Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4764

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
SHE 21/1720
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester heeft besloten om de woning van verzoekster in ’s-Hertogenbosch te sluiten voor de duur van drie maanden, omdat de politie in de woning twee kweektenten met daarin 40 hennepplanten en twee lege kweektenten heeft gevonden. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen door het besluit van de burgermeester te schorsen totdat op haar bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de woningsluiting noodzakelijk en evenredig heeft kunnen vinden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het besluit van de burgemeester in bezwaar in stand blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 21/1720

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , in [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. W.R. Aerts),

en

de burgemeester van de gemeente 's-Hertogenbosch, de burgemeester

(gemachtigde: mr. R. Visser).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Woningcorporatie Zayaz, in ’s-Hertogenbosch, gemachtigde: mr. P.F.M. Broos.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester besloten om de woning aan het adres de [adres] in [woonplaats] (de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden, met ingang van 26 juli 2021 om 14.00 uur.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 22 juli 2021 heeft de burgemeester toegezegd dat het bestreden besluit wordt opgeschort tot één week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 augustus 2021. Verzoekster is samen met haar gemachtigde naar de zitting gekomen. Namens de burgemeester is zijn gemachtigde naar de zitting gekomen.

Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoekster huurt de woning van Woningcorporatie Zayaz.

2. In een bestuurlijke rapportage van de politie van de eenheid Oost-Brabant in

’s-Hertogenbosch van 24 juni 2021 (de bestuurlijke rapportage) staat dat er op 20 juni 2021 op de tweede verdieping van de woning vier kweektenten zijn aangetroffen. In twee kweektenten stonden 40 hennepplanten, 20 hennepplanten per kweektent. De andere twee kweektenten stonden leeg. Aan de vervuiling op de grond kon je zien dat er in die kweektenten op de grond potten hadden gestaan. Ook stonden er nog potten in de tent. Verder staat in de bestuurlijke rapportage dat in de periode van 17 december 2020 en 4 april 2021 de politie vijf Meld Misdaad Anoniem (MMA) meldingen heeft ontvangen over een mogelijke hennepkwekerij op het adres van de woning.

3. Op 19 mei 2021 heeft de burgemeester aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.

4. Op 11 juni 2021 heeft verzoekster een zienswijze ingediend.

5. Hierna heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen.

Het standpunt van de burgemeester

6. De burgemeester vindt dat hij op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidsregel inzake gedogen van coffeeshops en de bestuurlijke handhaving 13b Opiumwet ’s-Hertogenbosch 2019 (de beleidsregel) bevoegd is om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden omdat er een handelshoeveelheid softdrugs in de woning is aangetroffen. De burgemeester vindt de woningsluiting voor de duur van drie maanden noodzakelijk en evenredig. Volgens de burgemeester weegt het algemeen belang om de woning te sluiten zwaarder dan het belang van verzoekster om daarvan af te zien.

Soort zaak: een voorlopige voorziening

7. Het gaat in deze zaak om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Dit staat in artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft gelden ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Van die hoofdregel kan worden afgeweken met een voorlopige voorziening. Artikel 8:81 van de Awb geeft die mogelijkheid. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een verzoeker moet dus goede redenen geven waarom hij vindt dat hij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten en waarom er een uitzondering op de hoofdregel – het besluit blijft gelden ook als er bezwaar tegen is gemaakt – moet worden gemaakt. Een voorlopige voorziening is een tussenmaatregel in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter maakt dus een voorlopige beoordeling. Als een verzoeker het eventueel niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die moet nu nog worden genomen), kan hij daartegen beroep tegen instellen bij de rechtbank. Bij het beoordelen van dat beroep mag die beroepsrechter anders over de zaak denken dan de voorzieningenrechter nu.

Onverwijlde spoed?

8. De voorzieningenrechter vindt het voldoende aannemelijk dat sprake is van onverwijlde spoed, omdat verzoekster door het bestreden besluit op korte termijn haar woning moeten verlaten.

Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het bestreden besluit

9. Gelet op het ingediende verzoek- en bezwaarschrift en de tijdens de zitting door verzoekster gegeven toelichting stelt de voorzieningenrechter vast dat niet in geschil is dat de burgemeester, met in achtneming van de in de bestuurlijke rapportage vermelde bevindingen, op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en de beleidsregel bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen. In geschil is de vraag of gebruikmaking van deze bevoegdheid noodzakelijk en evenredig is.

De noodzakelijkheid van de woningsluiting

10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912) dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. In dat verband is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld.

De ernst en omvang van de overtreding

11. Bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs in een woning, is het in beginsel aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Bij een geringe overschrijding van deze hoeveelheden drugs dient de burgemeester af te wegen of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, kan worden volstaan dan wel of sluiting als herstelmaatregel is aangewezen ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. In dat kader is ook van belang de soort drugs die in een woning is aangetroffen. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is weliswaar in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, doch dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.

Feitelijke handel in of vanuit de woning

12. In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel minder groot kan maken. Feitelijke handel in of vanuit de woning kan worden aangenomen op grond van politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen of het in de woning aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, een grote hoeveelheid contant geld en wapens.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de situatie in de woning van verzoekster als een ernstig geval, zoals bedoeld in de beleidsregel, heeft kunnen aanmerken, vooral gelet op de hoeveelheid van de gevonden drugs. Er was sprake van een zeer ruime overschrijding van de grens van 5 gram softdrugs. De burgemeester heeft gesteld dat de 40 hennepplanten 1.340 gram hennep en 670 ml olie kunnen opbrengen. De stelling van verzoekster dat de hennepplanten voor eigen gebruik waren, heeft de burgemeester gelet op die hoeveelheden niet hoeven volgen. Bovendien was sprake van een volledig ingerichte en in werking zijnde hennepkwekerij en waren er vier kweektenten. Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar betoog dat geen sprake is van een ernstig geval omdat in haar woning, anders dan in andere gevallen in de rechtspraak, geen harddrugs, wapens, contant geld of voor drugshandel bestemde attributen zijn gevonden. Omdat sprake is van een ernstig geval heeft de burgemeester de woning voor de duur van drie maanden kunnen sluiten en heeft hij, anders dan verzoekster betoogt, niet hoeven volstaan met het geven van een waarschuwing

14. De burgemeester heeft ook kunnen meewegen dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij een gevaar voor het ontstaan van brand en daarmee een aantasting van het woon- en leefklimaat oplevert. Verzoekster heeft terecht gesteld dat zij geen criminele antecedenten heeft en dat zij de woning al vele jaren (sinds 1996) zonder problemen huurt, maar aan deze omstandigheden heeft de burgemeester gelet op de door hem aangegeven belangen, en de hoeveelheid aangetroffen drugs niet de betekenis hoeven toekennen die verzoekster daaraan hecht. Uit de vijf MMA meldingen die in de periode van 17 december 2020 en 4 april 2021 bij de politie zijn ingediend over een mogelijke hennepkwekerij op het adres van de woning heeft de burgemeester kunnen afleiden dat de woning bekend staat als drugspand waar drugs wordt vervaardigd en dat sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse omdat omwonenden (over)last ervaren. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de burgemeester de woningsluiting noodzakelijk heeft kunnen achten.

De evenredigheid van de woningsluiting

15. Voor de beoordeling van de evenredigheid dienen onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting in aanmerking te worden genomen.

Verwijtbaarheid

16. Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.

Gevolgen van de woningsluiting

17. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. De gevolgen van een woningsluiting kunnen ook bijzonder zwaar zijn indien de betrokkene niet kan terugkeren in de woning na de sluiting, bijvoorbeeld omdat door de sluiting zijn huurcontract wordt ontbonden. In dat kader dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840). Dit hoeft zich echter niet zonder meer tegen sluiting te verzetten, bijvoorbeeld niet als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719) of gezien de ernst van de overtreding (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149).

18. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoekster een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, omdat zij de aangetroffen hennepplanten zelf heeft gekweekt. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in verband met de door haar gestelde medische en psychische problemen gebonden is aan de woning. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij als gevolg van de woningsluiting door haar werkgever is ontslagen en dat zij op zoek moet naar een nieuwe baan. Het zal voor haar zeer moeilijk worden om voor een commerciële woonruimte in aanmerking te komen gelet op de hogere huurlasten. Op de zitting heeft verzoekster echter gezegd dat zij eventueel bij familie kan wonen. Dat Woningcorporatie Zayaz in de woningsluiting aanleiding ziet om de huurovereenkomst te ontbinden is onvoldoende om de sluiting onevenredig te achten, omdat verzoekster een verwijt kan worden gemaakt van de overtreding en gelet op de ernst en de omvang van de overtreding. Dat verzoekster sinds 1996 in haar woning woont en haar sociale contacten in de omgeving heeft, zijn geen zodanig bijzondere individuele omstandigheden dat de burgemeester van de woningsluiting af had moeten zien. De burgemeester heeft het belang om de illegale situatie te beëindigen, de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en om het signaal af te geven dat hij criminele activiteiten niet accepteert, groter mogen vinden dan het belang van verzoekster om in de woning te kunnen blijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de woningsluiting evenredig is.

Conclusie

19. Gelet op al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven.

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 augustus 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.