Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:410

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
03-02-2021
Zaaknummer
01/993265-19 RK 20/1914
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het klaagschrift strekt tot opheffing van zowel het op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag. Bij de beoordeling heeft de rechtbank betrokken het bepaalde bij en krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Klaagster is aan te merken als een instelling als in de Wwft bedoeld. Klaagster kan aldus bekend worden verondersteld met het bepaalde bij en krachtens de Wwft. De reële kans dat een of meer van de hiervoor bedoelde bepalingen van de Wwft door klaagster niet zijn nageleefd acht de rechtbank, ook tegen de achtergrond van de doelstellingen van de Wwft, een concrete aanwijzing dat zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv. De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01.993265.19

RK-nummer: 20/1914

Beslissing ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering

Deze beschikking betreft een op 29 oktober 2020 ter griffie van deze rechtbank ingediend klaagschrift, als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster] ,

gevestigd te [adres 1] ,

woonplaats kiezende te [adres 2] , ten kantore van mr. L.J.L.M. Dacier.

Inleiding

Het klaagschrift strekt, zo begrijpt de rechtbank, tot opheffing van zowel het op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag op

een personenauto van het merk Audi, type SQ7, voorzien van [kenteken] , hierna ook: de Auto,

en teruggave daarvan aan klaagster.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de betrekkelijke stukken.

Het klaagschrift is op 15 januari 2021 in openbare raadkamer behandeld.

Ter zitting van de openbare raadkamer zijn de heer [persoon] (vertegenwoordiger van klaagster) en mr. L.J.L.M. Dacier en mr. S.X.J. Zuidema (raadslieden van klaagster) telefonisch gehoord.

De beslagene, [beslagene 1] , alsmede [beslagene 2] (hierna: de BV) zijn, ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Beslagene heeft via een medewerker van de penitentiaire inrichting waar hij thans verblijft telefonisch aan de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik wenste te maken van de ten behoeve van hem beschikbare telehoorverbinding vanuit de penitentiaire inrichting.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering verlangt dat zowel het beslag op grond van artikel 94 Sv als het beslag op grond van artikel 94a Sv wordt voortgezet. De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het in deze gaat om een koop op afbetaling, [beslagene 1] eigenaar is geworden. De officier van justitie acht het, mede gelet op het voorgaande, niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de Auto verbeurd zal verklaren of zal komen tot het opleggen van een geldboete of een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden opgeheven en de personenauto dient te worden teruggegeven aan klaagster, nu er geen sprake meer is van een belang dat het voortduren van het beslag rechtvaardigt. Klaagster heeft zich voorts gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ter zake van de Auto sprake is van een huurkoopconstructie tussen klaagster en beslagene, zodat klaagster redelijkerwijs als eigenaar kan worden aangemerkt. Klaagster stelt voorts dat zij door het voortduren van het beslag onevenredig zwaar wordt getroffen.

De rechtbank stelt, mede aan de hand van hetgeen door de vertegenwoordiger van klaagster ter zitting is verklaard, de volgende feiten en omstandigheden vast. Klaagster maakt (onder meer) zijn bedrijf van het verhuren (al dan niet in de juridische vorm van huurkoop, de rechtbank zal hierna gemakshalve spreken van verhuur) van auto’s, met name in het duurdere prijssegment. Medio 2019 is met betrekking tot de lease van auto’s een mantelovereenkomst gesloten tussen klaagster en [beslagene 2] (hierna: de BV), neergelegd in de Mantelovereenkomst Personenauto gedateerd 1 juni 2019. Namens de BV heeft beslagene de overeenkomst ondertekend. Tussen de BV en klaagster is vervolgens ook een huurovereenkomst gesloten voor een personenauto, met een looptijd van 36 maanden. In 2020 - ongeveer een jaar en dus ruimschoots vóór het einde van de looptijd van deze eerste huurovereenkomst - heeft beslagene bij een autodealer, garage [bedrijfsnaam] (hierna: de dealer), de wens te kennen gegeven om de Auto te leasen, waarbij zijn voorgaande auto zou worden ingeruild. De dealer heeft vervolgens klaagster benaderd voor het tot stand brengen van een huurovereenkomst tussen beslagene en klaagster. Daarop is tussen partijen ten behoeve van de lease van de Auto een huurovereenkomst gesloten, verwoord in de ‘huurovereenkomst personenauto’ gedateerd 26 mei 2020. Namens de BV heeft beslagene de overeenkomst ondertekend. De looptijd van de overeenkomst is 24 maanden. Klaagster heeft het te financieren bedrag aan de dealer betaald. Beslagene heeft vervolgens bij de dealer een aanbetaling gedaan van € 84.102,90 ten behoeve van klaagster. Klaagster is niet bekend hoe beslagene deze aanbetaling heeft verricht, in het bijzonder niet of al dan niet sprake is geweest van contante betaling. Bij het sluiten van laatstgenoemde huurovereenkomst is geen (rechtstreeks) contact geweest tussen klaagster en beslagene.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat op de auto zowel beslag op grond van het bepaalde in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als op grond van artikel 94a Sv rust.

De rechtbank beoordeelt eerst het beslag gegrond op artikel 94a Sv.

De officier van justitie heeft gesteld dat het beslag op grond van artikel 94a Sv strekt tot bewaring van het recht tot verhaal op beslagene voor een aan hem op te leggen geldboete of een aan hem op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ingevolge artikel 94a, eerste lid, Sv kunnen, in geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.

Ingevolge artikel 94a, tweede lid, Sv kunnen, in geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ingevolge artikel 94a, vierde lid, Sv, voor zover hier relevant, kunnen voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.

Niet in geschil is, zoals door de officier van justitie gemotiveerd is gesteld, dat ten aanzien van beslagene sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Klaagster is een ander persoon dan beslagene. Dit maakt dat de rechtbank zich vervolgens voor de vraag ziet gesteld of buiten redelijke twijfel staat dat klaagster als eigenaar van de Auto moet worden aangemerkt.

Gelet op de zich in het dossier bevindende schriftelijke overeenkomsten met betrekking tot de Auto (hierna: de overeenkomsten), in het bijzonder de artikelen 1.3, 1.5 en ook 5.1 van de ‘tussen klaagster en beslagene gesloten ‘mantelovereenkomst personenauto’, alsmede de onweersproken stelling van klaagster dat het kenteken van de Auto op naam van klaagster staat, bijeengenomen, is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat klaagster eigenaar is van de Auto. Artikel 6 van de tussen klaagster en beslagene gesloten ‘huurovereenkomst personenauto’ - waarop de officier van justitie heeft gewezen ter bestrijding van het standpunt van klaagster dat zij eigenaar is - doet hieraan niet af. Ook in dit artikel is immers, zie de eerste volzin, uitgangspunt dat pas sprake is van overname (de rechtbank leest: eigendomsoverdracht) van de Auto door beslagene van klaagster aan het einde van deze (looptijd van de) overeenkomst.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of zich in dit geval de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv voordoet. Aldus dienen in dit geval voldoende aanwijzingen te bestaan dat de auto aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van de auto te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden. Bij deze beoordeling acht de rechtbank het volgende relevant.

Tussen klaagster en de (vertegenwoordiger van de) BV is geen contact geweest met betrekking tot de aankoop van de Auto. De verwerving van de Auto is kennelijk geheel afgewikkeld tussen de BV en de dealer enerzijds en de dealer en klaagster anderzijds. De BV en beslagene zijn ook niet ter zitting verschenen en ook anderszins is uit het dossier en het verhandelde ter zitting geen informatie beschikbaar over het doel van de BV om met betrekking tot de Auto een overeenkomst met klaagster aan te gaan. Veelal is, zo mag van algemene bekendheid heten, een belangrijke of de belangrijkste beweegreden om een voertuig te leasen de financiering van de aankoopprijs of een (aanmerkelijk) deel daarvan. Deze beweegreden kan in dit geval echter niet zonder meer aanwezig worden geacht, gelet op het feit dat de BV blijkens de overeenkomsten een opvallend hoog bedrag, van meer dan € 84.000, ongeveer 50 procent van de fiscale waarde van de auto, heeft aanbetaald. Verder is het van algemene bekendheid te achten dat criminelen zich met enige regelmaat bedienen van constructies die ertoe strekken de mogelijkheden tot verhaal door de strafrechtelijke autoriteiten te bemoeilijken of te verhinderen door goederen van hoge waarde, al dan niet door middel van een schijnconstructie, aan een andere persoon over te dragen. Dat in dit geval, bij een personenauto met een fiscale waarde van ongeveer € 168.000, sprake is van een goed met een (zeer) hoge waarde is duidelijk.

Bij de beoordeling heeft de rechtbank verder betrokken het bepaalde bij en krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Klaagster is aan te merken als een instelling als in de Wwft bedoeld. Klaagster kan aldus bekend worden verondersteld met het bepaalde bij en krachtens de Wwft.

In artikel 3 van de Wwft is het cliëntenonderzoek geregeld. De rechtbank acht gelet op de inhoud van dit artikel het een reële mogelijkheid dat klaagster bij het aangaan van de huurovereenkomst met betrekking tot de auto had dienen over te gaan tot het verrichten van dergelijk cliëntenonderzoek naar de BV. Uit de stelling van klaagster dat zij bij het sluiten van deze huurovereenkomst geen contact heeft gehad met de BV leidt de rechtbank echter af dat klaagster met betrekking tot de huurovereenkomst rond het sluiten ervan geen cliëntenonderzoek heeft verricht. De rechtbank beschikt voorts niet over aanwijzingen dat nadien alsnog cliëntenonderzoek heeft plaatsgevonden. Bovendien stelt klaagster zich door zich niet op de hoogte te stellen van de wijze waarop eerdergenoemde aanbetaling ten behoeve van klaagster is verricht (contant of anderszins) bloot aan de reële mogelijkheid dat zij de in artikel 16, eerste lid, van de Wwft neergelegde meldplicht voor ongebruikelijke transacties niet naleeft.

De reële kans dat een of meer van de hiervoor bedoelde bepalingen van de Wwft door klaagster niet zijn nageleefd acht de rechtbank, ook tegen de achtergrond van de doelstellingen van de Wwft, een concrete aanwijzing dat zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv.

Gelet op het voorgaande, bijeengenomen, is de rechtbank van oordeel dat zich in dit geval de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv voordoet.

De stelling van klaagster dat het voortduren van het beslag haar onevenredig zwaar treft is voorts niet onderbouwd, zodat de rechtbank reeds hierom aan deze stelling voorbijgaat.

Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard. Van een vergoeding van kosten kan reeds hierom geen sprake zijn, zodat het daartoe strekkende verzoek van klaagster zal worden afgewezen.

Aan beoordeling van het beslag op de auto voor zover dit is gegrond op artikel 94 Sv komt de rechtbank niet toe.

DE BESLISSING

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beklag ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek van klaagster tot vergoeding van kosten af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. T. van de Woestijne, rechter,

in tegenwoordigheid van G.F.J. Groenendaal, griffier en is uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 29 januari 2021.