Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4716

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
01-879581-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leider van een criminele (drugs-)organisatie die werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Verdachte is zelf specifiek betrokken geweest bij de handel in wapens en munitie, witwasdelicten, twee importen van cocaïne uit Zuid-Amerika via de haven van Antwerpen (1561 kilo en 315 kilo), een transport van circa 99 kilo MDMA, de verwerking van MDMA en/of metamfetamine en de bewerking en verwerking van cocaïne. Aan verdachte is het wettelijk strafmaximum voor deze feiten opgelegd: een gevangenisstraf van 16 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een woning van verdachte verbeurd verklaard.

Formele verweren: door de verdediging zijn een aantal zaaksoverstijgende discussiepunten dan wel verweren (op)gevoerd, al dan niet geplaatst in de sleutel van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting, die zien op: I. de start van het onderzoek, II. de bruikbaarheid van OVC-gesprekken voor het bewijs, III. het doorlaatverbod, IV. ‘trial by media’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879581-18

Datum uitspraak: 6 september 2021

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortejaar] 1970,

thans gedetineerd te: P.I. Achterhoek Gevangenis te Zutphen.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2020, 14 en 20 mei 2020, 8 juli 2020, 5 en 16 oktober 2020, 2 december 2020, 2 en 9 februari 2021, 20 en 21 april 2021, 17 en 20 mei 2021, 21 mei 2021, 25 en 27 mei 2021, 28 mei 2021, 4 juni 2021, 7 juni 2021, 11 juni 2021, 14 juni 2021, 17 juni 2021,

1 juli 2021 en 23 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het Openbaar Ministerie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 januari 2020. Nadat de (voorlopige) tenlastelegging op de terechtzitting van 8 juli 2020 conform het bepaalde bij artikel 314a Sv. is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 01 april 2019 te Oss, en/of elders in Nederland en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) heeft gebracht, ongeveer 315,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2 A van de Opiumwet)

(zaaksdossier 03)

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 01 april 2019 te Berghem, gemeente Oss, en/of Oss, en/of elders in Nederland en/of Antwerpen en/of Zwijndrecht en/of elders in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 315,7 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens) een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of (telkens) zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of (telkens) voorwerpen,

vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):

-een of meerdere (schaduw)bedrij(f)(ven) opgericht ten behoeve van het opzettelijk binnen

het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

-(meermalen) telefonische contacten en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een)

bespreking(en) gevoerd en/of (een) afspra(a)ken gemaakt met één of meer (mogelijke)

inklaarder(s)/expediteur(s), transporteur(s) en/of ander(en) met betrekking tot de

inklaring, levering, betaling, opslag en/of het vervoer en/of het verdere vervoer in

Nederland en/of België van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

-één of meer bedrijven opgericht en/of laten oprichten en/of één of meer bankrekeningen

geopend en/of laten openen en/of één of meer betalingen verricht en/of laten verrichten aan

één of meer inklaader(s)/expediteur(s), transporteur(s) en/of ander(en) en/of

-de opslag/overslag van de container met cocaïne in Nederland en/of België geregeld en/of

betaald en/of betalingen voor het (verdere) vervoer van de container met cocaïne verricht

en/of

-zich begeven in de omgeving van die zeecontainer en/of op het terrein van het bedrijf

[bedrijf 1] te Zwijndrecht (België), teneinde de omgeving van die zeecontainer en/of het

terrein van het bedrijf [bedrijf 1] te (laten) controleren/verkennen op de mogelijkheden

deze container weg te nemen en/of

-die zeecontainer en/of een vrachtwagen en/of een oplegger gestolen bij het bedrijf

[bedrijf 1] te Zwijndrecht (België) en/of

-die zeecontainer en/of vrachtwagen en/of oplegger vervoerd naar de parkeerplaats bij het

Esso tankstation 't Goor te Bladel en/of

-(vervolgens) die zeecontainer vervoerd naar het bedrijventerrein gelegen aan de

[adres 1] en/of

-de inhoud van die zeecontainer (vervolgens) vervoerd naar het bedrijventerrein aan de

[adres 2] teneinde deze te controleren/onderzoeken op de aanwezigheid van

cocaïne;

(artikel 10a van de Opiumwet)

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juli 2018 tot en met 7 augustus 2018 te Oss, en/of elders in Nederland en/of Antwerpen en/of elders in België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) heeft gebracht, ongeveer 1561 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2 A van de Opiumwet)

(zaaksdossier 01)

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2019 tot en met 15 april 2019 te Oss en/of Wouw, gemeente Roosendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 99,4 kilo MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 B/C van de Opiumwet)

(zaakdossier 04)

5.

hij op of omstreeks 21 februari 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of (met)amfetamine, in elk geval (een) middel(en) als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet, zijnde MDMA en/of (met)amfetamine (een) middel(en) vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of

derde lid van artikel 2 van die wet en/of krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel B/C/D van de Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 februari 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDMA en/of (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

(met)amfetamine, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

-een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om

daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

-zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen

van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden

heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of ernstige

redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van

dat/die feit(en)

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn medeverdachte(n)

-één of meer (telefoon)gesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het verstrekken en/of

vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid grondstoffen en/of

chemicaliën ten behoeve van de productie van MDMA en/of (met)amfetamine en/of

-met één of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met

betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een

hoeveelheid grondstoffen en/of chemicaliën ten behoeve van de productie van MDMA

en/of (met)amfetamine en/of

-informatie met medeverdachte(n) gedeeld over de te gebruiken verbergplek(ken) voor de

opslag van grondstoffen en/of chemicaliën en/of

-(een) grote hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen ten behoeve van de productie van

MDMA en/of (met)amfetamine voorhanden gehad;

(artikel 10a van de Opiumwet)

(zaaksdossier 09 )

6.

hij op of omstreeks 28 februari 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet en/of krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 B/C/D van de Opiumwet)

(zaaksdossier 12)

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2018 tot en met 13 november 2019 te Berghem, gemeente Oss en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Bulgarije, in elk geval in Europa, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

van (een) voorwerp(en), te weten:

-(een) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld, (tot een totaalbedrag van ongeveer euro

700.000,-), ten behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres 3]

, gemeente Oss en/of

-een woning aan de [adres 3] , gemeente Oss,

(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans (telkens) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was en/of voormeld(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voormeld(e) voorwerp(en)

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

(een) voorwerp(en), te weten:

-(een) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld (tot een totaalbedrag van ongeveer euro

700.000,-), ten behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres 3]

, gemeente Oss en/of

-een woning aan de [adres 3] , gemeente Oss

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van voormeld(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voormeld(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht)

(zaaksdossier 13)

8.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2018 tot en met 21 november 2019 te Oss en/of Lith, gemeente Oss, en/of in (een) (andere) plaats(en) in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) zonder erkenning, heeft gehandeld in strijd met artikel 9 en/of artikel 26 en/of artikel 31 van de Wet Wapens en Munitie, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) één of meer vuurwapens van categorie II en/of categorie III (waaronder een of meerdere (automatische) vuurwapens:

Smith & Wesson(s) model 659 en/of model 5906 en/of model 39-2 en/of

Walther(s) PK 380 en/of model PPK en/of model PP en/of

Heckler en Koch(s) model EN-MP5 en/of

Zagi(s) model M-91 en/of

Cugir(s) model WASR 10/63 en/of

Thompson(s) model M1 en/of

Zastava(s) model M70 en/of model M57 en/of

Rast & Gasser(s) model M1898 en/of

Taurus(sen) model PT-22 en/of

Musqueton(s) model AMD en/of

.22 LongRifle en/of

Glock(s) model 17 en/of model 19 en/of model 26 en/of model 43 en/of

Beretta(s) model 70 en/of

Chinese Staatsfabriek 66 model AK47 en/of

AKM(s) model AK47 en/of

Colt(s) M16 A1en/of model 1911

Royal Ordnance factory Fazakerley model Sten en/of

SITES model Spectre M4 en/of

FEG(s) model SLP1 en/of

Star(s) model M43 Firestar en/of

IMI(s) model Jericho 941 FB)

en/of

onderdelen van vuurwapens van categorie II en/of categorie III (waaronder patroonhouders en/of lopen en/of magazijnen en/of geweerkol(f)ven en/of handgre(e)p(en))

en/of

munitie van categorie II en/of categorie III (waaronder patronen kaliber 9 mm en/of . 22Lr en/of 7.62x39 mm en/of 5.56x45 mm en/of .45 ACP en/of .357 Magnum en/of 7.65 mm en/of 9x19 mm en/of .38 Special en/of 5.7x28 mm en/of .380 auto en/of .45 auto en/of .32 auto),

voorhanden gehad en/of vervaardigd en/of getransformeerd en/of (al dan niet in de uitoefening van een bedrijf) uitgewisseld en/of verhuurd en/of anderszins ter beschikking gesteld en/of hersteld en/of beproefd en/of verhandeld en/of overgedragen,

van welk(e) feit(en) verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

(artikelen 9, 26, 31 van de Wet wapens en munitie)

(zaakdossier 05)

9.

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 in de gemeente Oss en/of elders in Nederland en/of België en/of Bulgarije heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte

[medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum 1] ) en/of

[medeverdachte 4] en/of

[medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum 2] ) en/of

[medeverdachte 6] en/of

[medeverdachte 7] en/of

[medeverdachte 8] en/of

[medeverdachte 9] en/of

[medeverdachte 10] en/of

[medeverdachte 11] en/of

[medeverdachte 12] en/of

[medeverdachte 13] en/of

[medeverdachte 14]

en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),

-welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 lid 3

en/of lid 4 en/of lid 5 en/of 10a van de Opiumwet en/of

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

-het handelen in en/of voorhanden hebben en/of transformeren van vuurwapens, onderdelen

van vuurwapens en/of munitie en/of

-het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen en/of

-het witwassen van geld en/of goederen en/of

-het voorbereiden en/of plegen van (excessief) geweld en/of bedreiging met geweld en/of

afpersing,

zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;

(artikel 11B van de Opiumwet en artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen, waarover hierna meer. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bespreking verweren onderzoek Noord.

Op 17 en 18 mei 2021 zijn in diverse zaken van verdachten in het onderzoek Noord een aantal zaaksoverstijgende discussiepunten dan wel verweren (op)gevoerd, al dan niet geplaatst in de sleutel van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting. Na de zitting van 20 mei 2021 hebben de verdachten en raadslieden in

alle aanhangige zaken, met uitzondering van de verdediging in de zaak tegen [medeverdachte 9] , om hen moverende redenen er voor gekozen om niet (langer) bij de inhoudelijke behandeling van de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting te verschijnen om de verdediging te voeren. Gelet hierop acht de rechtbank het dienstig om genoemde discussiepunten en verweren gezamenlijk en gelijkluidend in alle zaken, en dus somtijds ambtshalve, te bespreken. Voor zover er in een bepaalde zaak sprake is van een - impliciet dan wel uitdrukkelijk - ontvankelijkheidsverweer wordt het als zodanig door de rechtbank verworpen.

I. Bespreking start onderzoeken

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de start van de strafrechtelijke onderzoeken die vallen onder operatie Alfa/onderzoek Noord, rechtmatig zijn geweest. Zij wijzen erop dat een en ander in de dossiers betreffende bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB) is verantwoord.

Onderzoek Calabrese betreft een titel IVa-onderzoek. De aan dit onderzoek ten grondslag liggende verdenking is vervat in het proces-verbaal van verdenking d.d. 31 januari 2018. Dit onderzoek werd reeds eerder op 20 februari 2017 geregistreerd in de politiesystemen. De periode tussen de registratie en het proces-verbaal van verdenking betreft de voorbereidende fase waarin nog geen BOB-middelen werden ingezet, die onderscheiden moet worden van de fase van inzet van BOB-middelen en ten behoeve waarvan het proces-verbaal d.d. 31 januari 2018 werd opgesteld.

Onderzoek Garborone betreft een titel V onderzoek. Het aan dit onderzoek ten grondslag liggende vermoeden dat in georganiseerd verband op grote schaal onder andere drugsdelicten werden gepleegd, is beschreven in het startproces-verbaal d.d. 8 maart 2018. Nieuwe onderzoeksinformatie leidde tot meer inzicht in het georganiseerd verband en haar deelnemers. Deze informatie werd opgenomen in een aanvullend proces-verbaal d.d. 11 december 2018.

Standpunt van de verdediging.

Volgens de verdediging is de start van het onderzoek onrechtmatig geweest en is er onrechtmatig gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

Ten tijde van het opstarten van onderzoek Calabrese bestond er geen concrete verdenking, terwijl dit wel is vereist voor een dergelijke titel IVa-onderzoek. Dat er geen sprake was van een concrete verdenking vindt versterking in de uitlatingen van de hoofdofficier van justitie tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 15 december 2019. Zij heeft gesteld dat er een vermoeden was dat een familie zich schuldig maakte aan grootschalige strafbare feiten. De focus lag dus inderdaad op de familie met als doel de vermeende organisatie te ontmantelen. Er is weliswaar wel op basis van titel V geopereerd in onderzoek Garborone, maar dat onderzoek startte pas op 8 maart 2018, toen was onderzoek Calabrese al een jaar bezig.

De aan het proces-verbaal van verdenking ten grondslag liggende processen-verbaal kunnen de conclusie van een verdenking in onderzoek Calabrese niet dragen. Ook is het onderzoek reeds op 20 februari 2017 begonnen, terwijl het proces-verbaal van verdenking dateert van 31 maart 2018.

Ook de start van onderzoek Garborone vertoont gebreken. Bevindingen uit de voorbereidende fase van Calabrese zouden de aanleiding vormen om Garborone te starten.

In het proces-verbaal van verdenking inzake Garborone wordt echter verwezen naar bevindingen van na de start van Calabrese. Deze informatie was echter niet beschikbaar in de voorbereidende fase van Calabrese en kan dus ook niet de aanleiding vormen voor de start van Garborone.

De verdediging beschikt bovendien over onvoldoende stukken om de start te kunnen toetsen nu de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal niet zijn verstrekt.

Oordeel van de rechtbank.

Door het Openbaar Ministerie is een zogeheten BOB-dossier overgelegd. In het BOB-dossier legt het Openbaar Ministerie in de regel verantwoording af over de start van het onderzoek en de inzet van BOB-middelen. Op basis van deze stukken zal de rechtbank een oordeel vormen over de vraag of de start van het strafrechtelijk onderzoek rechtmatig is geweest. Dit betekent dat de rechtbank de vraag moet beantwoorden of er juridisch gezien een legitieme aanleiding bestond om een strafrechtelijk onderzoek te starten en – in het verlengde daarvan – of vervolgens BOB-middelen mochten worden ingezet.

In het geval van onderzoek Calabrese moet uit het proces-verbaal van verdenking d.d. 31 januari 2018 blijken dat er sprake was van een verdenking van een concreet feit, nu dat een zogeheten titel IVa-onderzoek betreft. Voor onderzoek Garborone, zijnde een titel V-onderzoek, geldt dat het proces-verbaal van verdenking d.d. 8 maart 2018 informatie dient

te bevatten waaruit voortvloeit dat sprake is geweest van een redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven werden beraamd of gepleegd. Volledigheids-halve merkt de rechtbank op dat onderzoeken uit titel IVa en V naast elkaar kunnen bestaan en dat de wet geen volgorde voorschrijft.

Het proces-verbaal van verdenking tegen [verdachte] d.d. 31 januari 2018 opgemaakt inzake onderzoek Calabrese meldt dat – kort samengevat – sprake is van een verdenking van het opzettelijk aanwezig hebben, vervaardigen en verkopen van verdovende middelen. Als aanleiding voor deze verdenking wordt verwezen naar verschillende TCI-processen-verbaal uit 2015, 2016 en 2017 en informatie uit de onderzoeken Liber, Debussy en Exmoor.

De rechtbank overweegt dat twee van de onderliggende TCI-processen-verbaal dateren van voor de start van onderzoek Calabrese op 20 februari 2017.1 Uit het TCI-proces-verbaal d.d. 2 december 20152 volgt dat er een melding werd gedaan van de komst van 100 kg cocaïne in Oss en dat [verdachte] daarbij betrokken was. Uit het TCI-proces-verbaal d.d. 16 maart 20163 volgt dat er melding werd gedaan van uitgifte van valse bankbiljetten, [verdachte] zou daar achter zitten. Ook zouden [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 9] en [persoon 1] daarbij betrokken zijn. Ook zouden zij zich bezig houden met weedinkoop in Spanje. Beide meldingen werden als betrouwbaar aangemerkt.

De rechtbank overweegt verder dat in het proces-verbaal van verdenking tegen [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) in onderzoek Sjingan melding wordt gemaakt van een TCI-proces-verbaal d.d. 14 december 2015 inhoudende dat ‘onder andere [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] komen voor hun criminele activiteiten zeer vaak in de loods op het terrein van [bedrijf 2] aan de [adres 2] ’. Ook deze melding wordt betrouwbaar geacht.

Gelet op de vaste jurisprudentie op dit punt is de rechtbank van oordeel dat voornoemde TCI-informatie, die overigens ook concrete activiteiten en namen bevatte, op zichzelf voldoende was om tot de start van het onderzoek te hebben geleid.

Bij de informatie uit voornoemde TCI-processen verbaal kwam overigens daarna nog de informatie over de resultaten van in het kader van onderzoek Liber verrichte doorzoekingen d.d. 21 juni 2016 op verblijfadressen van [verdachte] . Tijdens die doorzoekingen werden verdovende middelen, precursoren en valse bankbiljetten in beslag genomen alsmede notities die in verband konden worden gebracht met de productie van synthetische drugs

en de handel in en import van cocaïne. Daarmee werd de verdenking verstevigd.

De rechtbank overweegt verder dat uit de toelichting van het Openbaar Ministerie volgt dat met de start van het onderzoek (in dit geval 20 februari 2017) wordt bedoeld het administratief registeren van de voorbereidende fase van het onderzoek. In die fase werd vervolgens informatie verzameld en werd de samenstelling van het onderzoeksteam voorbereid. Daarbij zijn geen strafvorderlijke dwangmiddelen of opsporingsbevoegdheden aangewend. Aldus heeft het Openbaar Ministerie afdoende toegelicht waarom er sprake is geweest van tijdsverloop tussen de start van het onderzoek Calabrese en het opgemaakte proces-verbaal van verdenking in dat onderzoek. De rechtbank heeft geen aanknopings-punten om hieraan te twijfelen. De informatie die in de uiteindelijke processen-verbaal van verdenking in onderzoek Calabrese daaraan ten grondslag is gelegd – dat is de hiervoor vermelde informatie in februari 2018 aangevuld met meerdere nadien opgestelde TCI-processen-verbaal en recentere informatie uit andere opsporingsonderzoeken zoals Debussy en Exmoor – kan naar het oordeel van de rechtbank het aannemen van de vereiste verdenking, maar ook van de voor inzet van BOB-middelen vereiste gekwalificeerde verdenking dragen.

Met betrekking tot de start van onderzoek Garborone wordt als volgt overwogen. Voornoemd onderzoek is op 23 februari 2018 gestart.4 De aan de start van dit onderzoek ten grondslag liggende informatie is opgenomen in het proces-verbaal van verdenking d.d. 8 maart 2018. Daarin worden verschillende TCI-processen-verbaal genoemd uit 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018. Uit deze TCI-processen-verbaal volgt dat er verschillende meldingen zijn gedaan over het vervaardigen en handelen in verdovende middelen door verschillende leden van de (toentertijd gestelde) criminele organisatie over een periode van een aantal jaren. Daarnaast is ook informatie opgenomen uit zowel afgesloten als nog lopende onderzoeken (onder meer Liber, Debussy, Sjingan, Bossuit en Exmoor).

Nog daargelaten de vraag of de daaraan ten grondslag liggende informatie dateert uit de voorfase van onderzoek Calabrese of daarna zoals door de verdediging is opgeworpen, volgt uit het proces-verbaal van verdenking ten behoeve van Garborone dat zowel voorafgaande aan de start van dit onderzoek als voorafgaande aan het opgemaakte proces-verbaal van verdenking in dit onderzoek voldoende informatie beschikbaar was om te kunnen spreken van een redelijke verdenking dat personen in georganiseerd verband ernstige misdrijven pleegden of beraamden die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverden. Ook ten aanzien van de start van onderzoek Garborone komt de rechtbank daarom tot de conclusie dat niet is gebleken dat de start van het onderzoek of de inzet van BOB-middelen onrechtmatig is geweest.

De rechtbank komt toe aan het bespreken van de uitlatingen van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 15 december 2019. Tijdens de uitzending heeft de hoofdofficier van justitie onder meer gezegd: “normaal gesproken beginnen wij een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een gepleegd strafbaar feit, en gaan we op zoek naar degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, maar in dit geval zagen we ons gedurende een langere periode geconfronteerd met een aantal ernstige bedreigingen die afkomstig waren vanuit deze familie (…) en omdat wij het vermoeden hadden dat deze familie zich schuldige maakte aan grootschalige strafbare feiten en we ze dus eigenlijk beschouwden als een crimineel samenwerkingsverband (…).”

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze uitlatingen niet de conclusie rechtvaardigen dat geen sprake was van een concrete verdenking in onderzoek Calabrese. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedane uitspraken geplaatst te worden in de context van onderzoek Garborone, zoals eerder genoemd, een titel V-onderzoek waarbij zonder een vermoeden van een concreet (gepleegd) strafbaar feit onderzoek kan worden gedaan naar het in georganiseerd verband beramen of plegen van ernstige misdrijven. Dat de hoofdofficier niet uitvoerig is ingegaan op het verschil tussen de naast elkaar lopende titel IVa- en titel V-onderzoeken wijt de rechtbank aan het feit dat zij werd geïnterviewd tijdens een televisieprogramma op de publieke omroep en dat zij voor het bredere publiek in begrijpelijke taal de kern van operatie Alfa heeft geprobeerd toe te lichten. Dat in die setting de juridische details niet volledig of mogelijk zelfs niet geheel juist zijn benoemd, maakt nog niet dat hetgeen in de stukken is gerelateerd onjuist of onbetrouwbaar moet worden geacht.

De rechtbank overweegt verder dat het Openbaar Ministerie (nadat een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in een aantal zaken door de rechtbank is ingewilligd) de aan de processen-verbaal van verdenking in de onderzoeken Calabrese en Garborone onderliggende stukken van de TCI-processen-verbaal ook heeft overgelegd. Nu de verdediging zowel over het BOB-dossier als voornoemde onderliggende stukken beschikt,

is de verdediging voldoende in staat geweest de basis van de start van het onderzoek te toetsen.

Concluderend, de rechtbank is niet gebleken van een onrechtmatige start van de onderzoeken dan wel onrechtmatige inzet van BOB-middelen. Het verweer wordt verworpen.

II. Bespreking OVC-gesprekken, onbevoegde BOA en alternatieve lezing

Inleiding.

Gedurende de procedure in het onderzoek Noord zijn op diverse momenten onderzoekswensen geuit, en voor een deel ingewilligd, omtrent – kort gezegd – het uitluisteren en verbaliseren van opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC) en de bevoegdheid van één van de buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA) die de OVC hebben uitgeluisterd. Daarnaast is door diverse verdachten in de kern verklaard dat zij ervan op de hoogte waren dat zij werden afgeluisterd en dat wat in OVC-gesprekken te horen is, ook tegen die achtergrond moet worden gelezen. Kort gezegd was er sprake van een toneelstukje waarin sterke verhalen werden verteld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie heeft zich in het algemeen op het standpunt gesteld dat de processen-verbaal houdende de resultaten van het uitluisteren van OVC-gesprekken bruikbaar zijn voor het bewijs. Voor zover er al sprake was van een vormverzuim doordat één van de uitluisterende BOA’s gedurende de onderzoeksperiode niet bevoegd was, is dit verzuim hersteld doordat zij, nadat zij wel weer bevoegd was, alle door haar uitgeluisterde gesprekken opnieuw heeft beluisterd en daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt. De door verbalisanten gerelateerde inhoud van uitgeluisterde OVC-gesprekken is in algemene zin betrouwbaar. De gesprekken zijn alle ten minste twee keer uitgeluisterd. Eventuele misslagen of discrepanties zijn hersteld. De door diverse verdachten aangedragen verklaring voor de inhoud van de opgenomen gesprekken, namelijk dat sprake was van een toneelstukje en sterke verhalen omdat zij wisten dat zij werden afgeluisterd, is volgens het Openbaar Ministerie volstrekt onaannemelijk.

Standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is in de diverse zaken bij wijze van verweer dan wel in het kader van onderzoekswensen, aangedragen dat de processen-verbaal met uitgewerkte OVC-gesprekken niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt nu de stemherkenningen en geverbaliseerde inhoud van de gesprekken mogelijk onbetrouwbaar zijn en de wijze van uitluisteren en verbaliseren mogelijk onrechtmatig.

Oordeel van de rechtbank.

In het navolgende zal de rechtbank achtereenvolgens haar oordeel geven over (1) de rechtmatigheid van de wijze van uitluisteren en verbaliseren van de OVC-gesprekken, (2) de betrouwbaarheid van de gedane stemherkenningen en de geverbaliseerde inhoud van de OVC-gesprekken en (3) de door diverse verdachten aangedragen verklaring voor de inhoud van die gesprekken, te weten dat zij zich ervan bewust waren dat zij werden afgeluisterd en dat sprake is van een toneelstukje en sterke verhalen waaraan geen waarde kan worden gehecht.

(1) De rechtmatigheid van de wijze van uitluisteren en verbaliseren van de OVC-gesprekken

Uit de processen-verbaal die dienaangaande door het Openbaar Ministerie aan het dossier zijn toegevoegd5 en de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , en hun teamleider, [verbalisant 4] , bij de rechter-commissaris,6 maakt de rechtbank het volgende op aangaande de werkwijze van uitluisteren en uitwerken van OVC-geluidsmateriaal.

De geluidsbestanden van OVC-gesprekken zijn door diverse verbalisanten een eerste keer beluisterd teneinde een inschatting te maken van de relevantie. Aanvankelijk heeft dit eerste uitluisteren tot (deels) woordelijke uitwerkingen van de beluisterde gesprekken geleid. In een latere fase, toen bleek dat het om een dermate groot aantal bestanden ging dat het woordelijk uitwerken van alle bestanden een te grote tijdsinvestering vergde, is gewerkt met een kortere samenvatting van de gesprekken. Aan de hand van deze eerste uitwerkingen en samenvattingen werd een onderscheid gemaakt tussen wel en niet relevant geluidsmateriaal. Indien nodig om de relevantie goed te beoordelen werd een gesprek voor een tweede maal beluisterd en nader uitgewerkt. Het geluidsmateriaal dat relevant werd geacht is vervolgens nogmaals (voor een tweede of derde maal) beluisterd ter controle op de juistheid van de stemherkenningen en de juistheid en volledigheid van de uitgewerkte spraak. In beginsel gebeurde dat door een ander dan degene die het gesprek oorspronkelijk had uitgewerkt. De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben dit nader uitluisteren en uitwerken uitgevoerd. Gaandeweg was namelijk gebleken dat zij beter dan andere verbalisanten in staat waren om te horen wat er werd gezegd in de opgenomen gesprekken. Als de eerdere uitwerking een samenvatting betrof dan vond dit nader uitwerken niet plaats aan de hand van die samenvatting, was de eerdere uitwerking een (deels) woordelijke uitwerking dan vond het nader uitwerken wel plaats aan de hand van de eerdere uitwerking. Om de juistheid van deze resultaten te waarborgen is het grootste deel van deze gesprekken nogmaals beluisterd door een van de andere twee van deze drie verbalisanten. Bij verschillen in de waarnemingen volgde overleg. Kwamen beide verbalisanten vervolgens tot een gelijkluidende slotsom over wat zij hoorden, dan is dat in de laatste versie van de uitwerking van het betreffende geluidsbestand opgenomen. Kwamen zij tot afwijkende conclusies dan is de desbetreffende passage als ‘onverstaanbaar’ aangemerkt.

De hier geschetste werkwijze is gaandeweg het onderzoek zo ontstaan. Van een formele interne werkinstructie is geen sprake.7 De intern ontwikkelde werkwijze is niet in alle gevallen gevolgd. In een aantal processen-verbaal is toegelicht wanneer en met betrekking tot welke gesprekken en uitwerkingen daarvan de werkwijze niet is gevolgd.8

De hiervoor genoemde verbalisant [verbalisant 3] blijkt tot 15 april 2021 niet bevoegd te zijn geweest als BOA.9 In maart 2021 kwam zij tot de ontdekking dat de verlenging van haar akte van opsporingsbevoegdheid niet was aangevraagd. Wel voldeed zij aan alle betrouwbaarheids- en bekwaamheidseisen en bezat zij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden.10 Op 15 april 2021 is verbalisant [verbalisant 3] alsnog beëdigd als BOA.11 In een proces-verbaal van 16 april 2021 heeft [verbalisant 3] een aantal stemherkenningen in eerdere transcripties gecorrigeerd.12 In een ambtsedig proces-verbaal van 9 mei 2021 heeft verbalisant [verbalisant 3] gerelateerd dat zij alle OVC-gesprekken waarvan de door haar uitgewerkte versie bij het dossier is gevoegd, opnieuw heeft beluisterd. Ook heeft zij gerelateerd dat zij in het overgrote deel van de gevallen tot dezelfde bevindingen kwam als in de transcripties die zij eerder heeft opgemaakt. Waar haar bevindingen afweken, heeft verbalisant [verbalisant 3] dat benoemd en toegelicht.13 Ook heeft verbalisant [verbalisant 3] in een ander proces-verbaal, eveneens van 9 mei 2021, gerelateerd dat zij na opnieuw beluisteren tot dezelfde stemherkenningen kwam als ten tijde van het eerdere uitluisteren.14 Ten slotte heeft verbalisant [verbalisant 3] in een proces-verbaal van 10 mei 2021 gerelateerd dat zij bij haar bevindingen in een zevental eerder opgemaakte processen-verbaal blijft.15

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat er geen formele regeling is aangaande de wijze waarop OVC- (of tap-)bestanden behoren te worden uitgeluisterd en waarop de inhoud schriftelijk wordt verwerkt. Aan de deskundigheid van een verbalisant die geluidsbestanden uitluistert en stemherkenningen doet, stelt de wet geen specifiek daarop betrekking hebbende formele vereisten. Ook gelden geen formele vereisten voor de wijze waarop het uitluisteren plaatsvindt, zoals het eenmaal of tweemaal beluisteren door verschillende verbalisanten of het gebruik van bepaalde apparatuur bij het uitluisteren, en evenmin gelden voor de verslaglegging speciaal daarop betrekking hebbende formele vereisten. In het bijzonder is, anders dan in enkele zaken door de verdediging is gesuggereerd, het bepaalde in artikel 15 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering niet van toepassing, nu niet is gebleken van een bewerking van (een kopie van) de opgeslagen signalen (lees: de OVC-geluidsbestanden). Het gebruiken van uitluisterapparatuur met – kort gezegd – een equalizer levert naar het oordeel van de rechtbank niet dergelijk bewerken op nu de vastgelegde signalen/bestanden zelf daarmee niet worden aangepast, maar slechts het geluid gedurende het uitluisteren. In die zin is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van enige onrechtmatigheid of vormverzuim.

De rechtbank stelt aangaande de bevoegdheid van verbalisant [verbalisant 3] vast dat zij tot 15 april 2021 niet bevoegd was als BOA en dat haar ambtsverrichtingen in die periode, in het bijzonder de eerdere transcripties die zij heeft opgemaakt, onbevoegd hebben plaatsgevonden. Na haar beëdiging heeft verbalisant [verbalisant 3] de geluidsbestanden die zij eerder onbevoegd heeft uitgeluisterd, geheel opnieuw uitgeluisterd, zo relateert zij. Ook heeft zij de relevante registraties opnieuw beluisterd ten behoeve van stemherkenningen en het verifiëren van eerdere bevindingen in diverse processen-verbaal. Haar bevindingen bij dat bevoegd opnieuw uitluisteren heeft zij gerelateerd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Daarin neemt zij, voor zover zij tot gelijke bevindingen komt, haar eerdere bevindingen over en maakt die opnieuw tot de hare. Voor zover zij tot andere bevindingen kwam, zijn die uitdrukkelijk gerelateerd. De rechtbank heeft geen reden om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. De rechtbank ziet de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en de eerder onbevoegd opgemaakte ‘processen-verbaal’ en transcripties als één geheel die gezamenlijk inhoudelijk en formeel hebben te gelden als processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het eerdere verzuim als gevolg van de onbevoegdheid van verbalisant [verbalisant 3] is daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, hersteld.

(2) De betrouwbaarheid van de gedane stemherkenningen en de geverbaliseerde inhoud van de OVC-gesprekken

De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in het algemeen hebben gerelateerd hoe zij tot stemherkenningen op de diverse geluidsbestanden zijn gekomen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat deze verbalisanten hun bevindingen omtrent de beluisterde gesprekken hebben neergelegd in ambtsedige processen-verbaal, zoals in het bijzonder voor [verbalisant 3] hiervoor nader is overwogen. In het merendeel van de gevallen worden die bevindingen onderschreven door (in elk geval) twee van genoemde verbalisanten ofwel omdat zij zonder meer hetzelfde hebben gehoord, ofwel omdat zij bij afwijkingen na overleg tot dezelfde slotsom zijn gekomen aangaande hetgeen zij hebben gehoord. Bij een beperkt deel van de in totaal ruim 800 uitgeluisterde gesprekken is niet geheel volgens de intern vastgestelde werkwijze gewerkt. In 38 gevallen werd de controle uitgevoerd door de oorspronkelijke uitwerker. In twaalf gevallen vond geen controle plaats en is het gesprek eenmalig beluisterd. In 39 gevallen vond de tweede beluistering plaats door een andere verbalisant dan [verbalisant 3] , [verbalisant 2] of [verbalisant 1] . In een proces-verbaal van bevindingen heeft [verbalisant 4] het voorgaande toegelicht. In de bijlagen bij dat proces-verbaal is inzichtelijk gemaakt voor welke geluidsbestanden het vorenstaande geldt en wie deze bestanden hebben uitgeluisterd en uitgewerkt.16

De rechtbank stelt daarnaast vast dat op latere momenten nog correcties op eerdere bevindingen zijn neergelegd in ambtsedige processen-verbaal.

Verder is relevant dat de verdediging in het kader van het zogeheten ‘grasduinen’ de beschikking heeft gekregen over alle geluidsbestanden. Deze bestanden zijn geen processtukken, maar zijn beschikbaar gesteld om de verdediging in staat te stellen de juistheid van de inhoud van de processen-verbaal waarin de waarnemingen van het uitluisteren door de verbalisanten zijn gerelateerd, te toetsen en om na te gaan of geluidsbestanden waarvan de inhoud niet in de vorm van een proces-verbaal (dus schriftelijk) in het dossier is gevoegd, toch relevant zijn voor de rechterlijke oordeelsvorming. In die gevallen heeft de verdediging de mogelijkheid gehad, en in enkele gevallen ook benut, om de rechtbank te verzoeken het desbetreffende geluidsbestand bij de stukken te voegen dan wel een schriftelijke uitwerking van het desbetreffende geluidsbestand te gelasten en die, al dan niet samen met het bestand zelf, bij de stukken te voegen. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat zij niet beschikt over en dus ook geen kennis heeft kunnen nemen van de niet aan het procesdossier toegevoegde grasduin-geluidsbestanden, met dien verstande dat enkele fragmenten van geluidsbestanden onderdeel zijn van de vier visualisaties die het Openbaar Ministerie als onderdeel van het requisitoir op zitting heeft vertoond. Deze visualisaties en daarmee de daarin opgenomen geluidsfragmenten zijn evenwel geen processtukken. De processen-verbaal waarin de desbetreffende passages schriftelijk zijn uitgewerkt zijn dat wel.

De rechtbank overweegt als volgt. Er is in het recht geen steun te vinden voor de zienswijze dat in de strafprocedure slechts gebruik kan/mag worden gemaakt van een door een deskundige gedane herkenning van een stem op een geluidsfragment of geluidsbestand. Niet gesteld kan worden dat stemherkenning op een niet-wetenschappelijk erkende wijze, door bijvoorbeeld een verbalisant, geen enkele waarde heeft. Van belang is dat het resultaat van een stemherkenning steeds (behoedzaam) zal moeten worden beoordeeld in het licht van het overig bewijsmateriaal dat voorhanden is. In deze zaak is van belang dat naast stemherkenningen in veel gevallen ook camerabeelden beschikbaar zijn zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld welke personen bij een opgenomen gesprek aanwezig waren en dus aan het woord kunnen zijn geweest. Daarnaast is door de verdediging slechts in een enkel geval gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te verzoeken een bepaald geluidsbestand bij de stukken te laten voegen. Verder zijn door de verdediging geen concrete stemherkenningen onderbouwd bestreden. Wel is, zij het slechts in enkele gevallen, bestreden dat inderdaad is gezegd wat door de verbalisant is gerelateerd.

Ten aanzien van verbalisant [verbalisant 3] overweegt de rechtbank dat zij na hernieuwde beëdiging, en dus bevoegd, al het eerder door haar uitgewerkte OVC-geluidsmateriaal opnieuw heeft beluisterd, en dat zij ten tijde van het formeel onbevoegd uitluisteren wel voldeed aan alle aan haar als BOA gestelde bekwaamheids- en betrouwbaarheidseisen.

Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om de stemherkenningen en uitgewerkte gesprekken categorisch als onbetrouwbaar aan te merken en om die reden uit te sluiten van het bewijs. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van die stemherkenningen en uitwerkingen in die gevallen waarin het onderliggende geluidsbestand niet tot de processtukken behoort. In gevallen waarin dat wel zo is, zal de rechtbank – voor zover zij het desbetreffende proces-verbaal als bewijsmiddel zou willen bezigen – bij de bespreking van het bewijs voor de ten laste gelegde feiten ingaan op de betrouwbaarheid en juistheid van de inhoud ervan.

(3) De door diverse verdachten aangedragen verklaring voor de inhoud van die gesprekken

Door een aantal verdachten is in de verhoren bij de rechter-commissaris verklaard dat zij wisten dat zij werden afgeluisterd en dat wat zij bespraken, en dus via de OVC-opnamen te horen is, niet meer is dan een toneelstukje en sterke verhalen mede met het doel om de politie uit de tent te lokken. Aan de inhoud van die gesprekken kan daarom geen waarde worden gehecht.

De rechtbank gaat voorbij aan deze verklaring voor de belastende inhoud van de opgenomen gesprekken.

Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de inhoud van de gesprekken ondersteuning vindt in ander bewijsmateriaal, zoals observaties van de politie, camerabeelden, aangetroffen voorwerpen, in het bijzonder diverse verdovende middelen en wapens, en – in sommige gevallen – getuigenverklaringen. Dat bewijsmateriaal wijst in veel gevallen op een gang van zaken in de diverse zaakdossiers die (veelal naadloos) overeenkomt met hetgeen door de verdachten in OVC-gesprekken is besproken. Met de lezing dat sprake is van een toneelstukje en sterke verhalen is voor die overeenkomsten tussen het besprokene en de feitelijke gang van zaken nog geen begin van een aannemelijke verklaring gegeven.

Ten tweede zou deze alternatieve lezing betekenen dat een groot aantal personen, niet alleen de verdachten van wie de strafzaak in onderhavig onderzoek Noord is behandeld, maar ook diverse andere medeverdachten en andere personen die te horen zijn in de OVC-gesprekken, dit toneelstukje als volleerd acteur hebben meegespeeld zonder dat daarvan iets te horen is op de OVC-gesprekken, te zien is op de camerabeelden of geobserveerd is door observatieteams en zonder dat van enige coördinatie of repetitie van dat toneelstukje is gebleken.

De rechtbank schuift deze alternatieve lezing op grond van het voorgaande als volstrekt onaannemelijk terzijde. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij waar nodig op andere verklaringen met een alternatieve uitleg voor de inhoud van bepaalde gesprekken - zoals: dat die gesprekken niet over verdovende middelen gingen, maar over Himalayazout of kandijsuiker, noch over echte wapens, maar over airsoft-, paintball-, dan wel gas- of luchtdrukwapens - in zal gaan bij de bespreking van het zaakdossier waar die verklaringen op zien.

III. Bespreking doorlaatverbod

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Er is geen sprake van een schending van het doorlaatverbod. Dat er in de schuur regelmatig vuurwapens en/of drugs aanwezig waren, betekent nog niet dat aanwijzingen bestonden die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel lieten dat bij een doorzoeking op dat moment op die plek wapens en/of verdovende middelen ter inbeslagneming zouden worden aangetroffen. Er was dan ook geen verplichting om in te grijpen. Daarnaast beoogt het doorlaatverbod een maatschappelijk belang, te weten dat gevaarlijke en/of schadelijke voorwerpen uit het verkeer worden gehaald. Dit betreft geen belang waarop een verdachte zich kan beroepen.

Standpunt van de verdediging.

Onder verwijzing naar de zogenaamde Karman-criteria heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een flagrante schending van het doorlaatverbod. Hoewel de schuur gedurende een lange periode met gebruikmaking van OVC-apparatuur en camera’s is afgeluisterd en geobserveerd en het Openbaar Ministerie van mening is dat daar gedurende de afluisterperiode strafbare feiten zijn gepleegd, heeft de politie of het Openbaar Ministerie nooit ingegrepen. Volgens de verdediging is hierbij relevant het antwoord op de vraag of er live werd afgeluisterd/geobserveerd.

Oordeel van de rechtbank.

Toetsingskader

Het verbod op doorlaten is geregeld in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Hieruit volgt – kort gezegd – een verplichting tot inbeslagneming voor de politie bij wetenschap van de vindplaats van (kort gezegd) verboden voorwerpen zoals verdovende middelen en vuurwapens. In het tweede lid van artikel 126ff Sv is een uitzondering op de verplichting tot inbeslagneming geformuleerd in het geval van zwaarwichtige opsporingsbelangen.

Uit de wetsgeschiedenis en vaste jurisprudentie volgt dat dit verbod primair dient ter bescherming van de samenleving tegen gevaarlijke stoffen en dat deze bepaling niet in het leven is geroepen in het belang van de verdachte (Schutznorm). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in “dit geval kan worden vastgesteld dat het rechtsbelang dat naast de integriteit van de opsporing primair door het onderhavige verbod wordt gediend, dat van de slachtoffers van gevaarlijke stoffen is. Drugs kunnen (moeten) worden inbeslaggenomen en onttrokken aan het verkeer omdat zij een risico voor de volksgezondheid zijn. Dat maakt het minder aannemelijk, dat handelen in strijd met het verbod op doorlaten tot bewijsuitsluiting leidt. Het valt de samenleving moeilijk uit te leggen waarom schending van een regel die in het belang van de volksgezondheid is opgesteld, degene vrijpleit die van een grove schending van dat belang verdacht wordt. De sanctie op schending van het verbod op doorlaten zal voor het overige, gelet op het voorgaande, vooral binnen het openbaar ministerie gerealiseerd moeten worden.” (Kamerstukken II 1997-1998, 25403, nr. 7

(Nota naar aanleiding van het verslag)

Vervolgens heeft de Hoge Raad (HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD9915) – op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 126ff Sv constaterend dat de bepaling niet in het leven is geroepen in het belang van de verdachte – geoordeeld dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. Vorenstaande brengt mee dat indien door verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in artikel 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad (o.m. HR 1 juli 1999, NJ1999,567 Karman; HR 3 juli 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB2732) kan weliswaar worden afgeleid dat het feit dat verdachte door een vormverzuim of onrechtmatig optreden van een opsporings- of vervolgingsambtenaar niet in zijn belang is geschaad, een (geslaagd) beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens zulk vormverzuim of onrechtmatigheid niet uitsluit, maar een dergelijk beroep kan slechts opgaan wanneer er is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

Uit jurisprudentie kan voorts worden gedestilleerd dat de in artikel 126ff Sv genoemde wetenschap omtrent de vindplaats van de voorwerpen minst genomen een voldoende mate van zekerheid vereist over zowel de aard van de voorwerpen als de vindplaats op het tijdstip van inbeslagneming.

Overwegingen rechtbank

Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het toetsingskader van artikel 126ff Sv blijkt dat het doorlaatverbod met name ziet op de belangen van de volksgezondheid en maatschappelijke veiligheid, en niet zozeer – althans niet in de kern – op de belangen van het strafproces. In het verlengde daarvan ziet de rechtbank niet hoe bij een schending van het verbod op doorlaten het wettelijk systeem in de kern geraakt zou kunnen zijn. De rechtbank vindt hiervoor ondersteuning in de omstandigheid dat het tweede lid van artikel 126ff Sv in beginsel de mogelijkheid van doorlaten – weliswaar slechts in bepaalde omstandigheden en in door het Openbaar Ministerie en de minister van veiligheid en justitie te controleren gevallen – biedt.

Dit betekent dat verdachte door de gestelde schending van het doorlaatverbod hoe dan ook niet in zijn belang wordt of kan worden geraakt en geen sprake is van een handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of er sprake is geweest van het live uitluisteren/meekijken en/of er op die momenten voldoende wetenschap bestond van het aanwezig/voorhanden hebben van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen als bedoeld in artikel 126ff Sv, onbesproken kan blijven.

De rechtbank concludeert dat hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht met betrekking van het doorlaatverbod geen doel treft.

IV. Bespreking ‘trial by media’

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat zij en de politie een afgewogen mediabeleid hebben gevoerd. Er is gehandeld in lijn met de geldende Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van 1 mei 2012 van het College van procureurs-generaal. Tijdens de fase van de beperkingen is slechts feitelijke informatie over het onderzoek verstrekt. Na de beëindiging van de beperkingen is ook een tweetal interviews gegeven om meer context en duiding te geven aan het opsporingsonderzoek. Dit is gedaan om de burger te informeren. Op geen enkele wijze is door de politie en het Openbaar Ministerie communicatie bewust ingezet om de gehele familie [familienaam] zwart af te schilderen in de media.

Standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat sprake is (geweest) van een ‘trial by media’. De verdediging wijst in dit kader op de persberichten en tweets van het Openbaar Ministerie, maar ook op de uitlatingen van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant tijdens een Nieuwsuur-uitzending van 15 december 2019. Verder is gewezen op de media-aandacht tijdens de zittingen en publicaties door de pers.

Volgens de verdediging heeft het Openbaar Ministerie de communicatie doelbewust ingezet om de gehele familie [familienaam] zwart af te schilderen in de media, dit in weerwil van de toepasselijke communicatierichtlijnen en de betreffende jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Onder verwijzing naar het rapport ‘Sluipend gif’17 is aangevoerd dat sprake is geweest van ‘framing’ en ‘naming and shaming’. Er is ten onrechte steeds gesproken over ‘een crimineel familienetwerk’ en ‘ [locatie] ’, maar ook over bedreigingen en brandstichting, terwijl die verwijten niet zijn tenlastegelegd. Ook heeft het Openbaar Ministerie bewust op bepaalde momenten (voorafgaande aan zittingsdagen) en met veel bombarie ‘nieuwe’ informatie naar buiten gebracht, terwijl deze informatie al bekend was bij alle procespartijen.

De verdediging concludeert dat door het gevoerde mediabeleid, het recht op een eerlijk proces zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM en in het bijzonder de daarin gewaarborgde onschuldspresumptie, zijn geschonden. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie dient te volgen, aldus de verdediging.

Oordeel van de rechtbank.

Het is de rechtbank niet ontgaan dat dit strafrechtelijk onderzoek, bekend onder de naam operatie Alfa, de nodige landelijke en lokale media-aandacht heeft gekregen. Op alle zittingsdagen heeft de schrijvende pers plaatsgenomen op de publieke tribune en op sommige zittingsdagen zijn er ook camera’s aanwezig geweest in de zittingszaal. Er verschenen ook met regelmaat (pers)berichten en tweets over het strafrechtelijk onderzoek en het verloop van de zaak op zitting, zoals door de verdediging onder de aandacht is gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen inherent aan het (straf)recht dat zaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen en aanvaardbaar is dat het Openbaar Ministerie ook het publiek informeert over strafrechtelijke onderzoeken. Zo ook in deze strafzaak. Te allen tijde heeft echter te gelden dat eenieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, dit is de zogenaamde onschuldpresumptie.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of, gelet op het strafproces als geheel, de media-aandacht in deze zaak en in het bijzonder het optreden van het Openbaar Ministerie, van dien aard zijn geweest dat daardoor het recht op een eerlijk proces geweld is aangedaan. En zo ja, of dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden.

Bij deze beoordeling stelt de rechtbank voorop dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Zoals verwoord door de Hoge Raad: “Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het EHRM – ‘the proceedings as a whole were not fair’.”18

Blijkens de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging die gold tot 1 september 2020 hanteerde het Openbaar Ministerie een (pro)actief en alert voorlichtingsbeleid, waarbij de hele bandbreedte aan communicatiemiddelen kon worden ingezet, inclusief het internet en de sociale media. Dit om de burger tijdig te informeren over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken. Blijkens de nieuwe Aanwijzing die op 1 september 2020 in werking is getreden, is het gericht en actief communiceren over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken nog steeds doel van het communicatiebeleid van het Openbaar Ministerie.

Het komt de rechtbank daarom in beginsel niet vreemd of ongebruikelijk voor dat bij een zaak met de omvang en aard als operatie Alfa er gebruik wordt gemaakt van verschillende mediavormen om het publiek op verschillende momenten te voorzien van informatie. Bij het gebruik van die media dient wel een hoge mate van zorgvuldigheid dan wel terughoudendheid te worden betracht, zo valt te lezen in de Aanwijzingen en in diverse relevante uitspraken van het EHRM.19

De rechtbank komt nu toe aan het bespreken van de persberichten, tweets en uitlatingen van het Openbaar Ministerie.

Gelet op de inhoud en [medeverdachte 3] van de door de verdediging aangehaalde persberichten20 en tweets van het Openbaar Ministerie (voor zover deze deel uitmaken van het strafdossier), komt de rechtbank tot het oordeel dat deze berichten met name feitelijke en zoveel mogelijk geanonimiseerde informatie bevatten. Ook is het aantal persberichten, namelijk twintig in een periode van anderhalf jaar, niet excessief te noemen. Dat geldt eveneens voor het aantal tweets; doorgaans zo’n twee per zittingsdag. Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de berichtgeving vanuit het Openbaar Ministerie erop gericht is geweest om de burger van informatie te voorzien mede als onderbouwing en verheldering van de ondernomen opsporings- en vervolgingshandelingen, niet om op bewuste of stelselmatige wijze één familie zwart te maken. De gedane uitlatingen van voornoemde hoofdofficier van justitie tijdens Nieuwsuur leiden niet tot een ander oordeel. Hoewel de keuze om specifiek te spreken over een ‘familie’ naar de smaak van de rechtbank niet nodig was geweest, kan niet worden geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie door de uitlatingen tijdens de uitzending ook een verwijt in juridische zin valt te maken. Die laatste conclusie geldt eveneens ten aanzien van het noemen van verwijten die tijdens het opsporingstraject een rol hebben gespeeld, maar die bij de uiteindelijke vervolgingsbeslissing niet als zelfstandig feit in de tenlastelegging zijn opgenomen. Bij het gebruik van de media heeft het Openbaar Ministerie voldoende zorgvuldigheid betracht, zo luidt de tussenconclusie van de rechtbank.

Zoals hiervoor opgemerkt dient het proces als geheel te worden beoordeeld. De rechtbank betrekt voorts bij haar afweging het gegeven dat de voorzitter het verzoek van de verdachten om zowel visueel als auditief niet opgenomen te worden, telkens heeft ingewilligd om tegemoet te komen aan de privacybelangen van de verdachten

Dit alles leidt tot de conclusie dat de vragen of het recht op een eerlijk proces is geschonden, en of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, ontkennend worden beantwoord. Het verweer wordt verworpen.

Nu de rechtbank niet tot de conclusie komt dat door het Openbaar Ministerie of de politie onrechtmatig is gehandeld waar het gaat om uitlatingen in de pers of via sociale media, ziet de rechtbank – ambtshalve – ook geen reden om op deze grond tot strafvermindering over te gaan.

Getuige [getuige 1] . (feiten 1, 2 en 3)

De rechtbank heeft op de zitting van 16 oktober 2020 het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] , Belgisch onderdaan en woonachtig in België, toegewezen en bepaald dat hij bij de rechter-commissaris wordt gehoord. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen (niet gedateerd) en een e-mailbericht d.d. 18 februari 2021 van rechter-commissaris mr. [persoon 2] waaruit volgt – kort gezegd – dat [getuige 1] ondanks vele inspanningen niet gehoord is. Blijkens bericht van de Belgische onderzoeksrechter is [getuige 1] niet bereid mee te werken en is hij niet verplicht om na dagvaarding voor de onderzoeksrechter te verschijnen, een verklaring af te leggen of om zijn medewerking te verlenen. De rechter-commissaris ziet geen verdere mogelijkheden om aan de opdracht van de rechtbank te voldoen. De rechtbank heeft [getuige 1] vervolgens voor de zittingen van 17 mei 2021 en 25 mei 2021 opgeroepen om als getuige ter terechtzitting te verschijnen. [getuige 1] heeft hieraan telkens geen gevolg gegeven. De verdediging heeft geen afstand van de getuige gedaan. Bij de huidige stand acht de rechtbank het onaannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. De rechtbank zal daarom dan ook afzien van de hernieuwde oproeping van de op Belgisch grondgebied woonachtige getuige [getuige 1] . Nu de rechtbank de door [getuige 1] bij de politie (in België) afgelegde verklaring niet voor het bewijs bezigt, heeft dit geen gevolgen voor de eerlijkheid van de procedure.

Bewijs.

Bewijsbijlage

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud van de bewijsbijlage dient als hier herhaald en ingelast

te worden beschouwd. De bewijsmiddelen van de bewezenverklaarde feiten dienen in onderlinge samenhang en (tijds)verband te worden beschouwd.

De beschuldigingen.

[verdachte] wordt ervan beschuldigd als leider te hebben deelgenomen aan een criminele (drugs-) organisatie (feit 9) en dat hij in dat verband telkens als medepleger betrokken is geweest bij – kort gezegd – de import van circa 315 kilo cocaïne (feit 1), voorbereidings-handelingen ten behoeve van genoemde import (feit 2), de import van 1561 kilo cocaïne (feit 3), het vervoer van circa 99 kilo MDMA (feit 4), de bewerking en verwerking van MDMA en/of metamfetamine dan wel voorbereidingshandelingen daartoe (feit 5), de bewerking en verwerking van cocaïne (feit 6), het witwassen van € 700.000,= en een woning aan de [adres 3] (feit 7) en de handel in en het voorhanden hebben van wapens en munitie (feit 8).

De rechtbank komt nu toe aan de bespreking van deze beschuldigingen. De rechtbank acht het voor een inzichtelijke bespreking wenselijk om als eerste te beoordelen of er sprake was van een criminele (drugs)organisatie en zo ja, hoe deze te werk ging en wie daaraan hebben deelgenomen.

feit 9 deelneming aan criminele organisatie (ZD07)

Inleiding.

Het onderzoek Noord – bestaande uit meerdere deelonderzoeken waaronder Calabrese en Garborone – is in 2017 gestart naar aanleiding van de verdenking dat een aantal leden van de familie [familienaam] zich op grote schaal zou bezig houden met strafbare feiten, waaronder misdrijven uit de Opiumwet. Nadien vergaarde de politie meer informatie waaruit de verdenking naar voren kwam dat ook andere misdrijven werden begaan waarbij ook anderen betrokken waren en die zouden worden begaan in georganiseerd verband. Vervolgens is in het onderzoek veelvuldig gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden waarvan met name de observatie met behulp van een camera en het opnemen van vertrouwelijke communicatie op meerdere locaties een belangrijk deel van de onderzoeksresultaten hebben opgeleverd.

De uit het opsporingsonderzoek voortgekomen bevindingen hebben geleid tot meerdere doorzoekingen waarbij vele (vuur)wapens, verdovende middelen en ten behoeve van de productie van synthetische drugs benodigde grondstoffen en voorwerpen in beslag zijn genomen, alsmede tot de aanhouding van verdachten, waaronder [verdachte] , en uiteindelijk tot de gelijktijdige vervolging van [verdachte] en (aanvankelijk) 14 medeverdachten ter zake van met name misdrijven uit de Opiumwet, Wet wapens en munitie en witwassen.

Aan elk van de nu nog, na afsplitsing van de zaak tegen [medeverdachte 1] , 14 verdachten is – naast een aantal misdrijven ter zake van de betrokkenheid bij concrete delicten ‒ overtreding van artikel 140 Sr en/of artikel 11b van de Opiumwet ten laste gelegd: de deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (al dan niet uit de Opiumwet), waarbij de organisatie wordt gevormd door de 15 verdachten. Aan [verdachte] is daarbij ten laste gelegd dat hij leider was van deze criminele organisatie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir d.d. 17 juni 2021.

Standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen zaakinhoudelijke verweren gevoerd.

Bewijsoverweging rechtbank.

Juridisch kader.

Met de strafbaarstelling van artikel 140 Sr c.q. artikel 11b van de Opiumwet wordt beoogd de samenleving te beschermen tegen het gevaar dat uitgaat van organisaties die als doel hebben het plegen van (al dan niet bij de Opiumwet strafbaar gestelde) misdrijven. De deelneming aan een dergelijke organisatie wordt als zelfstandig feit strafbaar gesteld. In dat kader dient vast komen te staan dat de organisatie een samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon betrof met een zekere duurzaamheid en structuur, die het oogmerk had misdrijven te plegen, waarbij de misdrijven die in het kader van de organisatie (reeds) gepleegd zijn en het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking van betekenis kunnen zijn.

Het binnen de organisatie bestaan van gemeenschappelijke regels, van een bepaalde hiërarchie en/of geledingen, het voeren van overleg en bijvoorbeeld een gezamenlijke besluitvorming en een taakverdeling kunnen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.

Voor de vaststelling dat sprake is van een dergelijke organisatie is niet vereist dat de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, daadwerkelijk zijn gepleegd dan wel dat pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Voor de beoordeling van de deelneming aan een dergelijke organisatie is niet bepalend of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Evenmin hoeft vast komen te staan dat een deelnemer heeft samengewerkt of bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Voorts is niet vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de concrete, door de organisatie beoogde misdrijven, dan wel wetenschap heeft gehad van enig vanuit de organisatie begaan concreet misdrijf. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (voorwaardelijk) opzettelijke deelneming aan die organisatie. Daartoe dient vast komen te staan dat hij binnen de organisatie gedurende zekere tijd heeft samengewerkt met ten minste een van de andere deelnemers aan de organisatie en dat hij in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Die samenwerking dient voorts te hebben bestaan uit het hebben van een aandeel in, of het leveren van een bijdrage aan gedragingen, die strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Oordeel rechtbank.

De rechtbank is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin, bestaande uit [verdachte] ( [verdachte] ; ook wel genoemd “ [verdachte] ”; bijnamen “ [verdachte] ”, “ [verdachte] ”), [medeverdachte 9] ( [medeverdachte 9] ; ook wel genoemd [medeverdachte 9] ), [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ; bijnaam “ [medeverdachte 1] ”), [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 3] ; ook wel genoemd [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) ( [medeverdachte 3] ; ook wel genoemd [medeverdachte 3] “ [medeverdachte 3] ”), [medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ; ook wel genoemd [medeverdachte 4] ”), [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) ( [medeverdachte 3] ; ook wel genoemd [medeverdachte 3] “ [medeverdachte 4] ”; bijnaam “ [medeverdachte 4] ”), [medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ; bijnaam “ [medeverdachte 7] ”), [medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ; ook wel genoemd “ [medeverdachte 8] ”), [medeverdachte 10] ( [medeverdachte 10] ), [medeverdachte 11] ( [medeverdachte 11] , ook wel [medeverdachte 11] , [medeverdachte 11] ), [medeverdachte 12] ( [medeverdachte 12] ; ook wel genoemd “ [medeverdachte 12] ”),

[medeverdachte 13] ( [medeverdachte 13] ) en [medeverdachte 14] ( [medeverdachte 14] ) (deze personen hierna ook wel te noemen: CSV-deelnemers) en overweegt daartoe het volgende.

De schuur en het kantoor.

Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet de rechtbank het gebruik van de schuur achter het pand [adres 4] , zijnde de woning van [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 10] . In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke, door middel van een deur afsluitbare ruimte. Deze ruimte was ingericht met een grote tafel met stoelen en een zitje met twee zitbanken, en voorzien van een keukenblok met koffieapparaat, vaatwasser, koelkast en radio. Tevens hingen in die ruimte beeldschermen waarop beelden te zien waren van de camera’s die zicht gaven op het terrein aan de achterzijde van de schuur. Uit de vele opgenomen OVC-gesprekken en camerabeelden is gebleken dat alle CSV-deelnemers vrije toegang hadden tot die ruimte en dat daarin veelvuldig overleg plaatsvond tussen CSV-deelnemers onderling in wisselende samenstelling en tussen CSV-deelnemers en andere bezoekers. Door [verdachte] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 9] en [medeverdachte 6] werd die ruimte ook wel aangeduid als het “kantoor”.

De rechtbank beschouwt die ruimte als het epicentrum van het CSV aangezien daar veelvuldig overleg plaatsvond, veelal in verband met gepleegde of beraamde strafbare feiten, in een ruimte waarin men zich afgezonderd wist van en daarmee beschermd waande tegen de buitenwereld. De schuur was immers niet zomaar onbespied te benaderen nu er aan de voorzijde van de woning [adres 4] camera’s waren geïnstalleerd en het terrein aan de achterzijde van de schuur ook via camera’s in beeld werd gebracht. Het besloten karakter van het “kantoor” bleek ook uit de omstandigheid dat – nadat afluisterapparatuur van de politie was aangetroffen – ervoor werd gezorgd dat de schuur door een professioneel bedrijf werd gesweept om er zeker van te zijn dat er geen afluisterapparatuur aanwezig zou zijn en men weer veilig gebruik kon maken van de ruimte. Het belang van het “kantoor” als centraal punt binnen de organisatie blijkt eens temeer uit de omstandigheid dat rondom en in de directe nabijheid van de schuur op verscheidene plaatsen voorwerpen en stoffen werden opgeslagen en verborgen die in relatie stonden met de strafbare feiten waarover in het “kantoor” werd gesproken. Zo werden tijdens doorzoekingen een groot aantal vuurwapens, verdovende middelen en stoffen en voorwerpen die bij de productie en verwerking van verdovende middelen gebruikt kunnen worden, aangetroffen in een ondergrondse ruimte (gelegen aan de achterzijde van de schuur) en in en onder voertuigen en goederen die gestald waren op het (sloop)terrein op het [locatie] aan de [adres 4] . Vanuit het “kantoor” kon men min of meer direct beschikken over de opgeslagen goederen.

Andere centrale locaties.

Naast de schuur met daarin het kantoor waarop de rechtbank in de vorige paragraaf is ingegaan, zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV-deelnemers.

Het gaat dan ten eerste om het bedrijfsterrein van Transportbedrijf [bedrijf 3] aan de [adres 1] . Naar dit bedrijfsterrein wordt de in de nacht van 31 maart op 1 april 2019 gestolen container met schroot, waarvan de betrokken CSV-deelnemers vermoeden dat er verdovende middelen in zitten, vervoerd, alwaar de container wordt opengeslepen/-gesneden om de blokken schroot eruit te halen. Het voorgaande is opgenomen in zaakdossier (hierna: ZD) 03. Ook op andere momenten worden goederen door CSV-leden opgeslagen op het bedrijfsterrein of worden goederen die aan hen te relateren zijn daar afgeleverd of aangetroffen. Op 18 november 2019 werd op deze locatie een doorzoeking verricht. In enkele zeecontainers werden grote hoeveelheden stoffen en voorwerpen aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij de productie van synthetische drugs. Dit is vastgelegd in ZD10.

Verder ziet de rechtbank de locatie aan de [adres 2] als een locatie die op diverse manieren in gebruik is geweest bij de CSV-deelnemers. Deze locatie komt naar voren in ZD01, ZD03, ZD05 en ZD14. In ZD01 is dit slechts zijdelings het geval. In ZD03 worden de hiervoor gememoreerde blokken schroot die op de locatie aan de [adres 1] uit de container zijn gehaald, vervolgens vervoerd naar de locatie aan de [adres 2] . Daar wordt door diverse CSV-leden geprobeerd om de geperste blokken schroot te openen. In ZD05 komt naar voren dat een Mercedes-Benz Sprinter door CSV-leden op de locatie aan de [adres 2] wordt geparkeerd. Bij de doorzoeking aldaar op 21 november 2019 wordt dit voertuig in beslag genomen waarna bij nader onderzoek ervan achter een dubbele wand grote aantallen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie in het voertuig worden aangetroffen. In ZD14 speelt de locatie aan de [adres 2] een centrale rol. Tijdens diverse inkijkoperaties en later bij doorzoeking ervan worden in de bij CSV-leden in gebruik zijnde loods gestolen voertuigen en onderdelen daarvan aangetroffen. Het voorgaande is als heling aan [medeverdachte 4] ten laste gelegd. In ZD14 komt naar voren dat de loods op deze locatie ook bij de zoons van [medeverdachte 4] , te weten [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 2] ) en [persoon 3] , in gebruik is. In dat zaakdossier komt ook naar voren dat de loods eigendom is van de heer [persoon 4] en via een verhullende constructie wordt gehuurd door [persoon 5] . Deze [persoon 5] fungeert als katvanger voor [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ). Hoewel de rechtbank, zoals hierna nog is te lezen, bij de beoordeling van de deelneming aan de organisatie door [medeverdachte 4] niet de hem ten laste gelegde gewoonteheling betrekt, omdat het plegen van heling niet als oogmerk van de criminele organisatie is ten laste gelegd en uit de processtukken niet is op te maken dat de heling met betrekking tot de hem onder feit 2 ten laste gelegde goederen in een zodanig verband staat tot het wél ten laste gelegde plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, draagt hetgeen in ZD14 is opgenomen wel bij aan het oordeel dat de locatie aan de [adres 2] in gebruik is bij het CSV en diverse leden daarvan.

Samenwerkingsverband.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het samen beramen,

(voor-)bespreken, plannen, plegen en nabespreken van uit te voeren en uitgevoerde strafbare feiten in het geheim en binnen een beperkte kring van personen, in vertrouwelijkheid pleegt te geschieden, een en ander teneinde ontdekking van illegale praktijken te voorkomen en strafvervolging te ontlopen.

Op zeer veel momenten in de ten laste gelegde periode van ruim anderhalf jaar is aan de hand van OVC-gesprekken en camerabeelden van de schuur te constateren dat CSV-deelnemers – kennelijk naar believen – de schuur en het kantoor in en uit liepen en aanwezig waren bij en ook deelnamen aan gesprekken waarbij in wisselende samenstellingen gesproken werd over strafbare feiten dan wel waarbij verdovende middelen en/of (vuur)wapens voorhanden waren.

Uit het gegeven dat personen kennelijk de toegang werd toegestaan tot het “kantoor” waar strafbare feiten werden besproken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat hen kennelijk een bijzondere positie toekwam als personen in wie vertrouwen werd gesteld, en die daarmee zijn aan te merken als ingewijden van de (groep van) gebruiker(s) van het “kantoor”. In zoverre maakten zij dan ook deel uit van die groep.

Aan de onderlinge binding draagt naar het oordeel van de rechtbank voorts nog bij de omstandigheid dat 12 van de 15 CSV-deelnemers familiebanden met elkaar hebben. Slechts [medeverdachte 11] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 12] zijn geen familie: [medeverdachte 11] is naar eigen zeggen al 20 jaar bevriend met [verdachte] ; [medeverdachte 12] is bevriend met [medeverdachte 2] ; [medeverdachte 1] is geïntroduceerd door [medeverdachte 14] .

De hiervoor samenvattend omschreven functie van het “kantoor” en de wijze waarop door de CSV-deelnemers van “het kantoor” gebruik werd gemaakt is naar het oordeel van de rechtbank zowel een sterke aanwijzing voor het bestaan van een organisatie met een bepaalde duurzaamheid en structuur, als een indicatie voor het behoren bij die organisatie van degenen die vrijelijk toegang hadden tot die schuur en daar aanwezig konden zijn bij gesprekken. Daar komt voor de CSV-deelnemers nog bij hetgeen hierna nog wordt overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van de diverse verdachten bij de afzonderlijk ten laste gelegde in het kader van de criminele organisatie begane strafbare feiten. Voor zover hierna ter zake van die feiten bewezen verklaard, vormt die betrokkenheid eveneens een belangrijke aanwijzing voor zowel het behoren bij, als het deelnemen aan de criminele organisatie.

Dat er sprake was van een groepering – de “kwaaiste groep van Nederland” zoals [medeverdachte 1] het benoemde, “die ons allemaal vrezen, ze weten goed wie wij zijn…” – of een samenwerkingsverband dat als een besloten entiteit moet worden beschouwd, blijkt ook uit de uitlatingen die werden gedaan op het moment dat er onenigheid was ontstaan tussen [medeverdachte 14] en [verdachte] , en werd besloten dat [medeverdachte 14] de groep zou verlaten en dat er dan nog financieel afgerekend zou worden, maar waar [verdachte] nog wel aan toevoegde: “maar eruit, nooit meer erin, he! Hallo en Goeiendag, maar nooit meer er terug in.”

Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie.

Naast het gebruik van “het kantoor” als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaats vond, draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur.

[verdachte] werd als baas binnen de organisatie gezien. In OVC-gesprekken wordt hij door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] expliciet aangeduid met “de baas” respectievelijk “de grote baas”. Ook de Belgische getuige [getuige 2] heeft het over “een criminele organisatie in Oss, geleid door “ [verdachte] ”, zoals hij [verdachte] aanduidt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het uit de bewijsmiddelen blijkende optreden van [verdachte] ook onmiskenbaar dat hij sturend, initiërend, beslissend en leidend optreedt en dat aan hem verantwoording wordt afgelegd en dat hij anderen beoordeelt. Zo geeft hij in ZD03 (import van 315 kg cocaïne) aan [medeverdachte 6] concrete instructies om de telefoon aan te nemen of om personen op te bellen en vertelt hij hem wat hij precies moet zeggen. In ZD02 besluit hij een container garnalen in de haven van Antwerpen te gaan weghalen waar volgens hem “iets” (klaarblijkelijk worden daarmee verdovende middelen bedoeld) in zit. Blijkens een OVC-gesprek van 16 augustus 2019 veroordeelt hij de wijze waarop een aantal CSV-deelnemers gebruik hebben gemaakt van een vrachtauto (“dan ben je het doodslaan nog niet waard”). Daarnaast legt [medeverdachte 10] aan hem verantwoording af over de financiën en de door haar beheerde pot geld door uitleg te geven wie wat uit de pot verkregen heeft en dat zij met betrekking tot de financiën slechts uitvoert wat hij haar opdraagt. Bij overleggen in het “kantoor” blijkt [verdachte] ook in de positie te zijn om personen uit het overleg weg te sturen wanneer hem dat geraden voorkomt.

Daarnaast was [verdachte] veelal ook het aanspreekpunt voor personen buiten de organisatie waarmee zaken werden gedaan. Zo bleek hij voor de personen uit België met wie hij samenwerkte (zoals [getuige 2] , [persoon 6] en [persoon 7] ) degene met wie overleg werd gevoerd en degene die zaken financierde.

Naast een duidelijke rol van [verdachte] als leider van het samenwerkingsverband blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. Zoals hiervoor al kort is aangestipt (en uitgebreider aan de orde zal komen bij de bespreking van ZD06) beheerde [medeverdachte 10] in haar woning aan de [adres 4] het contante geld; door CSV-deelnemers “de pot” genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV-deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [verdachte] . Ook anderen waren van die administratie op de hoogte, zoals [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) en [medeverdachte 4] die een deel van de pot claimden en welke laatste verdachte in een OVC-gesprek met [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) verzocht om verstrekking van die notities met betrekking tot de pot (“waar we voor geleefd hebben en gesjouwd en gehaald…”) ter controle van gedane uitgaven. Het beheer van de pot en de boekhouding deed [medeverdachte 10] samen met haar man, [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ). Zo controleerden zij samen de boekhouding, telden zij samen het geld en werd de pot in hun gemeenschappelijke woning bewaard c.q. verborgen. In ZD06, dat in het bijzonder betrekking heeft op deze rol van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), is te lezen dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachten aan de [adres 4] op 14 november 2019 in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen zijn gevonden. [verdachte] noemde [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) ook wel de kassier aan wie geld (in verband met gesloten transacties) afgedragen kon worden. Andere deelnemers, onder wie verdachte, waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [medeverdachte 10] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [verdachte] daaruit zelf geldbedragen haalden.

Naast deze financiële taak stelden [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 10] de tot hun woning aan de [adres 4] behorende schuur – gelet op de inrichting: structureel - ter beschikking om als “kantoor” te dienen.

In het kader van de taakverdeling ziet de rechtbank ook een specifieke rol binnen de organisatie toebedeeld aan [medeverdachte 1] , te weten als degene die zich met name toelegde op (vuur)wapens. Uit de vele OVC-gesprekken en camerabeelden is op te maken dat hij meerdere malen wapens meenam naar de schuur aan de [adres 4] en dat hij daarover sprak met anderen. Ook vertelde hij in bijzijn van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 2] dat hij nu iets meer dan een jaar op kantoor kwam en dat hij bij hen was gekomen, met die dingen, met die wapens, en dat hij vroeger een korter lontje had. Een tijd later vertelt hij in het “kantoor” dat “wapens” zijn afdeling is. Daar voegt hij aan toe dat het hem niet interesseert of er afluisterapparatuur hangt, “als het zo is, dan is het maar zo, dan gaan we met z’n allen erin, organisatie, alles”. Ten behoeve van deze rol had [medeverdachte 1] een contact, de heer [persoon 8] , via wie hij wapens kon betrekken en bij wie hij wapens ter reparatie of aanpassing kon aanbieden. Voor het vervoer van wapens maakte hij gebruik van een auto met een verborgen ruimte.

Ook aan [medeverdachte 6] , als gewezen (internationaal) beroepschauffeur, was naar het oordeel van de rechtbank een specifieke taak toebedeeld te weten die van het (waar nodig) optreden als vrachtwagenchauffeur, onder meer van de binnen de organisatie in gebruik zijnde trekker van het merk M.A.N., kenteken: [kenteken 1] , met oplegger. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 6] bij zeer veel gelegenheden samen is met [verdachte] , hem in raad en daad bijstaat en dat hij zich door hem ook laat aansturen. Dit gevoegd bij de verklaring van [verdachte] dat hij met [medeverdachte 6] al vanaf jongs af aan een hechte vriendschap heeft en dat zij over en weer elkaar informatie toevertrouwen en problemen bespreken, maakt dat de rechtbank [medeverdachte 6] binnen de organisatie beschouwt als de rechterhand van [verdachte] .

Communicatiemiddelen.

Verder blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen van een zekere mate van organisatie op het vlak van de (onderlinge) communicatie. Door CSV-deelnemers werden namelijk PGP-telefoons gebruikt. Bij de doorzoekingen werden bij [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [verdachte] PGP-telefoons aangetroffen. [verdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij handelt in PGP-telefoons. Uit OVC-gesprekken van [verdachte] met [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) en [medeverdachte 7] blijkt echter veeleer dat hij zich bezig houdt met de financiering van PGP-telefoons en de (verlengingen van) PGP-abonnementen die hij heeft lopen voor diverse personen. Zo zou hij over de maand februari 2019 al voor € 25.000,- hebben besteed aan telefoons en verlengingen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat communicatie met dergelijke telefoons versleuteld is en dus afgeschermd plaatsvindt en dat daarom deze telefoons veelvuldig in het criminele circuit worden gebruikt om te voorkomen dat de inhoud van die communicatie door anderen wordt onderschept.

Voertuigen.

Ook het gebruik van voertuigen die niet op naam van de vaste gebruiker staan, maar op naam van een katvanger (zoals het geval was bij bijvoorbeeld de Chrysler Voyager, kenteken: [kenteken 2] , de eerder genoemde trekker van het merk M.A.N. en de Volkswagen Jetta, kenteken: [kenteken 3] ) en het feit dat een aantal van de gebruikte auto’s beschikten over verborgen ruimtes waarin wapens werden bewaard en/of werden aangetroffen (zoals het geval was bij de Citroën Berlingo, kenteken: [kenteken 4] , de Mercedes Benz Sprinter die werd aangetroffen aan de [adres 2] , de BMW, kenteken: [kenteken 5] en de Citroën Berlingo, kenteken: [kenteken 6] ) duiden op het zich zodanig organiseren dat illegale activiteiten worden geheim gehouden.

Informatievoorziening en contacten.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verwerving van voor de organisatie belangrijke informatie was geregeld via personen die vanwege hun functies over specifieke informatie konden beschikken. Zo werd er politie-informatie (onder meer met betrekking tot politie activiteiten en lopende onderzoeken) verkregen van een of meer politieambtenaren. Ook werd er informatie betreffende ingevoerde – mogelijk vanwege de aanwezigheid van drugs voor de organisatie interessante – containers verkregen van een of meer bij een Antwerps havenbedrijf werkzame personen. Deze informatie werd ook daadwerkelijk besproken en gebruikt en heeft ook geleid tot illegale activiteiten. Het hoeft geen betoog dat deze informatievoorziening voor illegale activiteiten van de organisatie van groot belang was.

Het bestaan van een organisatie.

Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de andere genoemde personen behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit [persoon 6] periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich – in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan.

Oogmerk strafbare feiten.

Uit de resultaten van het opsporingsonderzoek blijkt van een veelheid aan strafbare feiten die verspreid over de onderzoeksperiode in het kader van de organisatie werden begaan. Een deel daarvan wordt aan de (voor zover in deze vonnissen aan de orde) in totaal 14 CSV-deelnemers ten laste gelegd. Het in het kader van dat samenwerkingsverband handelen in strijd met de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en het Wetboek van Strafrecht – zoals hierna bij de afzonderlijk ten laste gelegde feiten nog aan de orde zal komen – gebeurde dermate veelvuldig dat naar het oordeel van de rechtbank het beramen, voorbereiden en plegen daarvan stelselmatig gebeurde, waaruit de rechtbank afleidt dat de organisatie ook het oogmerk had tot het plegen van misdrijven.

Geweld of bedreiging met geweld?

Hoewel geweld gerelateerde strafbare feiten niet afzonderlijk aan de CSV-deelnemers zijn ten laste gelegd is in de tenlastelegging van het onderhavige feit wel opgenomen dat de organisatie mede tot oogmerk had het voorbereiden en/of plegen van (excessief) geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat criminele organisaties teneinde zich te kunnen handhaven dan wel teneinde gemaakte (criminele) afspraken te kunnen afdwingen, zich in de praktijk niet snel tot de politie zullen/kunnen wenden en daarom zelf gewelds- of machtsmiddelen zullen moeten aanwenden of organiseren.

Uit de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat in het kader van de organisatie daadwerkelijk geweld tegen personen is gepleegd dan wel dat daadwerkelijk het aanwenden van geweld is voorbereid. Weliswaar wordt meermalen in OVC-gesprekken gesproken over het (zullen) aanwenden van ernstig geweld teneinde iets gedaan te krijgen en weliswaar heeft de organisatie zich voorzien van vuurwapens en munitie, maar onvoldoende concreet is gebleken dat het daadwerkelijk gaan toepassen van geweld het oogmerk van de organisatie was. Wel is uit de inhoud van OVC-gesprekken voldoende gebleken dat personen daadwerkelijk zijn bedreigd met geweld en blijkt daaruit in combinatie met de in OVC-gesprekken door CSV-deelnemers menigmaal gedane suggesties om geweld aan te wenden teneinde personen tot iets te dwingen, tegen de achtergrond van het illegale karakter van de organisatie, genoegzaam dat bedreiging met geweld en/of afpersing tevens het oogmerk van de organisatie was.

Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie.

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid daarbij van [verdachte] als leider, concludeert de rechtbank zowel op grond van de op ZD07 betrekking hebbende bewijsmiddelen als op grond van zijn betrokkenheid bij de overige aan hem ten laste gelegde – hierna te bespreken – strafbare feiten, voor zover bewezenverklaard, dat [verdachte] (als leider) het oogmerk van de organisatie van het plegen van misdrijven kende en aan de verwezenlijking van dat criminele oogmerk wezenlijk heeft bijgedragen zowel in de uitvoering van de delicten

als door daaraan leiding te geven.

feit 1 en feit 2 medeplegen invoer / voorbereidingshandelingen 315 kilogram cocaïne (ZD03)

Inleiding.

Het opsporingsonderzoek Noord met betrekking tot ZD03, kort gezegd betreffende de gedragingen in relatie tot de invoer vanuit Brazilië en het transport van 315 kilogram cocaïne, heeft zich toegespitst op twee onderscheiden delicten waarvan de daarmee samenhangende gedragingen van de onderscheiden verdachten elkaar deels overlappen.

Dit heeft geleid tot de tenlastelegging van:

A: medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 315 kg cocaïne, in de zaken van [verdachte] (feit 1), [medeverdachte 6] (feit 1) en [medeverdachte 14] (feit 1 primair). Subsidiair is aan [medeverdachte 14] de medeplichtigheid aan de invoer ten laste gelegd.

B: medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die 315 kg cocaïne, in de zaken van [verdachte] (feit 2), [medeverdachte 6] (feit 2), [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) (feit 1), [medeverdachte 2] (feit 1) en [medeverdachte 4] (feit 1).

Nu de feitencomplexen van beide delicten (hierboven aangeduid als A en B) nauw met elkaar samenhangen en voor de beoordeling van de bewijsvraag van belang zijn, zal de rechtbank in al deze zaken dezelfde bewijsoverwegingen opnemen en in de zaken van [verdachte] en [medeverdachte 6] de feiten 1 en 2 gezamenlijk behandelen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 25 mei 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van – kort gezegd – de invoer in Nederland van 315 kilogram cocaïne. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van overtreding van artikel 10a van de Opiumwet heeft het Openbaar Ministerie ten aanzien van alle ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderings-handelingen met betrekking tot die 315 kilogram cocaïne, eveneens gerekwireerd tot een bewezenverklaring. Voor zover deze gedragingen mede betrekking hadden op de voltooide invoer in Nederland, is er sprake van eendaadse samenloop.

Standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is formeel geen verweer gevoerd op de beide onderdelen van ZD03. Uit zijn verklaringen afgelegd als verdachte en als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris is wel het standpunt van [verdachte] op te maken. Hij ontkent iets met de invoer of inklaring van een container roestvrij staal te maken te hebben. Hij heeft slechts geprobeerd problemen op te lossen. Met betrekking tot het verdere vervoer van de container vanaf het terrein van [bedrijf 1] in Antwerpen verklaart [verdachte] dat hij op enig moment in de buurt is geweest, maar dat hij geen betrokkenheid had bij het weghalen van de container.

Bewijsoverwegingen rechtbank

Onderdeel A (periode 20 december 2018 – 15 maart 2019).

Inleiding

Op 13 maart 2019 te 01:13 uur arriveerde in de haven van Antwerpen het schip [schip 1] met onder meer twee containers voorzien van de nummers [nummer 1] en [nummer 2] . Het schip was op 18 februari 2019 vanuit de havenplaats Santos te Brazilië vertrokken met de twee containers. Volgens de bill of lading d.d. 18 februari 2019 bevatten de containers roestvrij staal schroot en waren zij bestemd voor: ‘ [bedrijf 4] , [adres 5] , naam: [persoon 9] ’ met daarbij de vermelding van het e-mailadres: [mailadres] en het telefoonnummer [telefoonnummer] ’. Verzender van de containers was [bedrijf 5] te Brazilië (hierna: [bedrijf 5] ). De haven van Antwerpen is per zeeschip enkel te bereiken via de Westerschelde, gelegen op Nederlands grondgebied.

Op 15 maart 2019 werden de containers gecontroleerd door de Belgische Douane. Bij de Douane was als inklaarder van beide containers bekend de firma [bedrijf 6] .

In de container [nummer 1] bevonden zich met schroot gevulde bigbags en een aantal tot blokken geperste stukken schroot waartussen diverse pakjes met wit poeder werden waargenomen. De container met inhoud werd vervolgens naar het terrein van het bedrijf [bedrijf 1] te Zwijndrecht (België) gebracht om op een later tijdstip geheel te worden geledigd (ook wel genoemd: ‘gekiept’) en te worden onderzocht.

Op 18 maart 2019 werden meerdere van deze pakjes door de Belgische Douane in beslag genomen en bemonsterd. Aan de Nederlandse politie werden negen monsters ter beschikking gesteld die werden onderzocht door het NFI. Daarbij werd vastgesteld dat deze cocaïne bevatten. De container werd daarna wederom gevuld met het metaal schroot en op het terrein van [bedrijf 1] geplaatst.

Controle van de andere container [nummer 2] leverde geen bijzonderheden op. Deze werd vrijgegeven en blijkens de vrachtbrief diezelfde dag nog door het bedrijf [bedrijf 7] vervoerd naar – in afwijking van de adressering op de bill of lading – ‘ [bedrijf 8] , [adres 1] ’. De opdracht tot vervoer van zowel deze als de container met nummer [nummer 1] was volgens [bedrijf 7] ‘laattijdig’ gegeven door de firma [bedrijf 9] uit naam van [getuige 2] . Dit bedrijf was volgens de douane-aangifte d.d. 14 maart 2019 inmiddels de geadresseerde geworden van beide containers. Deze douane-aangifte werd gedaan door de firma [bedrijf 6] .

Beoordeling

Voor het beantwoorden van de vraag wie betrokken waren bij het binnen Nederland brengen en bij het verdere vervoer naar Antwerpen van beide containers en daarmee ook van de lading cocaïne overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd, maakt de rechtbank het volgende op.

De hiervoor genoemde vracht van twee containers was geadresseerd aan het bedrijf [bedrijf 4] ter attentie van [persoon 9] . Van enige betrokkenheid van [persoon 9] bij die vracht is in het onderzoek evenwel niet gebleken. Evenmin is gebleken dat het bedrijf [bedrijf 4] een actieve onderneming betrof op het gebied van recycling van metalen, sterker nog: het bedrijfspand bleek door brand te zijn vernield. Wel is gebleken dat het bij de adressering op de bill of lading vermelde telefoonnummer in gebruik was bij [verdachte] en [medeverdachte 6] , waarbij [medeverdachte 6] zich op aangeven van [verdachte] heeft voorgedaan als [persoon 9] van [bedrijf 4] en waarbij contact werd gelegd met [bedrijf 6] en werd gesproken over het inklaren van twee uit Brazilië afkomstige containers met roestvrij staal.

Uit het onderzoek, waaronder de gegenereerde OVC-gesprekken, is verder gebleken dat toen [verdachte] problemen ondervond bij het gebruik van [bedrijf 4] , hij samen met [medeverdachte 1] vanaf december 2018 bezig is geweest met het op naam van ene [persoon 10] opzetten van een bedrijf met een naam gelijkend op [bedrijf 4] . [verdachte] spreekt in dit verband over het ‘klonen’ van een bedrijf. Vastgesteld werd dat vanuit een bankrekening van dat bedrijf begin 2019 tweemaal een geldbedrag van € 20.000,- werd overgemaakt naar het bedrijf [bedrijf 5] in Brazilië.

Voorts is gebleken dat één van de twee containers niet naar het adres van [bedrijf 4] werd getransporteerd, maar naar het adres [adres 1] – een aan het CSV te relateren adres – en later naar een plaats in Lith, in de omgeving van de woningen van [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) en [medeverdachte 4] . Door middel van observatie is vastgesteld dat [medeverdachte 6] ter plaatse contact heeft gehad met de chauffeur van het transportbedrijf [bedrijf 7] . Tot het transport werd opdracht gegeven door de Belgische firma [bedrijf 9] met [getuige 2] als zaakvoerder en later werd aan deze firma ook de koopprijs betaald van de lading metaal uit de container. Blijkens de verklaringen van [getuige 2] en [persoon 6] is de firma [bedrijf 9] een bedrijf dat werd gefinancierd door de organisatie uit Oss, geleid door [verdachte] , en dat bedoeld was voor de invoer van cocaïne.

Op grond van al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] een niet aan hem verbonden bedrijf met de naam [bedrijf 4] ‘gebruikte’ voor zijn handel en dat hij – nadat zich daarmee problemen voordeden – een ander bedrijf op naam van een derde was gestart in plaats van dat eerste bedrijf, met een bedrijfsnaam die sterke gelijkenis had met de naam van het eerste bedrijf. De rechtbank leidt daaruit af dat het de bedoeling van [verdachte] was om in zijn handel onzichtbaar of niet traceerbaar te blijven. De rechtbank merkt deze werkwijze aan als het werken met katvangers.

Voorts stelt de rechtbank met betrekking tot de binnen het grondgebied van Nederland gebrachte vracht containers, waaronder de container waarin 315 kilogram cocaïne werd aangetroffen, vast dat anders dan op de bill of lading vermeld, niet het bedrijf [bedrijf 4] , maar [verdachte] de werkelijke belanghebbende bij die vracht containers was. Ook stelt de rechtbank vast dat [verdachte] zich (minst genomen) vanaf december 2018 intensief heeft bezig gehouden met het regelen van het transport en de invoer van de bewuste containers, te weten met de betaling van de containers, het zo soepel mogelijk (laten) afwikkelen van de douaneformaliteiten, het oplossen van de import verstorende (administratieve) complicaties, en het verdere transport na invoer. Daartoe had hij al dan niet door tussenkomst van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 14] telefonische contacten en besprekingen met inklaarders/expediteurs en vervoerders.

Uit de vele in de maanden voorafgaande aan de aankomst van de containers in Antwerpen opgenomen OVC-gesprekken volgt eenduidig dat [verdachte] samen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 14] spreken over het regelen van een persoon met de nodige contacten in de haven van Antwerpen ten behoeve van de inklaring van de beide containers en over het (trachten te) voldoen aan de administratieve verplichtingen die verbonden zijn aan de invoer van de beide containers. Daarbij werd ook gesproken over de diverse daarmee gemoeide kosten die meerdere tienduizenden euro’s zouden belopen.

[medeverdachte 6] heeft daarbij een actieve rol gespeeld door mee te denken, adviezen te geven, op zoek te gaan naar een inklaarder en telefoontjes te plegen en door administratieve handelingen te verrichten en taken op zich te nemen. Daar komt bij dat – zoals hiervoor al aan de orde is gekomen met betrekking tot het verwijt van deelname aan een criminele organisatie – [medeverdachte 6] zeer vaak samen met [verdachte] was, met hem zaken besprak en hij als diens rechterhand kan worden beschouwd. Ten slotte is [medeverdachte 6] , zoals hierna met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit zal blijken, na de invoer van de 315 kilogram cocaïne betrokken gebleven bij de plannen om de container waarin die cocaïne zat, vanuit de haven in Antwerpen naar Nederland te krijgen, en bij de uitvoering daarvan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de handelingen van [medeverdachte 6] voor de invoer van de verdovende middelen zodanig substantieel en wezenlijk is geweest en in zodanige samenhang en afstemming met de handelingen van [verdachte] zijn verricht, dat moet worden gesproken van een handelen in bewuste en nauwe samenwerking met [verdachte] en dus van medeplegen.

Na het gebruik van het kennelijke ‘katvanger bedrijf’ [bedrijf 4] werd ten behoeve van de invoer van de containers een ander bedrijf naar voren geschoven waarvan de eigenaar evenmin de eigenlijke belanghebbende was. Dit tweede ‘katvanger bedrijf’ werd financieel gevoed met contant gestorte geldbedragen telkens kort voordat er betalingen werden verricht aan [bedrijf 5] . Naar het oordeel van de rechtbank dienen het gebruik van ‘katvanger bedrijven’, het doen van contante stortingen op bankrekeningen, het doen van overboekingen vanuit het ‘katvanger bedrijf’, maar ook – zoals uit de OVC-gesprekken blijkt – het vermijden van het gebruik van een eigen computer bij het regelen van administratieve verplichtingen, geen enkel ander doel dan het verhullen van de identiteit van degene die opdracht heeft gegeven tot en belang had bij het vervoer en de invoer van de vracht containers of van degenen die daarbij direct betrokken waren.

Gelet op het feit dat zich in de ingevoerde containers naast in beginsel legale goederen (roestvrij staal schroot) ook 315 kilogram verdovende middelen bevonden die waren verstopt in ijzeren of roestvrij stalen voorwerpen, is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de reden voor het verhullen van die identiteit gelegen was in de wetenschap van de aanwezigheid van die verdovende middelen in de containers.

Dat het belang in het transport van de twee containers niet zozeer gelegen was in de lading roestvrij staal als wel in de bijlading, de verdovende middelen verpakt als ‘blokken’ leidt de rechtbank voorts af uit de omstandigheid dat de lading van de container die op 15 maart 2019 werd vrijgegeven, voor een bedrag van slechts € 9.100,- van de hand werd gedaan, terwijl voor de container € 20.000,- werd betaald. Bovendien staan de bedragen die [verdachte] bereid was te betalen voor het inklaren c.q voor het zorgen dat de container de douane zou kunnen passeren, te weten bedragen tot in totaal mogelijk € 150.000,- in geen enkele verhouding tot de waarde c.q. aanschafprijs van de partij roestvrij staal of tot de gebruikelijke met inklaring en transport gemoeide kosten. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 14] waren aanwezig bij de gesprekken waarin het ging om de te betalen vergoedingen. Daarnaast hoorden zij van [verdachte] dat het voor hem van belang was dat de persoon die de inklaring zou gaan regelen, ook kon regelen dat het transport nog vóór de scan zou kunnen wegrijden waarbij [medeverdachte 14] [verdachte] verzekert dat ze ‘de bak eruit gaan halen en dat het goed komt’. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 14] , net als [verdachte] , hebben geweten dat het om een illegale lading verdovende middelen ging, en daarmee opzet hadden op de invoer van cocaïne.

Door [verdachte] is verklaard dat hij door derden met de dood werd bedreigd en werd gedwongen om bepaalde handelingen met betrekking tot de container(s) te verrichten en daarmee de ontstane problemen in verband met de invoer van de container(s) – waarvoor hij verantwoordelijk werd gehouden – op te lossen. Pas later (februari/maart 2019) wist hij dat er drugs in de container zouden zitten. Deze lezing, waarvan in het geheel niets concreets is gebleken, noch uit verklaringen van getuigen of medeverdachten, noch uit OVC-gesprekken of anderszins uit het procesdossier, schuift de rechtbank dan ook als volstrekt onaannemelijk terzijde.

Verlengde invoer

Uit de tekst van artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet in verbinding met artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet volgt dat als strafbare vorm van het invoeren van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen zelf wordt begrepen, maar ook het verrichten van handelingen die zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van verdovende middelen na de feitelijke invoer. De rechtbank is van oordeel dat – na het op Nederlands grondgebied, in casu de Westerschelde geraken van de container met de cocaïne – het verder transporteren van de container met drugs tot in de haven van Antwerpen, de opslag en de daarop gerichte handelingen die daar hebben plaatsgehad hieronder begrepen dienen te worden. Het betreft namelijk handelingen die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm direct op waren gericht om de cocaïne aansluitend aan de feitelijke invoer vrij te krijgen voor verdere handelingen die kunnen zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen. Gelet op het bovenstaande is er tot en met de handelingen in de haven van Antwerpen, dus op het grondgebied van België sprake van de ‘verlengde invoer’ van de verdovende middelen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 6] zich tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk hebben bezig gehouden met de invoer van containers met als voornaamste lading de partij van 315 kilogram cocaïne, waarbij de tonnen roestvrij staal schroot slechts als deklading dienden en de bedrijven [bedrijf 4] en [bedrijf 10] als dekmantel, en wat erin geresulteerd heeft dat die cocaïne via de Noordzee en via de Westerschelde binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht en verder werd vervoerd naar de haven van Antwerpen en daar werd op- en overgeslagen met het oog op verder vervoer teneinde de cocaïne ter beschikking te krijgen. De rechtbank waardeert de betrokkenheid van [medeverdachte 14] als medeplichtigheid aan de invoer van 315 kilogram cocaïne.

onderdeel B (periode 15 maart 2019 – 1 april 2019)

Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen maakt de rechtbank voorts het volgende op.

Nadat van de vracht containers in Antwerpen slechts één container werd vrijgegeven en werd getransporteerd naar Berghem, en de andere container door de Belgische douane op het terrein van [bedrijf 1] te Zwijndrecht (België) werd geplaatst, werd er blijkens OVC-gesprekken, besloten om die laatste container van het terrein van [bedrijf 1] weg te halen. Uit de vele OVC-gesprekken, opgenomen met name in het ‘kantoor’, in de woning [adres 4] en in de auto VW Jetta [kenteken 3] (hierna: VW Jetta), uit observatieverslagen en beelden van observatiecamera’s en uit diverse track&trace en bakengegevens van voertuigen, blijkt dat onder meer door [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ), [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] voorbesprekingen werden gehouden en voorbereidingen werden getroffen voor het weghalen van de verdovende middelen of van de container met de verdovende middelen. Ook blijkt dat daartoe meerdere pogingen werden ondernomen en dat men zich meermalen in verschillende samenstellingen naar [bedrijf 1] heeft begeven.

Zo zijn onder meer [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] op 27 maart 2019 ’s avonds naar het terrein van [bedrijf 1] gereden om te trachten de ‘blokken’ cocaïne uit de container te halen, wat uiteindelijk niet is gelukt.

Op 30 maart 2019 in de nacht en vroege ochtend heeft [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) zich naar en op het terrein van [bedrijf 1] begeven en heeft daar een aantal zaken verkend, zoals de op het terrein aanwezige camera’s en het elektrische kastje voor het openen van de poort van het terrein.

Op 30 maart 2019 ’s avonds zijn [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ), [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met meerdere voertuigen waaronder de bij het CSV in gebruik zijnde trekker van het merk MAN (hierna: MAN-trekker) naar het terrein van [bedrijf 1] gegaan. Men keerde weer huiswaarts en constateerde dat het die avond niet mogelijk bleek en dat er de volgende ochtend nog één mogelijkheid was.

Op 31 maart 2019 reden dezelfde personen, maar onder meer ook [medeverdachte 4] , wederom naar België en is een aantal personen, van wie [medeverdachte 6] later op camerabeelden werd herkend, het terrein van [bedrijf 1] opgelopen waarna men bezig is geweest met het verplaatsen van de bewuste container. Nadat het aanvankelijk niet lukte om de container vanaf het terrein mee te nemen en ’s nachts onverrichterzake werd teruggereden, hebben [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) kort na terugkeer in Nederland besloten om weer om te keren en terug te gaan naar het terrein waarna alsnog de container met gebruikmaking van een van het terrein gestolen trekker met oplegger werd weggehaald. De container werd vervolgens – begeleid door de Bulgaarse Mercedes met kenteken [kenteken 7] – naar een parkeerterrein aan de A67 net na de Belgisch/Nederlandse grens gebracht, en vervolgens met gebruikmaking van de MAN-trekker naar het bedrijfsterrein aan de [adres 1] .

Uit observatie en camerabeelden is ten slotte gebleken dat op 1 april 2019 een deel van de lading uit de container werd gehaald en werd overgebracht naar het bedrijfsterrein gelegen aan de [adres 2] . Op dat terrein waren onder meer [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) aanwezig en daarbij werd waargenomen dat er op diverse manieren werd geprobeerd blokken schroot open te snijden of te wrikken, kennelijk op zoek naar de inhoud daarvan.

Hiervóór onder onderdeel A heeft de rechtbank reeds geconcludeerd dat [verdachte] en

[medeverdachte 6] zich tezamen en in vereniging bezig hebben gehouden met – kort gezegd – de handelingen die bedoeld en noodzakelijk waren om de invoer van de 315 kilogram in een container verstopte cocaïne in Nederland te bewerkstelligen en die ook hebben geleid tot die invoer. Gezien het voorgaande onder B heeft naar het oordeel van de rechtbank hun samenwerking zich vanaf 15 maart 2019 uitgebreid door daarbij [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ), [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] te betrekken. Daarbij was het handelen steeds gericht op het in handen krijgen van de container [nummer 1] waarin de cocaïne verstopt zou zitten en welke container nog steeds in België stond en niet was vrijgegeven.

Gelet op de vele uit OVC-gesprekken blijkende besprekingen in verschillende samenstelling

en gelet op de diverse activiteiten die op elkaar werden afgestemd om het doel te bereiken, was er naar het oordeel van de rechtbank evident sprake van een nauwe en bewuste samenwerking waarbinnen een rolverdeling zichtbaar was. Ook kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat alle hierna te bespreken betrokkenen wisten dat deze gedragingen gericht waren op – kort gezegd – de invoer van verdovende middelen.

Zo beschouwt de rechtbank [verdachte] als de initiator en sturende persoon die voortdurend de regie in handen had, ook naar buiten (externen) toe.

[medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) voerde diverse concrete activiteiten uit, ging meermalen, alleen of met medeverdachten, naar [bedrijf 1] , gaf praktische adviezen en was aanwezig bij de wegneming van de container.

[medeverdachte 4] gaf adviezen, is de avond van de diefstal van de container met de medeverdachten mee naar België gegaan, is ook na het eerste afblazen van de actie betrokken gebleven bij de latere diefstal van de container, bestuurde de Bulgaarse Mercedes met inzittenden en bracht de chauffeur die de oplegger met container op parkeerplaats ’t Goor moest gaan vervoeren naar zijn voertuig (MAN-trekker).

[medeverdachte 2] is samen met [medeverdachte 6] naar [bedrijf 1] gegaan om ‘blokken’ verdovende middelen uit de container te halen, is meermalen met medeverdachten naar [bedrijf 1] gereden en heeft op de uitkijk gestaan.

[medeverdachte 6] gaf adviezen, is meermalen mee naar [bedrijf 1] geweest, was bij vele besprekingen aanwezig, was daadwerkelijk bezig met het wegnemen van de container bij [bedrijf 1] , heeft daar de Terex (rechtbank: voertuig waarmee containers kunnen worden opgetild) bediend en bestuurde de gestolen Belgische trekker alsmede de MAN-trekker.

Daar komt bij dat de verdachten daarna allen in meer of mindere mate betrokken bleven bij de drugscontainer door te helpen bij het zoeken naar de drugs in de lading van de container, minst genomen door daarbij langdurig aanwezig te zijn.

Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van alle vijf verdachten sprake van het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen zoals hierna bewezenverklaard.

Eendaadse samenloop

Een aantal handelingen zoals het hebben van telefonische contacten en het voeren van besprekingen, het maken van afspraken, het oprichten van een bedrijf, het laten verrichten van betalingen en het regelen van opslag/overslag van de container, die hierboven zijn beschreven en voor zover bewezen geacht als uitvoeringshandelingen in het kader van het medeplegen van de invoer van de container met cocaïne, zijn tevens onder de eerste 4 gedachtestreepjes van feit 2 ten laste gelegd in het kader van de verweten overtreding van artikel 10A van de Opiumwet en dienen, nu verdachte daarmee tezamen en in vereniging met een ander tevens de invoer heeft voorbereid en bevorderd, eveneens in dat kader bewezen te worden verklaard. In zoverre zal de rechtbank feit 2 ten aanzien van de eerste 4 gedachtestreepjes beschouwen als te zijn gepleegd in eendaadse samenloop met feit 1, en artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

feit 3 medeplegen invoer 1561 kilogram cocaïne (ZD01)

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 7 juni 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van – kort gezegd – de invoer in Nederland van 1561 kilogram cocaïne.

Standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is formeel geen verweer gevoerd op dit zaakdossier. Uit zijn verklaringen is wel het standpunt van [verdachte] op te maken. [verdachte] ontkent enige betrokkenheid bij de internationale drugshandel. Hij heeft geen drugs ingevoerd. Hij had ook absoluut geen bemoeienis met de invoer van de container hout. Hij heeft op enig moment wel tussen partijen – waaronder ene [persoon 11] – bemiddeld met betrekking tot de verkoop van een betreffende lading hout die aan [persoon 11] was geadresseerd. Hij heeft de lading hout voor [persoon 11] verkocht en stond er voor garant. De partijen hadden een probleem en [verdachte] heeft getracht dit probleem op te lossen. Eerst een dag voordat de ingevoerde lading van de container zou worden uitgeleverd, vernam hij van [persoon 11] dat er drugs in de container met hout zat. [persoon 11] kwam enkel bij [verdachte] aan de [adres 4] om het probleem uit te leggen.

Bewijsoverweging rechtbank.

Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen maakt de rechtbank het volgende op.

Op 7 augustus 2018 omstreeks 07:00 uur is op het terrein van [bedrijf 11] (België) een partij van 1.561 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne in container [nummer 3] ontdekt. De cocaïne was verdeeld over 1.388 pakketten die zaten verstopt in uitgeholde boomstammen. Deze container is met drie andere containers bevattende hardhout op 1 augustus 2018 de haven van Antwerpen binnengekomen op het schip [schip 2] . De haven van Antwerpen is per zeeschip enkel te bereiken via de Westerschelde, gelegen op Nederlands grondgebied.

Het NFI heeft 30 monsters van deze lading positief getest op de aanwezigheid van cocaïne.

De betreffende container is op 16 juli 2018 in Turbo (Colombia) geladen op het schip [schip 3] en vervolgens op 22 juli 2018 te Pointe a Pitre in Guadeloupe (Caraïbische Zee) overgeladen op het schip [schip 2] .

Op de bijbehorende bill of lading van deze container staat als geadresseerde vermeld [bedrijf 12] te Nieuwerkernen (België) met als contactpersoon [persoon 11] . Als expediteur wordt hierop vermeld [bedrijf 13] (kennelijk wordt bedoeld [bedrijf 13] , rechtbank). Dit bedrijf regelt normaliter de douaneformaliteiten, de inklaring en het transport van door [persoon 11] ingevoerde containers. Echter, in afwijking daarvan wilde [persoon 11] het transport van deze vier containers via transporteur [persoon 12] laten lopen met als afleveradres [bedrijf 14] te Rotterdam (hierna te noemen: [bedrijf 14] ). Dit bedrijf kent als enig aandeelhouder/bestuurder [persoon 13] .

[persoon 11] benaderde op 29 maart 2018 [persoon 12] voor een transport van containers van 40 voet met hout van Antwerpen naar de zagerij in Nederland en op 2 augustus 2018 stelde hij ( [persoon 11] ) [persoon 12] op de hoogte dat [bedrijf 13] hem ( [persoon 12] ) ging contacteren voor het transport en dat [bedrijf 13] de factuur (door)stuurt naar de zagerij.

[persoon 11] was op 23 juli 2018 aanwezig op het [locatie] aan de [adres 4] te Oss en had in de schuur gelegen achter [adres 4] een gesprek met [verdachte] [familienaam] , waarover later meer.

Op 7 augustus 2018 te 08:21 uur meldde [persoon 14] van [bedrijf 13] aan [persoon 11] dat er drugs in zijn ( [persoon 11] ) container gevonden zouden zijn. Om 11:59 uur en 15:14 uur werden vanuit het mailadres van [bedrijf 14] e-mails met als afzender ‘ [persoon 13] ’ aan [persoon 11] verstuurd met de vermelding van een ander afleveradres: [adres 6] (België), respectievelijk met de inhoud: ‘Indien het hout niet voldoet aan de eisse, laten we een keurmeester komen en verwachten we een creditnota van alles wat we levert hebben gekregen van u en onze totale gemaakte kosten’. Om 15:26 uur stuurde [persoon 14] een email aan [bedrijf 14] en [persoon 11] over het transport van de goederen met een bevestiging van het gewijzigde afleveradres [adres 6] ’. Om 20:34 uur stuurde afzender ‘ [persoon 13] ’ een e-mail aan [persoon 14] waarin eerstgenoemde de levering van het hout annuleerde omdat de ‘dikte en kwaliteit niet klopt’ en hij

‘afziet van koop.’

Opvallenderwijs zat [persoon 13] 23 juli 2018 tot 7 november 2018 gedetineerd. Dus ook op 7 augustus 2018 toen hij voornoemde e-mailberichten zou hebben gestuurd. Daarnaar gevraagd is [persoon 13] duidelijk: hij heeft die e-mails niet gestuurd; hij zat toen vast.

Verder is opvallend dat tot 24 augustus 2018 het bedrijf [bedrijf 9] op het adres [adres 6] was gevestigd en dat op die datum dit bedrijf in handen was gekomen van [getuige 2] , die alle aandelen ervan gekocht zou hebben van [persoon 13] . [persoon 13] was sinds 15 mei 2018 als zaaksvoerder van dit bedrijf geregistreerd. Zoals hiervoor reeds aan de orde gekomen, was [persoon 13] op 24 augustus 2018 gedetineerd.

Uit verklaringen van [getuige 2] , [persoon 6] (bijnaam ‘ [persoon 6] ’) en [persoon 15] , Belgische verdachten van drugssmokkel via de haven van Antwerpen, volgt dat de firma [bedrijf 9] door [verdachte] is opgericht en gefinancierd ten behoeve van het faciliteren van de import van cocaïne in containers vanuit Zuid-Amerika via de haven van Antwerpen. Alle betalingen, handelingen en de import werden geregeld vanuit Oss. De cocaïne zat onder meer in hout verstopt. De firma [bedrijf 14] heeft ook eens een lading ‘hout’ aangekocht en toen is in Oss besproken dat de facturatie daarvan via een Bulgaarse firma moest gebeuren. Als zij over [verdachte] (‘ [verdachte] ’) spreken, refereren

zij tevens aan een criminele organisatie dan wel [locatie] in Oss.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat (1) [persoon 11] betrokken is bij de invoer van de container met daarin de aangetroffen pakketten met cocaïne, (2) [persoon 11] en [verdachte] bekenden van elkaar zijn, (3) de firma’s [bedrijf 9] en [bedrijf 14] bij de onderhavige import een rol hebben gespeeld, (4) er sprake is van een criminele link tussen genoemde firma’s, de Belgische verdachten van drugssmokkel via de haven van Antwerpen en [verdachte] en (5) een derde zich namens [bedrijf 14] voor [persoon 13] heeft uitgegeven met betrekking tot de onderwerpelijke lading ‘hout’.

Voor wat betreft de vaststelling onder (5) brengt de rechtbank de e-mailberichten van 7 augustus 2018 van zogenaamd ‘ [persoon 13] ’ in herinnering over een ander afleveradres en waarin hij de levering annuleerde omdat de kwaliteit en dikte niet klopte. De rechtbank constateert dat de inhoud en strekking ervan correspondeert met de inhoud van een gesprek tussen [verdachte] en [persoon 11] van 23 juli 2018 waarin zij praten over een andere adressering van de bestelling hout en in welk verband [verdachte] zegt : ‘Doe mij straks even dat bericht sturen van de klacht (..) ik zeg want ik heb hout van jou gekocht maar….zijn de verkeerde maten, dat is het bij langenaan niet waard, dus moet compensatie komen blablabla.’ Voorts mag niet onvermeld blijven dat [verdachte] in dit gesprek tegen [persoon 11] zegt: ‘als die containers er komen’ en ‘jouw bonnetjes moeten wel kloppen want als ze niet kloppen krijgen we een probleem’ en hij op de opmerking van [persoon 11] ‘dus een container van die stammen’ reageert met ‘Ja’.

De betrokkenheid van [verdachte] bij het onderhavige cocaïnetransport krijgt verder gestalte door de inhoud, strekking en context van OVC-gesprekken van 31 juli 2018, 8 augustus 2018, 16 augustus 2018 en 18 augustus 2018 waarin hij samen met [persoon 11] als gespreksdeelnemer fungeert.

Op 31 juli 2018 heeft [verdachte] het over de expediteur [bedrijf 13] , het transport van de container, het op schema liggen en ‘morgen komt die binnen, morgen op z’n laatst…op schema liggen. En als [verdachte] vraagt of het nou toch wel op de boot zit, zegt [persoon 11] : ‘100%, hele mooie ‘boomstammen… van die olijfbomen, palmbomen, van die grote bomen…’holle bodem’ (fon) en dáár zitten ze in.’ [verdachte] zegt dat hij dat slim vindt.

De rechtbank brengt in herinnering dat het schip [schip 2] op 1 augustus 2018 de haven van Antwerpen is binnengekomen en dat de onderhavige cocaïne is aangetroffen in uitgeholde boomstammen afkomstig uit een container gericht aan [persoon 11] .

Gegeven het feit dat er in eerder stadium (23 juli 2018) al gesproken werd over het transport van een container met hout en er in dit gesprek wederom wordt gesproken over de container met hout die naar Antwerpen onderweg is, is het – in de loop van het gesprek – stellen van de vraag van [verdachte] ‘of het nou op de boot zit’ slechts begrijpelijk wanneer door de vraagsteller wordt gedoeld op iets anders dan de lading hout, zeker wanneer daarbij wordt betrokken dat [verdachte] het slim vindt dat ‘ze in de boomstammen van die grote bomen zitten’; de rechtbank begrijpt dit in de gegeven context als ‘verborgen zitten’. Daarmee is het naar het oordeel van de rechtbank zonneklaar dat het in het gesprek gaat over een illegale bijlading.

Ook hebben ze in ditzelfde gesprek het erover wie er gaat lossen en dat normaal ‘ [persoon 6] ’ dat doet, waaraan [verdachte] toevoegt: ‘ja, die heeft dat zo gedaan. Die is sterk, en die weet ook goed, ja jij weet dat zelf ook wel’. Zoals hiervoor reeds besproken, is ‘ [persoon 6] ’ de bijnaam van [persoon 6] , een crimineel contact van [verdachte] bij drugsimporten in de haven van Antwerpen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande onmiskenbaar de wetenschap van [verdachte] van de illegale lading in de onderwerpelijke container.

Als [verdachte] en [persoon 11] verder over het transport praten, zegt [persoon 11] : ‘het enige wat moet gebeuren is in principe van die houtzagerij hè’, waarop [verdachte] zegt: ‘Ja’. [persoon 11] zegt vervolgens: ‘Die zal een mail moeten sturen naar hem dat dus de kosten ten lasten van hem zijn, van het transport….van de transporteur van de houtzagerij’. [verdachte] vindt het een ‘Mooi klusje. Dus de houtzagerij. Naar wie moet ik die mail sturen, naar jou?’ [persoon 11] zegt: ‘Aan mij sturen en dan stuur ik hem door.‘ [verdachte] zegt: ‘Effe kijken dan eh, als jij dan straks die mail binnen hebt naar [bedrijf 13] er door doet, dan eh transport (..) dat ie die chauffeurs in kan plannen, daar gaat het om (..) als [bedrijf 13] die [persoon 12] inschakelt.’ De rechtbank merkt in dit verband op dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [persoon 11] anders dan andere keren het transport van de containers met hout vanaf Antwerpen (‘naar de zagerij in Nederland’) via [persoon 12] in plaats van [bedrijf 13] wilde laten lopen en dat de inhoud van voornoemd gesprek past bij de e-mail die [persoon 11] op 2 augustus 2018 aan [persoon 12] heeft gestuurd dat [bedrijf 13] hem ( [persoon 12] ) gaat contacteren voor het transport en dat [bedrijf 13] de factuur doorstuurt aan de zagerij.

Op 8 augustus 2018 spreken [verdachte] en [persoon 11] over vier containers die zijn ‘gekiept’ (het leegmaken van de containers bij een algehele controle). Er wordt gesproken over [bedrijf 11] . [verdachte] zegt dat hij dadelijk weet waar en hoe laat ze gekiept zijn. Volgens [persoon 11] zijn ze om zes uur gekiept. De rechtbank merkt op dat de container met daarin de cocaïne deel uitmaakt van een zending van vier containers met hout en dat de bewuste container op 7 augustus 2018 omstreeks 06:00 uur is overgebracht naar het terrein van [bedrijf 11] (België) alwaar omstreeks 07:00 uur de cocaïne is aangetroffen. [verdachte] zegt verder dat hij voor 1000% zeker weet dat ze zijn gekiept. Hij kent een persoon en die heeft gezegd dat hij niets kan met een bak die op rood staat. Volgens [verdachte] is het een verloren partij. [verdachte] zegt vervolgens over de boomstammen: ‘ik weet het wel zeker, ze liggen bij een douanedepot, daar zijn ze onder toezicht gebracht en nou zijn ze aan het leegmaken’. [verdachte] is bekend met [bedrijf 11] : ‘Dat is een heel groot terrein.’

Op 16 augustus 2018 blikken [verdachte] en [persoon 11] terug op een onderschepping door de douane. Volgens [verdachte] kloppen er een aantal dingen niet. [persoon 11] zegt dat hij alles heeft verteld en niets heeft verzwegen. Als [persoon 11] vervolgens oppert dat hij iemand kent die ‘de zaak wil helpen uithalen’ reageert [verdachte] : ‘Luister ff man, die spullen zijn er niet meer, dat wordt in beslag genomen en dat wordt binnen 24 uur vernietigd. Dus laat je eigen nou niks wijs maken. Ik heb zoiets meegemaakt. (..) Ik weet precies hoe het werkt.’ [verdachte] zegt verder dat hij de onderschepping wel aan acht investeerders, groeperingen moet uitleggen en open kaart gaat spelen.

Op 18 augustus 2018 spreekt [verdachte] in het bijzijn van [persoon 11] over acht investeerders en ‘de invoer van 1.561 kilo’. De rechtbank merkt op dat er – kort gezegd – 1.561 kilogram cocaïne door de douane is aangetroffen.\

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het samenstel van alle bewijsmiddelen de gezamenlijke betrokkenheid van [verdachte] en [persoon 11] bij de import van

– kort gezegd – 1.561 kilogram cocaïne. De rechtbank oordeelt verder dat daarbij sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen (in elk geval) deze twee personen. Zij overlegden samen over het transport en verdeelden de taken. [verdachte] had zijn eigen informatiebronnen en is met name betrokken geweest bij het regelen van het transport van de container vanuit Antwerpen naar Nederland, waarbij door of namens hem via de firma [bedrijf 14] e-mailberichten over het transport zijn verstuurd. [verdachte] was kennelijk ten behoeve van acht investeerders de verantwoordelijke schakel om de lading cocaïne binnen (Nederland) te halen.

De rechtbank betrekt bij dit oordeel de evidente overeenkomsten met de hiervoor besproken betrokkenheid van [verdachte] bij de import van 315 kilogram cocaïne (in de periode van 20 december 2018 tot en met 1 april 2019) in een container met schroot afkomstig uit Brazilië, wederom per schip via de Westerschelde naar de haven van Antwerpen en met wederom een rol van de Belgische connecties en de firma [bedrijf 9] (feit 1, ZD03).

De door [verdachte] aangedragen lezing zoals hiervoor onder het kopje ‘standpunt van de verdediging’ is weergegeven, overtuigt in het algehele licht van de bewijsmiddelen geenszins. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze bewijsmiddelen evident zowel zijn betrokkenheid bij het vervoer en de invoer van de container met hout, als zijn wetenschap van de aanwezigheid van de cocaïne in de container ten tijde van het vervoer en de invoer. De vage, niet met feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld namen van betrokken personen) geconcretiseerde en daarmee onverifieerbare lezing van [verdachte] , welke lezing hij ook overigens eerst in een laat stadium van de procedure, in december 2020, op een tijdstip dat het dossier nagenoeg compleet was, naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen. De rechtbank hecht geen geloof aan de andersluidende lezing van [verdachte] over diens betrokkenheid.

De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen zoals hierna uitgeschreven.

feit 4 medeplegen vervoer 99,4 kilo MDMA (ZD04)

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 28 mei 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van 99,4 kilo MDMA.

Standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van de bewijsvraag van dit feit formeel geen verweer gevoerd of standpunt ingenomen. Wel heeft [verdachte] op 13 januari 2020 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niets met echte verdovende middelen te maken heeft en dat hij Himalayazout als MDMA verkoopt en hij dat zout daarom ‘M’ noemt.

Bewijsoverweging rechtbank.

Uit de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen maakt de rechtbank het volgende op.

Op 15 april 2019, omstreeks 17:00 uur, is [medeverdachte 11] te Wouw, gemeente Roosendaal, gecontroleerd terwijl hij in een blauwe Chrysler Voyager met het kenteken [kenteken 2] reed. In dat voertuig is vervolgens een achttal bigshoppers gevuld met gripzakken met daarin bruinkleurige kristallen en diverse losse gripzakken met eenzelfde substantie aangetroffen. Deze lagen verstopt in (twee) verborgen ruimtes onder de bodemplaat van de kofferbakruimte en onder de vloer bij de achterbank van de Chrysler Voyager. Uit nader onderzoek blijkt dat het om in totaal 99,4 kilogram van een materiaal bevattende MDMA gaat. De betreffende bigshoppers hebben een kenmerkend geruit motief.

Op 15 april 2019 tussen 10:04 uur en 12:33 uur is in de schuur behorende bij de woning [adres 4] en in genoemde woning zelf gesproken over een hoeveelheid ‘M’ die door [medeverdachte 11] met de auto van [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) gebracht gaat worden. Er wordt een Chrysler Voyager genoemd. Het gaat om onder meer de volgende passages.

Rond 10:04 uur vraagt [verdachte] : ‘Weet jij nog hoeveel ‘M’ er in die bus zit’, waarop [medeverdachte 11] reageert ‘Nee (..) Ik weet wel dat er 30 in die andere zit’. Vervolgens heeft [verdachte] het over ‘honderdtien die straks weggebracht moeten worden.’ Rond 10:14 uur vraagt [medeverdachte 11] of die brokken/ blokken allemaal door de pers gaan. [verdachte] bevestigt dit, waarop [medeverdachte 11] vraagt: ‘Moet ik ze brengen?’. [verdachte] zegt ‘Ja’ en geeft aan hiervoor ‘die auto van [medeverdachte 3] ’ te gebruiken. Rond 11:34 uur praat [verdachte] met onder meer [medeverdachte 7] over de hoeveelheid ‘M’ en het vacuüm trekken. [verdachte] wil dat het straks nageteld wordt, ‘voordat het weggaat’, ‘het moet wel kloppen.’ Rond 12:33 uur praten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) over ‘die blauwe, die Voyager, die Chrysler’ die ‘ze’ gaan gebruiken. [medeverdachte 8] vervolgt het gesprek: ‘Ja, daar ligt alles in man, dat moet opnieuw geteld worden. En die andere moet er uit’ en ‘stipt om één uur is hij hier’.

In het criminele drugsjargon wordt met de afkorting ‘M’ in het algemeen MDMA bedoeld. (ZD09, p. 74)

Uit camerabeelden en observaties van 15 april 2019 blijkt dat [medeverdachte 11] om 12:47 uur als bestuurder van een Chrysler Voyager voorzien van het kenteken [kenteken 2] het terrein van het [locatie] oprijdt en daarna eerdergenoemde schuur inloopt. Om 14:33 uur rijdt [medeverdachte 11] de Chrysler Voyager achterwaarts in de richting van [nummer 4] . In de tijdspanne 14:54 uur t/m 15:18 uur lopen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] met overeenkomstige geblokte bigshoppers heen en weer over het terrein. Zij begeven zich hierbij tussen de schuur, [nummer 4] en in de richting van de Aengelbertlaan (woonboulevard). In dit verband springen met name de volgende momenten in het oog.

Om 14:54 uur loopt [medeverdachte 2] met in zijn hand een lege opgevouwen geblokte bigshopper in de richting van de Aengelbertlaan. Een minuut later loopt [medeverdachte 8] in dezelfde richting. Twee minuten later komt [medeverdachte 2] vanuit de Aengelbertlaan met een ogenschijnlijk gevulde, zware (identieke) geblokte bigshopper gelopen. Hij loopt ermee in de richting van de schuur achter [adres 4] . Achter hem aan loopt [medeverdachte 8] . Om 14:58 uur loopt [medeverdachte 2] vanuit de richting van genoemde schuur met eenzelfde en ogenschijnlijk gevulde tas in de richting van de op [nummer 4] staande Chrysler Voyager. Kort daarop komt [medeverdachte 2] zonder tas achter de Chrysler Voyager vandaan. Om 15:03 uur loopt [medeverdachte 2] wederom met een soortgelijke gevulde bigshopper in de richting genoemde Chrysler Voyager.

De rechtbank merkt op deze plek onder verwijzing naar de luchtfoto van het [locatie] (ZD09, p. 125-126) en de in de bewijsbijlage onder ZD12(a) en ZD17 opgenomen bewijsmiddelen op, dat als er wordt gesproken over de richting van de Aengelbertlaan (woonboulevard) dit de richting betreft naar voormalige [nummer 5] met daarop meerdere sloopauto’s die, zo maakt de rechtbank op uit de bewijsmiddelen, als stashlocatie van de organisatie voor onder meer verdovende middelen werden gebruikt.

Zo is op 23 oktober 2019 op deze locatie onder meer onder een auto van het merk Mercedes een sealbag met 20 pillen bevattende MDMA aangetroffen (ZD12, p. 283-284, 302 en 327).

[medeverdachte 11] zegt om 15:29 uur dat hij gaat rijden. [medeverdachte 8] vindt dat goed en wil dat

[medeverdachte 11] een berichtje stuurt als hij er is.

[medeverdachte 11] vertrekt om 15:32 uur als bestuurder van de Chrysler Voyager van het [locatie] en wordt omstreeks 17:00 uur in de omgeving van Roosendaal als bestuurder van die Chrysler aangehouden met daarin - grotendeels in bigshoppers - verstopt circa 99,4 kilo van een materiaal bevattende MDMA. Hierbij verdient opmerking dat deze aangetroffen bigshopper-tassen volgens bij de observatie van het [locatie] betrokken verbalisanten ‘identiek dan wel sterk gelijkend zijn op de tassen’ die zij eerder die dag bij de WWC hebben waargenomen.

Ruim een uur na de aanhouding van [medeverdachte 11] wordt in de schuur behorende bij woning [adres 4] kennelijk gespeculeerd over wat er aan de hand is, want er is geen bericht ontvangen. [medeverdachte 8] denkt dat ‘ze die [medeverdachte 11] te pakken hebben’ (..) ‘met dat rijden’. Op de vraag van [medeverdachte 7] ‘reageert hij niet?’ zegt [medeverdachte 8] ‘nee’. De rechtbank merkt in dit verband op dat [medeverdachte 11] destijds en nog steeds geheel kaal is.

Later die avond praten [verdachte] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] er in genoemde schuur verder over. [medeverdachte 6] noemt het tijdstip van wegrijden (half 4) en zegt dat je er in anderhalf uur naar toe rijdt. [verdachte] meldt dat ‘hij’ om acht minuten voor vijf had gebeld met de mededeling ‘Nog een kwartiertje maat, maar ik rijd nu de file in.’ Volgens [medeverdachte 6] zou ‘hij’ er dan twintig minuten later geweest moeten zijn. [verdachte] legt een link tussen de filevorming en een controle. Vervolgens vertelt [verdachte] iets over de achtergrond van de levering: ‘Ik ken heel deze mensen niet (..) Ze waren hier vrijdag, toen was ik te laat. Ik zeg: weet je wat het is., kom ik wel brengen anders, geen probleem, alleen het risico is voor jullie (..) Ik zeg: Ik stuur er…man daarheen hè (..) Ik zeg: bid maar dat er niks gebeurt want het is een risico.’ Als [medeverdachte 8] zegt dat hij het maar een raar adresje vond, zegt [verdachte] ‘Ja maar daar moest het niet naar toe. Hij was nou…mee achter ergens heen rijden en dan een loods en dan eruit halen.’ Vervolgens zegt [verdachte] : ‘Luister, het is heel simpel met zijn fikken nergens aangezeten, ik zou zeggen wat weet ik ervan, ik moest de auto ergens naartoe brengen….blijf wel even zitten, maar hij heeft niks aangeraakt hoor.’ [verdachte] vertelt dat hij om 16:52 uur een bericht ontving dat ‘hij’ stilstond in de file en dat hij ( [verdachte] ) om 17:26 uur een bericht terugstuurde ‘ben je in de buurt dan geef ik dat aan de auto door’, waarop hij ( [verdachte] ) geen reactie terugkreeg. [verdachte] dacht dat ze aan het overpakken waren, maar kreeg om zes uur de kriebels. Nadat [verdachte] van ‘hun’ heeft vernomen dat er niemand was gekomen, spreekt [verdachte] uit dat hij denkt dat ‘hij gesnaaid is.’ [medeverdachte 6] heeft het over ‘7 jaar’ en [verdachte] heeft het over een man van in de 50 die al 30-35 jaar meedraait. De rechtbank merkt op dat [medeverdachte 11] destijds 57 jaar was.

Uit het dossier volgt voorts dat de betreffende Chrysler Voyager vanaf 15 maart 2018 te 16:40 uur op naam van [persoon 16] staat, die eerder een auto op zijn naam heeft gehad waarin [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) reed. Op 13 maart en 15 maart 2018 hebben [verdachte] en [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) telefonisch contact met het autobedrijf gehad waar deze Chrysler te koop stond. Laatstgenoemde vraagt daarbij uitdrukkelijk of de banken inklapbaar zijn.

De rechtbank oordeelt dat de inhoud van de hiervoor weergegeven gesprekken in het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen ondubbelzinnig over de aangehouden

[medeverdachte 11] gaan en dat hieruit tevens volgt dat de in de Chrysler aangetroffen – kort gezegd – 99,4 kilogram MDMA op het [locatie] is ingeladen. Ook volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het samenstel van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen onmiskenbaar de wetenschap bij [medeverdachte 11] dat hij deze drugs vervoerde. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de andersluidende verklaring van [medeverdachte 11] . De rechtbank acht het ook volstrekt onwaarschijnlijk dat een organisatie een dusdanige hoeveelheid harddrugs, met een grote financiële waarde, door een onwetende derde laat vervoeren met de kans dat de drugs buiten de macht van de organisatie geraakt.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat [medeverdachte 11] de MDMA heeft vervoerd en wel in bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en [verdachte] .

Immers, uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 2] bigshoppers met MDMA in de Chrysler heeft geladen en dat [medeverdachte 8] hem daarbij in het geval van één bigshopper heeft vergezeld naar de stashlocatie (lege tas) en vervolgens naar de schuur (volle tas), van waaruit [medeverdachte 2] de gevulde bigshopper in de Chrysler heeft geplaatst. Daarmee hebben zij naar het oordeel van de rechtbank een voor een bewezenverklaring van medeplegen vereiste wezenlijke (uitvoerende) bijdrage aan het vervoer van de MDMA geleverd. Bovendien volgt uit de inhoud van de OVC-gesprekken ondubbelzinnig de wetenschap en betrokkenheid van [medeverdachte 8] bij het vervoer van de MDMA en zijn in zekere mate sturende rol daarin. Zo benoemt hij de specifieke auto waarmee de MDMA wordt weggebracht en het tijdstip waarop deze auto op het [locatie] wordt verwacht. Daarnaast moet [medeverdachte 11] van [medeverdachte 8] een berichtje sturen als hij ( [medeverdachte 11] ) op de plaats van bestemming is en denkt [medeverdachte 8] bij het uitblijven ervan dat [medeverdachte 11] is aangehouden. [medeverdachte 8] is ook op de hoogte van het afleveradres. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 8] heeft hiermee een wezenlijke bijdrage geleverd aan het vervoeren van de MDMA, zodat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank dicht op basis van de hiervoor weergegeven inhoud van de OVC-gesprekken aan [verdachte] een wezenlijke intellectuele (organisatorische en sturende) bijdrage aan het vervoer toe. Hij spreekt over de hoeveelheid MDMA die weggebracht moet worden, de voorraad MDMA, het natellen van de lading MDMA die wordt vervoerd, de wijze van verpakken daarvan en over de aanhouding van [medeverdachte 11] . Ook maakt de rechtbank uit de OVC-gesprekken op dat het [verdachte] was die, toen er kennelijk problemen waren met het ophalen van de MDMA, met de tegenpartij afsprak dat hij de MDMA weg zou (laten) brengen op voorwaarde dat het risico voor de tegenpartij zou zijn.

De versie van [verdachte] dat met ‘M’ Himalayazout verkocht als MDMA wordt bedoeld, wordt feitelijk gelogenstraft door de aangetroffen zending MDMA en acht de rechtbank ook overigens volstrekt ongeloofwaardig mede gelet op de uitlating van [verdachte] in het OVC-gesprek van 15 april 2019 omstreeks 10:14 uur waar hij zegt dat een kilo ‘M’ hem maar liefst € 400,- kost.

feit 5 primair medeplegen verwerking MDMA en/of metamfetamine (ZD09)

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 7 juni 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van een (grote) hoeveelheid MDMA en/of metamfetamine.

Standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van de bewijsvraag van dit feit formeel geen verweer gevoerd of standpunt ingenomen. Wel heeft [verdachte] op 13 januari 2021 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niets met echte verdovende middelen te maken heeft en dat hij Himalayazout als MDMA verkoopt en dat zout daarom ‘M’ noemt.

Bewijsoverweging rechtbank

Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen maakt de rechtbank het volgende op.

[verdachte] spreekt op 21 februari 2019 in twee opeenvolgende OVC-gesprekken kort na 18:00 uur over een levering ‘M’ die rond acht uur (de rechtbank begrijpt: 20:00 uur) wordt gebracht. Hij zegt dit eerst in het ‘kantoor’ van de schuur behorende bij perceel [adres 4] in Oss tegen [medeverdachte 7] en kort daarna buiten de schuur tegen zijn zoon [medeverdachte 2] . [verdachte] zegt in het verlengde van het gesprek in de schuur nog tegen [medeverdachte 7] : ‘Heb je die vaten gehaald?’ en ‘moet je even die grote weegschaal die moet je uit de bus pakken’ en ‘boven meteen voor de deur in de stash.’ Blijkens camera-beelden en met inachtneming van een gecorrigeerde tijdsaanduiding is [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) bij dit gesprek in het ‘kantoor’ aanwezig. Tegen [medeverdachte 2] zegt [verdachte] nog dat hij om 8 uur (de rechtbank begrijpt: 20:00 uur) weer terug is.

Op camerabeelden is te zien dat [verdachte] kort voor 20:00 uur op het [locatie] arriveert en genoemde schuur inloopt. Omstreeks 20:11 uur parkeert ter hoogte van [adres 7] een bus. Er volgt een kort contactmoment tussen [verdachte] met twee NN-mannen (NN89 en NN90). De schuifdeur van de bus gaat open waarna NN89 achtereenvolgens drie dozen naar het kantoor brengt. NN89 draagt handschoenen. Bij het binnenbrengen van de derde doos wordt de NN89 gevolgd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] .

NN89 heeft het in ‘het kantoor’ over kristalliseren en het in de vriezer plaatsen. Op de vraag van [verdachte] hoeveel zij uit deze hebben kunnen halen antwoordt de NN89 ‘196, maar dat is veel te weinig….(..) we moeten normaal 250 makkelijk kennen halen.’ NN89 zegt vervolgens: ‘Kijk als je, zeg maar 100 kilo dan krijgen we 30 kilo ‘M’ terug.

[verdachte] heeft het over normaal 78, 78, 80 kilo ‘M’.

NN89 heeft het over 62 tot 63 zuivere olie halen op 100 kilo en dat ze dan ‘1.4’ moeten ‘draaien’, waarop [verdachte] zegt ‘Van de 100 kom je op 80 kilo normaal’.

Verder spreken [verdachte] en NN89 over ‘lichte en donkere’ en ’30 in een doos’, vindt [medeverdachte 7] ‘het mooi spul’, zegt [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) ‘mij maakt het geen reet uit, als ze er pillen van maken’ en ‘die zijn perfect’ en vindt [verdachte] het goed ruiken. [verdachte] heeft het ook over een risico dat hij niet wil lopen. Er wordt verder afwisselend door [verdachte] , NN89 [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ), [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] onder meer gesproken over ‘witte M’, ‘donkere pillen’, ‘Cola, dat gewoon wit wordt’, ‘er pillen van slaan’, ‘PH’ en ‘58 kilo per 100 kilo puur poeder uithalen’.

Volgens een materiedeskundige wordt de afkorting ‘M’ door criminelen gebruikt om MDMA aan te geven. Het kristalliseren van MDMA gebeurt in een vriezer. Er wordt voorts vermoedelijk gesproken over een opbrengst aan MDMA kristallen van 78-80 kilogram uitgaande van 100 kilogram preprecursor van 62-63 zuivere MDMA-olie. 1.4 is een factor die door criminelen wordt aangegeven als zijnde de hoeveelheid MDMA-kristallen die uit 1 liter MDMA-olie kan worden gehaald. Er zijn licht- en donkergekleurde MDMA-kristallen. Criminelen spreken in dat verband ook over champagne-respectievelijk colakleurig. Dit heeft te maken met de vervuiling van MDMA-olie bij kristallisatie. Er wordt voorts vermoedelijk gesproken over 58 kilogram MDMA uit 100 kilogram preprecursor.

Er is veel bedrijvigheid zichtbaar (beelden) en hoorbaar (OVC-gesprekken) rond en in het ‘kantoor’ en de schuur van [adres 4] door de diverse aanwezigen. Hierbij lopen [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] op en neer in en uit het ‘kantoor’ en de schuur. [verdachte] zegt dat er uit de witte bus een schaal moet worden gepakt om de ‘M’ na te wegen. Ook vraagt [verdachte] of die blauwe vaten zijn gepakt. Er worden handschoenen gedragen, waaronder door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) die rond 21:10 uur blauwe tonnen met een zwarte deksel de schuur binnendragen. Deze tonnen zijn zichtbaar leeg. [verdachte] zegt verder ‘als je het wegzet, die ‘M’ ook hier bij doen, alles door elkaar en even nou wegen.’ Er wordt hoorbaar met plastic en tape ingepakt en daarbij wordt door [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] ( [geboortedatum 2] ) en in aanwezigheid van [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) over wegen, gewichten en hoeveelheden gesproken: ‘daar moet je 2 kilo’s van maken’, ‘2 grote stukken zijn 1910 gram’, ‘ziet eruit als een kilo’, ‘tweede zak…in, ik bak die bak wel…de zakken wegen al 180 gram’, ‘elke 100 gram is 100 gram’, ‘2 pakken van vijf’ . Ook wordt er gesproken over ‘wassen tot die mooi eruit ziet’ en gezegd ‘dat is Ice’. Op basis van deze uitlatingen en inpakgeluiden, gecombineerd met de verdere inhoud van de gesprekken, legt de materiedeskundige een verband met het inpakken van metamfetamine (Ice).

Omstreeks 21:28 uur sjouwen/schuiven [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) in totaal drie (zichtbaar) gevulde blauwe vaten met zwarte deksels uit de schuur.

De rechtbank overweegt en oordeelt het volgende.

De rechtbank merkt op dat in de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken in zijn algemeenheid evident wordt gesproken over de handel en productie in/van drugsgelieerde stoffen en middelen,

De rechtbank dient de inhoud van de OVC-gesprekken en bijbehorende camerabeelden te duiden zonder een feitelijke inbeslagname van hetgeen waarover wordt gesproken, waarmee handelingen zijn verricht en in de drie vaten is geplaatst.

De afkorting ‘M’ is in het drugsjargon de gangbare afkorting van MDMA en vormt daarom een heel sterke aanwijzing dat daarmee in de OVC-gesprekken daadwerkelijk MDMA wordt bedoeld. Dit vindt bevestiging in de bevindingen van de materiedeskundige op basis van de inhoud van de onmiddellijk na de levering ‘M’ gevoerde gesprekken zoals hiervoor beschreven. De rechtbank heeft geen reden om aan deze bevindingen te twijfelen. De daaropvolgende activiteiten in het ‘kantoor’ wijzen volgens diezelfde materiedeskundige op het inpakken van metamfetamine. De rechtbank heeft evenmin reden om aan deze interpretatie te twijfelen. Dit maakt dat niet zonder meer duidelijk is wat er die avond

daadwerkelijk is verwerkt: MDMA of metamfetamine of wellicht beide. Bij deze stand van zaken, met veel directe en sterke aanwijzingen dat de aanwezigen in het ‘kantoor’ een middel van lijst I van de Opiumwet hebben verwerkt, kantelt echter de bewijslast en ligt het op de weg van verdachte om met een aannemelijke, de redengevendheid van het bewijs ontzenuwende verklaring te komen. Zo’n verklaring is echter uitgebleven, waarover later meer.

Hoewel de rechtbank niet precies kan vaststellen wat er in drie vaten is geplaatst, acht zij, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat dit MDMA, metamfetamine of beide is geweest. De rechtbank acht de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat er die avond MDMA en/of metamfetamine is verwerkt.

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de vaststelling bij de bespreking van ZD04 dat er 15 april 2019 op dezelfde locatie circa 99 kilo aan MDMA-kristallen voor verder vervoer in een auto is geladen en kort daarop in die auto is aangetroffen en dat hierbij onder anderen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] waren betrokken als medeplegers. Oftewel: minder dan twee maanden na het onderhavige voorval was men op dezelfde locatie eveneens doende met MDMA (kristallen). Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen die betrekking hebben op ZD12 dat op 13-15 november 2019 in een achter de schuur van woning [adres 4] gelegen verborgen/ondergrondse ruimte onder meer is aangetroffen: bruine dozen met een groot aantal zakken met bruine kristallen (MDMA), een witte kunststof ton met rode schroefdeksel met zakken bruine kristallen (MDMA), een witte kunststof ton met rode schroefdeksel met zakken paarse pillen (MDMA), en zakken met xtc-pillen (MDMA) en metamfetamine. Deze ondergrondse ruimte kan aan de criminele organisatie worden toegeschreven, met name ook nu uit ZD05 blijkt dat in deze ruimte een vuurwapen en patroonmagazijnen met daarop het DNA van respectievelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] en [verdachte] is aangetroffen. Ook mag niet onvermeld blijven dat op laatstgenoemde data op het sloopterrein van voormalig [nummer 5] van het [locatie] een witte kunststof ton met onder meer (brokken) MDMA en metamfetamine is aangetroffen (ZD12).

De meeste verdachten hebben zich op het zwijgrecht beroepen dan wel aangesloten bij de eerst op 13 januari 2021 door [verdachte] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring dat er in nepdrugs werd gehandeld, dat met ‘M’ Himalayazout werd bedoeld en dat dit als MDMA werd verkocht. De rechtbank acht dit scenario in het licht van de specifieke inhoud, strekking en context van voornoemde OVC-gesprekken en hetgeen op 15 april 2019 en in november 2019 feitelijk is aangetroffen en bij gebreke van overtuigende aanknopingspunten anderszins, volstrekt ongeloofwaardig.

Voor wat betreft eenieders betrokkenheid kan de rechtbank kort zijn. Voor alle verdachten met uitzondering, voor zover de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen kan vaststellen, van [verdachte] geldt dat zij in meer of mindere mate uitvoeringshandelingen (tonnen sjouwen, verpakken) hebben verricht bij de gezamenlijke verwerking van MDMA en/of metamfetamine. Het is daarnaast volgens de rechtbank vast komen te staan dat zij wisten dat het om dit/deze middel(en) ging. Daarmee kunnen zij als medepleger van het verwerken van genoemde stoffen worden aangemerkt. Zij hebben bewust en nauw samengewerkt en de bijdrage van ieder afzonderlijk is van voldoende gewicht geweest. Voor [verdachte] geldt dat hij degene is geweest die de afspraak met de leveranciers van de ‘M’ heeft gemaakt, hen heeft ontvangen en in overwegende mate met hen heeft gesproken. Hij was vervolgens prominent aanwezig bij de verpakkingswerkzaamheden en had daarbij een sturende en leidende rol met een beslissende stem. Aldus kan hij eveneens als medepleger worden aangemerkt.

feit 6 medeplegen bewerken en verwerken van cocaïne op 28 februari 2019 (uit ZD12)

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 11 juni 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van

het bewerken, verwerken en voorhanden hebben van cocaïne.

Standpunt van de verdediging.

[verdachte] heeft naar eigen zeggen niets van doen met echte verdovende middelen. De OVC-gesprekken van 28 februari 2019 gaan niet over het persen van cocaïne, maar over

het persen van gips of kalk met behanglijm, als ware het cocaïne.

Bewijsoverweging rechtbank.

Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen maakt de rechtbank het volgende op.

Op 28 februari 2019 vinden in de tijdspanne van omstreeks 14:30 uur tot en met rond middernacht zichtbaar en hoorbaar activiteiten plaats in de schuur en de daarin gelegen kantoorruimte van het perceel gelegen aan de [adres 4] . Hierbij zijn betrokken [verdachte] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [persoon 17] en (tot omstreeks 16:30 uur) [medeverdachte 13] .

Uit in die schuur opgenomen camerabeelden blijkt dat er in genoemde tijdspanne op verschillende momenten door diverse aanwezigen handschoenen worden gedragen, er activiteiten aan de tafel in de kantoorruimte plaatsvinden en dat er met gevulde, kennelijk zware tassen wordt gesjouwd. Ook blijkt uit die camerabeelden dat tussentijds een rode pers de kantoorruimte in wordt gedragen. Deze pers wordt omstreeks 23:50 uur het ‘kantoor’ uit gedragen en een andere ruimte van de schuur in gedragen. Onderwijl is [medeverdachte 8] in de kantoorruimte met een stofzuiger bezig om de tafel schoon te zuigen. Deze neemt kort daarop twee vuilniszakken mee naar buiten, waarna [verdachte] kort na middernacht de schuur verlaat.

In de bewuste tijdspanne zijn tevens OVC-gesprekken opgenomen in de kantoorruimte. Er wordt dan onder meer gesproken over: het dragen van handschoenen, dadelijk kneden, drukken, persen, pompen, trekken, niet te hard douwen, schaven, blokken maken, een mooie blok, draaien, platen, mallen (van een AK, Tony Montana, Scarface), 777 aan de bovenkant, drie zevens uitprinten, een stempel van 7, op de rest ook zevens inslaan, inpakken met folie, folie om de mal trekken, zakjes, mixen, uitkoken, ‘dadelijk ga je spul zien…toppertjes’, ‘hoeveel hebben we gedrukt’, ‘eerst folie dan tapen’, een stempel indrukken, ‘hoeveel druk moet je…met de stempel erin zitten’ (..) ‘tot de naad van de blok’, dicht tapen, in de folie draaien, wegen, logo’s en stempelplaten.

Zoals hiervoor reeds aan de orde gekomen, is op de camerabeelden waargenomen dat er een drukpers de kantoorruimte is binnengebracht. Dit past bij een aantal van de hiervoor genoemde bewoordingen.

Voor wat betreft de context van het hiervoor vermelde acht de rechtbank onder meer de navolgende specifieke uitlatingen van belang:

omstreeks 14:29 uur

[medeverdachte 13] : Maar je hoeft niet zoveel gewicht

[verdachte] : Nee dat hoeft ook ... niet

[medeverdachte 6] : Nee, het kan wel

[medeverdachte 13] : Ja maar dan zeg ik, we weten dat die plaat, er maar net inzit

(…)

[medeverdachte 8] : n je maakt de bovenkant, van waar je hem ook kan testen. Als je dat nou een beetje nat maakt dan hoef je ook niet zoveel druk te zetten. Dan is die wat zachter.

[verdachte] : Volgens mij zijn ze niet zo heel hard hoor

(…)

[medeverdachte 8] : Als dat ding eraf is ,ja? En je maakt de bovenkant een beetje nat? (…)

[medeverdachte 7] : Ik zou het niet doen met water hoor.

[medeverdachte 6] : Ik denk dat als je..

[verdachte] : Als je het doet dan moet je het met aceton spuiten. (…)

[medeverdachte 6] : Als je het maar goed laat drogen (dialect: dreugen)

(…)

[verdachte] : ‘Dit is veel belangrijker’

[medeverdachte 2] :….’Handschoenen’

[verdachte] : ‘Omdat ik, jij de drugs aanraken m’n jongen’

(…)

[medeverdachte 6] : Natuurlijk. dat is aceton ... heter

[persoon 17] : ....

[verdachte] : Dat is 777

omstreeks 14:49 uur

[medeverdachte 6] : (…) die dikke platen ... die zitten bij deze pers niet bij

[medeverdachte 13] : ..(onverstaanbaar)..

[persoon 17] : Eentje, Eentje en je moet iets hebben voor het pompen euh

[medeverdachte 6] : Ja dat is

[medeverdachte 7] : Daar zit die plaat in, hier zit alles in

[verdachte] : Waar is de mal?

(…)

[medeverdachte 8] : ‘De handschoenen die liggen daar…’

[verdachte] : ‘ [persoon 17] z’n neus…dirty drugs man’

(…)

[medeverdachte 8] : Waar ligt die Ronaldo?

[verdachte] : Ja die moet ... besteld

[medeverdachte 2] : Ja ik wil euh ook een mal laten maken van een AK

[medeverdachte 8] : Ik kon de laatste keer kopen van dingen .. van Tony Montana, scarface

(…)

[verdachte] : Je moet maar nèt de druk te hebben. Nee, ... de mal …

[medeverdachte 13] : Hij zit er ook maar net in ook hoor

[medeverdachte 13] : Ene kant volgens mij ja

[medeverdachte 6] : Deze moet iets aangedraaid worden dat dit een beetje bij elkaar blijft (…)

[medeverdachte 13] : Nee deze ... kant drukken

[medeverdachte 6] : ... is die euh twee ijzeren plaatjes van die andere bak, die andere pers eens even pakken want anders druk

omstreeks 14:54 uur:

[verdachte] : Hij zegt je hoeft niet hard te persen

[medeverdachte 6] : Nee, je hoeft maar één keer zo aan te trekken en dan zeg maar, laat maar drogen in de zon zeg maar

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): zet hem er maar onder

[medeverdachte 6] : Nee je hebt eerst die platen nodig, die dikke platen die ...

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): Ja ja ja

(…)

[verdachte] : ‘Pas op dat je dadelijk geen cocaïne aan je mouw hebt zitten. Dan vinden ze er dadelijk nog drugs op’

[medeverdachte 13] : ‘Deze trui ko….gaat nog weg’

(..)

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): ‘Op de euh de machine liggen er’

[verdachte] : ‘Die zitten vast!! Deze zijn ook goed’

[medeverdachte 7] : ‘Ja, anders moet je zelf even kijken hè’

[medeverdachte 6] : ‘Ja zo voor bij een kilo wel’

[verdachte] : ‘Een 80 ton…drugs is klaar’

omstreeks 14:59 uur

[verdachte] : ‘Als die hem nou euh eigenlijk had die andersom moeten zijn…dat de zevens niet’

(..)

[medeverdachte 7] : ‘7…cel of niet?’

[verdachte] : ‘Niet doen! Dadelijk… op de vingers…’

(…)

[medeverdachte 6] : Hé, die mal moet wel even goed euh geschuurd worden

[medeverdachte 2] : Ja, papier. Die dingen zit aan de zijkant

[verdachte] : Ja, die mal moet eerst even schoongemaakt worden. Doe eventjes alcohol erop anders heb jij een groot probleem want dan heb je allemaal viezigheid ...

(…)

[medeverdachte 8] : En als je die mal nu gewoon inpakt met de folie?

[medeverdachte 6] : Nee dat moet je niet doen, die druk, ja kan trouwens wel. ...

[medeverdachte 8] : Folie is gewoon de beschermlaag maar ik zou hem eerst toch ... schoonmaken

(…)

[medeverdachte 7] : Dat is goeie folie of niet?

[medeverdachte 6] : Nee, bij de eerste blokken zitten 777, later ...

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): Als het goed is ...

[medeverdachte 6] : Ja, dat dacht ik ook.

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): dat is ...

[medeverdachte 6] : Ja, die 777 ... lopen, dat je goed slaapt

[medeverdachte 8] : (lacht)

[verdachte] : dan moet je eventjes in de computer, moet je drie zevens uitprinten, gekleurde zevens

[medeverdachte 8] : En aan de bovenkant erop plakken

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): ... printen (…)

[verdachte] : Heb jij een printer binnen staan?

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): ja (…)

[verdachte] : Met kleuren erin, neonlicht, oranje, groen, een beetje opvallende zevens

[medeverdachte 6] : Regenboogjes ...

[verdachte] : Print er maar 380 uit, er moeten 380 ... komen

(…)

[medeverdachte 6] : Dit is een mooie blok hoor jongens

[medeverdachte 13] : Precies

[medeverdachte 2] : Klopt, deze ook

omstreeks 15:09 uur:

[medeverdachte 6] : ‘En dit pas het eerste blok’

omstreeks 15:34 uur:

[medeverdachte 6] : ’Gooi je toch een beetje van die andere erbij’

(..)

[medeverdachte 7] : ‘Ja stop maar, zo is het goed’

omstreeks 19:34 uur:

[verdachte] : ‘Ik ga dadelijk toch een nog en keer een coke…eind testen’

[medeverdachte 6] : ‘Nou nog een beetje roeren, je moet m eigenlijk iets langer laten zakken in die euh…

dingen want al dat wit wat in die….zit moet weer bij mekaar komen’

[verdachte] : ‘Dat is ook merchandise…dan zegt ie ben je zo’n dirty drugs money’ (..) Gooit er een gram op, haalt er 3 uit.’

omstreeks 19:44 uur:

[medeverdachte 8] : ‘Raak die dingen niet aan!’

[medeverdachte 7] : ‘Wat?’

[medeverdachte 8] : Dat ijzer niet, daar heeft rotzooi op gelegen…handen in’

[verdachte] : Ja blijft er vanaf, daar zit dirty drugs aan’ (..) ‘Je weet toch hier in de schuur moet je niks aanraken maat’

omstreeks 21:24 uur:

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): Op de rest kun je ook zevens inslaan

[medeverdachte 6] : Ja maar hier niet

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): Die andere blokken heb ik net gepakt. Dan ga ik ...

[medeverdachte 6] : Jij hebt die blokken, de zevens of niet? (…)

[medeverdachte 6] : Hoeveel, hoeveel hebben we er gedrukt?

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): Wat er nou staat. ... net voorbij komen

(…)

[verdachte] : Dat is niet de zevens

[medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ): Hier staan zevens in!!

omstreeks 21:59 uur:

[verdachte] : ‘Als hier een drugshond binnenkomt, wordt helemaal gek’

omstreeks 22:54 uur:

[verdachte] : ‘Is ie droog hè?’

Voorts hebben de uitluisterende verbalisanten op verschillende momenten onder meer de navolgende geluiden tijdens de opgenomen gesprekken waargenomen:

‘geluid van metaal op metaal als een soort pompend geluid’, ‘geluiden hoorbaar die kunnen passen bij het afrollen van tape in grote hoeveelheden’, ‘geluiden hoorbaar die doen denken aan een pompend geluid waarbij metaalklanken hoorbaar zijn’, ‘schrapend geluid op metaalachtig voorwerp hoorbaar’, ‘geluid hoorbaar passend bij het gebruik van een plantenspuit’, ‘pompend geluid en het geluid van plakband afwikkelen’, ‘geluid hoorbaar passend bij het gebruik van een ratelsleutel’.

Een senior LFO-expert bij de Landelijke Eenheid heeft een aantal passages van uitwerkingen van de opgenomen gesprekken beoordeeld en concludeert dat er wordt gesproken over het be- en verwerken van cocaïne, meer specifiek over het versnijden, persen en verpakken van cocaïneblokken. Volgens de deskundige wordt tevens gesproken over de benodigde apparatuur en verpakkingsmiddelen, waaronder het geprinte logo 777.

De rechtbank omarmt de conclusies van de deskundige en maakt die tot de hare. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat ook feitelijk sprake is geweest van het (actief) be- en verwerken van cocaïne. De elkaar onderling versterkende combinatie van de inhoud van de afgeluisterde gesprekken, de daarbij waargenomen geluiden en de bijbehorende camerabeelden rechtvaardigen dit oordeel.

De hiervoor uitgeschreven uitlatingen ‘Pas op dat je dadelijk geen cocaïne aan je mouw hebt zitten. Dan vinden ze er dadelijk nog drugs op’, ‘Ik ga dadelijk toch een nog en keer een coke… eind testen’ en ‘En dit pas het eerste blok’ spreken wat dat betreft ook boekdelen. Dat er daadwerkelijk cocaïne is bewerkt en verwerkt vindt ook bevestiging in afgeluisterde gesprekken van 30 maart 2019 in de Volkswagen Jetta [kenteken 3] , waarin verdachte [medeverdachte 2] onmiskenbaar spreekt over (de kwaliteit) van blokken cocaïne met het stempel 777 en waarover hij zegt: ‘Maar deze is echt wel goed, dat meen ik echt. Niet omdat die van ons is.’

Dit oordeel wordt verder versterkt door het aantreffen van cocaïne op het sloopterrein van [nummer 5] van het [locatie] (doorzoekingen d.d. 23 oktober 2019 en 13-15 november 2019), in een ondergrondse ruimte op het bosperceel achter het [locatie] (doorzoekingen d.d. 13-15 november 2019) en in een container op het terrein [adres 1] , (doorzoeking d.d. 18 november 2019), zijnde allen aan te merken als stashlocaties van de criminele organisatie zoals hiervoor bij de bespreking van dat zaakdossier en daarmee samenhangende zaakdossiers reeds aan de orde is gekomen.

Het een en ander past ook bij de tijdens de doorzoekingen op 13-15 november 2019 in een ruimte van de onderwerpelijke schuur aantreffen van een roodkleurige drukpers met aan de bovenkant een drukmeter en het in de schuur van de woning op [nummer 4] van het bewuste [locatie] aantreffen van meerdere metalen platen die gebruikt kunnen worden bij een drukpers, waaronder een plaat met in spiegelbeeld de cijfers 777.

Voor wat betreft de duiding van de betrokkenheid van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] kan de rechtbank kort zijn. Uit de in de bewijsbijlage uitgeschreven bewijsmiddelen volgt evident dat zij allen in meer of mindere mate uitvoeringshandelingen hebben verricht ten behoeve van het bewerken en verwerken van cocaïne, waaronder het in/uitdragen van de rode pers, het versnijden, persen, wegen en/of verpakken van cocaïne, het sjouwen met-– zo neemt de rechtbank aan - met blokken cocaïne gevulde tassen en het nadien wissen van sporen. De gezamenlijke handelingen zijn in bewuste en nauwe samenwerking gepleegd. De rechtbank kwalificeert ieders bijdrage dan ook als die van medepleger van het bewerken en verwerken van cocaïne.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit echter niet voor [medeverdachte 13] . De rechtbank stelt vast dat hij zich in de algehele tijdspanne van de bewuste dag en in tegenstelling tot de anderen ‘slechts’ twee uren (van circa 14:30 uur tot circa 16:30 uur) in de schuur heeft bevonden. De rechtbank kan echter niet zonder meer de exacte bijdrage van [medeverdachte 13] aan het bewerkings- en verwerkingsproces van de cocaïne in die periode vaststellen. Dat betekent dat de rechtbank [medeverdachte 13] voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken en de bewezenverklaring tot het medeplegen van het aanwezig hebben cocaïne (‘pas op dat je dadelijk geen cocaïne aan je mouw hebt zitten’) zal beperken.

De door [verdachte] opgeworpen alternatieve lezing (dat sprake was van het persen van gips of kalk met behanglijm alsof het cocaïne is) verbleekt in het algehele licht van de bewijsmiddelen en wordt door de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven. De rechtbank wijst er in dit verband nogmaals op dat in een aantal afgeluisterde gesprekken ondubbelzinnig over cocaïne, coke en drugs wordt gesproken.

feit 7 medeplegen witwassen € 700.000,= en woning [adres 3] (ZD13)

Inleiding.

De witwasverdenking (ZD13) is dat [verdachte] een woning aan de [adres 3] via een door hem en [medeverdachte 6] opgezette witwasconstructie heeft gekocht. Daarbij zouden [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 10] het geld ten behoeve van die koop hebben beheerd en gereed gemaakt. [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] zouden (samen met [medeverdachte 1] ) naar Bulgarije zijn afgereisd om € 700.000,- aan contanten af te geven ten behoeve van die koop. [medeverdachte 11] zou hebben verborgen en verhuld wie de rechthebbende op de woning was.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 4 juni 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een integrale bewezenverklaring van het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van witwassen, met dien verstande dat de pleegperiode bewezen kan worden vanaf 4 november 2018 tot en met 13 november 2019.

Standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is geen verweer gevoerd terzake het witwasverwijt. Voor zover verdachte een verklaring met betrekking tot dit verwijt heeft afgelegd, zal deze bij de beoordeling van de rechtbank worden besproken.

Bewijsoverweging rechtbank.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 7 augustus 2018 heeft [persoon 18] een koopovereenkomst gesloten met haar partner [persoon 19] voor de koop van zijn woning aan de [adres 3] . Blijkens de daartoe strekkende akte is [persoon 18] vervolgens op 15 januari 2019 eigenaar geworden van de woning.

Op 27 december 2018 verkocht [persoon 18] de woning aan de [adres 3] voor een bedrag van € 670.000,- aan een Bulgaars bedrijf genaamd [bedrijf 15] . Blijkens de koopovereenkomst werd het bedrijf hierbij vertegenwoordigd door de aandeelhouder en bestuurder, [persoon 20] . Blijkens de akte van levering vond de eigendomsoverdracht plaats op 13 maart 2019. Ten behoeve van deze koop is op 9 januari 2019 een bedrag van € 67.000,- en op 20 februari 2019 een bedrag van € 75.000,- door [bedrijf 15] . naar de bankrekening van [persoon 18] overgemaakt.

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 8] november 2019 zijn twee huurovereenkomsten gevonden. Volgens de ene overeenkomst zou [persoon 20] de woning aan de [adres 3] vanaf 21 mei 2019 aan [medeverdachte 11] verhuren. Volgens de andere overeenkomst zou [medeverdachte 11] een deel van de bedrijfsruimte (aan de [adres 3] ) verhuren aan ene [persoon 21] vanaf 1 november 2019 voor een bedrag van € 1.000,-.

Tussen het aan [medeverdachte 6] toegeschreven mobiele telefoonnummer en het telefoonnummer dat aan [persoon 19] wordt toegeschreven, worden berichten uitgewisseld. Op 14 februari 2019 stuurde [medeverdachte 6] aan [persoon 19] : ‘Vanaf maandag (opmerking rechtbank, dit betreft 18 februari 2019) word het overgemaakt. Dan duurt het 2 dagen dan moet je ff laten weten als het erop staat. Dan pass afspraak maken voor tekenen’. [persoon 19] reageerde diezelfde dag met ‘OK’.

Er vinden ook telefoongesprekken plaats. Volgens de transcriptie van deze tapgesprekken vindt op 20 februari 2019 een gesprek plaats tussen [medeverdachte 6] en [persoon 19] .

[medeverdachte 6] zegt dat er al € 75.000,- naar de rekening van [persoon 19] is gestort.

Twee dagen later, op 22 februari 2019, spreken [verdachte] en [persoon 19] elkaar. Ter sprake komen bedragen en wat nog overgemaakt moet worden. Op 1 maart 2019 is er een gesprek tussen [medeverdachte 6] en [persoon 19] . [medeverdachte 6] vraagt of [persoon 19] hem het nummer van de notaris zou willen sturen. Het antwoord van [persoon 19] : ‘ [persoon 22] , hoe heet dat nou? [persoon 22] ’. Hierna volgt een sms-bericht van [persoon 19] aan [medeverdachte 6] met de naam [persoon 22] en een telefoonnummer. Uit het dossier blijkt dat [persoon 22] de naam is van de notaris die betrokken was bij de eigendoms-overdracht van [persoon 18] naar [bedrijf 15] . Het gestuurde telefoonnummer betrof het telefoonnummer van het kantoor van notaris [persoon 22] en [persoon 22] is daar werkzaam.

Later die dag belt [medeverdachte 6] nogmaals met [persoon 19] en zegt hij dat hij zojuist de notaris had gesproken in verband met de papieren en dat [persoon 20] (rechtbank: dit is de voornaam van [persoon 20] ) wilde weten of [persoon 19] wilde wachten met de sleutel.

De rechtbank stelt verder vast dat er tevens OVC-gesprekken zijn die te maken hebben met de aankoop van de woning. Op 5 november 2018 vertelt [verdachte] aan ene [medeverdachte 9] dat hij een huis in Berghem had gekocht, maar dat de makelaar een melding ongebruikelijke transacties had gemaakt, waarna hij zijn geld terugkreeg. Vervolgens zegt [verdachte] dat hij nu het huis er schuin tegenover heeft gepakt van [persoon 19] voor 670.000. Een Bulgaar is dat voor hem aan het kopen. Zoals hierna blijkt, heeft [verdachte] vaker herhaald dat hij een woning daadwerkelijk heeft gekocht.

Op 23 november 2018 vertelt [verdachte] aan [medeverdachte 8] dat hij een woning had gekocht aan de [adres 3] . Hij zegt verder: Ik heb geen hypotheek gepakt. (…) Ik wil niets verhuren, ja op papier ga ik het wel verhuren, (…) Op papier ga ik de loods verhuren, voor 1000 euro, dus de loods (…) dan d’r zit een tweede huis achter (…) dan heb je een huis van eh 7 en halve ton.”

Op 12 januari 2019 vindt een gesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 11] . [verdachte] : “hé, ik heb een huis gekocht vriend (…) zou je daar een maand of 4 of 3 willen gaan wonen? Dat ik water, stroom, dingen aanvraag op jouw naam en dat ik het na vijf, na vijf maanden het over pak? (…)”.

In een gesprek op 12 juni 2019 vertelt [verdachte] aan [medeverdachte 8] dat hij € 700.000,- naar Bulgarije heeft gebracht. Uit het dossier volgt verder dat [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 12] in de nacht van 16 op 17 februari 2019 met een Volkswagen Jetta zijn vertrokken van Oss naar Sofia. Op 18 februari arriveren ze weer terug in Oss.

Op 12 februari 2019, dagen voor het vertrek, bespreken [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 10] het tellen van geld. [medeverdachte 10] vertelt [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) dat hij het niet had hoeven tellen omdat het al geteld was. Daarna zegt [medeverdachte 10] : ‘Het was euh achtenentwintig keren vijfentwintig rooi’ (rechtbank: een ‘rooie’ (of ‘rug’) staat voor € 1.000,-).

De ochtend voor het vertrek op 16 februari 2019 zijn [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) bezig met het tellen van geld aan de [adres 4] . [medeverdachte 10] , [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben het over het natellen van geld. [verdachte] zegt ‘ik wil het gewoon in tonnen maken, het moet kloppen. Die van 500 dat is een ton’. [medeverdachte 6] zegt onder meer: ‘tellen, ton, wegleggen’, [verdachte] vult hem aan met ‘schrijven’.

Uit de OVC-gesprekken opgenomen in de auto (VW Jetta [kenteken 3] ) volgt dat het gezelschap spreekt over geld dat zij naar Bulgarije vervoeren, het tellen van het geld en hoe zij het geld hebben bewaakt. De rechtbank acht onder meer de navolgende specifieke uitlatingen van belang.

Op 17 februari 2019, omstreeks 14.13 uur vertelt [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 2] hoe het geld morgen geteld moet worden ‘Luister, Één (1) pakje (dialect: pakske) openmaken, tellen, opschrijven, dan pas het volgende pakje (dialect: pakske) openmaken hè?’. Op de vraag van [medeverdachte 2] of het geld al geteld was, antwoordt [medeverdachte 1] dat ze geteld zijn. [medeverdachte 6] vult aan: ‘ja maar je moet ze toch nog een keer tellen. Dus één pakje (dialect:1 pakske) openmaken’ later in het gesprek herhaalt [medeverdachte 6] de manier waarop er geteld moet worden ‘(…) en als het niet klopt, hertellen, al moet het 10 keer geteld worden, hertellen (…) opschrijven, en dan pas het volgende pakje (dialect: pakske) open’. Op de vraag van [medeverdachte 2] ‘is het groot of [verbalisant 5] ?’ zegt [medeverdachte 1] : ‘het zal wel groot geld zijn denk ik’, hetgeen verdachte [medeverdachte 6] beaamt ‘ja groot. ... OVW ... vijftigjes en vijfhonderdjes zitten er ook bij (…)’.

Op 18 februari 2019, omstreeks 09.39 uur onderweg naar Nederland, vat [medeverdachte 6] alvast de trip samen: ‘nou we gingen rijk heen en arm terug’. [medeverdachte 12] zegt ‘ja maar luister, toen hij al bij de 675 was (…) ik heb nog (…) (twintig vijfentwintig) achter mijn rug liggen in de stoel (…) bijna vijf en twintig ruggen in’. Later die dag, omstreeks 12.17 uur, bespreken [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] hoe zij het geld hadden verdeeld en verstopt voordat ze ’s nachts gingen slapen, dit in verband met risicospreiding. Later wordt gesproken over ‘een tas met 700 ruggen’ en dat er ‘7 ton’ is afgegeven en komt ook ter sprake de eigen verantwoordelijkheid voor het geld bij een overval. Tijdens dit gesprek zegt [medeverdachte 6] dat hij geluk had bij de grens omdat hij wel een pistool bij zich had. [medeverdachte 2] zegt dat hij het [geld] niet laat afpakken. [medeverdachte 1] is het daar mee eens ‘ik ook niet. Dan maar dood. Je weet dat je toch doodgeschoten wordt’. [medeverdachte 6] zegt ‘je weet wat ze zeggen hè, als jou iets afgepakt wordt en je hebt geen messteken of geen kogelgaten dan is er niks gebeurd snap je. Dan ben je verantwoordelijk (…) waarom denk je dat ik dat pistool heb meegenomen? Om iemand te laten zien of zo? Nee die heb ik … ONP … te schieten.’

Verder in dit gesprek zegt [medeverdachte 6] dat iemand naar het hotel gestuurd had kunnen worden om het geld af te pakken. [medeverdachte 1] reageert ‘ja, en daarom was het slim dat jij mij dat liet lezen van we trekken het uit elkaar. Dat was goed dat we allemaal iets op de kamer hadden.’ In dit verband zegt [medeverdachte 12] dat hij het achter de koelkast had liggen. (…) later is hij specifieker: ‘Ik had de koelkast eruit getrokken en hem er achter gelegd. En daarna erboven.’ [medeverdachte 2] ‘lag er gewoon op’. [medeverdachte 1] had het onder het matras geschoven.

Op 18 februari 2019, omstreeks 12.22 uur, zegt [medeverdachte 1] : ‘Als [verdachte] zegt ... OVW … is goed. Hij is de baas, hij is de baas. Wij hebben gedaan wat we moeten doen, we hebben ‘t gebracht, we zijn erbij geweest, we hebben het geteld, nou klopt. We kunnen niet meer doen toch? Hij is de baas simpel zat alleen het is een hoop geld wat we zo even in deze landen ik vind het een beetje’

In de periode van 27 mei t/m 29 oktober 2019 hebben observatiecamera’s vastgelegd dat verdachte [verdachte] steeds ’s ochtends bij de woning aan de [adres 3] vertrekt en ’s avonds weer terugkeert. Er zijn ook OVC-gesprekken opgenomen in voornoemde woning in de periode van 16 januari 2019 tot 1 december 2019. [verdachte] en zijn echtgenote zijn de gespreksdeelnemers en bespreken alledaagse zaken.

Toetsingskader

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de gelden of de woning waarop de witwasgedragingen van de verdachten betrekking zouden hebben van een specifiek misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat er geen zogenaamd gronddelict bekend is.

Witwassen kan in zo’n geval echter bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarvoor zal eerst moeten worden vastgesteld dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Indien hieraan wordt voldaan en de verklaring van verdachte daartoe dus aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de eventuele alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van dit onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat daarom een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen?

- De rechtbank constateert dat sprake is van twee ‘werkelijkheden’, de papieren werkelijkheid en de werkelijkheid zoals die volgt uit de OVC-gesprekken, sms-berichten, getapte telefoongesprekken en de gedragingen van de verdachten. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de papieren werkelijkheid slechts een fictieve werkelijkheid. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] de woning aan de [adres 3] heeft gekocht voor een bedrag van € 670.000,-. Daartoe heeft hij niet de reguliere weg bewandeld, maar een constructie bedacht waarbij in zijn eigen woorden ‘een Bulgaar’ (de rechtbank begrijpt: [persoon 20] ) de woning voor hem had gekocht. Uit de OVC-gesprekken in combinatie met de observaties volgt dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] naar Bulgarije zijn gegaan om een bedrag af te geven ten behoeve van deze koop.

- Uit de bewijsmiddelen volgt dat de woning werd bewoond door [verdachte] en zijn familie en niet door [medeverdachte 11] , terwijl laatstgenoemde op verzoek van [verdachte] op papier zijn intrek zou nemen in de woning en daartoe onder meer gas, water en elektra op zijn naam heeft laten zetten. Het is een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling op naam van een ander dan de werkelijke eigenaar er toe strekt die eigendom te verhullen.

- Het is verder een feit van algemene bekendheid dat het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt. Uit de OVC-gesprekken waaraan [medeverdachte 6] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] deelnamen blijkt ook dat zij zich dat hebben gerealiseerd en dat zij daarom ter beperking van dat risico maatregelen hebben getroffen. Daarnaast is ook sprake van een ongebruikelijke wijze van transport (met een auto vervoeren) naar een derde land.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van dien aard zijn dat zij het (ernstige) vermoeden rechtvaardigen van een criminele herkomst van het in de tenlastelegging opgenomen € 700.000,-.

Gelet hierop mag van verdachten worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven voor de herkomst van voornoemd bedrag.

Redelijke verklaring van verdachten?

[verdachte] heeft ten overstaan van de rechter commissaris ontkend de woning aan de [adres 3] te hebben gekocht. De woning had hij ondergehuurd van [medeverdachte 11] in verband met bedreigingen, aldus [verdachte] .

Met deze verklaring heeft [verdachte] nagelaten een afdoende verklaring te geven voor de OVC-gesprekken waarin hij zelf meerdere keren spreekt van de geslaagde koop van een woning aan de [adres 3] die hij van [persoon 19] had gekocht. Hij heeft ook nagelaten een verklaring te geven voor de gesprekken waarin gesproken werd over (het tellen van) geld en het transporteren ervan naar Bulgarije. De rechtbank acht de ontkennende verklaring van [verdachte] daarom volstrekt onwaarschijnlijk en ontoereikend. Dat geldt eveneens voor de verklaring dat sprake was van onderhuur nu de rechtbank uitgaat van de koop door [verdachte] . De gestelde onderhuur plaatst de rechtbank in de schijnkoopconstructie die ten doel had te verhullen dat [verdachte] de daadwerkelijke eigenaar was van de woning.

[medeverdachte 11] verklaarde dat hij op verzoek van [verdachte] een woning op zijn naam zou zetten voor vijf à zes maanden, dit omdat [verdachte] bedreigd werd. Dit is echter niet doorgegaan omdat er sprake was van ruzie met de makelaar. Dat betrof een andere woning aan de [adres 3] . Daarom werd de [adres 3] gehuurd. In november/december zou het contract worden omgezet naar [verdachte] , maar toen zaten zij vast. [medeverdachte 11] verklaarde dat hij huurde van een Bulgaar en vervolgens verhuurde aan [verdachte] .

De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 11] op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De rechtbank refereert hierbij aan het hiervoor aangehaalde OVC-gesprek waarin [verdachte] met zoveel woorden tegen [medeverdachte 11] zegt dat hij een woning gekocht had en hij [medeverdachte 11] verzoekt om daar te gaan worden. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [verdachte] en zijn familie, en niet [medeverdachte 11] , op voornoemd adres verbleven.

Weliswaar valt op te maken uit de OVC-gesprekken dat de koop van een woning aan de [adres 3] door [verdachte] niet is doorgegaan naar aanleiding van een melding ongebruikelijke transacties, echter valt eveneens uit de OVC-gesprekken op te maken dat dat een andere woning betrof. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] uiteindelijk de [adres 3] heeft gekocht, deze woning ligt schuin tegenover de woning die [verdachte] eerder probeerde te kopen.

[medeverdachte 12] heeft verklaard mee te zijn gereisd naar Bulgarije voor de gezelligheid. Hij zegt niets te weten over het vervoeren van geld naar Bulgarije. Gelet op het gesprek op de heenreis over het tellen van geld en de manier waarop de verdachten het geld verdeeld en verstopt hadden, acht de rechtbank ook deze verklaring op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

[medeverdachte 6] heeft tijdens een van zijn verhoren volstaan met het enkel ontkennen van het witwasverwijt. Hij heeft nagelaten om enige inhoudelijke verklaring af te leggen. Ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 10] hebben ervoor gekozen om geen verklaring af te leggen ter zake dit verwijt.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachten hebben nagelaten een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor het bedrag genoemd in de tenlastelegging alsook wie de rechthebbende op de woning was. Nader onderzoek door het Openbaar Ministerie kan daarom achterwege blijven.

Conclusies

Gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden alsmede de verklaringen van verdachten waaruit blijkt dat zij geen concrete, verifieerbare gegevens bieden ten aanzien van de aankoop en eigendom van de woning, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag van € 700.000,- en de woning onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat verdachten, gelet op hun handelingen, dat wisten. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte 6] een constructie opgezet waarbij een derde partij in Bulgarije zich voordeed als koper en die geregistreerd zou worden als eigenaar, terwijl [verdachte] de werkelijke zeggenschap over het pand verkreeg. Het geld voor de koop werd door [medeverdachte 12] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] naar Bulgarije vervoerd. [medeverdachte 11] deed zich op papier voor als bewoner van de woning om te verhullen dat [verdachte] de feitelijke eigenaar was.

Bovendien oordeelt de rechtbank op grond van het voorgaande dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten en anderen. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Met betrekking tot het geld geldt dat [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] het voorhanden hebben gehad, hebben overgedragen en de herkomst en vindplaats hebben verhuld en verborgen. [verdachte]

en [medeverdachte 6] hebben dat geld ook omgezet. Met betrekking tot de woning geldt dat

[verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 11] hebben verborgen en verhuld wie de rechthebbende was. Daarnaast heeft [verdachte] de woning verworven en voorhanden gehad.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van witwassen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

feit 8 medeplegen handel in en bezit van wapens en munitie (ZD05)

Inleiding

In ZD05 draait het om de verdenking van bezit van en handel in vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie. In het dossier worden concrete wapenvondsten beschreven op diverse locaties. Ook is op enkele wapens of onderdelen daarvan DNA aangetroffen dat aan diverse verdachten wordt toegeschreven. Daarnaast is het dossier opgebouwd aan de hand van OVC-opnamen, voor het overgrote deel gemaakt in de schuur met vergaderruimte (‘kantoor’) aan de [adres 4] , en camerabeelden, ook weer voor het overgrote deel van die locatie. Aan de hand van dat geluid- en beeldmateriaal is in het dossier in 33 hoofdstukken weergegeven wat op in totaal 33 verschillende data tussen 6 augustus 2018 en 8 november 2019 te horen en te zien zou zijn geweest tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde vuurwapen verdenkingen. Waar op deze geluid- en beeldbestanden mogelijk vuurwapengerelateerde geluiden te horen waren of vuurwapens te zien waren, is door een vuurwapendeskundige van de politie, verbalisant [verbalisant 5] , in een proces-verbaal beschreven hoe hij deze geluiden en beelden duidt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vorm en kenmerken van op vuurwapens gelijkende voorwerpen en om geluiden als doorladen, ontladen of afvuren. Van passages waarin mogelijk over vuurwapens gesproken wordt, is door een andere deskundige van de politie, verbalisant [verbalisant 6] , beschreven hoe hetgeen wordt besproken, volgens hem kan worden geduid. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde merknamen en typenummers van vuurwapens.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Aan de verdachten [medeverdachte 11] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 13] , [verdachte] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] is – kort gezegd en feitelijk weergegeven – ten laste gelegd:

  • -

    het voorhanden hebben en overdragen van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III in algemene zin;

  • -

    het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging concreet benoemde vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie die zijn aangetroffen in de ‘stashlocaties’ op de [adres 4] ;

  • -

    het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging concreet benoemde vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie die zijn aangetroffen in de Mercedes-Benz Sprinter aan de [adres 2] ; en

  • -

    het medeplegen van een beroep of gewoonte maken van de handel in vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III.

Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van al deze verdachten gerekwireerd tot bewezenverklaring van het voorhanden en overdragen van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III in algemene zin en van het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging concreet benoemde vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie die zijn aangetroffen in de ‘stashlocaties’ op de [adres 4] .

Ten aanzien van verdachten [medeverdachte 11] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 13] , [verdachte] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 6] heeft het Openbaar Ministerie ook gerekwireerd tot bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging concreet benoemde vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie die zijn aangetroffen in de Mercedes-Benz Sprinter aan de [adres 2] .

Ten aanzien van alle genoemde verdachten heeft het Openbaar Ministerie voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van een beroep of gewoonte maken van de handel in vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III.

Standpunt van de verdediging

In de zaak van [medeverdachte 9] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het ten laste gelegde voorhanden hebben van het vuurwapen (merk: Beretta) dat bij de (vroegere) woning van [medeverdachte 9] aan de [adres 9] is aangetroffen en het voorhanden hebben van de munitie die in de kruipruimte van diezelfde woning is aangetroffen.

Voor het overige heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Er is volgens de verdediging onvoldoende bewijs voor het voorhanden hebben van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III in algemene zin. Ook is er onvoldoende bewijs voor het toerekenen aan [medeverdachte 9] van alle andere in de tenlastelegging opgenomen, concreet aangetroffen vuurwapens en aanverwante voorwerpen. Evenmin kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat [medeverdachte 9] zich heeft ingelaten met de handel in vuurwapens.

In de zaken van de overige verdachten is formeel geen verweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde wapendelicten. Wel is door diverse verdachten verklaard dat het, voor zover op OVC-opnames of camerabeelden op vuurwapens gelijkende voorwerpen te zien zijn geweest, ging om – simpel gezegd – nepvuurwapens, zoals airsoft- of BB-guns of lucht- of gasdrukwapens. Van het voorhanden hebben of verhandelen van echte vuurwapens was, volgens deze verdachten, geen sprake.

Bewijsoverweging rechtbank

De rechtbank zal hierna eerst de uitgangspunten bespreken die zij hanteert bij het beoordelen van dit zaakdossier. Daarna zal de rechtbank uiteenzetten wat deze uitgangspunten en de beoordeling van het dossier concreet betekenen voor elk van de verdachten. Gelet op de aard en omvang van het dossier zal de rechtbank voor het overige volstaan met een verwijzing naar de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen. In deze bewijsbijlage zijn in elk geval de bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt welke vuurwapens en daaraan gerelateerde voorwerpen – voor zover bewezen verklaard – zijn aangetroffen, en waar en op welke wijze die zijn aangetroffen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen op welke van die voorwerpen DNA is aangetroffen en tot welke verdachte dat DNA is te herleiden. Ook zijn in de bewijsbijlage opgenomen de relevante hoofdstukken met transcripties van OVC-opnamen, beschrijvingen van camerabeelden en de relevante duidingen daarvan door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] .

Deeloverweging 1: bruikbaarheid en duiding OVC- en beeldmateriaal

De rechtbank heeft eerder in dit vonnis in algemene zin overwogen dat zij de resultaten van het uitluisteren van de OVC-opnames, de stemherkenningen en de transcripties van de gevoerde gesprekken, bruikbaar acht voor het bewijs. De door haar ten aanzien van dit zaakdossier concreet voor het bewijs gebezigde transcripties van gesprekken en andere uitgeluisterde geluiden acht zij ook voldoende betrouwbaar. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de door de uitluisterende verbalisanten uitgewerkte verslagen.

De rechtbank heeft evenmin reden om te twijfelen aan de beschrijving van hetgeen op camerabeelden te zien zou zijn. Ook die beschrijvingen acht de rechtbank betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Deeloverweging 2: bruikbaarheid verklaringen verbalisant [verbalisant 5]

Verbalisant [verbalisant 5] heeft, als gezegd, geluiden die mogelijk vuurwapen gerelateerd zijn, geduid. Ook heeft hij gerelateerd wat volgens hem is te zien op beelden waarop mogelijk vuurwapens te zien zijn. Verbalisant [verbalisant 5] heeft in sommige gevallen heel specifiek beschreven wat hij ziet of hoort, soms zelfs met vermelding van bijvoorbeeld het merk van het vuurwapen, in andere gevallen was zijn beschrijving algemener, zoals een niet nader te duiden vuurwapen, en in weer andere gevallen kon [verbalisant 5] niet vaststellen dat een vuurwapen te zien of te horen was. Verbalisant [verbalisant 5] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Tijdens dat verhoor heeft hij verklaard aan de hand waarvan hij tot zijn bevindingen is gekomen. Ook heeft hij verklaard over verschillen tussen – simpel gezegd – echte en nepvuurwapens en of deze verschillen voor hem zicht- of hoorbaar zijn op het geluid- en beeldmateriaal.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft in zijn processen-verbaal en in het verhoor bij de rechter-commissaris uiteengezet waarop zijn deskundigheid is gebaseerd. Het recht stelt voorts geen bijzondere eisen aan de deskundigheid van een vuurwapenexpert waar het gaat om de duiding van geluid- en beeldmateriaal zoals hier aan de orde. De rechtbank heeft al met al geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van verbalisant [verbalisant 5] .

De interpretaties van [verbalisant 5] ziet de rechtbank voorts als genuanceerd. Hij maakt daar waar hij dat nodig vindt, voorbehouden bij zijn interpretaties. Die interpretaties zijn ook afgemeten; daar waar het niet mogelijk is om concrete waarnemingen te doen dan wel daar conclusies aan te verbinden, blijven die ook achterwege.

De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs.

In het bijzonder acht de rechtbank de verklaringen van verbalisant [verbalisant 5] ook betrouwbaar voor zover hij daarin aangeeft op welke punten échte vuurwapens verschillen van nepvuurwapens en waarom hij in voorkomende gevallen tot de conclusie komt dat sprake is van een echt vuurwapen en niet van een nepvuurwapen.

De rechtbank zal ook inhoudelijk de conclusies van [verbalisant 5] volgen. Indien [verbalisant 5] relateert dat het volgens hem waarschijnlijk om echte vuurwapens gaat op geluid- of beeldmateriaal, trekt de rechtbank daaruit de conclusie dat daarvan inderdaad sprake is.

Deeloverweging 3: echte vuurwapens

De rechtbank gaat er, zoals hiervoor is overwogen, van uit dat het geluid- en beeldmateriaal waarop geluiden van vuurwapens te horen zouden zijn of vuurwapens te zien zouden zijn, betrekking heeft op echte vuurwapens, dat wil zeggen vuurwapens van categorie II of III. De rechtbank gaat er ook in algemenere zin van uit dat het in OVC-gesprekken gaat over echte vuurwapens. De inhoud van de voor het bewijs gebezigde OVC-gesprekken wijst er zonder meer op dat die gesprekken betrekking hebben op echte vuurwapens. Die gesprekken zijn – omgekeerd – weer niet goed te begrijpen als het over nepvuurwapens zou gaan. Zo gaat het in deze gesprekken over prijzen, handelingen of risico’s (bijvoorbeeld van langdurige gevangenisstraffen) die bij echte vuurwapens horen en niet bij nepvuurwapens. Daarnaast is op diverse locaties ook daadwerkelijk een groot aantal echte vuurwapens gevonden. Daarbij is de inhoud van diverse gesprekken rechtstreeks in verband te brengen met daadwerkelijk aangetroffen vuurwapens, zoals gesprekken over een Spectre (aangetroffen: een SITES model Spectre M4), vuurwapens van het merk Glock die met koffertje niet meer in een verborgen ruimte in het voertuig van [medeverdachte 1] pasten en die dus zonder, en met achterlating van, de koffertjes werden meegenomen (aangetroffen: diverse lege koffertjes van – zoals uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] volgt: echte – vuurwapens van het merk Glock) of het aantreffen van een Beretta 7.65, kennelijk van [medeverdachte 9] , op precies de locatie die hij in het betreffende gesprek beschrijft. De lezing van diverse verdachten dat het om nepvuurwapens ging, schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde.

Deeloverweging 4: betrokkenheid bij handel in vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie en het daarvan maken van een beroep of gewoonte

Op meerdere dagen die in de hoofdstukken 3 tot en met 35 van zaakdossier 5 zijn beschreven, is volgens de rechtbank sprake van handel. Het gaat in die gesprekken – die voor zover relevant in de bewijsmiddelenbijlage zijn opgenomen – over bedragen en over het aankopen of verkopen, testen en/of afleveren van vuurwapens. Op die dagen voeren sommige verdachten gesprekken over die handel met de tegenpartij en kunnen dus worden aangemerkt als handelspartner. Dit geldt in sterke mate voor [verdachte] . Andere verdachten houden zich bezig met het ophalen, wegbrengen, in- of uitpakken, en tonen of testen van vuurwapens. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachten die zich op één van de dagen waarop sprake was van handel op (één van) deze wijze(n) met vuurwapens en de handel daarin hebben ingelaten een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd om van het medeplegen van de handel in vuurwapens te spreken. Gezien de gedragingen en de bewoordingen die expliciet op handel duiden, is evident dat hun opzet ook was gericht op die handel en hun eigen bijdrage daaraan. Voor deze verdachten komt de rechtbank daarom tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de handel in vuurwapens. Voor de meesten van deze verdachten geldt dat zij zich hiermee op meer dan één dag en dus herhaald hebben beziggehouden. De rechtbank ziet daarin een patroon dat toereikend is om te komen tot een bewezenverklaring van het maken van een beroep of gewoonte van de handel in vuurwapens. Voor twee verdachten ( [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] ) geldt dat zij zich slechts op één dag hebben ingelaten met de handel in vuurwapens. Ook overigens ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die aanleiding geven te veronderstellen dat zij van de handel in vuurwapens een beroep of gewoonte hebben gemaakt. Die verdachten spreekt de rechtbank daarom (partieel) vrij van de strafverzwarende omstandigheid van het maken van een beroep of gewoonte van de handel in vuurwapens.

Deeloverweging 5: voorhanden hebben van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie in algemene zin

Voor alle verdachten die zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de handel in vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en munitie geldt dat daarmee het medeplegen van het voorhanden hebben daarvan is gegeven. Voor twee verdachten ( [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 12] ) geldt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat zij een voldoende significante bijdrage hebben geleverd aan de handel in vuurwapens. Zij worden daarvan (partieel) vrijgesproken. Voor die verdachten is wel voldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van het voorhanden hebben van vuurwapens in algemene zin. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat zij aanwezig waren op momenten dat vuurwapens in de schuur aanwezig waren (zonder dat is gebleken dat op die dagen sprake was van handel), deelnamen aan gesprekken daarover en dus wisten van de aanwezigheid van vuurwapens en de beschikkingsmacht hadden over die vuurwapens.

Deeloverweging 6: voorhanden hebben van concreet aangetroffen vuurwapens in stashes

In de directe omgeving van de [adres 4] te Oss en in de dubbele wand van de Mercedes-Benz Sprinter aan de [adres 2] zijn tientallen vuurwapens (waaronder automatische en semi-automatische), tientallen onderdelen van vuurwapens (zoals magazijnen, geluiddempers, richtmiddelen) en vele honderden stuks munitie (diverse soorten vuurwapenpatronen) aangetroffen. De locaties waar deze en ook andere illegale goederen zijn aangetroffen, worden in het dossier aangeduid als stashlocaties. Ten aanzien van deze locaties neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat zij inderdaad vaste opslaglocaties waren voor vuurwapens en aanverwante voorwerpen, dat zij als zodanig in gebruik waren bij het samenwerkingsverband, en dat het gebruik van stashes een vast onderdeel was van de werkwijze van de bij de handel daarin betrokken leden van de organisatie. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vuurwapens waarin werd gehandeld veelal opgehaald werden uit, bewaard werden in en/of weggebracht werden naar deze stashes. In OVC-gesprekken wordt op diverse momenten door verdachten zelf ook gesproken van ‘stashes’ en het daaruit ophalen of daarnaar wegbrengen van vuurwapens. Daarnaast is op een aantal vuurwapens of onderdelen daarvan DNA aangetroffen van verdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ), [medeverdachte 2] en [medeverdachte 11] . De stashlocaties bij de [adres 4] in Oss bevonden zich in de directe omgeving van de schuur met vergaderruimte van waaruit de verdachten opereerden. Van het terrein aan de Scheldestraat in Oss is op grond van de bewijsmiddelen vast te stellen dat dat in gebruik was bij leden van het samenwerkingsverband, terwijl ook de Mercedes-Benz Sprinter waarin de vuurwapens concreet zijn aangetroffen door leden van het samenwerkingsverband daar naartoe is gereden en is gestald, naar de rechtbank vaststelt, op verzoek of in opdracht van [verdachte] .

Op grond van deze feiten en omstandigheden schrijft de rechtbank de op de stashlocaties aangetroffen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie in algemene zin toe aan het samenwerkingsverband waarvan verdachten deel uit maakten.

De rechtbank concludeert voorts dat het niet anders kan zijn dan dat al deze verdachten – de bij de handel in vuurwapens betrokken verdachten – op de hoogte waren van het bestaan van deze stashlocaties. Niet is vast te stellen dat al deze verdachten specifiek wisten van het bestaan van elke concrete stashlocatie noch dat zij individueel kennis hadden van de specifieke vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie die daarin zijn aangetroffen. Deze omstandigheid staat aan een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van de op de hiervoor benoemde stashlocaties aangetroffen voorwerpen niet in de weg. Nu het gebruik van stashlocaties een vast onderdeel van hun werkwijze was en de verdachten die zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de handel in vuurwapens op de hoogte waren van het bestaan van stashlocaties met daarin opgeslagen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank het voorwaardelijk opzet van al deze verdachten ook gericht geweest op het voorhanden hebben van de concreet in de tenlastelegging benoemde voorwerpen die in deze stashlocaties zijn aangetroffen. Omdat sprake is van medeplegen is daarbij niet noodzakelijk dat elke verdachte individueel de beschikkingsmacht had over deze voorwerpen. Voldoende is dat de verdachten die beschikkingsmacht gezamenlijk hadden. Dat was naar het oordeel van de rechtbank het geval. De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van de in de genoemde stashlocaties aangetroffen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie.

Ten aanzien van de verdachten die van de handel in vuurwapens worden vrijgesproken

( [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 12] ), is hiervoor overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat zij in de schuur/vergaderruimte waren op momenten dat daar vuurwapens aanwezig waren (zonder dat is gebleken dat op die dagen sprake was van handel), deelnamen aan gesprekken daarover en de beschikkingsmacht hadden over die vuurwapens. Hoewel zij van de handel in vuurwapens worden vrijgesproken, volgt uit het voorgaande wel dat zij onderdeel waren van een bestendige samenwerking waarbinnen, voor zover hun bijdrage reikte, het voorhanden hebben van vuurwapens herhaaldelijk plaatsvond, zij bijdroegen aan die samenwerking en ook zelf op momenten vuurwapens fysiek voorhanden hebben gehad. Het kan, gezien de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, niet anders zijn dan dat zij wisten van het bestaan van stashlocaties. Bij die stand van zaken geldt hetzelfde ten aanzien van deze verdachten als hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de verdachten voor wie het medeplegen van de handel in vuurwapens wordt bewezen verklaard, en komt de rechtbank ook voor deze verdachten tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van de in de genoemde stashlocaties aangetroffen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie.

De rechtbank stelt vast dat geen vuurwapens van het merk Glock zijn aangetroffen. Wel zijn koffertjes van dit merk aangetroffen alsmede diverse attributen die bij het desbetreffende vuurwapen horen. Uit het relaas van [verbalisant 6] volgt dat deze koffers behoorden bij echte vuurwapens. Uit de OVC-gesprekken is – kort gezegd – op te maken dat deze koffers inclusief de daadwerkelijke vuurwapens op eerdere momenten daadwerkelijk in het bezit waren van het samenwerkingsverband en vervolgens uit de koffers zijn gehaald om in de verborgen ruimte van het voertuig van [medeverdachte 1] te kunnen worden vervoerd. Op grond hiervan verklaart de rechtbank ook het voorhanden hebben van deze vuurwapens voor alle verdachten bewezen, ook al zijn die vuurwapens zelf niet meer aangetroffen.

Deeloverweging 7: voorhanden hebben van concreet aangetroffen vuurwapens op andere plaatsen

In het onderzoek is ook een aantal vuurwapens en onderdelen daarvan gevonden op andere plaatsen dan deze stashlocaties. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwerpen niet via de hiervoor besproken redenering aan alle verdachten die voor dit feit worden vervolgd, kunnen worden toegerekend. Voor deze voorwerpen zal de rechtbank hierna bespreken voor welke verdachten het voorhanden hebben ervan wordt bewezen verklaard. De andere verdachten worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van die concrete voorwerpen.

i. Smith & Wesson, model 659

Het in de tenlastelegging opgenomen vuurwapen van het merk Smith & Wesson, model 659, is aangetroffen in een gepantserde BMW 560L die op naam stond van [medeverdachte 12] .

[medeverdachte 12] bespreekt in een op zijn telefoon aangetroffen bericht dit voertuig en het aangetroffen pistool. De rechtbank gaat er op grond van de bewijsmiddelen vanuit dat

[medeverdachte 12] wetenschap had van de aanwezigheid van dit vuurwapen en daarover de beschikkingsmacht had.

ii. Walther PPK

In het bosgebied bij het [locatie] aan de [adres 4] in Oss is één vuurwapen van het merk Walther, model PPK, aangetroffen. Ook in de Citroen Berlingo, kenteken [kenteken 6] , is een vuurwapen van dat merk en model aangetroffen. Daarnaast zijn in dat voertuig aangetroffen een patroonhouder Walther PK 380 en munitie aangetroffen. Dit voertuig werd gebruikt door [medeverdachte 2] en stond ter hoogte van zijn perceel geparkeerd. De rechtbank verklaart bewezen dat [medeverdachte 2] deze voorwerpen voorhanden had.

iii. Beretta, model 70

Bij de woning aan de [adres 9] , destijds in gebruik bij [medeverdachte 9] , is in een laars een pistool van het merk Beretta, model 70, aangetroffen. Hierop is DNA aangetroffen dat is toe te schrijven aan [medeverdachte 9] . In de kruipruimte van die woning zijn in een blikje in een laars ook patronen aangetroffen. De rechtbank verklaart op grond hiervan bewezen dat [medeverdachte 9] deze voorwerpen voorhanden heeft gehad.

iv. Zastava, model M57

Het in de tenlastelegging opgenomen vuurwapen van het merk Zastava, model M57, is aangetroffen in een vakantiewoning in Sumar, Friesland. Deze vakantiewoning was niet in gebruik bij de verdachten die voor dit feit worden vervolgd. De rechtbank zal de verdachten daarom (partieel) vrijspreken van het voorhanden hebben van dit vuurwapen.

De bewijsbeslissingen ten aanzien van de verdachten van het medeplegen van handel in en voorhanden hebben van vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie

De rechtbank heeft het dossier beoordeeld in het licht van de hiervoor besproken uitgangspunten. Deze uitgangspunten leiden in combinatie met de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen voor elk van de verdachten in dit dossier (met uitzondering van [medeverdachte 10] aan wie enkel medeplichtigheid is ten laste gelegd) tot de volgende bewijsbeslissingen.

Voor [medeverdachte 7] , [medeverdachte 13] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de handel in vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie, terwijl zij daarvan een beroep of een gewoonte hebben gemaakt, van het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie in algemene zin en van het medeplegen van het voorhanden hebben van de op de stashlocaties aangetroffen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie.

Voor de verdachten [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] komt de rechtbank tot dezelfde bewezenverklaring met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid van het een beroep of gewoonte maken van de handel in vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie. Van die strafverzwarende omstandigheid spreekt de rechtbank deze verdachten (partieel) vrij.

Voor [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en [medeverdachte 12] komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de handel in vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie en daarmee ook niet tot een bewezenverklaring van het een beroep of gewoonte maken van die handel. In zoverre spreekt de rechtbank deze verdachten partieel vrij. Wel komt de rechtbank ook voor deze verdachten tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie in algemene zin en tot het medeplegen van het voorhanden hebben van de op de stashlocaties aangetroffen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

in de periode van 20 december 2018 tot en met 01 april 2019 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) heeft gebracht, ongeveer 315,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

in de periode van 20 december 2018 tot en met 01 april 2019 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van 315,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen,

-anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen en/of om daarbij

behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en

-telkens) zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het

plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

-(telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n)

wist(en) dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n):

-een schaduwbedrijf opgericht ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland brengen van voornoemde hoeveelheid cocaïne en

-meermalen telefonische contacten en besprekingen gevoerd en afspraken gemaakt met

mogelijke inklaarder(s)/expediteur(s), transporteur(s) en/of ander(en) met betrekking tot de

inklaring, levering, betaling, opslag en/of het vervoer en/of het verdere vervoer in

Nederland en België van voornoemde hoeveelheid cocaïne en

-een bankrekening laten openen en betalingen laten verrichten aan een ander en

-de opslag/overslag van de container met cocaïne in België geregeld en

-zich begeven in de omgeving van die container en op het terrein van het bedrijf

[bedrijf 1] te Zwijndrecht (België), teneinde de omgeving van die container en het

terrein van het bedrijf [bedrijf 1] te controleren/verkennen op de mogelijkheden

deze container weg te nemen en

-die container en een vrachtwagen en een oplegger gestolen bij het bedrijf [bedrijf 1] te

Zwijndrecht (België) en

-die container en vrachtwagen en oplegger vervoerd naar de parkeerplaats bij het Esso

tankstation 't Goor te Bladel en

-vervolgens die container vervoerd naar het bedrijventerrein gelegen aan de

[adres 1] en

-de inhoud van die container vervolgens vervoerd naar het bedrijventerrein aan de

[adres 2] teneinde deze te controleren/onderzoeken op de aanwezigheid van

cocaïne.

3.

omstreeks de periode van 17 juli 2018 tot en met 7 augustus 2018 te Oss, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) opzettelijk, via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1561 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

op 15 april 2019 te Oss en Wouw, gemeente Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd 99,4 kilo MDMA van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5. primair

op 21 februari 2019 te Oss tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft

verwerkt een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

metamfetamine, zijnde MDMA en metamfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

6.

op 28 februari 2019 te Oss tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft

bewerkt en verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

7.

op tijdstippen in de periode van 4 november 2018 tot en met 13 november 2019 te Berghem, gemeente Oss en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Bulgarije, in elk geval in Europa, tezamen en in vereniging met anderen, van voorwerpen, te weten:

-een hoeveelheid (contant) geld, (tot een totaalbedrag van ongeveer € 700.000,-), ten

behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres 3] , gemeente

Oss en

-een woning aan de [adres 3] , gemeente Oss,

telkens de herkomst en/of de vindplaats en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans telkens heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was, terwijl hij, verdachte, en zijn medeverdachten wisten, dat voormelde voorwerpen

-onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf

en

voorwerpen, te weten:

-een hoeveelheid (contant) geld (tot een totaalbedrag van ongeveer euro 700.000,-), ten

behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres 3] , gemeente

Oss en

-een woning aan de [adres 3] , gemeente Oss

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van voormeld(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en

zijn medeverdachten wisten dat voormelde voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

8.

in de periode van 12 december 2018 tot en met 21 november 2019 in Nederland

tezamen en in vereniging met anderen,

(telkens) zonder erkenning, heeft gehandeld in strijd met artikel 9 en/of artikel 26 en/of artikel 31 van de Wet wapens en munitie, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

vuurwapens van categorie II en/of categorie III, waaronder (automatische) vuurwapens:

Smith & Wesson model 5906 en/of

Walthers PK 380 en/of model PPK en/of model PP en/of

Heckler en Koch model EN-MP5 en/of

Zagi model M-91 en/of

Cugir model WASR 10/63 en/of

Thompson model M1 en/of

Zastava model M70 en/of

Rast & Gasser model M1898 en/of

Taurus model PT-22 en/of

Musqueton model AMD en/of

.22 LongRifle en/of

Glock(s) model 17 en/of model 19 en/of model 26 en/of model 43 en/of

Chinese Staatsfabriek 66 model AK47 en/of

AKM(s) model AK47 en/of

Colt(s) M16 A1en/of model 1911 en/of

Royal Ordnance factory Fazakerley model Sten en/of

SITES model Spectre M4 en/of

FEG model SLP1 en/of

Star model M43 Firestar en/of

IMI model Jericho 941 FB

en/of

onderdelen van vuurwapens van categorie II en/of categorie III, waaronder patroonhouders en/of magazijnen en/of geweerkol(f)ven en/of handgreep)

en/of

munitie van categorie II en/of categorie III ( waaronder patronen kaliber 9 mm en/of . 22Lr en/of 7.62x39 mm en/of 5.56x45 mm en/of .45 ACP en/of .357 Magnum en/of 7.65 mm en/of 9x19 mm en/of .38 Special en/of 5.7x28 mm en/of .380 auto en/of .45 auto en/of .32 auto)

voorhanden gehad en/of verhandeld en/of overgedragen,

van welk(e) feit(en) verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

9.

in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 in Nederland en/of België en/of Bulgarije heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte en:

[medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum 1] ) en

[medeverdachte 4] en

[medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum 2] ) en

[medeverdachte 6] en

[medeverdachte 7] en

[medeverdachte 8] en

[medeverdachte 9] en

[medeverdachte 10] en

[medeverdachte 11] en

[medeverdachte 12] en

[medeverdachte 13] en

[medeverdachte 14] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 en/of 10a van de Opiumwet

en

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

-het handelen in en voorhanden hebben van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en

munitie en

-het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen en

-het witwassen van geld en/of goederen en

-het plegen van bedreiging met geweld en/of afpersing,

zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van het Openbaar Ministerie. (bijlage)

Het Openbaar Ministerie heeft op gronden als verwoord in het schriftelijk requisitoir

d.d. 1 juli 2021 een gevangenisstraf van 16 jaar, zijnde het strafmaximum, en de verbeurdverklaring van de woning gelegen aan de [adres 3] gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen standpunt geformuleerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim anderhalf jaar leiding gegeven aan een criminele organisatie gericht

op het plegen van een breed scala aan delicten. De beoogde misdrijven betroffen drugsdelicten, wapendelicten, witwassen en gekwalificeerde diefstallen. Hierbij werden bedreiging met geweld en afpersing niet geschuwd om de criminele doelen na te streven.

De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde “kantoor”, gesitueerd in een schuur op het [locatie] . Dit “kantoor” werd als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties gebruikt. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Anders gezegd: het kantoor was het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Uit de in het “kantoor” opgenomen OVC-gesprekken rijst een verontrustend beeld van een organisatie die zich fulltime, zo nodig 24 uur per dag, met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden. Verdachte was hiervan de onbetwiste leider en beslissende regisseur aan wie de andere leden verantwoording waren verschuldigd. Hij was ook hoofdzakelijk degene die de contacten met andere partijen onderhield en daarmee afspraken maakte.

Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekent, met name ook nu uit het dossier blijkt dat de criminele tentakels van de organisatie zich hebben uitgestrekt tot in de bovenwereld middels corrupte contacten in het havenwezen en bij de politie. Tegen een dergelijke organisatie dient dan ook consequent, krachtig en effectief te worden opgetreden en een strenge en adequate strafrechtelijke vervolging en berechting van haar deelnemers draagt daaraan bij.

Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen op het bosperceel achter het [locatie] , honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor

de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Een korte zoekslag op het internet leert dat de aangetroffen drugs een handelswaarde van rond de miljoen euro vertegenwoordigen. De vuurwapens en munitie waren eveneens voor de lucratieve handel bestemd.

De beoogde drugsdelicten besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. Het was de organisatie kennelijk om het even met welke drugs geld kon worden gegenereerd. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men – al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers – dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen. De kwalificatie (internationale) drugsorganisatie is dan ook in belangrijke mate van toepassing.

Verdachte is zelf specifiek betrokken geweest bij twee importen van cocaïne uit Zuid-Amerika via de haven van Antwerpen (1561 kilo en 315 kilo), een transport van circa 99 kilo MDMA, de verwerking van MDMA en/of metamfetamine en de bewerking en verwerking van cocaïne.

Het is algemeen bekend dat harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan, dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te voorzien. Ook mag als bekend worden verondersteld dat de productie en handel in harddrugs merendeels het werkterrein vormt van nationale en internationale – niet zelden elkaar beconcurrerende – criminele netwerken, die daarmee grote winsten maken en die ter bescherming van hun illegale belangen de toepassing van verregaande vormen van geweld bepaald niet schuwen, met somtijds ook onbedoelde slachtoffers.

Het is ook een feit van algemene bekendheid dat de (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van de productie en de aan de productie inherente dumpingen van drugsafval grote veiligheidsrisico’s, risico’s voor de volksgezondheid en ernstige milieuschade met zich brengen.

Voorts mag niet onvermeld blijven dat door de betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij de internationale drugshandel de negatieve beeldvorming in het buitenland van Nederland en haar drugsbeleid wordt versterkt.

Naast genoemde druggerelateerde activiteiten hield verdachte zich met de organisatie ook op grote schaal bezig met de handel in vuurwapens en munitie. Hiervoor is reeds kernachtig de aangetroffen voorraad aan vuurwapens, wapentoebehoren en munitie opgesomd. De handel in vuurwapens vergroot de maatschappelijke onveiligheid. Het voorhanden hebben van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het bezit van vuurwapens en munitie, en zeker ook de grootschalige handel daarin, zijn serieuze gevaarzettende en daarmee zeer ernstige strafbare feiten die ook bijdragen aan gevoelens van onrust en angst in de maatschappij. Daar komt bij dat er ook nog 8 handgranaten en 2 stuks explosieven in de nabijheid van de woningen aan de [straatnaam] in Lith (in een vat in de grond) en de woningen aan de [adres 4] te Oss (in een ondergrondse ruimte) zijn aangetroffen. De hoeveelheid en intensiteit van de gesprekken waarin verdachte en de diverse leden van de organisatie over de handel in en de werking van vuurwapens hebben gesproken gecombineerd met het gemak waarmee zij in de schuur ook feitelijk vuurwapens ter hand hebben genomen en hebben uitgeprobeerd, geeft een schrikbarende inkijk in hun belevingswereld. Zo werd door een aantal leden van organisatie oud en nieuw (2018-2019) gevierd met geweersalvo’s. In dit verband weegt de rechtbank voorts mee dat juist de combinatie van druggerelateerde feiten en het bezit van vuurwapens en munitie een voorzienbaar gewelddadige en levensbedreigende cocktail met zich brengt. De maatschappij is er jammerlijk mee bekend waartoe dit kan leiden.

Verdachte hield zich met zijn organisatie ook bezig met het witwassen van crimineel geld. Zijn broer [medeverdachte 3] ( [geboortedatum 1] ) en diens echtgenote [medeverdachte 10] beheerden en voerden de administratie van de gezamenlijke financiële ‘pot’ en bewaarden uit dien hoofde ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000,=. Verdachte heeft voorts met een mede door hem opgezette witwasconstructie een woning in Berghem aangekocht. Met dat doel zijn leden van de organisatie met € 700.000,= aan contanten naar Bulgarije afgereisd.

Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht. Het is een ernstig delict dat de openbare orde ondermijnt en de maatschappij veel schade toebrengt.

Kort samengevat: het bestaan van een criminele organisatie heeft op allerlei fronten een

zeer ontwrichtende werking op de samenleving. Verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur financieel eigenbelang.

De rechtbank heeft in een hem betreffende uittreksel justitiële documentatie van 26 april 2021 gezien dat verdachte in 2012 vanwege (grotendeels) soortgelijke delicten als thans bewezen verklaard tot een gevangenisstraf van 3 jaar is veroordeeld en dat hij in 2017 en 2018 vanwege een wapendelict respectievelijk een geweldsdelict eveneens tot gevangenisstraffen is veroordeeld. Deze - voor alle duidelijkheid: onherroepelijke - veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden wederom vergelijkbare strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat reeds in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van zeer lange duur.

De vraag waar de rechtbank voor staat is wat de duur van die gevangenisstraf dient te zijn.. De strafeis is, met inachtneming van de samenloopbepaling ex artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, gegrond op het strafmaximum dat opgelegd kan worden voor de invoer van harddrugs (12 jaar) verhoogd met een derde (4 jaar). De rechtbank volgt de redenering van het Openbaar Ministerie dat in het licht van de bewezenverklaarde feiten het wettelijk strafmaximum flink zou worden overschreden indien er geen samenloopregeling zou bestaan. De (partiële) vrijspraak van het onderdeel ‘voorbereiden/plegen van (excessief) geweld’ als oogmerk van de criminele organisatie, brengt daarin geen verandering.

Gelet op de aard, ernst en omvang van het samenstel van de bewezenverklaarde feiten, de intensiteit waarmee deze feiten onder de bezielende, doorslaggevende en onmisbare leiding van verdachte gedurende een tijdspanne van anderhalf jaar in georganiseerd verband zijn beraamd en gepleegd, de persoon van verdachte zoals die uit de stukken blijkt, de eerdere veroordelingen vanwege soortgelijke feiten die niet tot een andere levenswandel hebben geleid en het ernstige recidivegevaar dat van verdachte uitgaat, acht de rechtbank – naast een juiste normhandhaving – een langdurige bescherming van de samenleving tegen deze verdachte een factor van eminent belang bij de bepaling van de hoogte van de straf.

Alles overziende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van 16 jaar, zijnde het strafmaximum, passend en geboden. De rechtbank ziet in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten om te volstaan met een andere straf dan het wettelijk strafmaximum. Van de opgelegde gevangenisstraf dient de tijd die verdachte in voorarrest reeds heeft doorgebracht, afgetrokken te worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld

in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het feit 7 is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 55, 57, 140 (oud) en 420bis

van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 11b van de Opiumwet en de artikelen 9, 26, 31, 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod (gedeeltelijke eendaadse samenloop met feit 2)

t.a.v. feit 2:

medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,

een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen of

zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen of

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

(gedeeltelijke eendaadse samenloop met feit 1)

t.a.v. feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

t.a.v. feit 4:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

t.a.v. feit 5 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

t.a.v. feit 6:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 7:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 8

- voor wat betreft de automatische vuurwapens:

medeplegen van handelen in strijd met artikelen 9, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, en van het verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte maken,

en

- voor wat betreft de overige vuurwapens:

medeplegen van handelen in strijd met artikelen 9, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en van het verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte maken,

en

- voor wat betreft de munitie en onderdelen van wapens:

medeplegen van handelen in strijd met artikelen 9, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en van het verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte maken

t.a.v. feit 9:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

en

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6, feit 7, feit 8 en feit 9:

Een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

t.a.v. feit 7:

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten: een woning gelegen aan de

[adres 4] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. J.O.Y. Elagab, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans en mr. G. van de Luijtgaarden, griffiers,

en is uitgesproken op 6 september 2021.

1 AD, pag. 11.

2 TCI Proces-verbaal 94747.

3 TCI-Proces-verbaal 95674.

4 AD, pag. 14.

5 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] en [verbalisant 3] d.d. 16 april 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4876; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] d.d. 16 april 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4881; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] en [verbalisant 2] d.d. 21 april 2021, proces-verbaalnummer 1507; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 9 mei 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4893; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 9 mei 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4894; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] d.d. 10 mei 2021, proces-verbaalnummer: 4895; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 10 mei 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4896; proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] d.d. 10 mei 2021.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 12 mei 2021, getuigen [verbalisant 4] en [verbalisant 1] , en proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 14 mei 2021, getuigen [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

7 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] en [verbalisant 2] d.d. 21 april 2021, proces-verbaalnummer 1507.

8 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] d.d. 10 mei 2021, proces-verbaalnummer: 4895.

9 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] d.d. 16 april 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4881.

10 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] d.d. 10 mei 2021.

11 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] d.d. 16 april 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4881.

12 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] en [verbalisant 3] d.d. 16 april 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4876.

13 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 9 mei 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4893.

14 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 9 mei 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4894.

15 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 10 mei 2021, proces-verbaalnummer: OBRAA17008-4896

16 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] d.d. 10 mei 2021, proces-verbaalnummer: 4895.

17 Sluipend gif - Een onderzoek naar ondermijnende criminaliteit, [persoon 23] , [persoon 24] en [persoon 25] , 2017.

18 HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.5.2.

19 Onder andere: EHRM 10 februari 1995, LJN AD4436, Allenet de Ribemont versus Frankrijk en EHRM 6 mei 2007, application no. 14348/02, Garycki versus Poland.

20 https://www.om.nl/actueel/nieuws/2020/10/04/operatie-alfa-opsporingsonderzoek-afgerond.