tot slot stelt de Werkgroep dat juist op gronden met de bestemming “Natuur” iedere vorm van bebouwing moet worden voorkomen in het kader van het behoud en het herstel van natuurwaarden.

5.2

Verweerder laat in het bestreden besluit en ter zitting uitdrukkelijk in het midden of in het verleden voor het bijgebouw een bouwvergunning is verleend, omdat dit volgens verweerder niet van belang is. Verweerder stelt dat sprake is van een gedeeltelijke vernieuwing van het bijgebouw, zodat derde-partij een geslaagd beroep op het bouwovergangsrecht toekomt. Wat betreft het bepaalde in artikel 42.1, onder c, van de planregels, stelt verweerder dat een dergelijke bepaling in oudere bestemmingsplannen niet was opgenomen en het bijgebouw dus door het overgangsrecht in die oudere bestemmingsplannen gelegaliseerd is.
Verder is verweerder van mening dat de natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast door de vergunde renovatiewerkzaamheden, omdat het bijgebouw al jaren aanwezig is en inmiddels omringd wordt door struiken en daarom vanaf de weg niet zichtbaar is. Het bijgebouw heeft maar een geringe ruimtelijke impact, aldus verweerder.

5.3

Derde-partij is allereerst van mening dat de door hem aangevraagde werkzaamheden aan het bijgebouw slechts onderhoud betreffen en daarom omgevingsvergunningsvrij zijn. Verder stelt hij dat de door hem gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend, gelet op het overgangsrecht in het vigerende en de voorgaande bestemmingsplannen en het feit dat sprake is van niet meer dan het gedeeltelijk vervangen en vernieuwen van het bijgebouw. Derde-partij bestrijdt dat het bijgebouw grotendeels is gesloopt. Volgens hem zijn slechts het dak en het raamkozijn verwijderd. Omdat een toegangsdeur ontbreekt, blijven na verwijdering van het raamkozijn en het dak ook niet meer dan de buitenmuren over, zoals de Werkgroep stelt. Dat betekent niet dat geen sprake meer is van gedeeltelijk vernieuwen, aldus derde-partij. Ook sluit hij zich aan bij het standpunt van verweerder dat het bijgebouw een geringe ruimtelijke impact heeft, gelet op het feit dat het omringd is door groenblijvende inheemse struiken die hoger zijn dat het bijgebouw zelf.

5.4

Ingevolge artikel 42.1, onder a, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
Ingevolge artikel 42.1, onder c, van de planregels is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
5.5 De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de bouwwerkzaamheden aan het bijgebouw zich niet laten kwalificeren als gewoon onderhoud van een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het geheel vervangen van een dak is geen gewoon onderhoud, ook niet als dezelfde dakpannen worden gebruikt. De stelling van derde-partij, dat geen omgevingsvergunning voor (ver)bouwen nodig is, gaat daarom niet op.

5.6

Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank verder niet dat voor het bijgebouw in het verleden een bouw- of omgevingsvergunning is verleend. De stelling van verweerder dat dit zou blijken uit het feit dat het bijgebouw al ongeveer

40 jaar (zichtbaar) aanwezig is en daartegen nooit handhavend is opgetreden volgt de rechtbank niet. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat voor het bijgebouw nooit een bouw- of omgevingsvergunning is verleend. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3278) dat een geslaagd beroep op het overgangsrecht voor een bouwwerk geen bouw- of omgevingsvergunning vervangende titel verschaft en dat het bouwwerk daardoor evenmin anderszins gelegaliseerd wordt. Dus zelfs als zou worden aangenomen dat het bouwwerk op de peildatum van het overgangsrecht op het perceel aanwezig was en dus een geslaagd beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan, laat dit onverlet dat dit beroep het bouwwerk niet legaliseert en dat dus een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo vereist blijft voor het gehele bouwwerk.

5.7

De vervolgvraag is of de gedeeltelijke renovatie van een illegaal bouwwerk is toegelaten op basis van artikel 42.1, onder a, onder 1, van de planregels. Volgens de rechtbank omvatten de werkzaamheden (zoals deze blijken uit de door de Werkgroep overgelegde foto’s) meer dan een gedeeltelijke renovatie als bedoeld in artikel 42.1, onder a, onder 1 van de planregels. Op de foto’s is te zien dat het gehele dak, de kozijnen en een groot deel van de muren (tot minder dan één meter hoogte) zijn weggehaald. Het geheel van werkzaamheden maakt dat van een gedeeltelijke renovatie van het gebouw geen sprake is. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:951). Daarom zijn de werkzaamheden aan het bijgebouw ook in strijd met artikel 42.1, onder a, onder 1, van de planregels.

5.8

Het beroep van de Werkgroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en hierbij moeten beoordelen of hij bereid is om tevens toestemming te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

5.9

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan de Werkgroep het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5.10

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.244,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het verschijnen bij de tweede zitting, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,00 aan de Werkgroep te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00 te betalen aan de Werkgroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. W. Heijninck en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 september 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.