Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4384

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
01-236758-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op grote schaal schuldig gemaakt aan oplichting.

Verdachte heeft telkens een valse naam en een valse hoedanigheid van miljonair aangenomen Hij heeft een onjuiste voorstelling met betrekking tot zijn persoon en hoedanigheid gegeven met het doel daarvan misbruik te maken. Verdachte heeft het vertrouwen van één van de aangevers gewonnen en is een affectieve relatie met haar aangegaan en is vervolgens haar netwerk binnengedrongen. Vervolgens heeft hij meerdere personen uit het netwerk bewogen tot afgifte van goederen.

Verdachte is eerder voor soortgelijke delicten veroordeeld. De rechtbank concludeert dat verdachte een gewetenloze rasoplichter is, die hardnekkig door blijft gaan met het maken van slachtoffers. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 4 jaren. Dit is een zwaardere straf dan door de officier van justitie is geëist. Verder moet verdachte de schade vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.236758.20

Datum uitspraak: 20 augustus 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] 1968,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is op tegenspraak (gemachtigde raadsman) gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 oktober 2018 tot en met 28 januari 2019 te Veghel, gemeente Meierijstad, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

- de afgifte van haar bankpas met bijbehorende pincode en/of haar rekeningtegoed en/of

- de afgifte van een geldbedrag ad 75.000 euro en/of

- het op haar naam zetten van een auto en/of

- het ten behoeve van voornoemde auto afsluiten van een autoverzekering en/of de afgifte van en/of het voldoen van verzekeringspremies en/of

- het ten behoeve van voornoemde auto voldoen van wegenbelasting,

door

- zich tegenover die [slachtoffer 1] uit te geven voor en/of voor te doen als [persoon] en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij bij het bedrijf [naam 1] heeft gewerkt en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij zeer vermogend is, omdat hij een uitvinding bij het bedrijf [naam 1] heeft gedaan en/of

- tegen die [slachtoffer 1] -bij de aankoop van panden/vastgoed- te zeggen dat hij zijn paspoort niet wilt overleggen omdat hij in het verleden ontvoerd is en daarom anoniem wilt blijven en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat zijn, verdachtes, bankpas in een put was gevallen en hij, verdachte, hierdoor niet over zijn geld kon beschikken en/of

- bij de aankoop van voornoemde auto tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat deze auto op naam van zijn, verdachtes, stichting moet komen te staan, maar dat deze stichting nog niet is opgericht;

T.a.v. feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 13 december 2018 tot en met 25 januari 2019 te Veghel, gemeente Meierijstad, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] en/of bedrijf [naam 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

de afgifte van een grote hoeveelheid kleding (ten bedrage van 11.000 euro), door

- zich tegenover die [slachtoffer 2] uit geven voor en/of voor te doen als zijnde [persoon] en/of

- tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij miljonair is en/of

- tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij patent heeft op een formule bij het bedrijf [naam 1] en/of hij, verdachte door [naam 1] is uitgekocht en/of

- tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij in Frankrijk woonachtig is;

T.a.v. feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 20 december 2018 te Veghel, gemeente Meierijstad, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 3] en/of het bedrijf [naam 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

de afgifte van een auto (van het merk Audi), door

- zich tegenover die [slachtoffer 3] uit te geven voor en/of voor te doen als zijnde [persoon] en/of

- bij de aankoop van voornoemde auto tegen die [slachtoffer 3] te vertellen dat hij, verdachte, deze auto aankoopt ten behoeve van zijn bedrijf [naam 4] en/of dat hij, verdachte zich nog niet in Nederland had gevestigd en de auto zodoende tijdelijk ten name van [slachtoffer 1] moet worden gezet en/of dat hij, verdachte, even, voor ongeveer een week, niet in het bezit is van een bankpas;

T.a.v. feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2018 tot en met 4 oktober 2018 te Heesch, gemeente Bernheze, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

de afgifte van een geldbedrag van 10.000 euro, door

- zich tegenover die [slachtoffer 4] uit te geven voor en/of voor te doen als zijnde [persoon] en/of

- tegen die [slachtoffer 4] te vertellen dat hij, verdachte, zeer vermogend is als gevolg van de verkoop van een patent van het bedrijf [naam 1] en/of

- tegen die [slachtoffer 4] te vertellen dat hij, verdachte, woonachtig is aan [adres 1] woonacchtig is en/of

- tegen die [slachtoffer 4] te vertellen dat zijn, verdachtes, echtgenote ernstig ziek is en/of hij, verdachte, rekeningen van haar ziekenhuisopnames niet kan voldoen omdat zijn geld vast staat in Frankrijk en/of (vervolgens) die [slachtoffer 4] te vragen of hij hem, verdachte, een geldbedrag van 10.000 euro kan lenen en/of (daarbij) die [slachtoffer 4] toe te zeggen dat hij, verdachte, dit geldbedrag terug zou betalen zodra hij, verdachte, weer over zijn geld kan beschikken;

T.a.v. feit 5:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2018 tot en met 25 oktober 2018 te Oss, althans in Nederland,

meermalen althans eenmaal

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 5] en/of bedrijf [naam 5] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

de afgifte van een grote hoeveelheid kleding (in totaal ten bedrage van 7395 euro), door

- zich tegenover die [slachtoffer 5] uit te geven voor en/of voor te doen als zijnde [persoon] en/of

- tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij, verdachte, een enorm vermogen had door de uitvinding van een lens voor [naam 1] en/of

- tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij, verdacchte, woonachtig is aan [adres 1] en/of

- bij de eerste aankoop van voornoemde kleding tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij geen pasjes bij zich heeft en/of op dat moment zijn, verdachtes, zwager te bellen en/of zijn zwager telefonisch opdracht te geven het geldbedrag over te maken aan die [slachtoffer 5] en/of

- bij de tweede aankoop van voornoemde kleding tegen die [slachtoffer 5] te zeggen dat zijn, verdachtes, zwager het aankoopbedrag van de eerste koop heeft voldaan aan die [slachtoffer 5] ;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren, met uitzondering van het vierde en vijfde dwarsstreepje van feit 1 (kort gezegd: het afsluiten van een autoverzekering en het voldoen van de premies en wegenbelasting).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte van alle ten laste gelegde feiten vrij te spreken op grond van het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft aangevoerd dat alle vijf ten laste gelegde feiten op zichzelf staande zaken betreffen waarvan het bewijs los van elkaar moet worden gewaardeerd. De raadsman heeft verder aangevoerd dat verdachte met betrekking tot zijn persoon weliswaar een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen – onder meer door een valse naam aan te nemen – maar dat geen sprake is van oplichting omdat verdachte niet het doel had misbruik van anderen te maken. De raadsman heeft ook aangevoerd dat de aangevers niet de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid hebben betracht bij de afgifte van een goed en/of het verlenen van een dienst en/of het ter beschikking stellen van gegevens en/of het aangaan van een schuld.

Het oordeel van de rechtbank.

Juridisch kader

Oplichting als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is het door aanwending van (een) (oplichtings)middel(en) een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, te weten de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe ten minste van één van de oplichtingsmiddelen als genoemd in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan wel een combinatie daarvan. Voor de vervulling van het vereiste oogmerk is voorwaardelijke opzet niet toereikend.

Met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen – het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – is beoogd het begrip ‘oplichting’ nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog – bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling – en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht.

​Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Zo gaat het er, bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.

Beoordeling

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de bewijsmiddelen in de vijf ten laste gelegde zaken in onderling verband en samenhang mogen worden bezien. Weliswaar betreffen het vijf verschillende aangiften met vijf verschillende benadeelden, maar de oplichtingsmiddelen zijn in de kern bezien telkens hetzelfde. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen komen vast te staan dat verdachte telkens een valse naam heeft aangenomen door zich uit te geven voor en voor te doen als [persoon] en dat hij telkens een valse hoedanigheid, te weten die van miljonair, heeft aangenomen door te zeggen dat hij bij [naam 1] heeft gewerkt, zeer vermogend is als gevolg van de verkoop van een patent en woont in [adres 1] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee bij anderen een onjuiste voorstelling in het leven heeft geroepen met betrekking tot zijn persoon en zijn hoedanigheid.

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte deze onjuiste voorstelling gedurende een periode van een aantal maanden heeft volgehouden met het doel daarvan misbruik te maken, waarbij hij in eerste instantie het vertrouwen van aangever [slachtoffer 1] heeft gewonnen door met haar meerdere bouwprojecten te bezoeken, door contracten te tekenen en door een affectieve relatie met haar aan te gaan om vervolgens haar netwerk binnen te dringen en aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] te bewegen tot het afgeven van goederen, te weten een auto (Audi), een geldbedrag en grote hoeveelheden kleding.

De rechtbank is weliswaar van oordeel dat van de zijde van de aangevers sprake is geweest van enige naïviteit – zo is nimmer de identiteit van verdachte gecontroleerd en zijn zonder aanbetaling of controle van de kredietwaardigheid van verdachte goederen afgegeven met een forse waarde – maar niet kan worden gezegd dat de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de slachtoffers aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte deze onjuiste voorstelling van zaken heeft gecreëerd door het vertrouwen van aangever [slachtoffer 1] te winnen, op slinkse wijze haar netwerk binnen te dringen, valse informatie te geven, toezeggingen te doen, contracten te tekenen en zelfs zijn eigen zoon in zijn web van leugens te betrekken.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en is van oordeel dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hierna bewezen is verklaard. Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank meer in het bijzonder dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 75.000,00 weliswaar niet is afgegeven aan verdachte – dit bedrag is gestort op de derdengeldrekening van een notaris ten behoeve van de verkoper van de woning aan [adres 2] – , maar dat naar het oordeel van de rechtbank wel sprake is van het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, in die zin dat dit heeft bijgedragen aan de strategie van verdachte om een bepaald imago te creëren.

Ten aanzien van feit 5 overweegt de rechtbank meer in het bijzonder dat zij acht komen vast te staan dat de door aangever [slachtoffer 5] overgelegde Whatsapp gesprekken (p. 250 e.v. van het dossier) zijn gevoerd met verdachte, nu verdachte zich bij de politie ten aanzien van dit feit heeft beroepen op zijn zwijgrecht en ter terechtzitting niet aanwezig was om een verklaring af te leggen, terwijl de raadsman geen verweer op dit punt heeft gevoerd.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

T.a.v. feit 1:

in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 28 januari 2019 in Nederland, meermalen,

telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens en het aangaan van een schuld, te weten

- de afgifte van haar bankpas met bijbehorende pincode en haar rekeningtegoed en

- de afgifte van een geldbedrag ad 75.000 euro en

- het op haar naam zetten van een auto en

- het ten behoeve van voornoemde auto afsluiten van een autoverzekering en het voldoen van verzekeringspremies en

- het ten behoeve van voornoemde auto voldoen van wegenbelasting,

door

- zich tegenover die [slachtoffer 1] uit te geven voor en voor te doen als [persoon] en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij bij het bedrijf [naam 1] heeft gewerkt en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij zeer vermogend is, omdat hij een uitvinding bij het bedrijf [naam 1] heeft gedaan en

- tegen die [slachtoffer 1] -bij de aankoop van panden/vastgoed- te zeggen dat hij zijn paspoort niet wil overleggen omdat hij in het verleden ontvoerd is en daarom anoniem wil blijven en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat zijn, verdachtes, bankpas in een put was gevallen en hij, verdachte, hierdoor niet over zijn geld kon beschikken en

- bij de aankoop van voornoemde auto tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat deze auto op naam van zijn, verdachtes, stichting moet komen te staan, maar dat deze stichting nog niet is opgericht;

T.a.v. feit 2:

in de periode van 13 december 2018 tot en met 25 januari 2019 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een grote hoeveelheid kleding (ten bedrage van 11.000 euro), door

- zich tegenover die [slachtoffer 2] uit te geven voor en voor te doen als [persoon] en

- tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij miljonair is en

- tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij patent heeft op een formule bij het bedrijf [naam 1] en hij, verdachte, door [naam 1] is uitgekocht en

- tegen die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij in Frankrijk woonachtig is;

T.a.v. feit 3:

in de periode van 1 december 2018 tot en met 20 december 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een auto (van het merk Audi), door

- zich tegenover die [slachtoffer 3] uit te geven voor en voor te doen als [persoon] en

- bij de aankoop van voornoemde auto tegen die [slachtoffer 3] te vertellen dat hij, verdachte, deze auto aankoopt ten behoeve van zijn bedrijf [naam 4] en dat hij, verdachte zich nog niet in Nederland had gevestigd en de auto zodoende tijdelijk ten name van [slachtoffer 1] moet worden gezet en dat hij, verdachte, even, voor ongeveer een week, niet in het bezit is van een bankpas;

T.a.v. feit 4:

in de periode van 9 juli 2018 tot en met 4 oktober 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een geldbedrag van 10.000 euro, door

- zich tegenover die [slachtoffer 4] uit te geven voor en voor te doen als [persoon] en

- tegen die [slachtoffer 4] te vertellen dat hij, verdachte, zeer vermogend is als gevolg van de verkoop van een patent van het bedrijf [naam 1] en

- tegen die [slachtoffer 4] te vertellen dat hij, verdachte, woonachtig is aan [adres 1] en

- tegen die [slachtoffer 4] te vertellen dat zijn, verdachtes, echtgenote ernstig ziek is en hij, verdachte, rekeningen van haar ziekenhuisopnames niet kan voldoen omdat zijn geld vast staat in [adres 1] en (vervolgens) die [slachtoffer 4] te vragen of hij hem, verdachte, een geldbedrag van 10.000 euro kan lenen en (daarbij) die [slachtoffer 4] toe te zeggen dat hij, verdachte, dit geldbedrag terug zou betalen zodra hij, verdachte, weer over zijn geld kan beschikken;

T.a.v. feit 5:

in de periode van 10 september 2018 tot en met 25 oktober 2018 in Nederland, meermalen,

telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 5] telkens heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een grote hoeveelheid kleding (in totaal ten bedrage van 7395 euro), door

- zich tegenover die [slachtoffer 5] uit te geven voor en voor te doen als [persoon] en

- tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij, verdachte, een enorm vermogen had door de uitvinding van een lens voor [naam 1] en

- tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij, verdachte, woonachtig is aan [adres 1] en

- bij de eerste aankoop van voornoemde kleding tegen die [slachtoffer 5] te vertellen dat hij geen pasjes bij zich heeft en op dat moment zijn, verdachtes, zwager te bellen en zijn zwager telefonisch opdracht te geven het geldbedrag over te maken aan die [slachtoffer 5] en

- bij de tweede aankoop van voornoemde kleding tegen die [slachtoffer 5] te zeggen dat zijn, verdachtes, zwager het aankoopbedrag van de eerste koop heeft voldaan aan die [slachtoffer 5] .

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat verdachte gedurende een langere periode meerdere slachtoffers financieel heeft benadeeld en hun vertrouwen heeft beschaamd.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen voor wat betreft de posten ‘betaling borgsom aankoop pand’ en ‘schade als gevolg van uitlenen bankpas’ en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe te wijzen tot een bedrag van € 29.230,00 waarbij de officier van justitie de BTW in mindering heeft gebracht op het gevorderde.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe te wijzen tot een bedrag van € 10.000,00 en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht bij de eventuele strafoplegging beperkt rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, omdat dit langer geleden is. De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten ter zake van fraude die gebaseerd zijn op de hoogte van het benadelingsbedrag. Bij een benadelingsbedrag tussen € 125.000,00 en € 250.000,00 is een gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden passend.

De raadsman heeft zich – in het geval van een bewezenverklaring – ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de post ‘schade als gevolg van uitlenen bankpas’. De raadsman heeft verzocht de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft ten aanzien van de post ‘betaling borgsom aankoop pand’ aangevoerd dat het betreffende bedrag is gestort op de derdengeldrekening van een notaris en dat niet vaststaat dat de benadeelde dit bedrag niet terugkrijgt in het kader van de civiele procedure. De raadsman heeft ten aanzien van de posten ‘afgesloten verzekering’ en ‘wegenbelasting’ aangevoerd dat de benadeelde deze posten vrijwillig voor haar rekening heeft genomen. De raadsman heeft ten aanzien van de post ‘betaalde verkeersboetes’ aangevoerd dat niet vaststaat dat verdachte deze boetes heeft veroorzaakt.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op grote schaal schuldig gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft het vertrouwen van de vijf slachtoffers ernstig beschaamd en aan hen grote financiële schade berokkend. Verdachte heeft formele stukken gefalsificeerd en het bestaan van het bedrijf van het slachtoffer [slachtoffer 5] in gevaar gebracht door, naast het afnemen van en niet betalen voor een grote hoeveelheid kleding, een valse investeringsbelofte te doen. Verdachte is er niet voor teruggeschrokken een affectieve relatie met het slachtoffer [slachtoffer 1] aan te gaan en op die wijze ernstig misbruik van haar te maken. De rechtbank vindt het zeer kwalijk dat verdachte heeft verzonnen dat hij lijdt aan een ernstige ziekte en zelfs zijn eigen zoon in zijn web van leugens heeft betrokken.

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld waarbij forse gevangenisstraffen zijn opgelegd en die hem er kennelijk niet van hebben weerhouden zijn criminele gedrag voort te zetten. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat verdachte een gewetenloze rasoplichter is die hardnekkig door blijft gaan met het maken van slachtoffers.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en de officier van justitie bij de eis met name onvoldoende oog heeft gehad voor de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht daarop in mindering wordt gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1).

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. De rechtbank overweegt ten aanzien van de post ‘betaling borgsom aankoop pand’ dat dit bedrag is gestort op de derdengeldrekening van een notaris ten behoeve van de verkoper van de woning aan [adres 2] , dat de verkoper recht heeft op dit bedrag nu de verkoop van de woning aan verdachte niet is doorgegaan en dat de benadeelde dit bedrag in het kader van de civiele procedure niet terug heeft ontvangen. Ten aanzien van de posten ‘afgesloten verzekering’ en ‘wegenbelasting’ overweegt de rechtbank dat zij deze voor toewijzing vatbaar acht gelet op de bewezenverklaring van de onderdelen van de tenlastelegging die daarop betrekking hebben. Ook de post ‘betaalde verkeersboetes’ acht de rechtbank toewijsbaar, nu deze schade een rechtstreeks gevolg betreft van het strafbare feit. De rechtbank acht tot slot de post ‘schade als gevolg van uitlenen bankpas’ toewijsbaar gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] inhoudende dat zij de bankpas aan verdachte heeft gegeven en zij daar zelf niet over beschikte, terwijl verdachte inhoudelijk niets tegenover die aangifte heeft gesteld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3).

De rechtbank acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van

€ 24.793,39. Dit bedrag is het verschil tussen de verkoop- en de inkoopwaarde van de auto, te weten een bedrag van € 30.000,00, met daarop in mindering gebracht 21% BTW. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft het meer gevorderde.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4).

De rechtbank acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van

€ 10.000,00 ter zake van de post ‘lening verstrekt’. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ter zake van de post ‘gefactureerde uren dienstverlening’, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal telkens bepalen dat het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict – in dit geval telkens de einddatum van de ten laste gelegde periode – tot de dag der algehele voldoening.

Kosten

De rechtbank zal verdachte telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag telkens tevens de schadevergoedings-maatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is weergegeven.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank telkens bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Samenloop schadevergoedingsmaatregelen

Aan verdachte is een aantal maal de schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een totaalbedrag dat bij toepassing van de gebruikelijke toekenningsregels voor gijzeling de termijn van 365 dagen te boven zou gaan. Om die reden heeft de rechtbank het aantal dagen gijzeling naar rato bepaald.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 57, 60a, 326 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

oplichting

T.a.v. feit 3:

oplichting

T.a.v. feit 4:

oplichting

T.a.v. feit 5:

oplichting, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

[slachtoffer 1] , van een bedrag van € 98.132,31, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 219 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van

€ 98.132,31, bestaande uit materiële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 3:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

[slachtoffer 3] , van een bedrag van € 24.793,39, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 95 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 24.793,39, bestaande uit materiële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 4:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4], van een bedrag van € 10.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 51 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van € 10.000,00, bestaande uit materiële schade.

De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. L.R.H. Koekoek en mr. I.E.M.M. Haenen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 20 augustus 2021.