Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4885

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/3035 en 19/3075
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gecombineerde behandeling

In een aantal uitspraken behandelt de rechtbank beroepen tegen handhavingsbesluiten en vergunningen in verband met werkzaamheden en bouwwerken op percelen met een natuurbestemming vlakbij een Natura 2000 gebied.

In de zaak 20/1621 laat de rechtbank een tussentijds verleende omgevingsvergunning voor de inrit in stand.

In de zaak 20/1857 verklaart de rechtbank het beroep van eiser tegen een aantal opgelegde lasten onder dwangsom ongegrond

In de zaak 19/3035 laat de rechtbank de intrekking van een omgevingsvergunning voor hekwerken in stand.

In de zaak 19/3457 vernietigt de rechtbank een deel van de opgelegde last aan eiser om een bestaande (maar verwijderde) inrit te handhaven en draagt de rechtbank verweerder op om nieuwe besluiten te nemen over de handhavingsverzoeken van de Werkgroep

In de zaak 21/1432 vernietigt de rechtbank de omgevingsvergunning voor de renovatie van een schuurtje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 19/3035 en SHE 19/3075

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2021 in de zaken tussen

1. [eiser]te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.F.M. Wijgergans),

2. de werkgroep Natuur en Landschap Oost-, West-, en Middelbeers [nummer] .o.eiseres, verder te noemen: de Werkgroep (gemachtigde mr. R. Hörchner),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Gerritsen).

Eisers hebben in elkaars zaken over een weer als derde-partij aan het geding deelgenomen.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 maart 2019 en 22 mei 2019 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiser omgevingsvergunningen verleend voor het plaatsen van hekwerken op percelen aan de [adres] .
De Werkgroep en de Stichting Groen Kempenland hebben tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Tevens heeft de Werkgroep in haar bezwaarschrift verweerder verzocht over te gaan tot het, al dan niet met bestuursdwang, laten verwijderen van het hekwerk.

Bij besluit van 16 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de Werkgroep gegrond verklaard, de verleende omgevingsvergunningen herroepen en overwogen dat niet wordt overgegaan tot handhavend optreden totdat sprake is van een onherroepelijk besluit.

Hiertegen hebben eiser en de Werkgroep beroep ingesteld.

De zaak is, samen met een groot aantal andere zaken, behandeld op de zitting van
23 maart 2021. Eiser en zijn partner zijn verschenen, vergezeld van de gemachtigde en
mr. M. Toonders. Namens verweerder zijn mr. C.W.M. van Alphen en mr. M. Stoof verschenen. Namens de Werkgroep zijn [naam] , [naam] en [naam] verschenen en de gemachtigde.

Deze zaak is aangehouden met het oog op een mediation. Deze mediation is niet geslaagd. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De behandeling van de zaak is hervat op de zitting van 31 augustus 2021. Eiser en zijn partner zijn verschenen, vergezeld van de gemachtigde. Namens de Werkgroep zijn [naam] , [naam] en de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. M. Stoof en de gemachtigde verschenen.

Overwegingen
Feiten
1. Eiser is eigenaar van de percelen (kadastraal bekend, sectie [nummer] , nummer [nummer] , [nummer] en [nummer] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Oost-, West- en Middelbeers. De percelen tezamen hebben een oppervlakte van 16.368 m². In het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, correctieve herziening ” (het bestemmingsplan) is het perceel voorzien van een bouwvlak met een woonbestemming, waarop de woning van eiser is gelegen. Voor het overige rust op het perceel (onder meer) de bestemming “Natuur”. Direct ten zuidoosten van het perceel ligt (een deel van) het Natura 2000 gebied Kempenland West. Dit deel grenst aan de Kromvensedijk.

2. Eiser heeft twee aanvragen om omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van hekwerken (hierna: het hekwerk) rondom (een deel van) zijn percelen. Het gaat om het plaatsen van een (gaas/spijlen)hekwerk (met schrikdraadbeveiliging) van twee meter hoogte rondom de percelen, kadastraal bekend sectie [nummer] nrs. [nummer] , [nummer] en [nummer] . Het totale hekwerk heeft een lengte van 869 meter.

3. Het hekwerk is voorzien op gronden die in het bestemmingsplan onder andere (voor zover in dit geval van belang) bestemd zijn als “Natuur”. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van beboste en niet-beboste gronden en heidevelden (artikel 14.1, onder a, van de planregels).

4. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de door eiser aangevraagde omgevingsvergunningen verleend. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het hekwerk binnen de bestemming “Natuur” past en er daarom geen grond is om de aangevraagde omgevingsvergunningen te weigeren.

5. Naar aanleiding van het door de Werkgroep gemaakte bezwaar en het advies van de commissie advies bezwaarschriften heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het hekwerk na heroverweging toch niet past binnen de bestemming “Natuur” en de verleende omgevingsvergunningen bij het bestreden besluit alsnog herroepen. Verweerder wil niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling als bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, aanhef en onder a en 2 °, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) afwijken van het bestemmingsplan, omdat dit in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. In dit verband heeft verweerder toegelicht dat het perceel waarop het hekwerk is voorzien binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant ligt en direct grenst aan een Natura 2000-gebied. Verweerder wijst erop dat in artikel 4 van de “Beleidsregel omgevingsvergunning kruimelgevallenregeling” is gesteld dat de mogelijkheid voor het toepassen van die regeling niet wordt gebruikt voor erfafscheidingen, tenzij het gaat om erfafscheidingen die tot doel hebben de binnengeluidwaarde van geluidgevoelige bestemmingen te laten voldoen aan de wettelijke eisen. Afwijking van dit beleid is, mede gelet op het karakter van het gebied, niet mogelijk, aldus verweerder. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door eiser voorgestelde wijzigingen, zoals het plaatsen van doorgangen onder het hekwerk, niet zijn opgenomen in de bouwaanvraag en ook niet als afdwingbare voorschriften aan een vergunning kunnen worden verbonden.

6. Het hekwerk was al gerealiseerd voordat vergunning werd verleend.

Beoordeling beroep eiser (SHE 19/3035)
7.1 Eiser voert aan dat verweerder miskent dat het hekwerk niet in strijd is met de bestemming “Natuur”. Volgens hem zijn de omgevingsvergunningen dan ook ten onrechte herroepen. Hij stelt dat het hekwerk juist van belang is voor de bescherming van de natuurwaarden op zijn percelen. Het hekwerk heeft volgens hem, in verband met jonge aanplant op zijn percelen, tot doel om groot wild (zoals wilde zwijnen en reeën) te weren van de percelen en dient daarmee de aan de percelen toegekende natuurbestemming. Daarnaast stelt hij dat op de percelen illegale motorcrossactiviteiten plaatsvinden en dat er sprake is van vandalisme. Dat is ten nadele van de aanwezige flora en fauna. Om dit tegen te gaan is het hekwerk eveneens noodzakelijk, aldus eiser. Zo wordt ook voorkomen dat mensen met honden het natuurgebied betreden. Mensen en honden doorbreken en verstoren volgens eiser de geursporen die dieren gebruiken om hun foerageerplaats te vinden. Daarnaast kunnen nest- en verblijfplaatsen beschadigd en verstoord raken, bijvoorbeeld door honden die graven en wild rondrennen. Daarbij kunnen eveneens (ondergrondse) gangenstelsels/holen van dieren beschadigd raken. Eiser bestrijdt verder dat het hekwerk de migratie van wild naar het naastgelegen natuurgebied verhindert. Volgens hem kan klein wild, zoals vossen, marterachtigen, hazen en konijnen, eenvoudig tussen de spijlen van het hekwerk door. Daarnaast wijst eiser erop dat hij heeft voorgesteld om ondergrondse gangen aan te brengen voor klein wild. Groot wild, zoals reeën, zou volgens hem over het hekwerk kunnen springen. Bovendien blijkt er in de omgeving niet veel groot wild te zijn, aldus eiser. Zo zou de Werkgroep hebben gesteld dat op de Landschotse Heide, dat grenst aan zijn percelen, nog nooit een wild zwijn is gezien. Tevens stelt eiser dat zijn percelen ook zonder zijn hekwerk moeilijk toegankelijk zijn voor groot wild. Dat komt door de aanwezigheid van de afrastering met schrikdraad rondom de Landschotse Heide en aan de andere zijde de drukke Westelbeersedijk met veel bebouwing, hekwerken en dichte hagen. De kans dat groot wild via die zijde op zijn percelen komt, acht hij klein. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het hekwerk dient ter bescherming van de natuurbestemming heeft eiser in beroep een notitie overgelegd van de heer Van Oorschot van bosbouwkundig adviesbureau Borgman Beheer &Advies en van de heer Van Bommel van het ecologisch adviesbureau van Bommel Faunawerk van 20 december 2019. Daaruit volgt dat het hekwerk bijdraagt aan de natuur ter plaatse. Na de behandeling van het beroep op 23 maart 2021 heeft eiser nog een nadere notitie overgelegd van de heren Van Oorschot (Borgman) en Van der Staak (Staro) van 24 juni 2021. De conclusie daarin is dat, hoewel een hekwerk in de natuur op onderdelen een negatieve invloed heeft op natuurwaarden, voornamelijk doordat een natuurgebied door een hekwerk minder toegankelijk is voor groot wild, de natuurwaarden in dit geval niet worden gehinderd. Daarnaast is geconcludeerd dat er voor het verlagen van het gaas, voor het verwijderen van de (niet in gebruik zijnde) elektriciteitsdraden en voor het verwijderen van het hek tussen de twee bospercelen, kadastraal bekend als nummers [nummer] en [nummer] , geen noodzaak bestaat. Wel kan het verlagen van het hekwerk bijdragen aan een prettigere uitstraling en zal het bijdragen aan een betere toegankelijkheid van het bos voor met name reeën. Verder stelt eiser dat, voor zover er al sprake zou zijn van een privaat belang bij afscherming van zijn eigendom, het plaatsen van het hekwerk in ieder geval ook mede is ingegeven door het belang van de bescherming en verdere ontwikkeling van de natuurwaarden op zijn percelen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1580) stelt eiser dat verweerder in zijn mogelijke private belang dan ook geen aanleiding had hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Tot slot stelt eiser dat in de omgeving al veel hekwerken en dichte hagen aanwezig zijn. Die vormen eveneens een belemmering voor de toetreding van groot wild tot zijn percelen. Het is voor hem onduidelijk waarom die hekken en dichte hagen wel zijn toegestaan. Eiser wijst concreet op een spijlenhekwerk bij de woning op het perceel [adres] . Dat hekwerk is even hoog als zijn hekwerk en er direct tegenaan geplaatst. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus eiser.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat het hekwerk, met een lengte van 869 meter, primair dient als perceelafscheiding. Het hekwerk is niet geplaatst ten behoeve van de op perceel rustende bestemming “Natuur”. Het is weliswaar toegelaten om bouwwerken (geen gebouwen zijnde) te bouwen met een hoogte van minder dan twee meter, dat wil echter nog niet zeggen dat hekwerken ten dienste staan van het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van beboste gronden en niet-beboste gronden en heidevelden of geïntegreerd bosbeheer. Daarmee verschillen de hekwerken van bijvoorbeeld de aanleg van een weg of pad dat wel wordt genoemd als aparte functie binnen de bestemming “Natuur”. Dat het hekwerk mogelijk als bijkomend effect heeft dat de percelen worden beschermd tegen de door eiser gestelde crossactiviteiten, vandalisme en wandelaars met honden maakt nog niet dat het hekwerk ten dienste staat van de natuurbestemming. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte, de lengte en vormgeving van het hekwerk juist een grote belemmering van de natuurwaarden in het gebied vormt. De rechtbank volgt hierin het standpunt van de heer [naam] , bosbouwkundig adviseur, neergelegd in zijn rapport van

19 augustus 2021, dat door de Werkgroep na de zitting van 23 maart 2021 is overgelegd. Volgens de heer Vos verhindert het hekwerk migratieroutes, beperkt het territoria, dwingt het dieren tot het gebruiken van gevaarlijkere routes, zoals de Westelbeersedijk en ontneemt het foerageer- en rustplaatsen aan dieren, zoals reeën, vossen, marterachtigen, hazen en konijnen. De afwezigheid van die dieren draagt ook bij aan een eenzijdiger groei van organismen in het afgesloten gebied van eiser. In het midden kan blijven of er groot wild aanwezig is in de omgeving. Als het er niet is, kan het er nog wel komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het perceel van eiser grenst aan een Natura 2000-gebied. Daarnaast heeft de heer Vos er - naar het oordeel van de rechtbank terecht - op gewezen dat reekalveren niet over een hekwerk met een hoogte van 2 meter of 1,80 meter kunnen springen en het hekwerk voor moeders met reekalveren dus in ieder geval een barrière vormt. Het gaashekwerk kan er verder toe leiden dat dieren met hun poten in het gaas blijven hangen. Het gebruik van scherpe spijlenhekwerken is eveneens ongewenst, omdat dieren die kunnen springen er hun buik aan kunnen openhalen. Eiser heeft met de door hem overgelegde notities van 20 december 2019 en 24 juni 2021 niet aannemelijk gemaakt dat het voorgaande onjuist is. In de laatste notitie staat dat het niet ongewoon is om een hekwerk te plaatsen in een natuurgebied. De voorbeelden die daarbij worden genoemd, zoals voor de beveiliging (in geval van een Defensieterrein), voor de bescherming van bosaanplant tegen reeën, om wilde zwijnen te weren, om te voorkomen dat wild op wegen terechtkomt en om runderen, paarden of schapen binnen het deel te houden dat zij mogen begrazen, zijn hier niet aan de orde. Verweerder heeft met betrekking tot het hekwerk dat aanwezig is op het perceel [adres] toegelicht dat daarop de bestemming “Bos” rust. Van een gelijk geval is dan ook geen sprake. Van andere concrete, wel gelijke gevallen is de rechtbank niet gebleken.

7.3

Eiser heeft verder onvoldoende bestreden dat plaatsing van het hekwerk in afwijking van het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Bovendien hanteert verweerder bij het gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in
artikel 4 van bijlage II van het Bor de Beleidsregel omgevingsvergunning kruimelgevallen van 17 juli 2018, waarin is bepaald dat verweerder zijn bevoegdheid niet gebruikt voor het afwijken ten behoeve van erfafscheidingen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die verweerder zouden noodzaken om af te wijken van deze beleidsregel, behoudens dat hij stelt dat hij forse schade zal lijden als hij het hekwerk eventueel zal moeten verwijderen en dat hem was toegezegd dat hij - nadat de omgevingsvergunningen waren verleend - het hekwerk mocht plaatsen. De primaire besluiten zijn in werking getreden en eiser mocht de hekwerken plaatsen nadat de omgevingsvergunningen waren verleend, maar zolang de verleende vergunningen niet onherroepelijk waren, komen de gevolgen van een eventuele herroeping van de vergunningen voor rekening en risico van eiser. Voor zover zou zijn toegezegd dat eiser kon starten met het plaatsen van het hekwerk, betekent dat niet dat is toegezegd dat geen bezwaar meer zou kunnen worden gemaakt en de omgevingsvergunningen niet alsnog herroepen konden worden.

7.4

Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beoordeling beroep de Werkgroep (SHE 19/3075)
8.1 De Werkgroep voert aan dat, nu de verleende omgevingsvergunningen bij het bestreden besluit zijn herroepen, het inmiddels gerealiseerde hekwerk zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan aanwezig is. Volgens de Werkgroep heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte gesteld niet tot handhavend optreden over te gaan en te wachten tot het besluit onherroepelijk is. Nu sprake is van een overtreding, had verweerder tot handhavend optreden moeten overgaan, aldus de Werkgroep.

8.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit ook een beslissing lijkt te hebben genomen op het verzoek van de Werkgroep om handhavend optreden en het verzoek voorlopig lijkt te hebben afgewezen. Dit is ongelukkig want het is het enige besluit dat verweerder naar aanleiding van dit handhavingsverzoek heeft genomen. Daarom stond tegen dit besluit bezwaar open en geen beroep op basis van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank zal het beroepschrift als bezwaarschrift doorzenden aan verweerder ingevolge artikel 6:15 van de Awb. De rechtbank merkt hierbij wel op dat de Werkgroep op het verkeerde been is gezet door de rechtsmiddelenclausule onder bestreden besluit. Daarom bepaalt de rechtbank dat verweerder aan de Werkgroep het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiser in zaak SHE 19/3035 ongegrond;
- verklaart het beroep van de Werkgroep in zaak SHE 19/3075 niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan de Werkgroep te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. W. Heijninck en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 september 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.