Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2021:4036

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2021
Datum publicatie
29-07-2021
Zaaknummer
8804996 CV EXPL 20-6631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak na deelgeschil. Snede toegebracht in wang kind tijdens spoedsectio. Geen reden om terug te komen op de beslissing die in deelgeschil genomen is. Ziekenhuis is aansprakelijk voor de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0637
JA 2021/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats [plaats]

Zaaknummer: 8804996 \ CV EXPL 20-6631

Vonnis van 29 juli 2021

in de zaak van:

de stichting Catharina Ziekenhuis,

gevestigd te [plaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.S.E. van Beurden,

tegen:

1 [vader] ,

2. [Moeder],

beiden in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kind [kind] ,

allen wonende te [plaats] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. F.B. van Batenburg (toevoeging: 3LB2804).

Eisende partij worden hierna “het ziekenhuis” genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk “ [vader] ”, “ [Moeder] ” en “ [kind] ” genoemd en gezamenlijk “ [vader] c.s.”.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1.

Het verdere verloop van het geding blijkt uit het volgende:

  • -

    het tussenvonnis van 18 februari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 29 juni 2021.

1.2.

Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 24 mei 2017 is [kind] , de zoon van [vader] en [Moeder] , door middel van een spoedkeizersnede geboren in het ziekenhuis.

2.2.

Tijdens de keizersnede is door de gynaecoloog een snede veroorzaakt in de wang van [kind] .

2.3.

[vader] c.s. hebben het ziekenhuis aansprakelijk gesteld en het ziekenhuis heeft de aansprakelijkheid afgewezen. Vervolgens zijn [vader] c.s. een deelgeschilprocedure gestart.

2.4.

Op 17 december 2019 is er een beschikking gewezen in de deelgeschilprocedure waarin, voor zover hier van belang, het volgende is overwogen:

“(…) 4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het ziekenhuis in dit geval niet aan haar verzwaarde motiveringsplicht voldaan. Mede gelet op het door [vader] c.s. overgelegde medisch advies heeft het ziekenhuis haar betwisting onvoldoende handen en voeten gegeven. Het ziekenhuis heeft namelijk onvoldoende toegelicht wat in dit geval van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog mag worden verwacht en waarom [naam 2] volgens het ziekenhuis in de gegeven omstandigheden daaraan heeft voldaan. Het ziekenhuis stelt zich kennelijk op het standpunt dat te diep incideren als gevolg waarvan een snede bij de baby ontstaat in zijn algemeenheid bij een spoedsectio als complicatie moet worden beschouwd en niet als onzorgvuldig handelen. Het ziekenhuis kan op dit punt echter niet volstaan met een ongemotiveerde betwisting van het oordeel van [naam 3] dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. [naam 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar een nadere toelichting gegeven die inhoudt dat in dit geval tegen zijn verwachting in sprake was van een dunne baarmoederwand en dat je in een spoedsituatie niet precies voelt hoe het kindje ligt, maar daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter toch een onvoldoende lezing gegeven van wat tijdens de medische behandeling is voorgevallen, welke mate van spoed was vereist en wat onder die omstandigheden van een gynaecoloog mag worden verwacht. Het ziekenhuis heeft dus – gelet op de toegebrachte snede bij [kind] die ook volgens [naam 2] niet de bedoeling was – onvoldoende toegelicht waarom in dit geval sprake is van handelen binnen de zorgvuldigheidsnorm die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog mocht worden verwacht. De verwijzing naar uit onderzoek naar voren gekomen percentages van gevallen waarin bij een (spoed)sectio een snede bij de baby is opgetreden kan het ziekenhuis daarbij niet baten. Deze percentages (van minder dan 3 %) geven namelijk op zichzelf geen uitsluitsel over de vraag waar het in deze procedure om gaat, namelijk of de snede werd toegebracht als gevolg van onzorgvuldig handelen door de behandelend gynaecoloog. De aangehaalde onderzoeken zijn door het ziekenhuis ook niet overgelegd. De kantonrechter ziet zonder nadere toelichting door het ziekenhuis dan ook niet in welke conclusies aan het aangehaalde onderzoek kunnen worden verbonden voor dit concrete geval. Voor zover het ziekenhuis wenst te betogen dat deze percentages betekenen dat een snede in het lichaam van de baby bij een spoedkeizersnede niet het gevolg kan zijn van onzorgvuldig handelen, heeft zij dat eveneens onvoldoende toegelicht.

4.5.

Het gevolg van het voorgaande is dat de stellingen van Van [vader] c.s. als onvoldoende gemotiveerd betwist op de voet van art. 149 Rv als vaststaand worden aangenomen (Hoge Raad 15 december 2006, NJ 2007/203). Deze deelgeschilprocedure leent zich immers niet voor een andere sanctie op het niet naleven van de verzwaarde motiveringsplicht (omdat deze procedure zich niet leent voor bewijslevering). Daarmee is in deze deelgeschilprocedure voldoende vast komen te staan dat sprake is van handelen in strijd met de hiervoor weergegeven zorgvuldigheidsnorm en dus van een tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Het ziekenhuis is daarom aansprakelijk voor de door [kind] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de snede. De verzochte verklaring voor recht kan in die zin worden gegeven. (…)”

2.5.

Het ziekenhuis is bij de beschikking van 17 december 2019 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.500,00 als voorschot op het smartengeld en € 7.380,00 aan kosten. Het ziekenhuis heeft deze bedragen betaald aan [vader] c.s.

3 Het geschil

3.1.

Het ziekenhuis vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis ter zitting;

  1. te verklaren voor recht dat het ziekenhuis niet aansprakelijk is voor de schade van [vader] c.s. die het gevolg is van de sectio op 24 mei 2017;

  2. te verklaren voor recht dat het ziekenhuis niet is gehouden de schade die [vader] c.s. stellen te hebben geleden als gevolg van de sectio te vergoeden;

  3. [vader] c.s. te veroordelen tot terugbetaling van de buitengerechtelijke kosten en kosten van de deelgeschilprocedure (€ 7.380,65);

  4. [vader] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.

Het ziekenhuis legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Op grond van art. 1019cc lid 1 Rv is een rechter in de bodemprocedure in principe gebonden aan de beslissingen in een deelgeschilprocedure. In geval de beslissing echter berust op een onjuiste juridische grondslag kan er teruggekomen worden van een eerdere beslissing. Volgens het ziekenhuis is hiervan sprake. In de deelgeschilprocedure is door de kantonrechter in rechtsoverweging 4.4. een onjuiste invulling gegeven aan de op het ziekenhuis rustende verzwaarde motiveringsplicht. Deze verzwaarde motiveringsplicht gaat niet zo ver dat van het ziekenhuis verwacht mag worden dat zij aangeeft waarom aan de norm van het goed hulpverlenerschap is voldaan. Van het ziekenhuis mag in het kader van de verzwaarde motiveringsplicht, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, enkel verwacht worden dat het medisch dossier wordt overgelegd, waar nodig aangevuld met een nadere toelichting van de behandelend arts. Hieraan heeft het ziekenhuis voldaan. De conclusie van de kantonrechter dat het ziekenhuis niet aan de deze verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan is dan ook onjuist en gegeven op onjuiste juridische gronden. Het oordeel van de kantonrechter dat de stellingen van [vader] c.s. als onvoldoende gemotiveerd betwist op de voet van art. 149 Rv als vaststaand aangenomen moeten worden kan daarom niet meer standhouden. In deze bodemprocedure kan daarom, met juiste toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast, alsnog de vraag over het onzorgvuldig handelen van de gynaecoloog beantwoord worden. [vader] c.s. hebben niet gesteld waaruit het vermeend onzorgvuldig handelen van de gynaecoloog heeft bestaan. De enkele verwijzing naar het advies van [naam 3] is daartoe onvoldoende. Nu [vader] c.s. hun stelling dat er onzorgvuldig gehandeld is door de gynaecoloog onvoldoende onderbouwd en niet bewezen hebben, kan het oordeel dat er onzorgvuldig gehandeld is door de gynaecoloog, waardoor het ziekenhuis aansprakelijk is, niet in stand blijven.

3.2.

[vader] c.s. voeren het volgende verweer. Het ziekenhuis richt zich alleen op de onjuiste juridische grondslag, zodat erkend wordt dat geen sprake is van feitelijke onjuistheden die ten grondslag liggen aan de beslissing. Er worden ook geen nieuwe feiten aangereikt. De aanvoerde standpunten en de daarop gebaseerde vorderingen dienen als een verkapt hoger beroep te worden beschouwd. Dit had ook in het deelgeschil aangevoerd kunnen worden en dit heeft het ziekenhuis nagelaten. Een onjuiste juridische grondslag kan niet tot heroverweging van een beslissing leiden. De vordering van het ziekenhuis moet daarom afgewezen worden. Daarbij geldt ook dat er door de kantonrechter geen onjuist juridisch oordeel gegeven is over de verzwaarde motiveringsplicht. De annotaties waar het ziekenhuis naar verwijst zijn niet meer dan een interpretatie en bevatten geen voorschrift over de uitleg waaraan de rechter zich moet conformeren.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van art. 1019cc Rv is de rechter in de bodemprocedure in beginsel gebonden aan beslissingen in de deelgeschilprocedure voor zover deze zien op de materiële rechtsverhouding van partijen (bijvoorbeeld over de aansprakelijkheid). In een bodemprocedure kan er teruggekomen worden op een beslissing die genomen is in de deelgeschilprocedure indien is gebleken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Daarvan is volgens het ziekenhuis sprake. [vader] c.s. hebben dit betwist.

4.2.

Overwogen wordt dat het ziekenhuis wordt gevolgd in haar stelling dat de rechter in de beschikking van 17 december 2019 is uitgegaan van een onjuiste invulling van de verzwaarde motiveringsplicht die op het ziekenhuis rust. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad houdt deze verzwaarde motiveringsplicht immers (slechts) in dat van een arts verwacht mag worden dat een zo nauwkeurig mogelijke lezing gegeven wordt van hetgeen tijdens de medische behandeling is voorgevallen en dat de arts de feitelijke gegevens verschaft waarover hij als arts de beschikking heeft of kan hebben (zie onder meer Hoge Raad 7 september 2001 ECLI:NL:HR:2001:ZC3657 en Hoge Raad 20 april 2007 ECLI:NL:HR:2007:BA1093). Dit betekent dat in de beschikking van 17 december 2019, voor zover daarin is overwogen dat het ziekenhuis in het kader van de verzwaarde motiveringsplicht onvoldoende heeft toegelicht wat in dit geval van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog mag worden verwacht en waarom [naam 2] daaraan heeft voldaan, een onjuiste invulling is gegeven aan de verzwaarde motiveringsplicht.

4.3.

Het voorgaande brengt echter niet mee dat het oordeel in de deelgeschilprocedure onjuist is en dat daarop moet worden teruggekomen. Hiertoe is het volgende redengevend. In de beschikking van 17 december 2019 is overwogen: “[naam 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar een nadere toelichting gegeven die inhoudt dat in dit geval tegen zijn verwachting in sprake was van een dunne baarmoederwand en dat je in een spoedsituatie niet precies voelt hoe het kindje ligt, maar daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter toch een onvoldoende lezing gegeven van wat tijdens de medische behandeling is voorgevallen […] ”. Hieruit blijkt dat de rechter in het deelgeschil bij een juiste invulling van de verzwaarde motiveringsplicht tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen. De kantonrechter constateert dat in deze bodemprocedure geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht over wat zich tijdens de medische behandeling heeft afgespeeld. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor een andere conclusie dan in de deelgeschilprocedure.

4.4.

Ter zitting is door het ziekenhuis de vordering tot terugbetaling van het door haar uitgekeerde voorschot van € 3.500,00 ingetrokken. Daarbij is door het ziekenhuis toegezegd dat zij dit in andere procedures ook niet meer zal terugvorderen van [vader] c.s.

4.5.

Het ziekenhuis wordt als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.6.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt het ziekenhuis in de kosten van de procedure, aan de zijde van [vader] c.s. tot heden vastgesteld op € 622,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag nadat het ziekenhuis schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;

veroordeelt het ziekenhuis in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 124,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast) te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de 15e dag nadat het ziekenhuis schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Janssen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2021.