Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4882

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/3457, 20/1556 en 20/1558
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gecombineerde behandeling

In een aantal uitspraken behandelt de rechtbank beroepen tegen handhavingsbesluiten en vergunningen in verband met werkzaamheden en bouwwerken op percelen met een natuurbestemming vlakbij een Natura 2000 gebied.

In de zaak 20/1621 laat de rechtbank een tussentijds verleende omgevingsvergunning voor de inrit in stand.

In de zaak 20/1857 verklaart de rechtbank het beroep van eiser tegen een aantal opgelegde lasten onder dwangsom ongegrond

In de zaak 19/3035 laat de rechtbank de intrekking van een omgevingsvergunning voor hekwerken in stand.

In de zaak 19/3457 vernietigt de rechtbank een deel van de opgelegde last aan eiser om een bestaande (maar verwijderde) inrit te handhaven en draagt de rechtbank verweerder op om nieuwe besluiten te nemen over de handhavingsverzoeken van de Werkgroep

In de zaak 21/1432 vernietigt de rechtbank de omgevingsvergunning voor de renovatie van een schuurtje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 19/3457, SHE 20/1556 en SHE 20/1558.

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2021 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. T.F.M. Wijgergans),

de Werkgroep Natuur en Landschap Oost-, West- en Middelbeers e.o., eiseres, verder te noemen: de Werkgroep, (gemachtigde: mr. R. Hörchner).

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, verweerder,

(gemachtigden: mr. C.W.M. van Alphen en mr. M. Stoof).

Eiser en de Werkgroep hebben over en weer als derde-partij aan het geding deelgenomen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2019 heeft verweerder het verzoek om handhaving van de Werkgroep over het veranderen van de inrit en het kappen van bomen op percelen aan de [adres] afgewezen.

Op 19 november 2019 heeft verweerder dit besluit herroepen en is het verzoek om handhaving alsnog toegewezen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Deze zaak is onder SHE 19/3457 geregistreerd.

Bij besluit van 1 mei 2020 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd in verband met de aanleg van de nieuwe inrit en het illegaal verwijderen van houtopstanden op drie percelen. Eiser heeft apart tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1556. Eiser heeft tegen dit besluit ook bezwaar aangetekend, omdat hij van mening was dat het besluit van 1 mei 2020 een primair besluit is. Dit bezwaarschrift heeft verweerder doorgezonden naar de rechtbank.

De Werkgroep heeft ook beroep ingesteld tegen het besluit van 1 mei 2020. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1558.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is, samen met een groot aantal andere zaken, behandeld op de zitting van
23 maart 2021. Eiser en zijn partner zijn verschenen, vergezeld van de gemachtigde en
mr. M. Toonders. Namens verweerder zijn mr. C.W.M. van Alphen en mr. M. Stoof verschenen. Namens de Werkgroep zijn [naam] , [naam] en [naam] verschenen en de gemachtigde.

Tijdens de zitting heeft eiser (voor zover nodig) verzocht om rechtstreeks beroep in te stellen als bedoeld in artikel 7.1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft verweerder hiermee ingestemd.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak wordt eerst een overzicht gegeven van de feiten die van belang zijn voor deze zaak en de andere hiermee samenhangende zaken. Daarna gaat de rechtbank ambtshalve in op de besluitvorming van verweerder. Vervolgens worden de beroepsgronden behandeld van eiser en de Werkgroep tegen de afzonderlijke lasten in het besluit van
1 mei 2020. De relevante planregels uit het toepasselijke bestemmingsplan staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

2.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

- Eiser is eigenaar van de percelen aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Oost-, West- en Middelbeers, sectie [nummer] , nummers [nummer] en [nummer] .

- In het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, correctieve herziening” (het bestemmingsplan) zijn de percelen voorzien van een bouwvlak met een woonbestemming, waarop de woning van eiser is gelegen. Voor het overige rusten op de percelen de bestemmingen ‘Natuur’, ‘natte natuurparel’ en de aanduiding ‘500 meter zone Natura 2000’.

Direct ten zuidoosten van de percelen ligt (een deel van) het Natura 2000-gebied Kempenland West. Dit deel grenst aan de Kromvensedijk.

- Direct ten zuidoosten van de percelen ligt (een deel van) het Natura 2000-gebied Kempenland West. Dit deel grenst aan de Kromvensedijk.

- Op de percelen van eiser stond een oude vrijstaande bungalow. Eiser heeft de bungalow verbouwd en uitgebreid. Verweerder heeft hiervoor bij besluit van 21 maart 2019 een omgevingsvergunning verleend.

- Eiser heeft een aantal werkzaamheden verricht op zijn percelen. Er zijn bomen gekapt en afgevoerd, er is een toegangspad verlegd en verhard en hierbij is verlichting aangelegd, er is een bijgebouw opgeknapt en er is een hek geplaatst.

- Deze activiteiten heeft de Werkgroep opgemerkt en zij heeft verzoeken om handhaving ingediend. Deze verzoeken hebben, al dan niet na heroverweging in bezwaar, geleid tot diverse besluiten van verweerder. Zowel eiser als de Werkgroep hebben beroep ingesteld tegen verschillende van deze besluiten. De rechtbank heeft uit een oogpunt van finale geschilbeslechting en in een poging het achterliggende conflict op te lossen, deze zaken gelijktijdig behandeld met de zaken over de verlening of de weigering van een omgevingsvergunning voor een inrit, hekwerken en een bijgebouw. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de lopende procedures met betrekking tot de percelen van eiser naast de procedures die worden behandeld in deze uitspraak.

- Bij besluiten van 15 maart 2019 en 22 mei 2019 heeft verweerder aan eiser omgevingsvergunningen verleend voor het plaatsen van hekwerken op (een deel van) zijn percelen .De Werkgroep en Stichting Groen Kempenpand hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 16 oktober 2019 zijn de primaire besluiten herroepen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld (SHE 19/3035). De Werkgroep heeft beroep ingesteld, voor zover verweerder in het besluit van 16 oktober 2019 heeft verzuimd om daadwerkelijk handhavend op te treden (SHE 19/3075).

- Op 27 november 2019 heeft een toezichthouder van verweerder, bij wijze van spoedeisende bestuursdwang, werkzaamheden op de percelen, kadastraal bekend gemeente Oost-, West- en Middelbeers, sectie [nummer] , nummers [nummer] en [nummer] , bestaande uit het vellen of doen vellen en uit het afvoeren of doen afvoeren van takken en boomstammen, mondeling stilgelegd. Op 29 november 2019 heeft verweerder het besluit alsnog bekengemaakt (het primaire besluit). Daarbij heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, waarbij verzoeker wordt geboden om te stoppen met het vellen en verwijderen van houtopstanden, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per week dat de werkzaamheden niet daadwerkelijk zijn gestaakt of gestaakt zijn geweest, met een maximum van € 25.000,00. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 14 februari 2020 (SHE 19/3305) het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, voor zover verweerder verzoeker heeft belet om takken en boomstammen van de vellingswerkzaamheden af te voeren, en voor het overige afgewezen.

- In een apart besluit van dezelfde datum heeft verweerder eiser gelast vijf overtredingen op zijn perceel [adres] te Oost-, West- en Middelbeers, kadastraal bekend gemeente sectie [nummer] , nummer [nummer] , te beëindigen en beëindigd te houden. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van

28 februari 2020 (SHE 19/3213) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit ten aanzien van drie van de vijf lasten geschorst.

- Verweerder heeft op 12 september 2019 eiser gelast om de (ver)bouw van een schuurtje te staken en op 20 november 2019 gelast de bestaande schuur te verwijderen.

- Verweerder heeft in één besluit op bezwaar van 2 juni 2020 op de bezwaren van eiser tegen deze drie primaire besluiten van 29 november 2019 en 12 september 2019 besloten. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer

SHE 20/1857.

- Bij besluit van 7 mei 2020 heeft verweerder een door eiser op 11 februari 2019 aangevraagde omgevingsvergunning voor het verleggen van een inrit en het plaatsen van oriëntatieverlichting met toestemming voor een project nabij een Natura 2000- gebied op het perceel [adres] geweigerd mede vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/2161. Op 3 maart 2021 heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend. Verweerder heeft hierbij besloten dat een door GS verleende vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming van 31 augustus 2020 deel uitmaakt van het herstelbesluit.

- Op 3 maart 2021 heeft verweerder (na heroverweging) alsnog omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen voor het renoveren van het dak, een deel van de gevel en de kozijnen van een bijgebouw. Hiertegen heeft de Werkgroep beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21/1432.

2.2

Naast deze procedures zijn ook nog andere procedures tussen dezelfde partijen bij deze rechtbank aanhangig. Deze procedures hebben echter geen betrekking op de percelen van eiser met uitzondering van een zeer recent ingesteld beroep over een geslagen grondwaterput. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien deze recente zaak nog mee te nemen in de al lopende procedures.

Beoordeling en duiding van de besluitvorming van verweerder

3. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 19 november 2019 op het bezwaarschrift van de Werkgroep is genomen in strijd met artikel 7:11 van de Awb. In het besluit is het bezwaar van de Werkgroep weliswaar gegrond verklaard en is de weigering om handhavend op te treden herroepen, maar er wordt niet tegelijkertijd ook daadwerkelijk handhavend opgetreden en een last onder dwangsom of onder bestuursdwang opgelegd. Dit gebeurde pas ruim vijf maanden later. Eiser heeft in zijn beroepschrift tegen het besluit van 19 november 2019 veel vraagtekens geplaatst bij de gevolgde bezwaarprocedure en aangegeven dat geen rekening is gehouden met alle nieuwe feiten en omstandigheden die zich in de bezwaarfase hebben voorgedaan. De rechtbank vult deze beroepsgrond aan met de stelling dat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder had op 19 november 2019 of kort daarna moeten aangeven of en, zo ja, op welke manier hij zou gaan handhaven zodat eiser en de Werkgroep zouden weten waar zij aan toe waren. Dat heeft verweerder niet gedaan. Daarom slaagt het beroep van eiser tegen het besluit van 19 november 2019.

4.1

In het besluit van 1 mei 2020 zijn de volgende vier lasten onder dwangsom opgelegd:

  • -

    Eiser dient de aangelegde inrit binnen vier maanden te verwijderen en verwijderd te houden en het terrein dat een verandering heeft ondergaan te herstellen, alsmede de onverharde inrit op de oorspronkelijke locatie te handhaven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per week met een maximum van € 150.000,00. In het besluit van 1 mei 2020 heeft verweerder aangekondigd in te kunnen stemmen met een opschorting van de aan deze last verbonden begunstigingstermijn totdat op het beroep in zaak SHE 19/3457 is beslist.

  • -

    Eiser dient het verwijderen van houtopstanden en elke vorm van grondbewerking als gevolg van het verwijderen van houtopstanden te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00.

  • -

    Eiser mag de plaatselijke bodemstructuur en het natuurlijke reliëf van de bodem op alle percelen niet aantasten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00.

  • -

    Er mag geen beregening en besproeiing van de jonge aanplant op de percelen met ter plaatse gewonnen grondwater plaatsvinden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00.

  • -

    Aan de drie laatstgenoemde lasten is een maximum verbonden van € 75.000,00.

4.2

De rechtbank merkt het besluit van 1 mei 2020 aan als een besluit als bedoeld in
artikel 6:19 van de Awb, voor zover in dit besluit lasten onder dwangsom zijn opgelegd ter uitvoering van het besluit van 19 november 2019. De derde en de vierde last houden geen verband met het besluit van 19 november 2019 of het inleidende verzoek om handhaving van de Werkgroep, zodat deze besluitonderdelen een primair besluit zijn waartegen bezwaar openstaat. De rechtbank zal het hiertegen gerichte beroep van eiser niet niet-ontvankelijk verklaren en terugsturen naar verweerder. Omdat eiser verweerder op 23 maart 2021 heeft verzocht (voor zover nodig) om rechtstreeks beroep in te kunnen stellen en verweerder hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank het beroep van eiser, voor zover dit is gericht tegen de derde en de vierde last in het besluit van 1 mei 2020 ook inhoudelijk behandelen.

4.3

Anders dan de Werkgroep in haar beroep opmerkt is het besluit van 1 mei 2020 niet voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Dit is ook niet vereist en niet is gebleken dat verweerder hiertoe heeft besloten.

4.4

De Werkgroep is het niet eens met de in het besluit van 1 mei 2020 aangekondigde opschorting van de begunstigingstermijn. De rechtbank is van oordeel dat deze aangekondigde opschorting van de begunstigingstermijn géén onderdeel uitmaakt van dit besluit. De aankondiging van de opschorting zelf is slechts een mededeling en heeft geen rechtsgevolg. Daarnaast had de opschorting moeten plaatsvinden in een aparte brief. Het beroep van de Werkgroep tegen het besluit van 1 mei 2020 kan dan ook niet zijn gericht tegen de aangekondigde opschorting van de begunstigingstermijn en de rechtbank zal niet verder ingaan op de gronden van de Werkgroep gericht tegen de voorgenomen opschorting van de begunstigingstermijn.

5. De rechtbank kan zich overigens goed voorstellen dat de besluitvorming van verweerder bij partijen heeft geleid tot de nodige verwarring. Ook al lijkt het soms praktisch in één brief meerdere aspecten te combineren, verweerder zal moeten beseffen dat deze aspecten afzonderlijke besluitonderdelen (kunnen) vormen met ieder hun eigen rechtsbeschermings-mogelijkheden.

Behandeling beroepsgronden van eiser tegen de eerste last in het besluit van 1 mei 2020

6.1

Eiser is het niet eens met de oplegging van de eerste last in het besluit van 1 mei 2020. Eiser verwijst naar de aanvraag voor het aanleggen van de inrit van 11 februari 2019. Hij stelt zich op het standpunt dat deze omgevingsvergunning van rechtswege is verleend en dat een verklaring van geen bedenkingen van GS ten behoeve van de natuuractiviteit (als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.2aa, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor)). Daarom is er volgens eiser geen sprake van een overtreding.

6.2

Verweerder heeft in het besluit van 1 mei 2020, onder verwijzing naar het ontwerpbesluit van 28 januari 2020 met een voorgenomen weigering van de gevraagde omgevings-vergunning, uitgelegd waarom tot handhavend optreden is overgegaan.

6.3.

De rechtbank heeft heden in de uitspraak in de zaak SHE 20/2161 geoordeeld dat verweerder de aanvraag voor de inrit terecht heeft voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, omdat een verklaring van geen bedenkingen van GS noodzakelijk was. Daarom is de omgevingsvergunning niet van rechtswege verleend. De verklaring van geen bedenkingen was niet meer noodzakelijk toen verweerder alsnog de gevraagde omgevings-vergunning voor de inrit verleende op 3 maart 2021, omdat GS op 31 augustus 2020 een natuurvergunning hebben verleend. De uitgebreide voorbereidingsprocedure is aangevangen voor de aanvraag van de natuurvergunning. Door het indienen van de aanvraag voor de natuurvergunning is de reguliere voorbereidingsprocedure (en artikel 3.9, derde lid van de Wabo) niet alsnog van toepassing op de aanvraag. Het indienen van de aanvraag voor de natuurvergunning betekent dus niet dat na verloop van tijd alsnog de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Bovendien is deze omgevingsvergunning dan nog niet in werking getreden, omdat deze niet is bekend gemaakt ingevolge artikel 4.10c, eerste lid, van de Awb. Ook is er nog steeds sprake van een overtreding, namelijk het aanleggen van een inrit zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. Dat eiser heeft verzocht om bekendmaking leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Eiser voert verder aan dat de omgevingsvergunning voor het aanleggen van de inrit kan worden verleend, omdat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de natuurwaarden.

7.2

De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat eiser stelt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank is het hier niet mee eens. Ten tijde van het besluit van

19 november 2019 had verweerder nog geen ontwerpbesluit ter inzage gelegd met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de uitrit. In het besluit van 1 mei 2020 merkt verweerder terecht op dat hij op 28 januari 2020 het ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning voor de uitrit ter inzage heeft gelegd. Ten tijde van het besluit van

1. mei 2020 was er dus geen concreet zicht op legalisatie. Overigens heeft verweerder op

7 mei 2020 de omgevingsvergunning voor de uitrit geweigerd vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen en omdat verweerder van mening was dat de aanleg van de inrit een onevenredige aantasting van de aanwezige natuurwaarden opleverde. De omstandigheid dat GS na het bestreden besluit van 1 mei 2020 een positieve ontwerp-beschikking tot het verlenen van een natuurvergunning ter inzage hebben gelegd, leidt daarom niet tot concreet zicht op legalisatie. De enkele omstandigheid dat eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning had ingediend, wil nog niet zeggen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1

Eiser stelt dat hij niet kan worden verplicht om het verleggen van een onverhard pad ongedaan te maken en het onverharde pad terug te brengen naar de oude plek. Eiser merkt bovendien op dat het verleggen van het pad naar de oude plek betekent dat hij weer bomen moet kappen en dan weer een overtreding moet begaan om aan de last te voldoen en een dwangsom verbeurt wegens overtreding van de tweede last in het besluit van 1 mei 2020. Daarnaast zou het verleggen van de inrit betekenen dat deze komt te liggen voor een inmiddels aangebracht hekwerk waarvan verweerder volgens eiser zou hebben toegezegd dat het hekwerk mag blijven staan.

8.2

In het besluit van 1 mei 2020 heeft verweerder eiser gelast de aangelegde inrit binnen vier maanden te verwijderen en de oorspronkelijke situatie ter plaatse van de aangelegde inrit te herstellen. Daarnaast heeft verweerder eiser gelast de onverharde inrit op de oorspronkelijke locatie te handhaven. De aangevoerde beroepsgrond ziet op het tweede onderdeel van de last. Eiser stelt terecht dat, als er inmiddels bomen zijn geplant op de plaats van de oude onverharde inrit en als deze bomen moeten worden verwijderd, hij daarmee een houtopstand verwijdert en een dwangsom wegens overtreding van de tweede last verbeurt. Het opnieuw aanleggen van de onverharde inrit is daarmee bovendien aanlegvergunningplichtig op basis van artikel 14.4.1, onder a, van de planregels. Dat betekent dat eiser alleen aan dit tweede onderdeel van de last kan voldoen als hij eerst een aanlegvergunning aanvraagt en vervolgens ook krijgt. De planregels verplichten eiser niet om een bestaande onverharde inrit in stand te houden. Eiser mag zelf beslissen of hij een inrit aanlegt op zijn perceel en mag ook beslissen waar hij dit doet. Op het moment dat hij een inrit aanlegt en daarvoor één van de werkzaamheden in artikel 14.4.1 van de planregels moet uitvoeren, moet hij wel eerst een aanlegvergunning hebben. Dat heeft verweerder niet onderkend. Het tweede onderdeel van de last is naar het oordeel van de rechtbank dan ook te verstrekkend.. Deze beroepsgrond slaagt.

9.1

Eiser stelt tot slot dat de aangelegde verharde inrit noodzakelijk is om de woning te bereiken en dat handhavend optreden onevenredig is. Omdat de woning positief is bestemd, moet de woning ook bereikbaar blijven.

9.2

De rechtbank stelt vast dat de woning op de percelen van eiser positief is bestemd en dat tussen deze woonbestemming en de openbare weg gronden met de bestemming ‘Natuur’ liggen. Het is niet zo dat deze bestemming in de weg staat aan de aanleg van een uitrit. Er lag een onverharde uitrit en die had eiser kunnen laten liggen. De rechtbank ziet echter niet direct een absolute noodzaak om een verharde uitrit aan te leggen. Bovendien, als die noodzaak er zou zijn, bieden de planregels de mogelijkheid om de hiervoor noodzakelijke aanlegvergunning aan te vragen. Wat eiser niet had mogen doen, was een verharde uitrit aanleggen en daarvoor bomen kappen en gronden egaliseren zonder de daarvoor vereiste vergunning. Gelet op het feit dat het de bedoeling van eiser is om de uitrit te laten liggen, is sprake van een voortdurende overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo. Een opzettelijke overtreding van dit artikel is overigens een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, van de Wet economische delicten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit geen aanleiding hoeven zien om van handhavend optreden af te zien.

10. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen de eerste last in het besluit van
1 mei 2020, voor zover eiser hierbij is gelast om de aangelegde verharde inrit te verwijderen en verwijderd te houden en het terrein dat een verandering heeft ondergaan te herstellen, niet slaagt. Dit onderdeel van het besluit blijft daarom in stand. Het beroep tegen het tweede onderdeel van de eerste last in het besluit van 1 mei 2020 slaagt wel en de rechtbank zal dit onderdeel daarom vernietigen. In de uitspraak van heden in de zaak over de omgevingsvergunning voor de aanleg van de uitrit (SHE 20/2161) heeft de rechtbank het besluit van 3 maart 2021 gedeeltelijk in stand gelaten en aangevuld met een voorschrift. Dat betekent dat vanaf 3 maart 2021 géén sprake meer is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo. Het is aan verweerder om te bepalen of hij in deze omstandigheid aanleiding ziet om de eerste last onder dwangsom in het besluit van 1 mei 2020 geheel in te trekken.

Behandeling beroepsgronden van eiser tegen de tweede last in het besluit van 1 mei 2020

11.1

Eiser stelt in de eerste plaats dat de uitgevoerde kapwerkzaamheden geen overtreding zijn van enig wettelijk voorschrift, omdat deze werkzaamheden normaal onderhoud, gebruik en beheer in het kader van bos- en natuurbeheer betreffen.

11.2

Verweerder heeft gesteld dat eiser zich in de bezwaarfase niet op één van de uitzonderingen in artikel 14.4.2 van de planregels heeft beroepen. De werkzaamheden zijn volgens verweerder geen bosbeheer, maar een omvorming van het bos.

11.3

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser uitgevoerde werkzaamheden die hebben geleid tot het besluit van 1 mei 2020 géén normaal onderhoud betreffen. De rechtbank maakt hierbij een onderscheid tussen de kapwerkzaamheden die hebben plaatsgevonden ten behoeve van de aanleg van de uitrit en de overige kapwerkzaamheden. De kapwerkzaamheden die hebben plaatsgevonden ten behoeve van de aanleg van de uitrit, hebben niets van doen met normaal onderhoud of bosbeheer.. Het bosbeheerplan voorziet niet in de aanleg van de uitrit. De aanleg van deze uitrit wordt niet genoemd als beheermaatregel. Deze werkzaamheden zijn zonder meer aanlegvergunningplichtig op grond van artikel 14.4.1, onder a, van de planregels.

De overige kapwerkzaamheden zijn uitgevoerd voor 2020. Dit verhoudt zich niet met het door eiser overgelegde bosbeheerplan dat slechts beheermaatregelen in de periode 2020-2030 bevat. In het bosbeheerplan staat overigens op pagina 12 dat ten tijde van de opmaak van het beheerplan de omvormingswerkzaamheden al gaande waren. Reeds daarom kan eiser niet volhouden dat de kapwerkzaamheden hebben plaatsgevonden ter uitvoering van een nog niet opgemaakt bosbeheerplan. Het bosbeheerplan is bovendien gericht op bosomvorming en bosverjonging. In het bosbeheerplan staat beschreven dat de percelen voornamelijk grove dennen bevatten en dat wordt getracht om het bos een meer gevarieerde samenstelling met loofbomen te geven. De rechtbank begrijpt dat dit het omvormen en het verjongen van het bos betreft. Volgens de rechtbank zijn dit soort maatregelen niet te kwalificeren als normaal onderhoud en beheer. Daarom zijn de kapwerkzaamheden aanlegvergunningplichtig, zodat verweerder kan toetsen of deze werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige aantasting van de natuurwaarden en een oordeel kan geven over het voorgestelde bosbeheerplan. Door alvast te beginnen met deze werkzaamheden voordat een aanlegvergunning is verleend, stelt eiser verweerder en de Werkgroep voor een voldongen feit. Dat is niet de bedoeling. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat sprake is van een overtreding. Deze beroepsgrond slaagt niet.

12.1

Eiser stelt verder dat de last te verstrekkend is, nu hij geen tak meer mag snoeien zonder een dwangsom te verbeuren.

12.2

Eiser is gelast te stoppen met het verwijderen van houtopstanden en elke vorm van grondbewerking als gevolg van het verwijderen van houtopstanden. Volgens de rechtbank is duidelijk genoeg dat het hier gaat om het verwijderen van bomen en niet het snoeien van takken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

13.1

Eiser merkt verder op dat hij in de tweede last ook is gelast te stoppen met grondbewerkingen. Hij merkt op dat daar nog een last onder dwangsom voor is opgelegd. Eiser doelt hiermee op de derde last onder dwangsom in het bestreden besluit van 1 mei 2020.

13.2

De rechtbank is van oordeel dat in de tweede last voldoende duidelijk is omschreven dat het gaat om grondbewerkingen als gevolg van het verwijderen van houtopstanden, bijvoorbeeld als een boom is verwijderd en een gat in de grond zou moeten worden gevuld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het beroep tegen de derde last wordt hierna behandeld.

Beroepsgronden van eiser en de Werkgroep tegen de derde last in het besluit van 1 mei 2020

14.1

Eiser merkt op dat verweerder heeft nagelaten aan te geven welk wettelijk voorschrift hij zou overtreden.

14.2

In het besluit van 1 mei 2020 staat niet aangegeven welke regel eiser zou hebben overtreden door het (mogelijk) aantasten van bodemreliëf.

14.3

Ingevolge artikel 14.4.1, onder c, van de planregels is een aanlegvergunning noodzakelijk voor het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen en ophogen van gronden.

14.4

Het besluit van 1 mei 2020 is op dit punt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder doelt op de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (handelen zonder aanlegvergunning), omdat verweerder in het besluit van 1 mei 2020 benadrukt dat eiser had moeten wachten op vergunningverlening en bij de wettelijke grondslagen melding maakt van dit artikel. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

15.1

Eiser betwist dat het bodemreliëf en de bodemstructuur zijn aangetast. Verweerder heeft dit niet aangetoond.

15.2

De Werkgroep voert aan dat eiser juist op perceel [nummer] het aanwezige natuurlijke reliëf heeft vernield door het perceel te egaliseren en een uitrit en een tuin aan te leggen. De Werkgroep ziet niet in waarom eiser niet is gelast dit ongedaan te maken.

15.3

In het bestreden besluit staat dat het bodemreliëf op de percelen hoofdzakelijk in stand is gebleven. Verweerder relateert dit aan de verdere verwijdering van houtopstanden. In het bestreden besluit staat echter niet waar verweerder deze vaststelling op heeft gebaseerd. In dit besluit wordt niet verwezen naar het door verweerder ingewonnen advies van Staro van
3 maart 2020. De rechtbank is daarom van oordeel dat het besluit van 1 mei 2020 op dit onderdeel onvoldoende is onderbouwd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De beroepsgronden van eiser en de Werkgroep slagen.

15.4

De rechtbank kan op basis van de gedingstukken (diverse foto’s) niet beoordelen of sprake is van egaliseren of andere aanlegvergunningplichtige werkzaamheden op de percelen van eiser. Het advies van Staro van 3 maart 2020 geeft een beschrijving van de percelen [nummer] en [nummer] . Hierin staat dat de bodem van beide percelen redelijk onbeschadigd is gebleven en dat het reliëf niet is aangetast. Deze bevindingen heeft de Werkgroep niet bestreden in het beroepschrift. In zoverre was er ook geen aanleiding om een last onder dwangsom op te leggen. In het advies van Staro van 3 maart 2020 wordt ook ingegaan op de werkzaamheden op perceel [nummer] . Staro acht het niet ondenkbaar dat het aanwezige reliëf is genivelleerd, dat intensievere werkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat de doelstelling van deze werkzaamheden lijkt te zijn gericht op gecultiveerd gebruik. Dit heeft eiser niet bestreden. De rechtbank sluit daarom niet uit dat naast de aanleg van de inrit werkzaamheden zijn uitgevoerd als bedoeld in artikel 14.4.1, onder c, van de planregels.

15.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zelf moet gaan vaststellen wat er op de percelen is gebeurd. Op basis van deze constateringen moet verweerder beslissen of hij eiser gaat gelasten de eventuele aantastingen ongedaan te maken. Nu de Werkgroep beroep heeft ingesteld tegen het besluit van verweerder om géén herstel van een gedane overtreding te verlangen en het bestaan van deze overtreding niet op voorhand kan worden uitgesloten ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te gelasten een nieuw besluit te nemen binnen tien weken na dagtekening van deze uitspraak.

Beroepsgronden van eiser en de Werkgroep tegen de vierde last in het besluit van 1 mei 2020

16.1

Eiser betwist dat sprake is van een overtreding. Hij verwijst hiertoe naar een brief van verweerder van 11 juni 2019 waarin verweerder aangeeft dat het plaatsen van een pompput op het perceel niet aanlegvergunningplichtig is.

16.2

De Werkgroep voert aan dat het verboden is om op de percelen grondwater te onttrekken, of dat nu is voor beregening van jonge aanwas of andere doeleinden. Verweerder had ieder gebruik van grondwater moeten verbieden en had eiser ook moeten gelasten de geslagen pompput te verwijderen, aldus de Werkgroep.

16.3

Verweerder heeft in het besluit van 1 mei 2020 gesteld dat hij heeft geconstateerd dat de jonge aanplant op de percelen van eiser regelmatig wordt beregend met grondwater dat ter plaatse is onttrokken. Dat is volgens verweerder in strijd met artikel 39.15.2, onderdeel a, van de planregels.

16.4

Op de percelen van eiser rusten de bestemmingen ‘Natuur’ (artikel 14 van de planregels), ‘Natte natuurparel (artikel 30 van de planregels) en de aanduiding ‘500 meter zone Natura 2000’ (artikel 39.15 van de planregels). Het is juist dat het aanleggen van een pompput of het beregenen van jonge aanplant niet aanlegvergunningplichtig is op grond van artikel 14.4.1 van de planregels. Het is evenmin aanlegvergunningplichtig op grond van artikel 30.4.1 van de planregels.

16.5

Op basis van artikel 39.15.2 van de planregels mogen geen grondwateronttrekkingen plaatsvinden, met uitzondering van bestaande grondwateronttrekkingen, grondwateronttrekkingen ten behoeve van de brandblusvoorziening bij agrarische bedrijven of nieuwe grondwateronttrekkingen die het gevolg zijn van de verplaatsing van een bestaande grondwateronttrekking en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Bovendien mag de capaciteit van bestaande grondwateronttrekkingen en de capaciteit van nieuwe grondwateronttrekkingen na verplaatsing, niet worden vergroot. Er is geen sprake van een bestaande grondwateronttrekking. Door te beregenen met grondwater, vindt een grondwateronttrekking plaats. Dit is in strijd met artikel 39.15.2 van de planregels en een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Verweerder heeft dit terecht vastgesteld. Verweerder heeft ook vastgesteld dat beregening van jonge aanplant heeft plaatsgevonden en heeft hierin aanleiding kunnen zien om de vierde last onder dwangsom op te leggen. Dit is overigens geen preventieve last onder dwangsom, omdat de overtreding al had plaatsgevonden. De rechtbank ziet niet in dat het hebben van een put kan leiden tot een grondwateronttrekking als deze put niet wordt gebruikt. De enkele aanwezigheid van een put is geen overtreding van artikel 39.15.2 van de planregels, ook niet voor zover opslag van grondwater zou plaatsvinden in de put. De Werkgroep stelt wel terecht dat ieder gebruik van grondwater is verboden en dat, nu een grondwaterput niet voor niets wordt geslagen, er voldoende aanleiding is om ieder gebruik van ter plaatse gewonnen grondwater te verbieden, althans grondwater te onttrekken. De vierde last in het bestreden besluit van 1 mei 2020 schiet op dit onderdeel te kort en komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal verweerder gelasten een nieuw besluit te nemen binnen tien weken na dagtekening van deze uitspraak.

Conclusie

17.1

Het beroep van eiser tegen het besluit van 19 november 2019 is gegrond, omdat dit besluit is genomen in strijd met artikel 7:11 van de Awb en onvolledig is. Omdat het besluit van 19 november 2019 wordt aangevuld met het besluit van 1 mei 2020 is er geen aanleiding deze beslissing te vernietigen.

17.2

Het beroep van eiser en het beroep van de Werkgroep tegen het besluit van 1 mei 2020 zijn gegrond. Het besluit van 1 mei 2020 komt in aanmerking voor gedeeltelijke vernietiging. De rechtbank zal verweerder gelasten een nieuw besluit te nemen, voor zover het besluit van
1 mei 2020 is vernietigd.

17.3

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser en aan de Werkgroep het door hun betaalde griffierecht vergoedt. In dit verband merkt de rechtbank op dat eiser twee keer griffierecht heeft betaald in de zaken

SHE 19/3457 en SHE 20/1556.

17.4

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.244,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het verschijnen bij de tweede zitting, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1). De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door de Werkgroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.244,00 (1 punt voor het indienen van gronden tegen het herstelbesluit, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en

1 punt voor het verschijnen bij de tweede zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 19 november 2019 en tegen het besluit van 1 mei 2020 gegrond;

  • -

    verklaart het beroep van de Werkgroep tegen het besluit van 1 mei 2020 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 1 mei 2020, voor zover eiser daarbij is gelast de bestaande onverharde inrit op de oorspronkelijke locatie te handhaven, eiser is gelast de plaatselijke bodemstructuur en het natuurlijke reliëf van de bodem op alle percelen niet aan te tasten en eiser niet is gelast om zich te onthouden van iedere verdere vorm van grondwateronttrekking;

  • -

    gelast verweerder om binnen tien weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met betrekking tot het zonder aanlegvergunning uitvoeren van het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen en ophogen van gronden in strijd met artikel 14.4.1, onder c, van de planregels in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo;

  • -

    gelast verweerder om binnen tien weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de overtreding van artikel 39.15.2 van de planregels in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (in totaal) € 352,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,00 aan de Werkgroep te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.244,00;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van de Werkgroep tot een bedrag van
    € 2.244,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. W. Heijninck en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 september 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage:

Artikel 14 Natuur (tekst ontleend aan de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan)

14.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van beboste gronden en niet-beboste gronden en heidevelden;

geïntegreerd bosbeheer;

water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

(…)

wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen;

(…)

14.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

14.4.1

Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

het verwijderen van houtgewas;

het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 10 m² en wegen;

het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen en ophogen van gronden;

het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden;

(…)

14.4.2

Uitzonderingen

Het sub 14.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen in het kader van bos- en natuurbeheer;

(…)

14.4.3

Toelaatbaarheid

De sub 14.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en natuurwaarden zoals bedoeld in lid 14.1 niet onevenredig aangetast worden.

Artikel 30 Waarde - Natte natuurparel

30.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Natte natuurparel aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones;

het verbeteren van de condities voor de natuurwaarden.

(…)

30.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

30.4.1

Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

het ontgronden, vergraven en afgraven van de gronden;

het ophogen van gronden;

het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

(…)

30.4.2

Uitzonderingen

Het sub 30.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

waarvan het ruimtebeslag minder is dan 250 m2;

welke het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen;

(…)

30.4.3

Toelaatbaarheid

De sub 30.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in lid 30.1 genoemde waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wordt advies gevraagd aan de waterbeheerder.

39.15 500

meterzone Natura 2000

39.15.1

Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 500 meterzone Natura 2000' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het instandhouden van de landschaps- en natuurwaarden en het voorkomen van verslechtering en verstoring van de aanwezige natuurlijke habitats in de nabijgelegen Natrua 2000-gebieden.

39.15.2

Specifieke gebruiksregels

In aanvulling op het bepaalde bij de andere bestemmingen, mogen op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 500 meterzone Natura 2000', geen grondwateronttrekkingen plaatsvinden, met uitzondering van:

bestaande grondwateronttrekkingen;

grondwateronttrekkingen ten behoeve van de brandblusvoorziening bij agrarische bedrijven;

nieuwe grondwateronttrekkingen die het gevolg zijn van de verplaatsing van een bestaande grondwateronttrekking en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend op grond van sublid 3.6.3 onder b, sublid 4.6.3 onder b of sublid 5.6.3 onder b.

De capaciteit van bestaande grondwateronttrekkingen en de capaciteit van nieuwe grondwateronttrekkingen na verplaatsing, zoals bedoeld onder a, sub 3 mag niet worden vergroot.